XIX.

Onwillekeurig voelde Hermelijn zich herleven toen zij ’s middags in de

gezellige voorgalerij van Ngaroengan zat, waar Kitty, Margot en Corona

in Europeesch toilet vereenigd waren, waar Portias zijn eenigszins

hoogdravende maar welgemeende volzinnen ten beste gaf, waar kinderen

stoeiden en groote menschen praatten en lachten.

»Vind je dat reizen in zoo’n tandoe niet kinderachtig,” vroeg Corona

aan Hermelijn; »wil je niet liever te paard de reis doen?”

»Ik heb er geen kleeren voor.”

»Maar ik zal je een amazone geven; dat ik iets langer ben hindert niet

bij een rijkleed; daarbij, in het gebergte is alles mooi.”

»Dank je, ik draag het kleed van anderen niet,” antwoordde Hermelijn

kortaf.

Allen stonden verbaasd over dit onverwachte antwoord, Corona bood iets

aan en het werd geweigerd; hoe durfde Conrad’s vrouw dat doen?

»Nu, ik ben niet gewoon iets op te dringen,” hernam zij geraakt.

Het bitterst griefde ’t haar, dat Thoren van Hagen juist binnen was

gekomen, en het antwoord van Hermelijn stellig gehoord had. Hij was er

ook verwonderd over en zag zijn jonge vriendin scherp aan; ’t viel hem

dadelijk op, dat zij zeer veranderd was, een pijnlijke trek lag om haar

mond en haar oogen; een grenzenlooze minachting sprak uit haar toon en

haar blik.

Welke droevige gewaarwordingen hadden het blijmoedige, opgewekte meisje

in zoo korten tijd verbitterd en veranderd!

Hij groette haar zonder meer en zij noemde hem bij opzet niet.

’t Duurde niet lang of het gesprek werd algemeen; de plannen van Thoren

van Hagen werden besproken, goed- of afgekeurd; Corona mengde zich niet

in het gesprek en Thoren scheen nauwelijks haar tegenwoordigheid op te

merken.

»Ik ga mee bij Poppie logeeren?” fluisterde Kitty Hermelijn toe. »Is

dat niet heerlijk?”

»O lieve Kitty! Je had mij geen betere tijding kunnen mededeelen.”

’t Was een genot voor Hermelijn het hartelijke, warme handje van haar

schoonzuster in de hare te mogen houden en haar liefkozende stem te

hooren, zoo heel iets anders dan die eeuwige stilte, welke haar in

Djantong omgaf, haar oogen schitterden en Thoren van Hagen dacht:

»’t Is niets dan levensgeluk dat haar ontbreekt.”

Er werd besloten een wandeling te maken; Kitty en Portias, Philip en

Margot, August en Corona, Thoren van Hagen en Hermelijn waren van de

partij, Kitty had den arm van haar man genomen.

»Je bent precies een sirihplant, als je geen staak hebt om op te leunen

dan val je om,” was het lieve bescheid van Corona.

Zij zelf voelde zich verlegen met haar houding; te trotsch een stap

naar Hermelijn of Thoren van Hagen te doen, bleef zij zich vergenoegen

met het gezelschap van August en liep met hem vooruit; zoo bleef

ongezocht Hermelijn in Iwan’s gezelschap achter.

Zij zweeg, haar hart was te vol en zij kon niet klagen.

»Arme Hermelijn!” zeide hij eindelijk zacht.

»Waarom arm, ik beklaag mij niet.”

»Maar je trekken, je oogen doen ’t voor je! Ik had ’t sinds lang

geraden, je bent teleurgesteld.”

»Zeg liever bedrogen; Conrad is de minst schuldige maar zij die slang,

die... o Iwan, ik wilde dat ik woorden kon vinden om haar te noemen en

haar te...”

»Foei Hermelijn, foei, ik ken je niet meer.”

»Maar ken ik mezelf dan nog? O ’t is zoo gemakkelijk, goed, braaf,

vroom te zijn als men gelukkig is, en dan spreken ze nog van een lijden

dat verheft, dat veredelt, neen ’t verlaagt, ’t maakt slecht.”

»Arm kind!”

»Zeg dat woord niet meer Iwan; zeg dat niet; ik zou mij neer kunnen

werpen op den grond, en wachten tot er een tijger kwam om mij te

verslinden, of een bliksemstraal om mij te treffen; alles, alles, maar

niet dit vreeselijke lot.”

»Hermelijn, denk je nog aan die zwarte wolken met zilveren randen, die

ik als kind, wanneer ik bij uitzondering stil en rustig was, met je

bewonderde?”

»Ik ken geen zilveren randen meer, niets dan duisternis.”

»Heb je alle vertrouwen op God verloren, Hermelijn? ’t Is zoo diep

treurig, een vrouw, die geen vertrouwen, geen hoop meer heeft.”

»Dat weet ik... ik denk zooveel aan je moeder Iwan, ik begrijp haar nu;

dien dood, waardoor zij zich zoo verschrikkelijk op je vader wreekte.”

»En die straf viel tevens op mij, Hermelijn! Waarom ben ik zwerver

geworden, waarom vind ik nergens rust? Omdat geen moederoog mijn jeugd

leidde, geen moederhand mijn karakter vormde, omdat ik tegen mijn vader

met schrik en... en afkeer leerde opzien! Elke zonde draagt haar straf

in zich, je ziet het hoe mijn vaders fouten gewroken werden, en ik

onschuldige draag den vollen last.”

»En ik dan, ben ik niet even onschuldig en even ongelukkig?”

»Alles is aaneengeschakeld, Hermelijn; ik ben waarlijk een wonderlijke

zedepreker, maar lieve meid, ik wou je zoo graag een beetje troost

geven voor den steun, dien je vader mij zoo ruim schonk! Als ik hem

niet had ontmoet dan ware er nog minder van mij gekomen, en beken dat

het dan bitter weinig was geweest, Hermelijn! Ik heb met je te doen; ik

weet dat het hard is zijn illusiën te verliezen, maar zie je nergens

licht? Is er nergens hoop op iets beters? Als mijn moeder sterk ware

geweest, zij had mij in de armen genomen en gezegd: »Voor mijn jongen

wil ik leven! Voor hem zal ik alles dragen!” En elke moedige daad van

zelfoverwinning, elk offer draagt zijn belooning in zich. Zie je

nergens een zilveren puntje, Hermelijn?”

»Neen, als ik t’huis ben denk ik nergens, maar hier..”

»Nu kijk goed naar dat puntje, en denk dat Onze Lieve Heer het daar

heeft geplaatst. Ik zal je vertrouwen in Hem niet schokken, Hermelijn!

Wij mannen, voor wie de wereld openligt, wij meenen dikwijls hem te

kunnen missen en toch wat is ’t ons vaak hier leeg en grauw, maar gij

vrouwen die leven moet van zelfvergetelheid, van offers, van

onbeantwoorde liefde, waar moet gij heen, als gij in uw eenzaamheid

geen vriend bezit, tot wien ge gaan kunt, die nooit moede wordt van uw

klagen, van wien gij vast gelooft dat Hij uw lot in zijn vaderlijke

zorg regelt.”

Hermelijn droogde eenige brandende tranen af.

»Mijn ongelukkige moeder, was zoo diep niet gezonken als zij dat geloof

en vertrouwen had bewaard.”

»Diep gezonken, zeg je?”

»Ja, diep zeer diep; zij heeft het heiligste, wat in haar borst

schuilde, haar moederliefde vertrapt uit wraakzucht.”

»Je bent streng, Iwan.”

»Misschien had het verdriet haar waanzinnig gemaakt. ’t Is haar eenige

verontschuldiging.”

»Maar daar is niets aan te verhelpen als men dat wordt.”

»Alleen zwakken van ziel worden het; blijf dus sterk Hermelijn!”

»Wil je mij een genoegen doen, Iwan?”

»Natuurlijk!”

»Noem mij zoo niet meer als Conrad er bij is, hij heeft het niet

graag.”

»Zei hij dat?”

»Ja!”

»En dan zocht je naar het zilveren puntje, Hermelijn! of liever

mevrouw! Ik zal er om denken, dat beloof ik je. Tusschenpersonen baten

hier niets, Portias heeft me alles verteld, de strijd moet tusschen je

beiden worden afgestreden en uw lieftalligheid, uw geduld, mevrouw de

Géran, kunnen alleen overwinnen.”

»Wat een druk gesprek! Mogen wij daarvan niet meegenieten?” vroeg

Corona, wie het zwijgend gaan naast August ontzaggelijk verveelde.

»We hadden het over de trachietvorming der rotsen, juffrouw de Géran.”

Een der knaapjes, een aardige krullebol van vier jaar, was meegeloopen,

maar over vermoeidheid klagend, wierp hij zich op den grond en weigerde

voort te gaan.

»Ondeugende bangsat [31]!” riep Corona, trok hem in de hoogte, en nam

hem op de armen, »wat doe je ook mee?”

»Mag ik u van dien zoeten last ontheffen?” vroeg Thoren van Hagen.

»Maar ’t zou me echter spijten, als u mijn verzoek toestond.”

»Dan moet u het niet vragen.”

»’t Is van mijn kant een daad van zelfopoffering, ik doe afstand van

een feest der oogen; met dat kind op den arm gelijkt u...”

»Een madonna!” riep Kitty.

»Dat toevallig niet! Een moeder der Grachen.”

»De eene Grach mankeert, helaas!”

»Ik belief voor geen moeder aangezien te worden; gevoelt u er roeping

toe dien bengel te dragen dan geef ik hem u dadelijk over.”

»Zie zoo, ’t is gelukt, Tjapé Njo [32]?”

Corona, ofschoon innerlijk gekrenkt over de wijze, waarop hij haar ’t

kind had afhandig gemaakt, kon een lach niet weerhouden toen zij hem

Maleisch hoorde spreken met het knaapje.

Thoren van Hagen ging vooruit met het ventje op den nek, de weg was een

holle, hoog beschaduwd met bamboestruiken en ramboetanboomen

waartusschen de koffieplant groeide.

»Weet u wel, dat we vlak bij mijn villa zijn,” vroeg hij, zich

plotseling omkeerend, en tot het kind: »Nu Njo, genoeg paardje gereden

op oom?”

»Oom,” gierde Margot, »hoor je Philip, meneer noemt zich oom.”

»Nu Margot, is dat zoo onmogelijk? Njo vindt het zoo vreemd niet, hé

jongen?”

»De jongen ziet en hoort ook van niets anders dan van ooms en tantes!”

zei Kitty.

»Dan hindert een oom meer of minder niet, waar de boom zoo vol geladen

is.”

»En nu gaat Njo, zooals het een behoorlijk jongmensch past, aan oom’s

handje wandelen! Heel netjes en fatsoenlijk; morgen krijg je wat

lekkers van oom.”

De weg kwam werkelijk uit op het verrukkelijk meertje, dat Thoren van

Hagen zich tot woonplaats had uitgekozen; stil en vredig lag het daar

in de vallende duisternis, omzoomd door rotsen en boomen. Een enkele

ster spiegelde zich in het gladde water, eenige watervogels gleden

statig over de licht gerimpelde oppervlakte.

Een kleine boot lag bij een der eilanden, en verried het plan van den

landheer, om over het meer tochtjes te doen.

»Een schuitje, hoe prettig!” riep Kitty.

»’t Staat te uwer beschikking, mevrouw! En aan wie mag ik nu mijn

Njotje toevertrouwen, aan jou, Philip, je hebt er nu net een gezicht

naar, om zonder dat jezelf er veel last van hebt hem veilig t’huis te

brengen.”

»Ga je niet mee, Thoren! We hadden zoo gerekend op een gezellig

muziekavondje, nu Hermine er is.”

»’t Spijt me, Portias, maar ik moet van avond dringend t’huis zijn; ik

heb mijn huisgenoot beloofd met hem op de vleermuizenjacht te gaan. Die

beesten maken het mij zoo geducht lastig! En dan, we hebben van avond

ketan item [33] voor diné.”

»Is u heel ingericht?” vroeg Hermelijn.

»Op de voorgalerij na! Dan hoop ik een inwijdingsfeest te geven.”

»Een mooi vooruitzicht!” zeide Corona spottend.

»Een jongeheeren feest?” vroeg Kitty.

»Wel neen, ik zal juffrouw Iteko verzoeken er de honneurs van waar te

nemen.”

»U ook al meneer van Hagen? Van Akkeveen is zoo iets te verwachten,

maar van u.”

»Van mij, lieve juffrouw, wat bedoelt u!”

»Ik wil geen laffe aardigheden hooren op een uitstekend goed schepsel,

wier eenige fout het is dat ze ongelukkig is.”

»Maak ik dan aardigheden? Ik verzeker u dat het mij ernst is en zal het

bewijzen ook. De vrouwen zijn wel gelukkig, ze mogen alles straffeloos

wezen, mooi, geestig, scherp, voorbarig, en wij arme sukkels staan er

weerloos tegenover.”

»U is wel te beklagen,” antwoordde Corona vol ingehouden toorn.

Hermelijn · 第 25 / 67 题