XXIII.

In het oog van den heer de Géran was Corona zoo geheel boven alle

wetten verheven van een zoogenaamd fatsoen, zoo volkomen onafhankelijk

van alle kleingeestige oordeelvellingen, dat het niet in zijn geest

opkwam, er iets ongepast in te vinden dat zij op een vroegen morgen

alleen de wildernis introk, met een bijna onbekend jonkman.

Het was de eerste keer ook niet dat Corona alleen met een der gasten

haars vaders uit rijden ging, maar nimmer had zij er iets in gezien; en

thans scheen ’t zoo vreemd, zoo zonderling, zoo onaangenaam dat zij

haar vader die schikking zeer kwalijk nam, maar ze kon nu niets anders

doen dan Thoren van Hagen begeleiden.

Zij trokken door een kampong; de huizen stonden netjes en regelmatig

naast elkaar; kinderen in de meest primitieve kleeding speelden in het

zand; onder de afdakjes zaten de vrouwen te batikken [52], of een

buurpraatje te houden, de warong had druk klandisie in het vroege

morgenuur, de landbouwer, door zijn jongentjes vergezeld, dreef de

karbouwen naar de sawahs; hun beschilderde tjapings [53] gloeiden in de

morgenzon; alles sprak van vredige kalmte.

Thoren van Hagen vroeg zijn schoone begeleidster of zij ook aan

batikken deed.

»Ik heb ’t wel eens gedaan,” antwoordde zij, »maar ik kan niet zeggen

dat het werk mij aantrekt; ’t is misschien een gevolg van onze

opvoeding dat wij onwillekeurig die Indische liefhebberijen wat te min

voor ons vinden. De Hollanders denken er anders over, verbeeld u dat

Portias het geluid van gamelang en anklong op de piano wil nabootsen.”

»Ik heb zelfs gehoord van een symphonie, die hij componeert over »De

roode hond”.”

»Laat hij oppassen dat hij zelf dien rooden hond niet ontmoet! Ik hou

niet van dat tarten.”

»Maar juffrouw de Géran, wie wordt hier getart? U gelooft toch niet aan

baboesprookjes.”

»Naar sprookjes van mijn baboe heb ik nooit willen luisteren, maar de

»Kalang,” zoo noemt men dat dier, is geen sprookje. Er is een legende

aan verbonden, een dwaze legende zal u in uw hooge wijsheid wel

beweren. U Hollanders bent zoo wijs en toch, hoe dikwijls doet u niet

aan betooveringen, hekserijen, klopgeesten, tafeldansen en wat al niet.

Wees niet wijzer dan Hamlet, Horatio!”

»Ik wil niets liever dan geloof slaan aan dingen tusschen hemel en

aarde, waarvan schoolsche wijsheid evenmin als mijn domheid ooit

droomde, en zal mij volstrekt niet aanmatigen er een oordeel over uit

te spreken; zij hebben immers recht van bestaan. Het bovenaardsche

openbaart zich waarschijnlijk ook wel in groteske dingen; mij is het te

heilig om daartoe te worden verlaagd, maar tot het al of niet bestaan

van dergelijke geheimzinnigheden, doet mijn meening niets af.”

»En voor u is ’t ook goed, dat u het niet eenvoudig ontkent. Weet u

wel, dat het meer, waarbij u woont, de oorsprong is van het geheele

verhaal?”

»En zwerft die spookhond daar misschien rond, in en om het meer?”

»Men zegt het! Mijn moeder zag het dier kort voor haar dood; zij was

een Europeesche en zal dus even als u over zulke dingen hebben gedacht.

Mijn grootvader zelfs sprak met een soort eerbied over die legende.”

»Maar hoe is de legende eigenlijk, ik ken ze niet!”

»Kent u ze niet?”

»Wel neen, niemand wist ze mij precies te vertellen.”

»Zoo zijn ze; praten en spotten over het onbekende, dat gaat hun

gemakkelijk af, maar zelf onderzoeken, een eigen oordeel uitspreken,

dat is te moeilijk, te lastig.”

»Zal ik ze van u mogen hooren?”

»We moeten aanstappen, als wij Djira willen zien en papa op den

bepaalden tijd tegemoet rijden. Ik kan moeilijk een lang verhaal al

rijdend doen.”

»Kunnen wij daar uitrusten?”

»Wanneer we tijd hebben.”

»O tijd, tijd zullen we maken des noods, al moet ik er de zon voor

laten stilstaan, het zou mij de moeite waard zijn.”

»Die hond boezemt u toch belang in.”

»Ik weet niet of ’t om den hond is,” antwoordde Thoren van Hagen op

gedempten toon.

Zij gaven hun paarden de sporen en reden snel over den goed onderhouden

weg, die dwars door koffietuinen voerde; zij spraken geen woord meer,

de wind joeg een frisschen blos op Corona’s wangen, haar oogen

schitterden door den snellen rit, haar neusvleugels trilden, haar half

geopende lippen verrieden door een onwillekeurigen glimlach het genot

dat zij er in vond, zoo snel te rijden in de balsemgeurige morgenlucht.

Thoren van Hagen kon zijn blik niet van haar afwenden; haar lange

schitterende, blauwzwarte haren wapperden als een mantel van onder haar

»gouden helm”, zooals hij dat hoedje noemde, haar wit gewaad golfde om

haar heen; hij voelde meer dan ooit het verlangen, die schoone,

vreemdsoortige vrouw de zijne te noemen. Alles kon hij op ’t spel

zetten, dat voelde hij, om haar te veroveren, maar de tijd was niet

gekomen, een onvoorzichtigheid zou alles doen verliezen; hij voelde

zijn bloed sneller stroomen, zijn polsen hoorbaar kloppen bij het

voortrijden.

»Daar moeten we afstappen,” zeide Corona, met haar zweepje op een

reusachtigen waringinboom wijzend, die nog eenige minuten van hen

verwijderd was.

»Nu al!” zeide hij met zekeren spijt.

»O beklaag er u niet over! U weet niet, mijnheer Thoren, hoeveel

heerlijks u nog wacht.”

Zij reden langzamer; onder den waringin die voor heilig scheen gehouden

te worden, zag men offers van de eenvoudige landlieden, bloemen,

lampjes.

Het schildknaapje sprong van zijn paard en hield Corona’s dier bij den

toom; Thoren van Hagen wierp hem ook zijn leidsels toe en bood zijn

geleidster de hand tot afstappen. Zij nam die onverschillig aan, en

zoodra zij op den vasten grond was, wierp zij met een bevallige

beweging haar sleep over den arm en ging Thoren van Hagen voor naar een

schijnbaar dichtbegroeid bosch; een zachte, onuitsprekelijk liefelijke,

onbestemde muziek trof hun oor.

»Kan Portias dat ook op zijn piano of op zijn viool overbrengen,” vroeg

zij. »Ik ben eens hier geweest met hem en toen beweerde hij ’t

natuurlijk ook.”

Een toornige gloed lichtte even in haar oogen. Zij dacht er aan hoe

Portias toen had gedurfd, wat deze haar cavalier stellig verre beneden

zich zou achten, hij had gewaagd haar zijn liefde te bekennen. Hij, de

verliefde nar van Kitty, ’t was Corona of zij haar schaterenden

spotlach van toen nog hoorde, die het liefelijke gemurmel overstemde.

»Vroeger was hier een dalem,” zoo ging zij voort, »een lusthuis van een

Javaanschen sultan of radhen, ’t doet er niet toe. Van het lusthuis is

niets meer overgebleven dan die muren, waarover nu mos en klimop

groeien, maar hier in den tuin had men waterwerken aangelegd, die zijn

behouden gebleven, want de natuur was de grootste kunstenares.”

Zij kwamen aan een onbeschrijfelijk, schilderachtig plekje; de hooge

boomen weken eenigszins terug, op een zacht glooiende vlakte

ontsprongen tallooze natuurlijke bronnen, helder als kristal, melodieus

ruischend als een gezang, zoo doorschijnend, dat de duizenden visschen,

die onbevreesd in het water dartelden, even helder te onderscheiden

waren als de weerspiegeling van de varens en bloemen, die zich er over

nederbogen; tusschen die altijd voortkabbelende golfjes had het genie

der Javaansche waterkunstenaars, holle bamboes doen hangen van

verschillende dikte en lengte, in beweging gebracht door kleine

raderen; hierdoor ontstond die eigenaardige muziek, welke nacht en dag

voortduurde, altijd weemoedig klagend, treurend als over vervallen

grootheid.

Er lag iets sombers, iets plechtigs in de geheele omgeving; de boomen

met hun hooge bladerkruinen, de rijke orchidéen, die zich aan de

stammen vasthechtten en hun pluimvormige bloemen en bevallige slingers

af lieten hangen, als dorstten zij naar dat water, de fijne geknipte

varens in hunne rijke verscheidenheid, de waterleliën en sokkabloemen,

die tusschen de visschen in het vloeibaar kristal dreven, alles

omringde een rust en kalmte, die men vreesde door een enkel woord te

verbreken.

»Wil u mij nu vertellen,” vroeg Thoren van Hagen, »ik ben in een

stemming om alles te gelooven; al kwamen er ook waternimfen uit die

kelken opstijgen of de grotten verlaten, dan nog zou het mij niet

verwonderen.”

En in zijn hart dacht hij dat er niets tooverachtiger, niets meer

gepast in deze omgeving zijn kon dan de schoone amazone.

»Verhaal me van een bevallige sultane,” zeide hij, »die hier liefhad,

die hier weende en zuchtte om haar afwezigen Achmed, maar verhaal ook

hoe zij elkaar vonden, gelukkig werden en lang, heel lang regeerden.”

Zij glimlachte zooals zij het zelden deed hoewel het haar

onweerstaanbaar aantrekkelijk maakte.

»Durft u hier zitten?” vroeg hij, »op dezen steen?”

Het was een zwarte, bemoste steen, met een Hindoesch opschrift

voorzien. Thoren streek eenige varens weg en zij zette zich neer; hij

wilde voor haar zich op het gras uitstrekken. Corona maakte een gebaar

van afschuw:

»Doe dat niet, heeft u dan nooit gehoord van de slangen, die zich hier

altijd in het gras verschuilen?”

»O, ik vrees geen slang aan uw voeten.”

Even bedekte een blos haar wangen, maar op zijn gewonen half

schertsenden toon ging Thoren van Hagen voort:

»Wil u nu vertellen? Ik ben nieuwsgierig als een schoolknaap, wien tot

belooning een sprookje is beloofd.”

»Nu dan, maar u moet niet spotten, niet lachen!”

»Spotten, lachen! O waarvoor ziet u mij aan!”

»Ik heb ’t in een oud javaansch boek gelezen en zoo zal ik het u ook

overbrengen.”

»Neen, ik vraag niet, van waar u ’t weet, al had u ’t ook verzonnen,

dan nog zou ik u gelooven en... u danken!”

»Welnu dan! In ouden, ouden tijd... u verlangt immers geen jaartallen!”

»Foei, wees niet wreed.”

»Toen woonde hier in den Dalem een machtig vorst, die over Midden Java

regeerde, hij had een zoon, wiens moeder tot het reuzengeslacht

behoorde, en van wien hem voorspeld was, dat hij zijn vader van troon

en leven zou berooven. De prins werd verbannen en zijn bedroefde moeder

gaf hem tot vergoeding de macht om allerlei gedaanten aan te nemen. Zoo

zwierf hij dan in den omtrek van zijn vaders paleis, en voerde menig

bedrog uit; dan won hij als schoone jongeling de gunst eener prinses

maar veranderde zich voor haar voeten in een afschuwelijk gedrocht, dan

legde hij zich over de rivier en strekte den voorbijgangers tot brug.

»Eens sloeg een landman zijn bijl in die brug, doch toen het bloed van

prins Djamar begon te vloeien ontdekte men dat het een slang was; de

dessabewoners sloegen hem in stukken en Djamar’s ziel ging over in het

lichaam van een kind. Eenzaam wandelde hij door het woud en speelde met

een lidi [54], welke hij in den grond stak, daar ongeveer waar thans uw

huis staat; maar nauwelijks had hij dat gedaan of de aarde schudde

driemaal, de donder ratelde en als een fontein spoot het water uit de

kleine opening omhoog, alles verkeerde in een watervloed.”

»En zoo ontstond mijn meer!”

»Ja, en de grond waarop Djamar’s voeten rustten veranderde in een

eiland; toen steeg hij op in de lucht en verdween voor het

menschenoog.”

»Maar de hond?”

»Geduld! Hij was een luchtgeest geworden die alles zag en alles hoorde;

eens woonde in dezen Dalem een mooie prinses, prinsessen zijn altijd

mooi... die zat te weven en liet haar weefspoel in een van deze bronnen

vallen. Zij had misschien een stiefmoeder die haar over het verlies

hard zou vallen, tenminste zij was troosteloos, en dat trof den

luchtgeest Djamar; hij hoorde hoe de sultan, aan hem die de weefspoel

aan zijn schoone beschermeling terugbracht, haar hand beloofde en nu

veranderde hij zich in een rooden hond, wierp zich in de bron en vond

de weefspoel.”

»En de belofte des konings?”

»Zij moest den hond trouwen, en in haar wanhoop vloog zij weg van hier,

den berg op, om zich in den krater te werpen. Djamar volgde haar van

nabij, zij hoorde zijn blaffen en snelde altijd voort over rotsblokken

en lavavelden. Daar stond zij eindelijk boven, het afschuwelijke dier

kwam haar steeds nader, nog eenige stappen en zij kon hem voor goed

ontsnappen, een laatste rotsblok... zij wilde den sprong wagen, haar

sarong was reeds tusschen zijn tanden geklemd, zij rukte dien los en...

voor haar oogen stond een beeldschoon jongeling, die haar in zijn armen

sloot.”

»En zij maakte geen tegenwerpingen meer?”

»’t Schijnt van niet! Zij trouwden en verjoegen den ouden sultan en

regeerden in zijn plaats, maar ’s nachts alleen mocht Djamar mensch

zijn; over dag zwierf hij als hond in de bosschen. Zijn vrouw schonk

hem een zoon, die veel op jacht ging. De roode hond hielp hem het wild

opsporen; eens viel hij een tijger aan, die zijn zoon aanviel; het

ondier stierf, maar tevens de hond. Troosteloos kwam de jonge prins t’

huis en nu verhaalde zijn moeder hem het treurige geheim dat de roode

hond zijn vader was. En nu nog zeggen de Javanen, hooren zij tegen het

vallen van den avond een scherp geblaf; dan zwijgen alle honden en

spitsen de ooren. ’t Is Djamar, die zich naar huis spoedt naar zijn

vrouw om tegen zonsondergang de menschengedaante weer aan te nemen.”

»En voorspelt zijn verschijning ongeluk?”

»Ja, dat gelooft men hier algemeen.”

»Als men hem ziet, maar dat zal nooit gebeuren, ’t doet er niet toe, ik

vind uw verhaal aantrekkelijk, ik heb dien luchtgeest lief, en geloof

dat hij hier woont, maar ik begeer hem niet te zien!”

»Wij stammen van Djamar af,” zeide Corona glimlachend.

»U?”

»Ja, door mijn grootmoeder; daarom hecht ik zooveel aan die legende,

evenveel als aan de verhalen, die mijn grootvader uit den tijd van den

grooten keizer placht te doen. Misschien zijn deze na twee eeuwen

evenveel of even weinig geloofwaardig als de heldenfeiten van den

rooden hond.”

»Verbeeld u, dat hij voor ons verscheen! Ik zou ’t voorbeeld van den

jongen prins volgen en hem dooden, misschien kan ik u dan meteen

bewijzen iets, waarvan ge het tegendeel niet hebt gezien.”

»En dat is?”

»Dat ik moed bezit, meer dan uw zwager Akkeveen.”

Zij glimlachte en vroeg:

»Heeft u dat niet vergeten?”

»Zou ik een van uw woorden kunnen vergeten? Zij klinken voort in mijn

eenzaamheid. Heeft Hermelijn u verteld van mijn treurige jeugd, van de

schaduw, die op mijn leven rust?”

»Ja, met een enkel woord.”

»Vindt u niet dat het veel uitlegt en veel vergoelijkt?”

»Moet er iets vergoelijkt worden?”

»Mijn nutteloos leven, mijn... ongedurigheid en toch, ’t is nu of er

een crisis in mijn lot komt, of het nu een andere wending gaat nemen.”

»Hier?”

»Ja hier; het schijnt mij dikwijls toe of ik mijn leven niet voor niets

verspeeld, mijn jaren niet vergeefs verbruikt heb, daar ik in

Ngaroengan mocht komen en...”

Hij zweeg als verschrikt voor zijn eigen woorden, die hem te ver

voerden.

Hij stond vlak voor haar tegen een boom geleund; het water murmelde een

zoet melodieus wiegelied, de aromatische geur van bloemen en bladeren

vervulde de lucht, zacht speelde het windje dat door de boomen voer,

met Corona’s lange lokken, zij streek ze met een ongeduldig gebaar naar

achteren en sprong op.

»Laat ons gaan! Dat eeuwige zingen van het water ontstemt mij geheel;

ik kan me begrijpen dat hier alleen droomerige, vadsige Javanen konden

leven, en ik moet beweging, arbeid, verstrooiing hebben; ik aard meer

naar de Gérans dan naar de Djamars.”

»U is een Diana en geen peinzende waternimf; maar ook Diana rustte soms

aan de waterbronnen, waarom wil u zichzelf geen oogenblik kalmte

gunnen?”

»’t Wordt laat; papa wacht ons, u kan hier immers terugkeeren, als u

het plekje zoo aantrekkelijk vindt.”

»Zal het nog zoo wezen als Diana verdwenen is?”

»Mijnheer Thoren van Hagen, hoe aardig u die complimenten ook weet in

te kleeden, ik herken ze toch en brandmerk ze als verboden waar.”

»Nu, dan zal ik ze niet meer trachten binnen te smokkelen. U wil

vertrekken, en ik blijf u dankbaar voor het genot mij geschonken.”

»Ja, ’t is een mooi punt.”

»En uw verhaal op deze plek gaf er een eigenaardige bekoorlijkheid aan.

Moeten we ons haasten om bijtijds uw vader te ontmoeten?”

»Aan de schaduw der boomen zie ik dat het omstreeks tien uur is. We

moeten hem tegemoet gaan.”

Hun gesprek klonk nu zeer gewoon, in zijn stem was geen spoor meer over

van den eigenaardigen klank, welke haar straks bijna onder een

betoovering had gebracht, die zij met geweld van zich wenschte af te

schudden. Zij bestegen hun paarden weder en reden den heer de Géran

tegemoet.

Hermelijn · 第 29 / 67 题