XXX.

Het bal was bijzonder geanimeerd; de regent was een gulle, hartelijke

gastheer, die er op stond alles zoo Europeesch mogelijk in te richten;

vele van de landheeren uit den omtrek, de officieren van het naaste

garnizoen, de ambtenaren van de plaats zelve, en hun dames, die echter

in veel kleiner getal aanwezig waren, vulden de ruime galerij geheel.

In een oogwenk waren de balboekjes der dames gevuld; Corona had echter

bezwaren; zij kon er niet toe besluiten al haar dansen weg te geven,

zij wachtte, hield er eerst twee, later een open, maar toen de vragers

te talrijk werden moest zij ook over die twee beschikken.

Zij was niet bijzonder spraakzaam, en scherper en trotscher dan ooit;

dikwijls zag zij naar de buitengalerij. Eensklaps bedekte een gloeiend

rood haar wangen, zij had, leunende tegen een der pilaren van de

waranda, haar zwager Akkeveen herkend die op zijn gewone onaangename

manier druk lachte en praatte met Thoren van Hagen.

Deze scheen bijna evenveel pleizier te hebben; zij dronken samen en

waren onafscheidelijk; Corona gevoelde zich hoe langer hoe meer

geprikkeld. Was dat nu dezelfde man, die haar zoo flink en vriendelijk

terzijde had gestaan bij het ziekbed van Djario; zoo kiesch had hij ’t

aangelegd, dat zij zich volstrekt niet schaamde, tegenover hem in het

ongelijk te zijn, en nu gaf hij zich af met een onbeduidend ellendig

personage, als Akkeveen.

Dat hij met Portias goede vrienden was, kon zij desnoods aanzien, want

in den diepsten schuilhoek van haar hart moest zij zich bekennen, dat

Kitty’s man toch zoo kwaad niet was; eenmaal zelfs had zij zich zeer

welwillend jegens hem gezind gevoeld. Zij had zijn hulde schertsend

aangenomen en niet verworpen; hem liefhebben was natuurlijk nooit in

haar geest opgekomen maar toch, ’t was haar tegengevallen dat hij zijn

vruchteloos smachten naar het onbereikbare had opgegeven om zich zeer

prozaisch met de jongere zuster tevreden te stellen; wezenlijke grieven

had zij eigenlijk niet tegen den zachten, goedigen Portias, die Kitty

zoo innig gelukkig maakte.

Begon zij echter met hare grieven tegen Akkeveen op te sommen, dan

raakte zij zoo gauw niet uitgeput; zijn karakter deugde niet en zijn

gezelschap vond zij onverdragelijk. Dat nu Thoren van Hagen zich

daarmee tevreden stelde, in plaats van te dansen en haar in de

gelegenheid te brengen hem te bedanken.

Zeker onthaalde Akkeveen hem weer op dat onuitputtelijke onderwerp van

de Indische samenleving, de chronique scandaleuse der plaats, die in

Corona’s bijzijn nimmer mocht aangeroerd worden. O, dat cynieke

gegrijns, zij kende het te goed, daartusschen klonk nu Thoren’s

hartelijke, ronde lach.

Zij antwoordde haast niet op de welgemeende pogingen van haar

cavaliers, die reeds trotsch genoeg waren, de gunst van een dans te

hebben verkregen van de schoone prinses, dan dat zij het haar niet

gaarne zouden vergeven, als een harer koninklijke luimen haar

stilzwijgendheid voorschreef.

Behalve voor Thoren van Hagen had Corona ook aandacht voor Hermelijn.

»Hoor eens Conrad,” had zij haar man gezegd, »je danst ten minste twee

malen met mij,” en Hermelijn schreef haar naam op zijn boekje.

»Ik dans niet.”

»Met mij wel, ’t behoort zoo!”

En hij was op zijn beurt haar komen halen en zij hadden zeer behoorlijk

en deftig hun plicht vervuld.

Ieder vond Hermelijn allerliefst, heel wat anders dan haar trotsche

schoonzuster; zij had er slag van met heeren om te gaan. Zij was

vroolijk, geestig, mooi, en toch wist zij op een wijze, die zelfs den

losbandigste eerbied afdwong, ieder grenzen te stellen.

De avond was reeds half om, toen er een nieuwe gast binnentrad.

Hermelijn herkende onmiddellijk haar reisgenoot Simons.

’t Duurde eenigen tijd, voor hij door zijn brilletje heen, het voorwerp

zijner stille bewondering ontwaarde, maar toen verloor hij geen seconde

om haar te naderen.

»Me... vrouw!” begon hij haperend en van inwendige ontroering bevend.

»Ha meneer Simons, dat doet me pleizier eens weer aan de »Menado”

herinnerd te worden! Toevallig, dat we mekaar zien, is u in de buurt

geplaatst?”

’t Was niet mogelijk eenvoudiger en kalmer den jongen, opgewonden man

tot een recht besef van den toestand te brengen.

»Dat wil zeggen in de Kadoe. Ik ben op mijn reis derwaarts; ik heb

dezen kleinen omweg gemaakt enkel om...”

»Om de mooie streek te zien. Ja, ik begrijp ’t heel goed. ’t Is ook de

moeite waard; een prachtige natuur, vindt u niet? En hoe bevalt Indië

u?”

»Slecht, ik heb soms heimwee naar Holland en naar de »Menado”. Maar u

behoef ik het niet te vragen; uw van geluk stralend gelaat zegt genoeg

dat u al uw illusiën heeft vervuld gevonden.”

»Dat spreekt! Ik wilde dat ik mijn man zag. U wenscht zeker wel aan hem

voorgesteld te worden.”

»’t Zal mij een eer wezen, maar gunt u mij niet een enkel dansje?”

»Alles weg! U komt ook zoo laat.”

»Ik kon niet, een ongeluk aan den reiswagen...”

»Of mijn man moest zich opofferen, ik heb nog een dans van hem

genoteerd; daar komt mijn cavalier voor deze quadrille. U neemt me niet

kwalijk meneer Simons! tot straks!”

Zij verwijderde zich en toen de dans afgeloopen was, verzocht zij haar

cavalier Conrad de Géran op te zoeken; de jonge man zat in de

voorgalerij, door een paar jongelui omringd, maar hij sprak niet veel;

hij scheen verdiept in het beschouwen der dansende paren.

»Conrad,” zeide ze, hem terzijde nemend, »je bent zeker niet gesteld op

dien eenen dans met mij.”

»Wie vraagt er om?” vroeg hij barsch.

»Een controleur, die met mij de reis heeft gemaakt.”

»Hoe heet hij?”

»Simons.”

Conrad was doodsbleek geworden, zijn lippen trilden, zijn wenkbrauwen

fronsten zich en hij antwoordde met ingehouden drift:

»Ga je gang! ’t Kan me niets schelen, niets.”

»Dat wist ik wel!” hernam zij schijnbaar kalm, zich weer naar haar

cavalier wendend, en keerde met hem naar de galerij terug.

Het toeval wilde dat zij vlak langs Thoren van Hagen kwam; hij liet

Akkeveen varen, misschien blijde van hem ontslagen te zijn en volgde

haar al pratend naar binnen; zij ging naast Kitty op een soort van

Turkschen divan zitten en hij bleef voor haar staan.

»Ik bewonder den goeden smaak van uw toilet,” sprak hij.

»Hoe zoo?”

»Och, als ik er toe besluiten kon te dansen, zou ’t alleen met u

wezen.”

»Vanwaar komt mij die eer?” vroeg zij lachend.

»Bij de andere dames—mevrouw Portias ook uitgezonderd—is men bang een

vrouw aan te vatten, die bij nader inzien zou blijken een diamant, dus

een steen te zijn.”

»Vindt u die steenen dan niet mooi?” vroeg Kitty.

»Wel zeker, onder een stolp, of in een juweliersuitstalling.”

»Diamanten zijn voor het toilet van een vrouw, wat water is voor de

schoonheid van een landschap.”

»O ja, mevrouw Conrad, maar als er te veel water in een landschap kwam,

zou ik vreezen dat we het met een onhollandsch woord waterschap moesten

noemen.”

»Kitty, speld die strook eens vast.”

Met dien korten, gebiedenden toon naderde Corona haar zuster; zij had

even achter Thoren gestaan en dus het gesprek waarschijnlijk gehoord.

»Amuseert u zich, juffrouw de Géran?” vroeg Thoren van Hagen.

»Dol,” was het korte, spitse antwoord, »en u zal ik het maar niet

vragen,” ging zij na een poos voort.

»Ik vind zoo’n Indo-Europeesch bal alleramusantst.”

»Wie weet, hoeveel leelijke dingen u daarover zal gaan schrijven, want

de Hollanders zijn er altijd op uit, voordeelen van ons te trekken en

tot loon daarvoor maken ze ons belachelijk.

»Heb je gedaan Kitty? Ik ben niet van plan er nachtwerk van te maken,

reken er dus op met je dansen!”

Zij verwijderde zich trotsch, met het hoofd achterover geworpen.

»Een dans zal u niet meer vrij hebben, Hermelijn, ik bedoel, mevrouw,

maar wil u dit toertje nog met mij maken in afwachting van den nieuwen

dans?”

»Liever niet, ik zou nu gaarne wat uitrusten, mijnheer!”

Zij begonnen beiden te lachen over dien deftigen toon en toen Kitty

zich met Portias had verwijderd, zette hij zich naast haar neer.

»Uw schoonzuster is niet goed te spreken van avond,” zeide hij.

»Dat kan wel, ’t is misschien mijn schuld, maar ik kan ’t niet helpen.

Ik wil niet onder haar invloed komen, daarvoor acht ik haar niet

genoeg; ik heb haar geschenken afgewezen.”

»Ben je niet hard in je oordeel?” vroeg Thoren fluisterend.

»Ik weet het niet, ik weet alleen dat Conrad en ik ons ongeluk aan haar

danken.”

»Niets veranderd?”

»Niets.”

»En het zilveren randje niet duidelijker geworden, of ben ik

onbescheiden?”

»Neen, voltrekt niet! Ik ben moe van te hopen; o, je kunt niet gelooven

hoe eenzaam, hoe ongelukkig ik mij tusschen al die vroolijke menschen

gevoel.”

Simons kwam haar vragen of zij zich over hem ontfermde.

»Is dat mijnheer de Géran?” vroeg hij met een blik op Thoren van Hagen.

»Toevallig niet,” antwoordde zij en stelde hen aan elkander voor.

Zij zag niet, hoe Conrad op eenigen afstand van hen door Corona werd

aangehouden.

»Ik begrijp niet Conrad, hoe je met je vrouw handelt,” sprak zij, »je

kent ze nog zoo weinig. Wie is dat vreemde ventje, dat daar zoovele

complimenten tegen haar maakt, en wat zat die Thoren vertrouwelijk

naast haar. Hoe kun je dat aanzien?”

»’t Zal mijn zorg wezen, gaat je niet aan,” antwoordde hij bijna

snauwend.

Corona voelde zich van alle kanten achteruitgezet, vernederd en

gegriefd; hoe was toch alles in korten tijd zoo veranderd? Ieder scheen

haar te bespotten en te verachten.

Zij behield van dezen avond vol kwelling niets dan een herinnering als

aan een akeligen, verwarden droom, het was haar toch onmogelijk vóór

drie uur huiswaarts te keeren; lang vóór dien tijd was Thoren van Hagen

reeds verdwenen.

In haar kamer gekomen, waar Iteko nog zat te lezen, even wakker als

ware het in den vooravond, was het Corona’s eerste werk, aan haar drift

op echt Javaansche wijze lucht te geven. Zij slingerde haar fijnen

mooien waaier ter aarde zonder er zich om te bekommeren dat deze in

stukken vloog, scheurde haar satijnen kleed open, rukte de diamanten

uit haar ooren en van haar hals en wierp ze over de tafel, terwijl

Iteko doodkalm als iemand, die nog veel wonderlijker dingen heeft

gezien, alles een voor een opraapte en haar hielp zich te ontkleeden.

Nog voor dit echter ten einde was, viel Corona op de sofa neer en

barstte in een van haar hartstochtelijke snikbuien los; haar geheele

lichaam trilde, haar voeten stampten op den grond, haar lokken hingen

verward langs haar hals en schouders, zij balde haar handen en sloeg

zich daarmee voor de oogen. Zulk een heftige uitbarsting had zelfs

Iteko nog niet bijgewoond.

»Och juffrouw, kan u zich niet wat kalmeeren?” vroeg zij bedaard, »denk

dat mevrouw Portias en mevrouw Conrad hiernaast logeeren.”

»’t Kan me niets schelen,” kermde Corona, »niets, niets! ’t Zijn allen

lafaards, verraders, en jij hebt me in het ongeluk gestort Iteko, met

je ellendigen raad. Waarom heb ik die brieven geschreven op jou

aandringen?”

»Maar juffrouw, wie moest ze anders schrijven!”

»En nu heeft ze hem zeker alles verteld, die slang! en hij veracht mij

en ik kan er niets aan doen!”

»Drinkt u eens wat oranjebloesem, juffrouw! ’t Is toch uw schuld niet

en u heeft zelf erkend dat het ’t eenige middel zou zijn om juffrouw

Hermine over te halen.”

»Ik wist niet dat zij zoo was, dat zij.... o wat moet ze mij haten, mij

minachten. ’t Is zoo vreemd Iteko, dat de menschen mij den rug keeren,

ze doen ’t allen, zelfs die kwajongen van een Conrad!”

»Heeft mijnheer Thoren veel werk gemaakt van mevrouw Conrad?”

»Geloof je nog altijd, dat hij om haar zich hier gevestigd heeft?”

»Om wie anders! Mijnheer Conrad zou heel anders wezen, als zijn vrouw

hem wat minder uit de hoogte behandelde, maar zij laat hem voelen, dat

zij hem eigenlijk bij vergissing heeft getrouwd en alleen mijnheer

Thoren haar goed genoeg zou zijn.”

»O foei Iteko, ik kan ’t niet gelooven.”

»Ik heb u altijd geraden voorzichtig te zijn, juffrouw, zoowel voor

dien vreemden man als voor mevrouw uw schoonzuster!”

»Hadden we haar maar stil in Europa gelaten, Iteko! Ik ben zoo

ongelukkig, zoo diep ongelukkig; zou ’t waar zijn dat ik den rooden

hond gezien heb?”

Hermelijn · 第 36 / 67 题