XXIX.

De dag voor het feest in de hoofdplaats bestemd was aangebroken; reeds

den geheelen dag waren de dessabewoners in feestgewaad, met de kris op

zij, den nieuw beschilderden tjaping op het hoofd, langs alle

boschwegen naar het plaatsje samengestroomd.

Verscheidene leden van de familie de Géran hadden eveneens hun intrek

genomen in het geheel nieuw ingerichte woonhuis, dat zij op Soekarenga

bezaten, en dat bijna altijd een of meer hunner huisvesting verleende.

Tegen vier uur zou het steekspel beginnen; voor het huis van den regent

strekte zich ook hier, gelijk overal, een groot plein uit, door

tamarindeboomen omringd, en in welks midden een reusachtige waringin,

de heilige boom der Javanen, geplant was, die op zich zelf reeds een

klein bosch vormde, want zijn lange slingers reikten tot aan den grond,

vatten daar wortel en werden op hun beurt nieuwe stammen.

Een gedeelte van dat plein of, zooals de Javanen het noemen,

aloon-aloon was tot strijdperk ingericht; eenige tribunes waren voor de

Europeanen en voornaamste Inlandsche hoofden opgericht; de duizenden en

duizenden inlanders staan rondom langs den weg geschaard; de kooplieden

met hun draagbare gaarkeukentjes, hun verfrisschende dawet of

bedwelmende arak, hebben het druk; algemeene maar kalme vroolijkheid,

geheel verschillend van het luidruchtige dringen en woelen bij ons

Hollanders, heerscht in hunne rijen. Plotseling heerscht ademlooze

stilte. De feestoptocht verlaat den dalem van den regent.

De dorps- en afdeelingshoofden verschijnen eerst op hun vurige zwarte

paardjes gezeten; zij dragen den hoofddoek om het glimmende haar, in

den sarong, die halverwege den engsluitenden broek hangt, steekt een

kris, gewoonlijk een erfstuk uit oude tijden, de greep fraai besneden

uit hout of ivoor, versierd met zilver, goud en edelgesteenten; in de

hand houden zij de lans.

Ook de paarden zijn feestelijk getuigd, met zilveren kettingen, zijden

of fluweelen schabrakken; achter hen komt de regent met zijn Radhen

Ajoe, een schoone, slanke vrouw in zijden baadje en met goud bestikte

sarong, met groote diamanten in den kondé, aan de ooren en in de

braceletten, gevolgd door een paar zijner dochters. De gamelang

begeleidt met zijn klanken den feestelijken stoet, de familie van den

regent betreedt de tribune, waar nu ook de resident en de notabelen

plaats nemen.

De Javaansche ridders treden in het strijdperk; het is een opwekkend

gezicht, de zon speelt grillig in hun wapens en doet hun kleederen en

versierselen schitteren, de bonte kleuren van de sarongs en hoofddoeken

der mannen en de slendangs der vrouwen een schrille tegenstelling

vormend met het groene veld en de kroon van hooge boomen rondom het

plein; de ruime in de breedte uitgebouwde huizen met hun uitgestrekte

erven zijn als een schilderij, in een reusachtig raam omsloten door de

trapsgewijze opgaande heuvelen, en in het verschiet door den

blauwgroenen bergreus met zijn afgeplatten kruin.

De spelen zijn afwisselend genoeg; nu eens wedrennen dan

spiegelgevechten met de lans, een gedurige aanval en verdediging; een

kleine, leelijke dwerg zit op een opzettelijk daartoe verminkt paard

zonder staart of ooren. Als de nar aan de oude koningshoven, is hij

overal te vinden, waar hij spotten en springen kan; nu eens tuimelt hij

van het paard, dan springt hij een der ridders achterop, werpt zich

ruggelings op een der paarden en wekt door elk zijner buitelingen het

uitbundig gelach der talrijke toeschouwers op.

In de tribune van den regent zat Corona de Géran de Saint Paul naast de

Radhen-Ayoe, de dames hadden het druk met praten en zagen nauwelijks

naar de spiegelgevechten der ruiters, en de kluchtige sprongen van den

nar.

Met haar waaier wist Corona een uitstekend spel te spelen. Zij had die

aardigheden van den senènan al zoo dikwijls gezien dat het geen wonder

was, als zij er weinig aandacht aan wijdde. Zij was zeer bevriend met

de Regentsvrouw, een geboren Prinses, wat menigeen de goedkoope

aardigheid ontlokte dat soort altijd soort zoekt, want de trotsche

juffrouw de Géran, zei men, kon maar niet vergeten, dat zij eigenlijk

gravin geboren was en, hoewel zij haar broers en zusters links en

rechts uithuwelijkte aan wien haar goeddacht, vond zij voor zich zelf

een prins nauwelijks goed en groot genoeg.

Aan de andere zijde naast den Resident zag men de nieuwste

schoondochter, allerliefst in haar lichtgrijs kleedje, het lenteachtige

witte hoedje op de blonde lokken; een opgewekte glimlach om haar lippen

spelend. Als zij zon en leven en beweging zag, als zij muziek hoorde,

dan vergat Hermelijn spoedig haar verborgen leed en kon voor een

oogenblik weer schertsen en lachen als ware alles geluk rondom en in

haar.

Kitty zat naast haar, even lief en innig gelukkig als altijd, en

daardoor een scherpe tegenstelling vormend met de ontevredene

taankleurige Toetie, die in haar opzichtig, schreeuwerig toilet zeer

afstak bij haar elegante schoonzusters. De heeren stonden meer

achteraf, Thoren van Hagen ontbrak niet, evenmin als Conrad, die met

zijn gewone knorrige uitdrukking naar alles keek of naar niets, dat

wist niemand te zeggen. Akkeveen had zijn vrouw thuis gelaten, het ééne

kind was ziek en het andere lastig, daarbij merkte hij op een toon van

gezag aan:

»Een goede vrouw en een goede kat hooren t’huis. Ik zie het heel

ongaarne als een jonge vrouw haar genoegen buitenshuis zoekt. Dansen

komt voor een getrouwde dame gewoon niet te pas.”

»Van dat idée krijg je mij nooit, manneke!” sprak Kitty. »Als ik

ophield met dansen zou ’t zijn omdat...”

Een vochtige sluier dreef langs haar schitterende oogen en een ernstig

trekje teekende zich om haar lachend mondje.

»Foei, viooltje,” troostte Portias, »geduld! geduld! Wij doen het

gedistingueerd; ’t staat zoo ordinair, reeds dadelijk zijn huisje vol

te krijgen.

»Waarom zegent Onze Lieve Heer hen met zoo ruime hand en wij, die

getrouwd zijn uit liefde...”

»Waarom, waarom? Waarom haalt de een niets dan wanklanken en de ander

goddelijke melodieën uit zijn instrument? We mogen naar geen waarom

vragen, lieve, kleine Harp! Breng melodie in ons beider leven, dan

vraag ik niet naar minder harmonische geluiden.”

»Die ik liever hoor, zelfs dan jou compositiën,” zeide Kitty, haar

kopje aan zijn borst verschuilend.

De jongste mevrouw de Géran trok natuurlijk de algemeene aandacht.

»Zou ’t waar wezen dat haar huwelijk zoo ongelukkig is?” werd er

gevraagd, en de heeren antwoordden:

»Geen wonder! die slungel verdient ze niet. Ik geloof dat Guillaume

haar nog meer bewondert.”

»Je kunt niet weten, stille waters hebben diepe gronden; hij is

gesloten als een echt inlandsch kind.”

Gelukkig dat de arme, argelooze Hermelijn de vaak onkiesche

toespelingen niet hoorde, welke op haar gemaakt werden, en ook niet hoe

menigeen Thoren’s verblijf aan het meer met haar komst in verband

bracht.

Akkeveen, die er het zijne van dacht, wilde Thoren van Hagen op een

andere wijze prikkelen.

»Ik hoor, je hebt zoo goed als dokter gefungeerd,” zeide hij hem op

spottenden toon, »en met zulk goed succes!”

»Ja, de arme kerel is er geheel van opgekomen, hij was er slecht aan

toe.”

»Door ’t geknoei van mijn geëerbiedigde schoonzuster; die meid bemoeit

zich ook met alles, niemand mag er trouwen, sterven, of geboren worden

of zij is er bij. Maar ’t doet me pleizier dat ze een lesje heeft

gekregen, ofschoon als de vent er van door was gegaan, ’t beter zou

zijn geweest. Een nieuw bewijs tegen de emancipatie der vrouw!”

»Dat zie ik niet in,” antwoordde Thoren ernstig, »juffrouw de Géran zou

stellig een uitstekende dokter wezen als zij studiën had gemaakt,

tenminste als ge er op staat, emancipatie te noemen wat niets anders is

dan het recht van elk mensch om zijn roeping te volgen, waar hij die

meent te vinden.”

»En ge keurt dus dat dokteren van vrouwen goed?”

»Als er voor een stevige onderlaag studie gezorgd is, begrijp ik niet

waarom zij er minder toe geschikt zou zijn dan een man. Of gelooft u

misschien niet dat juffrouw de Géran, wat natuurlijke begaafdheden

betreft, hooger staat dan het gros der mannen?”

»Maar ’t past niet voor vrouwen,” merkte een ingenieurtje aan.

»Op dat punt ben ik onbevoegd te oordeelen,” antwoordde Thoren van

Hagen spottend.

Dit gesprek was door Portias gehoord, die ’t natuurlijk zijn Kitty

vertelde, en door haar kwam het Corona weer ter ooren.

Het steekspel was afgeloopen; de menigte ging langzaam uiteen; in de

pendoppo van den dalem—een groote overdekte plaats, zonder muren en van

alle zijden toegankelijk—zetten de regent met zijn familie zich neer,

omringd door de mindere hoofden; de ridders en andere voorname Javanen

kwamen hem hun opwachting maken; de avond viel in en op het ruime erf

hadden de tandak en topengspelen ten genoege van den minderen man

plaats. De muziek van de gamalang, die nu eens treurige, dan weer

opgewekte tonen deed hooren, en het schel geschreeuw der rongengs of

dansmeisjes begeleidde het eentonige verhaal, dat die gebaren van de

topengspelers vergezelde.

Deze spelen in de pendoppo en behooren tot de hoogere standen; zij

dragen hun nationale kleeding, zooals zij straks te paard reden, maar

hun gelaat is met een masker bedekt; zij spreken niet, doch voeren een

soort pantomime uit; een ander persoon geeft met een stokje het teeken

aan van hun gebaren, en verhaalt de geschiedenis, gewoonlijk een of

andere legende uit de oude Javaansche historie.

Ondertusschen werden in de voorgalerij de lichten opgestoken, daar zou

het bal voor de Europeanen plaats hebben.

De dames maakten haar toilet; op haar kamer gekomen, waar het licht

reeds opgestoken was, stond Hermelijn verbaasd, toen zij op het bed een

volledig baltoilet zag liggen in fijn bleekrood foulard, met

donkerblauwe bloemen versierd, een medaillon, bracelet en oorringen van

saffieren.

»Van wie komt dat,” vroeg Hermelijn koel aan het Javaansche meisje, dat

haar hielp kleeden.

»Korang priksa, njonja,” was het antwoord (Ik weet het niet).

Zonder een woord meer te zeggen, opende Hermelijn haar eigen koffer en

haalde er een zeer eenvoudig wit neteldoeksch met zwart lint opgemaakt

kleedje uit, dat zij uit Europa had meegebracht, en deed om haar hals

een eenvoudig zwart lint, waaraan een zwart email medaillon hing met

het portret haars vaders. Haar lange zwarte handschoenen reikten tot

haar ellebogen; juist was zij bezig ze aan te trekken toen Kitty

binnenkwam.

»Maar Mientje,” riep zij uit, »Mientje, wat scheelt je, ’t is of je in

halven rouw bent!”

»Heb ik dan reden om zulke mooie kleuren te dragen?” vroeg Hermelijn

met een droevigen blik.

»Maar lieveling, kijk zoo treurig niet, dat is geen balgezichtje,

straks was ik zoo blij toen ik je hoorde lachen.”

»Ik kan er niets aan doen; wanneer alles vroolijk om mij is, dan word

ik er ook door aangestoken, maar kom ik op mijn kamer terug, dan voel

ik weer hoe eenzaam, hoe diep ongelukkig ik ben naast den man, die mij

haat.”

»Kom, Conrad weet niet eens wat haat is; zoo’n stoute jongen, om zoo’n

lief Hermelijntje niet op te eten, zooals ik stellig zou doen, en velen

met mij. Maar heb je geen andere japon, heusch waar? Ik schaam mij in

mijn lichtblauw kleedje, ik oud-getrouwde vrouw. Wat is dat?”

En zij zag het compleete baltoilet.

»Van wie komt het?”

»Van Corona, denk ik; maar ’t kan mij niet schelen.”

»’t Is een verrassing van haar, zoo deed ze vroeger altijd met mij, die

goede tijd is nu voorbij. Trek het toch aan!”

»Neen!”

Zoo vastberaden klonk dat woord, dat Kitty geen poging meer aanwendde

om haar zuster tot andere gedachten te brengen.

»Wat een storm wacht je nog,” zeide zij alleen en sloop naar haar

kamer, om ’t Portias eens heel eventjes te vertellen, wat Hermelijn

durfde doen.

Mevrouw Conrad nam intusschen haar waaier en ging naar de pendoppo,

waar Akkeveen, Guillaume en Conrad stonden te praten; allen zagen haar

verbaasd aan, zij zag er allerliefst uit, maar haar eenige tooi waren

haar jeugd en frischheid.

»Conrad, maak mijn handschoen dicht, wil je?” verzocht zij op den

natuurlijksten toon der wereld.

Conrad voldeed aan haar verzoek, maar hij kon er niet goed mee overweg;

hij zag er uit of hij een zeer zwaar werk verrichtte, hij wist niet wat

zijn vingers scheelde, ’t was of zij beefden; gelukkig kwam de galante

Guillaume nader en kon er spoediger mee klaar komen.

»’t Is jammer, dat Europeanen niet meedoen in dat tournooi,” zeide hij,

»dan had ik uw kleuren gedragen, Blanche Hermine, wit en zwart als het

echte hermelijn.”

Zij gaf hem een speelsch tikje met haar waaier.

»Van alle Gérans verraad je ’t meest je Fransche afkomst, door je

complimenten.”

»Je hadt mij in mijn tijd moeten hooren, nu heb ik ze allen reeds

verbruikt bij Toetie.”

Een spottend gegrinnik steeg uit den luiaardstoel, waarin Akkeveen zoo

lui mogelijk uitgestrekt lag.

»Waarom heb je de diamanten niet omgedaan?” vroeg Conrad zoo kortaf als

hij maar kon.

»Ik wist niet dat je er op gesteld waart, Conrad! Ik ben ’t niet.”

»Hermine, wat hoor ik, ben je zoo’n fenixvogel?” vroeg Akkeveen, »dan

hoor je niet bij de Gérans t’huis; diamanten zullen ze koopen, vóór ze

brood hebben om te eten of een huis om te wonen.”

»Wie weet, hoe ik nog doen zou als ik voor de keuze stond,” wilde

Hermelijn zeggen, maar zij weerhield het woord.

»Je wilt Corona in volle pracht laten schitteren, zeer edelmoedig, je

twintig jaren winnen het toch reeds van haar dertig....”

Daar verspreidde zich een geur van duizend bloemen door het vertrek; de

stralen der lamp wierpen roode en blauwe lichten naar links en rechts.

»Haar Majesteit komt!” zeide Akkeveen, en zoo lui was hij niet of hij

richtte zich nog even op.

Inderdaad was Corona verblindend in haar goudgeel zijden kleed met

donkere rozen bezaaid, en behangen met diamanten; maar zij had toch

haar beau-jour niet, hetzij dat het geel haar niet kleurde, of om welke

andere reden ook.

»Hermelijn!” en haar gelaat verwrong zich toornig.

»Wat beteekent dat?”

»Wat?” vroeg het vrouwtje schijnbaar onnoozel.

»Zoo’n weesmeisjeskleeding.”

»De kleuren van het hermelijn,” zegt Guillaume, »wit en zwart, niets

beter dan dat!”

»En heb je niets op je kamer gevonden?”

»Wel zeker, een volledig toilet, bijna zoo mooi als ’t uwe.”

»En waarom je daarmee niet gekleed!”

»Ik heb liever een eenvoudig weesmeisjescostuum aan, dat ik me zelf

uitkoos, dan iets anders, dat men mij voorlegt.”

»En ik heb ’t zelf uitgekozen.”

»Ik twijfel er niet aan of ’t zal even uitstekend wezen als alles wat u

uitzoekt.”

Akkeveen liet weer zijn gewoon, hatelijk gegrinnik hooren.

»Dus je maakt er geen gebruik van. En die juweelen?”

»Dit medaillon is mij voldoende.”

»’t Is schande, je wil de zonderlinge spelen. Ik begrijp niet Conrad,

dat je ’t zoo aanziet en toestaat.”

»Zij moet weten wat zij doet!”

»Je bederft mij den geheelen avond.”

Hermelijn boog zich naar haar en fluisterde.

»U heeft mij meer bedorven! Ik wil uw geschenken niet.”

Corona zag haar met een mengsel van verontwaardiging en schrik aan; zij

werd doodsbleek en keerde zich om met de waardigheid van een beleedigde

vorstin, maar in haar hart voelde zij zich diep vernederd als nog nooit

te voren.

»Bravo, kleine heldin! Ik zou je een zoen voor je moed kunnen geven als

Conrad het toestaat!” riep Akkeveen, toen Corona weg was. »Waarlijk dat

doet me goed aan ’t hart.”

»Daarvoor heb ik ’t heusch niet gedaan Ak,” antwoordde Hermine

glimlachend, »en voor de belooning, die je mij toedenkt, nog minder.”

Hermelijn · 第 35 / 67 题