In het oog van den heer de Géran was Corona zoo geheel boven alle
wetten verheven van een zoogenaamd fatsoen, zoo volkomen onafhankelijk
van alle kleingeestige oordeelvellingen, dat het niet in zijn geest
opkwam, er iets ongepast in te vinden dat zij op een vroegen morgen
alleen de wildernis introk, met een bijna onbekend jonkman.
Het was de eerste keer ook niet dat Corona alleen met een der gasten
haars vaders uit rijden ging, maar nimmer had zij er iets in gezien; en
thans scheen ’t zoo vreemd, zoo zonderling, zoo onaangenaam dat zij
haar vader die schikking zeer kwalijk nam, maar ze kon nu niets anders
doen dan Thoren van Hagen begeleiden.
Zij trokken door een kampong; de huizen stonden netjes en regelmatig
naast elkaar; kinderen in de meest primitieve kleeding speelden in het
zand; onder de afdakjes zaten de vrouwen te batikken [52], of een
buurpraatje te houden, de warong had druk klandisie in het vroege
morgenuur, de landbouwer, door zijn jongentjes vergezeld, dreef de
karbouwen naar de sawahs; hun beschilderde tjapings [53] gloeiden in de
morgenzon; alles sprak van vredige kalmte.
Thoren van Hagen vroeg zijn schoone begeleidster of zij ook aan
batikken deed.
»Ik heb ’t wel eens gedaan,” antwoordde zij, »maar ik kan niet zeggen
dat het werk mij aantrekt; ’t is misschien een gevolg van onze
opvoeding dat wij onwillekeurig die Indische liefhebberijen wat te min
voor ons vinden. De Hollanders denken er anders over, verbeeld u dat
Portias het geluid van gamelang en anklong op de piano wil nabootsen.”
»Ik heb zelfs gehoord van een symphonie, die hij componeert over »De
roode hond”.”
»Laat hij oppassen dat hij zelf dien rooden hond niet ontmoet! Ik hou
niet van dat tarten.”
»Maar juffrouw de Géran, wie wordt hier getart? U gelooft toch niet aan
baboesprookjes.”
»Naar sprookjes van mijn baboe heb ik nooit willen luisteren, maar de
»Kalang,” zoo noemt men dat dier, is geen sprookje. Er is een legende
aan verbonden, een dwaze legende zal u in uw hooge wijsheid wel
beweren. U Hollanders bent zoo wijs en toch, hoe dikwijls doet u niet
aan betooveringen, hekserijen, klopgeesten, tafeldansen en wat al niet.
Wees niet wijzer dan Hamlet, Horatio!”
»Ik wil niets liever dan geloof slaan aan dingen tusschen hemel en
aarde, waarvan schoolsche wijsheid evenmin als mijn domheid ooit
droomde, en zal mij volstrekt niet aanmatigen er een oordeel over uit
te spreken; zij hebben immers recht van bestaan. Het bovenaardsche
openbaart zich waarschijnlijk ook wel in groteske dingen; mij is het te
heilig om daartoe te worden verlaagd, maar tot het al of niet bestaan
van dergelijke geheimzinnigheden, doet mijn meening niets af.”
»En voor u is ’t ook goed, dat u het niet eenvoudig ontkent. Weet u
wel, dat het meer, waarbij u woont, de oorsprong is van het geheele
verhaal?”
»En zwerft die spookhond daar misschien rond, in en om het meer?”
»Men zegt het! Mijn moeder zag het dier kort voor haar dood; zij was
een Europeesche en zal dus even als u over zulke dingen hebben gedacht.
Mijn grootvader zelfs sprak met een soort eerbied over die legende.”
»Maar hoe is de legende eigenlijk, ik ken ze niet!”
»Kent u ze niet?”
»Wel neen, niemand wist ze mij precies te vertellen.”
»Zoo zijn ze; praten en spotten over het onbekende, dat gaat hun
gemakkelijk af, maar zelf onderzoeken, een eigen oordeel uitspreken,
dat is te moeilijk, te lastig.”
»Zal ik ze van u mogen hooren?”
»We moeten aanstappen, als wij Djira willen zien en papa op den
bepaalden tijd tegemoet rijden. Ik kan moeilijk een lang verhaal al
rijdend doen.”
»Kunnen wij daar uitrusten?”
»Wanneer we tijd hebben.”
»O tijd, tijd zullen we maken des noods, al moet ik er de zon voor
laten stilstaan, het zou mij de moeite waard zijn.”
»Die hond boezemt u toch belang in.”
»Ik weet niet of ’t om den hond is,” antwoordde Thoren van Hagen op
gedempten toon.
Zij gaven hun paarden de sporen en reden snel over den goed onderhouden
weg, die dwars door koffietuinen voerde; zij spraken geen woord meer,
de wind joeg een frisschen blos op Corona’s wangen, haar oogen
schitterden door den snellen rit, haar neusvleugels trilden, haar half
geopende lippen verrieden door een onwillekeurigen glimlach het genot
dat zij er in vond, zoo snel te rijden in de balsemgeurige morgenlucht.
Thoren van Hagen kon zijn blik niet van haar afwenden; haar lange
schitterende, blauwzwarte haren wapperden als een mantel van onder haar
»gouden helm”, zooals hij dat hoedje noemde, haar wit gewaad golfde om
haar heen; hij voelde meer dan ooit het verlangen, die schoone,
vreemdsoortige vrouw de zijne te noemen. Alles kon hij op ’t spel
zetten, dat voelde hij, om haar te veroveren, maar de tijd was niet
gekomen, een onvoorzichtigheid zou alles doen verliezen; hij voelde
zijn bloed sneller stroomen, zijn polsen hoorbaar kloppen bij het
voortrijden.
»Daar moeten we afstappen,” zeide Corona, met haar zweepje op een
reusachtigen waringinboom wijzend, die nog eenige minuten van hen
verwijderd was.
»Nu al!” zeide hij met zekeren spijt.
»O beklaag er u niet over! U weet niet, mijnheer Thoren, hoeveel
heerlijks u nog wacht.”
Zij reden langzamer; onder den waringin die voor heilig scheen gehouden
te worden, zag men offers van de eenvoudige landlieden, bloemen,
lampjes.
Het schildknaapje sprong van zijn paard en hield Corona’s dier bij den
toom; Thoren van Hagen wierp hem ook zijn leidsels toe en bood zijn
geleidster de hand tot afstappen. Zij nam die onverschillig aan, en
zoodra zij op den vasten grond was, wierp zij met een bevallige
beweging haar sleep over den arm en ging Thoren van Hagen voor naar een
schijnbaar dichtbegroeid bosch; een zachte, onuitsprekelijk liefelijke,
onbestemde muziek trof hun oor.
»Kan Portias dat ook op zijn piano of op zijn viool overbrengen,” vroeg
zij. »Ik ben eens hier geweest met hem en toen beweerde hij ’t
natuurlijk ook.”
Een toornige gloed lichtte even in haar oogen. Zij dacht er aan hoe
Portias toen had gedurfd, wat deze haar cavalier stellig verre beneden
zich zou achten, hij had gewaagd haar zijn liefde te bekennen. Hij, de
verliefde nar van Kitty, ’t was Corona of zij haar schaterenden
spotlach van toen nog hoorde, die het liefelijke gemurmel overstemde.
»Vroeger was hier een dalem,” zoo ging zij voort, »een lusthuis van een
Javaanschen sultan of radhen, ’t doet er niet toe. Van het lusthuis is
niets meer overgebleven dan die muren, waarover nu mos en klimop
groeien, maar hier in den tuin had men waterwerken aangelegd, die zijn
behouden gebleven, want de natuur was de grootste kunstenares.”
Zij kwamen aan een onbeschrijfelijk, schilderachtig plekje; de hooge
boomen weken eenigszins terug, op een zacht glooiende vlakte
ontsprongen tallooze natuurlijke bronnen, helder als kristal, melodieus
ruischend als een gezang, zoo doorschijnend, dat de duizenden visschen,
die onbevreesd in het water dartelden, even helder te onderscheiden
waren als de weerspiegeling van de varens en bloemen, die zich er over
nederbogen; tusschen die altijd voortkabbelende golfjes had het genie
der Javaansche waterkunstenaars, holle bamboes doen hangen van
verschillende dikte en lengte, in beweging gebracht door kleine
raderen; hierdoor ontstond die eigenaardige muziek, welke nacht en dag
voortduurde, altijd weemoedig klagend, treurend als over vervallen
grootheid.
Er lag iets sombers, iets plechtigs in de geheele omgeving; de boomen
met hun hooge bladerkruinen, de rijke orchidéen, die zich aan de
stammen vasthechtten en hun pluimvormige bloemen en bevallige slingers
af lieten hangen, als dorstten zij naar dat water, de fijne geknipte
varens in hunne rijke verscheidenheid, de waterleliën en sokkabloemen,
die tusschen de visschen in het vloeibaar kristal dreven, alles
omringde een rust en kalmte, die men vreesde door een enkel woord te
verbreken.
»Wil u mij nu vertellen,” vroeg Thoren van Hagen, »ik ben in een
stemming om alles te gelooven; al kwamen er ook waternimfen uit die
kelken opstijgen of de grotten verlaten, dan nog zou het mij niet
verwonderen.”
En in zijn hart dacht hij dat er niets tooverachtiger, niets meer
gepast in deze omgeving zijn kon dan de schoone amazone.
»Verhaal me van een bevallige sultane,” zeide hij, »die hier liefhad,
die hier weende en zuchtte om haar afwezigen Achmed, maar verhaal ook
hoe zij elkaar vonden, gelukkig werden en lang, heel lang regeerden.”
Zij glimlachte zooals zij het zelden deed hoewel het haar
onweerstaanbaar aantrekkelijk maakte.
»Durft u hier zitten?” vroeg hij, »op dezen steen?”
Het was een zwarte, bemoste steen, met een Hindoesch opschrift
voorzien. Thoren streek eenige varens weg en zij zette zich neer; hij
wilde voor haar zich op het gras uitstrekken. Corona maakte een gebaar
van afschuw:
»Doe dat niet, heeft u dan nooit gehoord van de slangen, die zich hier
altijd in het gras verschuilen?”
»O, ik vrees geen slang aan uw voeten.”
Even bedekte een blos haar wangen, maar op zijn gewonen half
schertsenden toon ging Thoren van Hagen voort:
»Wil u nu vertellen? Ik ben nieuwsgierig als een schoolknaap, wien tot
belooning een sprookje is beloofd.”
»Nu dan, maar u moet niet spotten, niet lachen!”
»Spotten, lachen! O waarvoor ziet u mij aan!”
»Ik heb ’t in een oud javaansch boek gelezen en zoo zal ik het u ook
overbrengen.”
»Neen, ik vraag niet, van waar u ’t weet, al had u ’t ook verzonnen,
dan nog zou ik u gelooven en... u danken!”
»Welnu dan! In ouden, ouden tijd... u verlangt immers geen jaartallen!”
»Foei, wees niet wreed.”
»Toen woonde hier in den Dalem een machtig vorst, die over Midden Java
regeerde, hij had een zoon, wiens moeder tot het reuzengeslacht
behoorde, en van wien hem voorspeld was, dat hij zijn vader van troon
en leven zou berooven. De prins werd verbannen en zijn bedroefde moeder
gaf hem tot vergoeding de macht om allerlei gedaanten aan te nemen. Zoo
zwierf hij dan in den omtrek van zijn vaders paleis, en voerde menig
bedrog uit; dan won hij als schoone jongeling de gunst eener prinses
maar veranderde zich voor haar voeten in een afschuwelijk gedrocht, dan
legde hij zich over de rivier en strekte den voorbijgangers tot brug.
»Eens sloeg een landman zijn bijl in die brug, doch toen het bloed van
prins Djamar begon te vloeien ontdekte men dat het een slang was; de
dessabewoners sloegen hem in stukken en Djamar’s ziel ging over in het
lichaam van een kind. Eenzaam wandelde hij door het woud en speelde met
een lidi [54], welke hij in den grond stak, daar ongeveer waar thans uw
huis staat; maar nauwelijks had hij dat gedaan of de aarde schudde
driemaal, de donder ratelde en als een fontein spoot het water uit de
kleine opening omhoog, alles verkeerde in een watervloed.”
»En zoo ontstond mijn meer!”
»Ja, en de grond waarop Djamar’s voeten rustten veranderde in een
eiland; toen steeg hij op in de lucht en verdween voor het
menschenoog.”
»Maar de hond?”
»Geduld! Hij was een luchtgeest geworden die alles zag en alles hoorde;
eens woonde in dezen Dalem een mooie prinses, prinsessen zijn altijd
mooi... die zat te weven en liet haar weefspoel in een van deze bronnen
vallen. Zij had misschien een stiefmoeder die haar over het verlies
hard zou vallen, tenminste zij was troosteloos, en dat trof den
luchtgeest Djamar; hij hoorde hoe de sultan, aan hem die de weefspoel
aan zijn schoone beschermeling terugbracht, haar hand beloofde en nu
veranderde hij zich in een rooden hond, wierp zich in de bron en vond
de weefspoel.”
»En de belofte des konings?”
»Zij moest den hond trouwen, en in haar wanhoop vloog zij weg van hier,
den berg op, om zich in den krater te werpen. Djamar volgde haar van
nabij, zij hoorde zijn blaffen en snelde altijd voort over rotsblokken
en lavavelden. Daar stond zij eindelijk boven, het afschuwelijke dier
kwam haar steeds nader, nog eenige stappen en zij kon hem voor goed
ontsnappen, een laatste rotsblok... zij wilde den sprong wagen, haar
sarong was reeds tusschen zijn tanden geklemd, zij rukte dien los en...
voor haar oogen stond een beeldschoon jongeling, die haar in zijn armen
sloot.”
»En zij maakte geen tegenwerpingen meer?”
»’t Schijnt van niet! Zij trouwden en verjoegen den ouden sultan en
regeerden in zijn plaats, maar ’s nachts alleen mocht Djamar mensch
zijn; over dag zwierf hij als hond in de bosschen. Zijn vrouw schonk
hem een zoon, die veel op jacht ging. De roode hond hielp hem het wild
opsporen; eens viel hij een tijger aan, die zijn zoon aanviel; het
ondier stierf, maar tevens de hond. Troosteloos kwam de jonge prins t’
huis en nu verhaalde zijn moeder hem het treurige geheim dat de roode
hond zijn vader was. En nu nog zeggen de Javanen, hooren zij tegen het
vallen van den avond een scherp geblaf; dan zwijgen alle honden en
spitsen de ooren. ’t Is Djamar, die zich naar huis spoedt naar zijn
vrouw om tegen zonsondergang de menschengedaante weer aan te nemen.”
»En voorspelt zijn verschijning ongeluk?”
»Ja, dat gelooft men hier algemeen.”
»Als men hem ziet, maar dat zal nooit gebeuren, ’t doet er niet toe, ik
vind uw verhaal aantrekkelijk, ik heb dien luchtgeest lief, en geloof
dat hij hier woont, maar ik begeer hem niet te zien!”
»Wij stammen van Djamar af,” zeide Corona glimlachend.
»U?”
»Ja, door mijn grootmoeder; daarom hecht ik zooveel aan die legende,
evenveel als aan de verhalen, die mijn grootvader uit den tijd van den
grooten keizer placht te doen. Misschien zijn deze na twee eeuwen
evenveel of even weinig geloofwaardig als de heldenfeiten van den
rooden hond.”
»Verbeeld u, dat hij voor ons verscheen! Ik zou ’t voorbeeld van den
jongen prins volgen en hem dooden, misschien kan ik u dan meteen
bewijzen iets, waarvan ge het tegendeel niet hebt gezien.”
»En dat is?”
»Dat ik moed bezit, meer dan uw zwager Akkeveen.”
Zij glimlachte en vroeg:
»Heeft u dat niet vergeten?”
»Zou ik een van uw woorden kunnen vergeten? Zij klinken voort in mijn
eenzaamheid. Heeft Hermelijn u verteld van mijn treurige jeugd, van de
schaduw, die op mijn leven rust?”
»Ja, met een enkel woord.”
»Vindt u niet dat het veel uitlegt en veel vergoelijkt?”
»Moet er iets vergoelijkt worden?”
»Mijn nutteloos leven, mijn... ongedurigheid en toch, ’t is nu of er
een crisis in mijn lot komt, of het nu een andere wending gaat nemen.”
»Hier?”
»Ja hier; het schijnt mij dikwijls toe of ik mijn leven niet voor niets
verspeeld, mijn jaren niet vergeefs verbruikt heb, daar ik in
Ngaroengan mocht komen en...”
Hij zweeg als verschrikt voor zijn eigen woorden, die hem te ver
voerden.
Hij stond vlak voor haar tegen een boom geleund; het water murmelde een
zoet melodieus wiegelied, de aromatische geur van bloemen en bladeren
vervulde de lucht, zacht speelde het windje dat door de boomen voer,
met Corona’s lange lokken, zij streek ze met een ongeduldig gebaar naar
achteren en sprong op.
»Laat ons gaan! Dat eeuwige zingen van het water ontstemt mij geheel;
ik kan me begrijpen dat hier alleen droomerige, vadsige Javanen konden
leven, en ik moet beweging, arbeid, verstrooiing hebben; ik aard meer
naar de Gérans dan naar de Djamars.”
»U is een Diana en geen peinzende waternimf; maar ook Diana rustte soms
aan de waterbronnen, waarom wil u zichzelf geen oogenblik kalmte
gunnen?”
»’t Wordt laat; papa wacht ons, u kan hier immers terugkeeren, als u
het plekje zoo aantrekkelijk vindt.”
»Zal het nog zoo wezen als Diana verdwenen is?”
»Mijnheer Thoren van Hagen, hoe aardig u die complimenten ook weet in
te kleeden, ik herken ze toch en brandmerk ze als verboden waar.”
»Nu, dan zal ik ze niet meer trachten binnen te smokkelen. U wil
vertrekken, en ik blijf u dankbaar voor het genot mij geschonken.”
»Ja, ’t is een mooi punt.”
»En uw verhaal op deze plek gaf er een eigenaardige bekoorlijkheid aan.
Moeten we ons haasten om bijtijds uw vader te ontmoeten?”
»Aan de schaduw der boomen zie ik dat het omstreeks tien uur is. We
moeten hem tegemoet gaan.”
Hun gesprek klonk nu zeer gewoon, in zijn stem was geen spoor meer over
van den eigenaardigen klank, welke haar straks bijna onder een
betoovering had gebracht, die zij met geweld van zich wenschte af te
schudden. Zij bestegen hun paarden weder en reden den heer de Géran
tegemoet.