Toen Hermelijn in Djantong terugkwam, was haar man niet thuis; zij trad
binnen met het gevoel van een vogeltje, dat in zijn kooi terugkeert,
uit eigen wil, na eerst getracht te hebben in de vrije lucht te leven
en het daar even treurig, even somber vond als binnen.
Zij ging alle kamers door als zocht zij een spoor van hem, wiens beeld
haar geen oogenblik uit de gedachte week; zoo betrad zij ook zijn
kamer. Aan de muur hing het portret zijner moeder, eene schoone
peinzende vrouw, daaronder dat van een paar zijner zusters en
broers,—niets dat aan haar herinnerde; op tafel lagen boeken en cahiers
in echte jongensachtige verwarring door elkander.
Met licht verklaarbare nieuwsgierigheid wierp Hermelijn daarin een blik
en glimlachte; het waren Duitsche en Fransche leesboeken, die hij
scheen te bestudeeren. De Frithjofssage lag er tusschen, rijk met
potlood-aanteekeningen voorzien; hij scheen het er op gezet te hebben,
die te verstaan, ook teekeningen lagen daar half verspreid of half
weggeborgen in een portefeuille.
Conrad teekende uitstekend; zonder veel les te hebben gehad, slaagde
hij er in paarden en menschen vlug uit de hand weer te geven. Hermelijn
nam ze op en zag die kloek uitgevoerde schetsen bewonderend na, totdat
haar aandacht getrokken werd door een blad papier, waarop allerlei
losse schetsen waren neergeworpen, een vrouwekop, in verschillende
uitdrukkingen en van alle kanten weergegeven, kwam telkens en telkens
terug, als wanhoopte hij er aan, ooit in de uitvoering te slagen.
Het bloed steeg Hermelijn naar het hoofd; dat was zijzelf, er kon geen
twijfel mogelijk zijn; ondanks zijn schijnbare onverschilligheid was
Conrad’s geest toch met haar bezig. In haar afwezigheid had hij
getracht haar na te teekenen, hij dacht aan haar, hij wilde haar zien;
met bevende handen, als in een droom, legde zij de teekeningen weer op
hun oorspronkelijke plaats, en verliet de kamer zoo zacht als zij kon,
met de oogen half gesloten, zoo vreesde zij het gezicht dat zij
aanschouwd hadden, door de nabijheid van andere voorwerpen, te
verliezen.
Het was of er iets lossprong in haar hart, of een band die haar ziel
samensnoerde, plotseling verwijd werd, zij kon jubelen, zij kon bidden,
zij kon danken; het was of zij weken lang gedoold had in een sombere
grot en nu eindelijk een flauw schijnsel ontwaarde, dat redding, leven,
geluk beloofde. Zij was zoo verheugd door haar ontdekking als een
schipbreukeling zijn moet, die na zijn lange omzwerving op den Oceaan
eindelijk een landvogel ontwaart of de onbepaalde geur ruikt van
bosschen en bloemen; en zij smachtte naar liefde, naar geluk, als de
drenkeling naar vasten grond.
»Mijn God, ik dank u, ’t is of ik ook U weer teruggevonden heb, nu ik
weer een bewijs voor uw liefde, uw goedheid zie,” snikte zij, »o, ik
kon mij u niet anders voorstellen dan als een teederen vader en zoudt
ge mij hier alleen laten tusschen al die vreemden, zonder steun, zonder
plicht, zonder hoop?”
Zij trachtte langzaam tot bedaren te komen, den storm van blijde
gevoelens, die in haar opstak te onderdrukken, opdat hij niets zou
bemerken als hij terugkwam; wanneer hij nu eens binnentrad en haar
plotseling in zijn armen sloot, zou zij nog wrok tegen hem voelen?
Neen, niets, niets meer, zij zou de oogen sluiten, tegen hem rusten als
een vermoeid, gewond vogeltje en hem niets anders verwijten dan:
»Stoute jongen, wat heb je mij geplaagd!”
Maar zij moest leven in de werkelijkheid, niet in het land der droomen
en met een glimlach stond zij op en trachtte de gangen van haar huis na
te gaan.
Er was weinig te doen, alles bevond zich in de volmaaktste orde; de
bedienden, door Corona aan haar afgestaan, waren beproefd en
vertrouwbaar; zoo zij niet vol was van het reinste, hoogste geluk, zou
’t bewustzijn haar pijnlijk getroffen hebben dat zij volstrekt niet
onmisbaar was, dat haar afwezigheid niet de minste stoornis bracht in
het kleine raderwerk van haar huishoudentje.
Daar hoorde zij plotseling Conrad’s stem, die zijn staljongens iets
toeriep; al het bloed stroomde uit haar gelaat weg, wat moest zij doen,
hem tegemoet gaan, zooals haar hart dat ingaf? Of afwachten?
Hij sprak met Guillaume’s mandoer, die met zijn dienstpersoneel rustig
in een der bijgebouwen rondom de sirih-doos geschaard zat, en wist
alzoo dat zijn vrouw teruggekeerd was; na enkele minuten, die Hermelijn
uren toeschenen, trad hij door de achtergalerij het huis binnen; hij
wist niet wat hij doen zou. Hermelijn’s gespitste oortjes namen
duidelijk elk geluid op, dat hij heen en weer loopende, maakte. Na
eenigen tijd op en neer schuiven kwam hij eindelijk naar voren, waar
Hermelijn in haar schommelstoeltje zat te lezen, schijnbaar tenminste,
want het boek met al zijn letters danste haar voor oogen.
»Dag Hermine,” zeide hij kortaf.
»Dag Conrad,” antwoordde zij zonder de oogen op te slaan; ’t was of
alles bij haar klopte, de polsen, het hart, de keel, de oogleden zelfs;
zij kon zich niet verroeren en vermoedde niet, hoe zij in Conrad’s oog
het beeld der volmaaktste onverschilligheid scheen.
En toen hij bleef zwijgen en al zijn aandacht wijdde aan een knoop in
het ophaaltouw der rieten zonneblinden, ging zij voort:
»Je moet de groeten hebben van Poppie en August, en van Guillaume en
Toetie.”
»Zoo, waren ze allemaal wel?”
»Ja, ik vond Poppie recht hartelijk en goedig voor mij!”
»Dat doet me pleizier.”
»Je zegt het of ’t je niet schelen kan.”
Hij antwoordde niet en ging voort den knoop te ontwarren.
»Heb je nog visite gehad?”
»Neen.”
»En ben je nog naar ’t groote huis geweest?”
»Wat zou ik er doen? Je komt er zeker van daan?”
»Neen, ik kom rechtstreeks van Wilhelmshöhe.”
»Waarom ben je er niet langer gebleven?”
»Omdat ik mij liever misplaatst voel in mijn eigen huis, dan in dat van
anderen.”
Daar bleef het gesprek bij; arme Hermelijn, al haar droomen van
toenadering en verzoening verdwenen in rook maar toch, het sterretje
bleef flikkeren, te midden van den stikdonkeren nacht, en daarheen
wendde zij nu al haar hoop, al haar vertrouwen.
Er was niet de minste verandering in Conrad’s houding tegenover haar;
hij ging zijn weg en zij den hare; Hermelijn merkte alleen op, dat hij
iets minder onbeleefd was. Een enkelen keer gaf hij haar aan tafel wat
aan, hij kleedde zich des middags en joeg zijn honden niet door het
huis, maar bij elke toenadering van zijn vrouw, hoe gering ook, trok
hij zich terug en, hoeveel ’t haar kostte, begreep Hermelijn nu toch,
dat er niets beters kon zijn dan hem geheel aan zich zelf over te
laten, en niet de minste blijken te geven dat zij door zijn houding
bitter leed. Onverwacht kreeg zij den volgenden dag bezoek van Portias
en Kitty, die van August terugkeerden en langs een omweg Djantong
aandeden.
Hermelijn’s wangen gloeiden door de aangename verrassing. Conrad was
natuurlijk van huis; zonder zijn stroohoed af te zetten, nam Portias
plaats voor de piano en sloeg eenige helderklinkende accoorden aan.
Kitty moest alles weten wat er bij Toetie voorgevallen was en gierde
het uit van ’t lachen; beiden waren opgewonden als een paar
schoolkinderen, die een dag vacantie hadden.
»Morgen zitten we weer onder Cor’s duim, laten we vandaag maar pret
maken!” juichte Kitty, »och toe, Jo, speel nu eens een walsje, dan gaan
we een rondje maken! Mineke en ik!”
»Op sloffen?” vroeg Hermelijn lachend.
»Dat hindert niet, kom ventje, dan speelt Mine straks ook en dan gaan
wij samen dansen! An der schönen, blauen Donau.”
En zij greep haar zuster om het middel en toen de muiltjes haar
hinderden, wierp zij ze af en danste op haar bloote voeten. Hermelijn
had Europeesche pantoffels met hakjes aan en kende dus dat bezwaar
niet, al vond zij de sarong nu juist geen geschikte dansjapon.
Plotseling zag Portias echter dat zijn Kitty met haar rose voetjes over
het witte marmer trippelde; hij sprong op, nam haar in zijn armen en
deed haar zelf de muiltjes weer aan, luid knorrend over haar
onvoorzichtigheid.
»Viooltje, viooltje! wat doe je toch je man een verdriet, foei, foei!
heb je dat van Poppie geleerd; je weet ik hou niet van zulke adat Djawa
[55].”
»Maar ik kan moeilijk zoo dansen.”
»Dan moet je spelen?”
»Ondeugende jongen, dat is om met Hermelijn te kunnen dansen! Nu, ik
zal maar denken, dat je de vrouw ontwend bent. Verbeeld je Mine, al
dien tijd heeft hij zijn oude vlam Cor het hof gemaakt. Kun je ’t nu
begrijpen, dat ik zoo’n vlinder heb willen nemen? Hij is doodelijker
van Cor geweest dan ooit van mij!”
»Viooltje, viooltje! Wat klink je nu valsch.”
»Haar noemde hij altijd violoncel! Ik ben maar een kleine viool, en zij
is het zuiverste, het grootste instrument. Ja, ik kan ook jaloersch
wezen; nu, op Mientje ben ik het niet. Dans maar eens een walsje met
haar, je kunt het zoo mooi; ik zal wat gaan tingelen.”
Juist was Hermelijn druk met Portias aan het doorwalsen van de galerij,
toen Conrad t’huis kwam en het luide gelach van Kitty hoorde, dat haar
vrij hakkelend pianospel overstemde.
Portias danste potsierlijk; hij zwaaide met het bovenlijf, wierp zijn
lange beenen naar links en rechts, stiet tegen muur en meubels aan, tot
Hermelijn, even hard lachend als Kitty, hijgend bleef staan, terwijl
haar cavalier uitgeput van de inspanning zich het zweet van het
voorhoofd droogde.
Haar geparelde, melodieuze lach trof voor het eerst Conrad’s oor. Zij
zag er allerliefst uit, zooals zij daar tegenover Portias stond met de
blonde lokken, in verwarde krullen over voorhoofd en hals hangend, een
hoogen blos op de fijne witte wangen, en de stralende lach om de
lippen, in haar sneeuwwitte kabaja en donkerblauwe sarong, die de
fraaie lijnen van haar gestalte zoo bevallig volgde.
»Je komt of je geroepen wordt, Coen,” riep Kitty hem toe, »je ziet, wij
hebben hier een miniatuur bal, maar mijn domme strijkstok weet van
dansen niets af en ik niets van spelen, kom José, de Faustwals, en Coen
pak nu je vrouwtje beet en toon haar hoe de Indischen kunnen dansen.”
»Ik ben moe,” zei Conrad kortaf, terwijl Hermelijn plotseling ernstig
werd, haar weerbarstige lokken gladstreek, en zich omkeerde, zonder
naar haar man om te zien.
»Je bent een saaie, akelige jongen, maak het de poes wijs, dat je moe
bent, mij niet! Probeer het maar eerst met mij, neen wees niet bang,
oude bromtol! Ik heb mijn slofjes aan, kom, een, twee drie!” Conrad
wierp hoed en rijzweep weg, toen hij zag dat er niets aan te doen was
en danste met zijn zuster eenige malen op en neer.
»Neen, ik kan waarlijk niet,” riep zij ontevreden uit, »ik mag niet
ongehoorzaam wezen, en die muiltjes zijn me veel te groot. Conrad, laat
mijn man niet voor niemendal spelen, pak Hermelijntje beet en denk dat
het een kunstenaar, een groote artist is die jelui accompagneert.”
Zij nam haar broer bij de eene en haar zuster bij de andere hand en
trok ze naar elkander toe, beiden schenen even onwillig en Hermelijn
had grooten lust zich van Kitty’s vingertjes los te maken, maar zij
wilde geen gelegenheid tot toenadering laten ontsnappen en dus Kitty
niet tegenwerken. Conrad sloeg eindelijk met een boos gezicht zijn arm
om haar heen en deed eenige stappen.
»Wil je ook handschoenen hebben om haar aan te pakken?” vroeg Kitty.
»’t Schijnt dat je het dansen verleerd bent. Foei, wat zal je vrouw van
zoo’n sinjo denken?”
Of hem dat woord prikkelde, of dat hij een vast besluit nam om zich
niet belachelijk voor te doen, zoodra de maat der muziek het hem
veroorloofde, beschouwde hij Hermelijn als een gewone danseres en vloog
met haar de zaal door. Portias speelde al vuriger en vuriger,
aangehitst door zijne vrouw, en het tweetal zweefde hoe langer hoe
sneller voort. Hermelijn voelde zich als bedwelmd, zij rustte thans in
Conrad’s armen, hij klemde haar vaster aan zich, waarom kon die dans
niet altijd duren, waarom moest hij hij haar straks weer los laten? Zij
voelde zich zoo veilig, zoo gelukkig, zoo zalig aan zijn borst geklemd,
door zijn hand gesteund.
Zij dansten voort, altijd sneller totdat Portias eindelijk stil hield;
toen bleven zij staan, beiden even duizelig, en even verward, de
betoovering moest eerst langzaam wijken. Nog leunde Hermelijn met
gesloten oogen op zijn schouder, zijn oogen schitterden en de booze,
norsche uitdrukking was er uit verdwenen.
»Wat ben je toch met je beiden een prachtig paar,” riep Kitty uit, hen
bewonderend aanstarend.
Dat woord verbrak de ban, Conrad liet Hermelijn los, die, nog niet tot
zich zelf gekomen, op de canapé neerviel, en ging naar de piano om
Portias te vragen of hij ’t instrument niet erg ontstemd vond.
Kitty omhelsde Hermelijn en vleide zoo hartelijk mogelijk:
»Wat dans je toch mooi, ik wist niet dat ze ’t in Holland zoo goed
kenden. Die andere Hollandsche meisjes dansen zoo stijf, maar je bent
volstrekt niet als een tottok. Vind je niet José?”
»Foei Kitty, wat een onbescheidene vraag!” zeide Hermelijn glimlachend.
»O dat is hij van mij gewend, niet waar manneke? De vrouw meent het zoo
goed, maar zij heeft toch oogen om te zien, dat een sapoe lidi [56] nog
meer gratie heeft dan hij; al zijn elegance zit in zijn vingers of
liever in de piano en de viool als hij er op speelt.”
»Dat was een uitstekend duet, door de beenen uitgevoerd! Is het niet
vreemd, Hermine, dat alles door muziek kan uitgedrukt worden, zelfs de
kunsten die er ’t minst op gelijken?”
»Ik heb er nooit over nagedacht, Portias.”
»Let dan maar eens op! De dans is muziek, zij gelijkt er het meest op,
zij heeft tempo’s en noten, al zijn de duetten het meest voorkomende,
toch bezit zij ook soli en quartetten, zelfs een vol orkest, want wat
is een balzaal eindelijk dan een vol orkest? Dichtkunst en muziek zijn
ook gemakkelijk te vergelijken, en schilderkunst is niets dan een
symfonie van kleuren; ik wed dat dan eerst het hoogste in de kunst
bereikt is als de schilder er in slaagt de verborgen cadans der kleuren
en lijnen op te sporen, ze samen te voegen tot melodieën en daarmede
muziekstukken op het doek samen te voegen.”
»Maar de beeldhouwkunst en de architectuur dan?”
»Dat zijn de lijnen, dat is de rust, die over het figuur verspreid
ligt, ’t is het perspectief, de... de... maar dat moet ik nog nader
bestudeeren. De menschelijke ziel ook, de philosophie, laat zich ’t
best door muziek verklaren. In de middeleeuwen waren ze er niet blind
voor; nu zijn de menschen te mathematisch, alles moet wiskunstig
verklaard worden, zelfs de indruk, dien de muziek op den mensch
uitoefent. ’t Is belachelijk vind je ook niet, Coen?”
»Ik weet het niet, ik ben te dom om die geleerde dingen te begrijpen,
ik weet niets,” was het barsche antwoord.
»Dan gaat het je als mij, Coen!” riep de goedhartige maar niet altijd
even voorzichtige Kitty, »ik begrijp ook niets van al die wijsheid.
Alleen vind ik het heel mooi om aan te hooren; als José nu een knapper
vrouw had gehad, zou zij dat misschien nonsens vinden en er om lachen
als Cor, maar ’t is zoo gemakkelijk een dom bebèkje [57] tot vrouw te
hebben, hé vent?”
»O ja, dat is ’t beste wat een man treffen kan,” antwoordde Conrad uit
de volheid van zijn hart op een toon, die Hermelijn door de ziel sneed.
»Adres aan Guillaume!” kon zij niet laten te zeggen.
»Toetie is niet dom,” riepen Conrad en Kitty tegelijk uit, »maar zij is
onverstandig,” vulde de laatste aan, »en ben ik dat ook, Jo?”
»Jij bent het liefste wijfje van God’s schoone schepping, dat na Eva op
de wereld is verschenen,” riep hij in volle overtuiging uit en
bezegelde zijn woorden met een omhelzing zoo innig dat Kitty luid
»adoe, adoe, je doet me pijn,” riep en zich met een gezicht, stralend
van genoegen, los maakte.
»Enfin, je komt laat tot die erkenning! Vroeger dacht je anders, maar
ik vind het toch bijzonder vleiend, na Cor in aanmerking te komen en
niet erg tegen te vallen,” schertste zij.
Het eten werd opgediend; Kitty en Portias hadden het zeer druk en
Hermelijn wond zich op, om hen niet af te vallen. Zij was nog onder den
indruk van den dans met Conrad, die haast geen woord sprak, zwijgend at
en onheilspellend voor zich uitkeek; alle plagerijen van Kitty konden
geen glimlach op zijn somber geplooide lippen te voorschijn roepen.
Na het maal gingen de zusters naar de bijgebouwen om de vogels te zien
en de dispens te bezoeken.
»Is hij nu altijd zoo?” vroeg Kitty.
»O ’t is van daag een Zondagshumeur,” was ’t antwoord, met die
bitterheid gezegd, welke bij Hermelijn zoo pijnlijk en valsch klonk.
»Wat scheelt hem toch? Wat verhaalt hij toch op jou? Waarom is hij dan
met je getrouwd?”
Hermelijn zweeg op deze vraag, waarvan zij het antwoord maar al te goed
wist en dat de gelukkige, luchthartige Kitty niet vermoeden kon.
’s Middags vertrokken zij; Kitty als een koningin in haar draagstoel
geïnstalleerd, Portias als een trouwe cavalier aan haar zijde rijdend;
toen ze weg waren, ging Hermelijn naar haar kamer, Conrad het bosch in.
Weinig vermoedde zijn vrouw, hoe hij zich daar op het gras neerwierp en
in hartstochtelijke snikken uitbarstte, die aan zijn gefolterd gemoed
eenige lucht gaven.
»Wat moet zij mij uitlachen, wat moet zij mij een akelige, linksche
sinjo vinden, een domoor, een onbeschaafde kwâjongen!” kermde hij, »wat
doe ik naast zoo’n vrouw, die van mij niet kan houden, die alleen
vroolijk is, als ik niet bij haar ben. Ik ben geen man voor haar! Ik
moet een domme vrouw hebben als Poppie of Toetie, niet een, die.....
koningin zou kunnen wezen! O God, God, laat mij toch sterven, dan kan
zij trouwen met iemand, die haar beter waard is.”