Op den dag van het tochtje naar Djira was Corona bijzonder goed
gehumeurd, Thoren van Hagen bleef den geheelen dag in het groote huis;
’s avonds liet Corona hem de souvenirs van haar grootvader zien en
verhaalde zij met een trots, die haar bijzonder goed stond, van zijn
dapperheid en van Napoleon’s vriendschap voor hem.
Ook toonde zij hem muziek, afkomstig van het Fransche hof, waaraan haar
overgrootmoeder eens schitterde; zij speelde die ouderwetsche airs op
de piano en neuriede ze zelfs zoo goed zij kon, want haar stem was niet
mooi.
»Dat leerde mijn oudtante aan de Amsterdamsche jeugd op de harp
spelen,” zeide zij glimlachend, »zij moet een wonder van zachtheid
geweest zijn. ’t Javaansche bloed heeft al die zachtheid weggespoeld,
want geen der Gérans is zacht, zelfs die kleine bengels niet, vraag het
Iteko maar.”
»Meent u dan dat zachtheid niet evenals alle deugden met moeite wordt
verkregen?” vroeg Thoren van Hagen.
»Wel neen, men is zacht of men is ’t niet, daar is geen middelweg
tusschen!”
»Dan ben ik zoo vrij aan zachtheid weinig verdiensten toe te kennen.
Een schaap is ook zacht, en ik kan niet zeggen dat ik met dat dier
bijzonder veel op heb; wat ik als zachtheid waardeer, is een
eigenschap, die slechts langzaam wordt veroverd. ’t Is de kunst om het
scherpe, bitse woord bijtijds terug te trekken als we voelen daarmee
onnoodig een wond te zullen slaan, ’t is te oordeelen, zooals wij
zouden wenschen geoordeeld te worden, ’t is lief te hebben met
vergetelheid van zichzelf. ’t Is de kracht om zichzelf te overwinnen.
Hij, die niet als het te pas komt, toornig en verontwaardigd kan zijn,
die niet geeselen kan, waar een tuchtiging noodig is, maar zich zelfs
dan op zijn zachtheid beroemt, dien reken ik haar meer als een gebrek
dan als een deugd aan.”
»Meent u dat iemand hier zoo diep nadenkt?” vroeg Corona met een
medelijdenden lach, »denkt u dat men hier aan zelfopvoeding doet en aan
zelfoverwinning?”
»Foei, wat lastert u uw familie, juffrouw de Géran! Denkt u dat ik niet
weet hoe over geheel Java uw familie bekend staat om haar vlekkeloos
gedrag, om haar trouw aan de overleveringen en goede beginselen van
haar aloud geslacht, des te schooner omdat zij hier in de
onverschillige Indische omgeving zoo zeldzaam is?”
»In groote dingen misschien, maar in kleine? Wie denkt er aan, zich
beter te maken dan hij is? Als er een van ons goed is, is hij ’t, omdat
hij ’t gemakkelijker en prettiger vindt dan slecht te zijn.”
»Gelooft u dat waarlijk?” vroeg Thoren van Hagen, »en leert de
godsdienst hun dan niet om beter te worden dan zichzelf?”
Corona boog het hoofd en voelde zich klein.
»U miskent u en uw familie, juffrouw de Géran! Hoe menige daad is niet
verricht, hoe menig woord niet uitgesproken, alleen omdat u het
bewustzijn in u droeg dat het beter ware ze achterwege te laten.”
»Wat moet u toch een deugdzaam en braaf mensch zijn,” riep Corona met
een hellen spotlach, »daar u zoo mooi spreken kunt!”
»Ik,” antwoordde Thoren van Hagen, en de peinzende uitdrukking, die
zulk een droevige wolk over zijn gelaat kon doen trekken, werd sterker
dan Corona ze ooit opgemerkt had.
»Ik, u weet niet hoe slecht ik dikwijls was, u weet niet hoe vaak ik
het goede heb gezien en toch mijn hand naar het kwade uitstak; u weet
niet hoe ik meermalen gestreden heb en overwonnen ben. Maar dat is
juist het ergste, te weten wat wij moeten doen om ons zedelijk te
verheffen en toch het tegenovergestelde te verrichten. Maar u kan dat
niet beoordeelen, juffrouw de Géran, u staat zoo hoog boven alle
menschelijke zwakheden, u vindt elke zonde zoo verachtelijk, omdat u
niets heeft te doen dan uw edele natuur te volgen.”
Corona antwoordde niet; zij bladerde een muziekboek door en hief de
oogen niet naar hem op; waarom voelde zij zich zoo, zoo onbeduidend,
zoo ontevreden met zichzelf als hij sprak? Van morgen had zij voor ’t
eerst eenig genoegen in zijn gezelschap gevonden, maar nu was hij weer
onverdragelijk en toch scheen het een teleurstelling, toen hij zonder
iets meer te zeggen naar Margot ging, die druk aan het dammen was met
Philip, en haar vroeg of zij den volgenden morgen met haar broer bij
hem kwam roeien.
»Ik heb alle visschen commando gegeven zich door Kromo te laten vangen
en hun zondagsche baadjes aan te trekken.”
»O ja, heel graag, Thoren. Heel graag!”
Het bloed vloog Corona naar de wangen; zij wiep het muziekboek op de
piano en keerde haar toornig gelaat naar Margot.
»Wat zeg je daar? Hoor ik ’t goed! Brutaal nest, ga naar je kamer en je
blijft er morgen den heelen dag. Hoe durf je, mijnheer Thoren van Hagen
aan te spreken of hij je speelkameraad is?”
»Mijnheer heeft het me toegestaan,” schreide zij.
»Dat doet er niet toe, je mag het niet zeggen en al vraagt mijnheer nu
ook duizendmaal excuus voor je, je gaat morgen niet uit en nu naar bed!
Ik dien je voortaan weer als kleine meid te behandelen.”
Margot stond snikkend op, stiet haar stoel omver en wilde de kamer
uitgaan, maar de oudste zuster riep haar terug.
»Wil je dien stoel wel eens oprapen, ondeugend kind, of ik geef je een
week kamerarrest.”
Zoo onwillig mogelijk zette Margot den stoel recht en verwijderde zich,
luid schreiende; Corona stond als een beleedigde koningin tegen de
piano, zoodra de strafoefening voorbij was, begon zij weer in de muziek
te bladeren.
»’t Spijt me dat ik onwillekeurig oorzaak ben van deze scène,” zei
Thoren van Hagen haar naderend met zijn spotlach, die haar steeds tot
verzet prikkelde.
»Ik begrijp niet hoe u zulke familiariteiten van zoo’n kind wilt
dulden.”
»Vindt u mijn naam nog niet lang genoeg?” vroeg hij lachend, »ik doe er
zoo graag een stuk van present, in afwachting dat ik hem heelemaal
weggeef.”
»Zij kan u mijnheer Thoren noemen, maar bij den naam, dat verdraag ik
niet.”
»’t Spijt mij dat ik u zoo geërgerd heb en ik zal bij juffrouw Margot
de vergunning intrekken.”
Toen ’s avonds Corona in haar kamer kwam, zat Iteko daar aan een
handwerkje bezig.
»Wat heeft die Margot aangegaan!” zeide zij, »’t kind schijnt erg aan
mijnheer Thoren gehecht te zijn. De straf is haar betrekkelijk
onverschillig, maar dat zij zoo vernederd werd in zijn presentie, dat
schijnt ze vreeselijk te vinden.”
»Zoo’n kind!”
»Zij is het niet meer; ik stond verbaasd over haar vrouwelijke
woorden.”
»Tegen mij?”
»Natuurlijk! Ik durf u niet alles herhalen wat ze zeide.”
»Ik wil ’t ook liever niet weten.”
»Zij is, geloof ik, erg op mijnheer Thoren gesteld en verbeeldt zich
dat hij verliefd op haar is...”
»Reden te over om haar te doen voelen dat zij niets meer is dan een
stout kind.”
»Maar ’t ergste is dat zij uw handelingen aan een allerdwaaste
beweegreden toeschrijft.”
»Wat durft zij over mijn handelingen oordeelen, van wie heeft ze dat
geleerd?”
»Wel, ik vrees van mijnheer Thoren zelf, want zij is geheel veranderd
na zijn komst.”
»En wat heeft ze dan gezegd?”
»Ik durf ’t u niet herhalen.”
»Dwaasheid, als ik het verlang.”
»Zal u ’t dan nooit aan haar laten merken? Mijn prestige is er mee
gemoeid, tegenover de kinderen.”
»Dat spreekt, wat heeft dat impertinente ding gezegd?”
»Dat u.... dat u.... o, ’t is te onzinnig om het te zeggen, dat u zoo
boos was omdat u zelf veel van mijnheer Thoren houdt.”
Corona sprong niet op als een getergde leeuwin, zooals Iteko had
verwacht, zij viel niet uit tegen Margot, maar keek peinzend voor zich;
na eenige oogenblikken vroeg zij en haar stem klonk dof en heesch:
»Zou je meenen dat anderen ook reden hadden te denken, wat Margot
durfde zeggen bij ’t zien van mijn strengheid?”
»Als u ’t mij zoo stellig afvraagt, moet ik oprecht antwoorden: Me
dunkt het wel.”
»Waarom waarschuw je mij niet bijtijds, de menschen zijn zoo slecht en
zuigen uit alles kwaad; hoe onzinniger een denkbeeld is, hoe eerder het
geloofd wordt; je hadt het mij moeten zeggen.”
»Maar juffrouw, ik wist niet...”
»’t Gewone praatje! Je hadt het moeten weten, ’t is geen kunst iets te
begrijpen als het reeds gebeurd is maar men moet het vooruit kunnen
zien.”
»Ik hoop ’t waar te nemen,” antwoordde Iteko onderdanig.
Corona bleef zwijgend nadenken.
»Iteko,” zoo begon zij weer, »zeg morgen aan Margot, dat ik de straf
ophef; ze kan doen en laten wat ze verkiest, gaan waarheen ze wil.”
»Best juffrouw!”
»Hoe oud is Margot?”
»Bijna veertien jaar.”
»Nu, over twee en een halfjaar kan mijnheer Thoren van Hagen om haar
komen; tot zoo lang mag hij in zijn meer blijven visschen tot groote
ergernis van de inlanders. Dan zal eindelijk de echte goudvisch zich
laten vangen.”
Zij lachte onnatuurlijk scherp.
»Ik wilde dat hij voor dien tijd weg was,” mompelde Iteko.
»Waarom? Hij hindert me niet en is zijn gezelschap wel waard. Wat maak
je daar, Iteko?”
»U sprak van granaatbloemen voor het volgende bal en ik probeer ze te
maken.”
»Dat is reeds spoedig, vandaag over 14 dagen. Denk er om dat we een
mooi toilet voor mevrouw Conrad klaar hebben. Ik wil dat zij prachtig
is, lichtblauw natuurlijk met fijne gele bloemen, zal dat niet goed
staan voor een blondine?”
»De tint van mevrouw is wat te warm voor lichtblauw. Niets zou haar
beter kleuren dan rozerood van de allerlichtste nuance, met
vergeet-mij-nietjes.”
»Nu, bestel het dan dadelijk uit Samarang, voor de bloemen kun je zelf
zorgen.”
»Ik zal mijn best doen ze klaar te krijgen.”
»Je bent een juweel, Iteko. Hoe zou ik me redden zonder jou?”