XVIII.

Intusschen was het voor de arme, eenzame Hermelijn een uitkomst toen

August voor haar huis van het paard steeg en de invitatie van zijn

Poppie overbracht.

»Als Conrad het goedvindt,” antwoordde zij.

Conrad was echter niet te vinden; hij ging den geheelen dag uit,

kleedde zich ’s middags nooit meer aan en bracht zijn vrijen tijd door

met op kalongs [26] te schieten, en zich zoo Inlandsch mogelijk vóór te

doen.

Aan tafel speelde hij met den hond, gaf hem de beste beten, ging

dikwijls zonder zadel te paard rijden en holde den weg af, op gevaar

van in een ravijn te storten; soms ging hij nog verder en plaagde

Hermelijn op echt kinderachtige wijze; hij scheurde eens uit haar

keurige Frithjofssage eenige bladzijden om er een propje voor zijn

geweer uit te maken, zoodat onwillekeurig de tranen haar in de oogen

sprongen bij deze daad van kwajongens moedwil.

Zij vermoedde niet, hoe den vorigen avond Conrad met datzelfde boek en

een duitsche dictionaire voor zich had gezeten, onmogelijke pogingen

aanwendend om het gedicht, dat hem belang inboezemde, te volgen, maar

vergeefs, hoe hij daarna die dictionaire in machtelooze woede op den

grond had gegooid, zoo hard dat Hermelijn meende een stoel te hooren

omvallen.

Hij was boos en ontevreden op de geheele wereld, maar schreef toch

dienzelfden dag naar Samarang om een Duitsche spraakkunst voor

zelfonderricht te ontbieden en een nieuw exemplaar van de

Frithjofssage.

Hermelijn moest uit alle kracht strijden tegen de vreeselijke matheid

welke haar overviel, alles was haar te veel, alles boezemde haar schrik

en afkeer in. Wat zou zij doen?

Boeken lezen, maar die spraken van geluk, van liefde, van hoop, en van

alle drie moest zij afstand doen, alles was zoo onbeduidend, vergeleken

bij haar eigen lot; de verzen van Byron en Musset alleen hadden haar

geboeid, daarin vond haar geest een welkome echo, ’t was of hun bittere

ondervindingen hun geleerd hadden een blik in haar ziel te slaan. Zijn

vertwijfelde klachten waren ook de hare, hij gaf een vorm aan de

onbestemde beelden van haar ziel, zoo levensmoede, zoo ontgoocheld, zoo

bitter voelde zij zich ook. Na de lezing van eenige zijner gedichten

bleef zij een geheelen nacht wakker, ter prooi aan onrustige droomen,

aan wanhopige vragen, waarop geen antwoord mogelijk was. ’t Liefst ware

zij zoo gebleven zonder opstaan, zonder terugkeer naar het werkelijke

leven om dan stil af te wachten wat het leven haar nog bitters zou

aanbrengen.

Maar toen zij opgestaan was, triomfeerde haar krachtige geest over die

ziekelijke gedachten.

»Ik zal Musset niet meer lezen, hij maakt me zwak, kleinzielig. Zijn

boeken zijn vergift voor mij; ik moet sterk wezen, mij niet laten

neerslaan en het leven moedig in de oogen zien, hoe vreeselijk het ook

schijne.”

In haar huishouden had zij weinig lust; waarom zou zij in de keuken

bezig zijn, waarom smakelijke schotels klaar maken? Zij wist immers

niet eens of haar man aan tafel kwam, òf wel dan gaf hij de Hollandsche

spijzen, die zij zelf had toebereid dadelijk aan de honden om wat koude

rijst tusschen zijn vijf vingers te nemen en ze met een stukje dendeng

[27] en een lombok[27] op te eten.

Dan ging zij alles in ’t huis verzetten, opdat er niets van Corona’s

regelingen zou overblijven, maar toen dit gedaan was, kon het niet meer

herhaald worden en het gaf haar geen werk meer.

De piano was haar eenige uitkomst, uren lang stortte zij haar hart in

tonen uit, zingen kon zij niet, haar keel was als dichtgeschroefd, maar

als zij begon te spelen, zorgde Conrad dat hij wegkwam; als hij naar

huis terugkeerde en haar voor de piano zag, maakte hij onmiddellijk

rechtsomkeert.

Eens zeide Hermelijn tot hem:

»Maar Conrad, ik zie ’t niet in, waarom wij altijd stommetje tegenover

elkaar moeten spelen.”

»Ik heb niets te praten,” snauwde hij.

Eens toen het pak boeken uit Samarang kwam, was hij niet t’huis; toen

hij echter het pakje zag, nam hij het spoedig mee en sloot zich in zijn

kamer op.

»Nog geheimen bovendien!” zuchtte Hermelijn, »o God, sta me bij, ik kan

haast niet meer.”

Hermelijn was steeds gewoon al haar gedachten, al haar daden te adelen

door een echt godsdienstige opvatting, die haar beter, geduldiger,

liefdevoller moest maken; zij geloofde vast dat het lijden, goed

gedragen, de ziel verheft, het hart nader tot God brengt; zij trachtte

eerst steun in het gebed te zoeken, zij las bij voorkeur godsdienstige

boeken, dan voelde zij zich sterk en hoopvol, maar nadat zij zich dag

aan dag met haar naar liefde dorstend hart, behandeld zag met de meest

ijskoude onverschilligheid, haar fijne beschaving telkens gekwetst werd

door Conrad’s opzettelijk ruwe manieren, ontviel haar alle hoop, alle

moed, alle vertrouwen. Zij voelde zich hoe langer hoe meer afgemat,

zwak, troosteloos; niets wekte haar meer op uit de doodsche stilte, die

haar omringde; haar overviel een gevoel of zij met gesloten oogen niets

te doen had dan zich over te geven aan den stroom van het leven, die

haar langzaam maar zeker wegvoerde naar den dood, den eenigen

verlosser.

Vooral in die lange avonden en nachten, als de eigenaardige stilte van

den tropischen nacht haar omringde, als buiten de sterren fonkelden

tusschen het franje-achtige loof der tjemara’s en tamarinden, als het

gebladerte zacht ruischte en dat gemurmel zich vermengde met het

eindelooze sissen en piepen der insecten, met het klagende geroep der

houtduif of de schrille kreten van de jakhalzen, als in het maanlicht

de katjapirings [28] tusschen de donkere bladen gloeiden als zilveren

rozen en de kamoening [29] haar fijne bloemen als een welriekenden

regen ter aarde liet vallen, de melati’s[29] haar geuren naar

Hermelijn’s kamer opzonden als een groete aan de eenzame Westersche,

dan voelde zij zich meer dan ooit alleen, verlaten, ongelukkig; haar

hart smachtte naar sympathie, naar een vriendelijk woord, een

liefkozing; dikwijls voelde zij bekoring zich voor Conrad’s voeten te

werpen en hem te zeggen:

»Zend mij weg òf behandel mij tenminste als vriendin! Ik zal je

gehoorzamen als mijn meester.”

Doch haar trots weerhield haar; zij wilde zich zijn mindere niet

toonen. Hij zou haar kunnen breken maar buigen nooit; liever had zij

dat de storm wild door het gebergte loeide, dat de donder weergalmde

door de rotsen, de regen kletterde en de wind de boomen heen en weer

zweepte; dan droomde zij gaarne van een ramp, die de wereld uit haar

grondvesten rukte, die haar en Conrad en Corona met zich rukte,

waarheen, wist zij zelf niet en wilde het ook niet weten.

Zoolang mogelijk streed Hermelijn tegen de namelooze matheid, die haar

dreigde te overstelpen; lichamelijke beweging had haar goed gedaan,

maar waar zou zij die nemen, alleen als zij steeds was? Een wandeling

ver van huis in de wildernis deed haar huiveren; in de onmiddellijke

nabijheid van Djantong maakte zij soms ontdekkingstochten, doch zij

kende den weg niet en vreesde onaangename ontmoetingen; lectuur kon

haar niet meer boeien of het moest wanhoopspoëzie zijn en zoolang zij

kon, hield zij hare hand af van Byron of Musset, die haar

onweerstaanbaar aantrokken; het huishouden en de muziek boezemden haar

weldra afkeer in, niets was in haar oog belangrijker dan haar eigen

gedachten.

Haar hoofd klopte, haar oogen brandden, haar borst deed haar pijn; ’t

was of zij zwaar ziek ging worden, in waarheid was slechts haar

zenuwgestel aangedaan.

»Zou men zich zoo gevoelen als men krankzinnig wordt,” dacht zij

sidderend en zag dan angstig naar den grooten weg, hopende, dat er

iemand zou komen om eenige afwisseling te brengen in haar ondragelijk

leven.

Een enkelen keer zag zij een of meer ruiters naderen; soms was het haar

vader, of wel een van de broeders, maar de pogingen, die zij aan moest

wenden om tegenover hen opgeruimd en tevreden te schijnen, vielen haar

telkens zwaarder en als zij weg waren, voelde zij zich nog meer

uitgeput.

»Kon ik maar iets uitrichten, die lijdelijke werkeloosheid is meer dan

ik dragen kan,” verzuchtte zij weinige minuten vóór dat August kwam met

zijn verzoek.

»Conrad zal wel dadelijk komen. Vraag ’t hem zelf,” antwoordde zij.

August en Poppie waren nu juist geen personen aan wier omgang zij veel

had maar toch, beiden schenen goed en hartelijk, en dan waren er

kinderen. Zij zou daar leven en beweging vinden, maar vooral zou haar

man van haar gehate tegenwoordigheid voor korten tijd ontslagen zijn.

Zooals te denken was, antwoordde Conrad niets anders dan:

»Als je trek hebt, ga je gang!”

Op die beminnelijke toestemming haastte Hermelijn zich haar goed in te

pakken, terwijl August met zijn broer de beste wijze besprak om naar

zijn woning te gaan.

»Je moet van avond maar slapen in het groote huis, Hermine,” zei Conrad

op zulk een vreemden toon, nu hij haar aansprak, dat zijn vrouw er van

schrikte.

»Morgen kan je verder gaan met de tandoe [30].”

»Heel goed, ’t is zooals je het beschikt het beste.”

Er werd gerijsttafeld. August en Conrad hadden het druk over de

koffiecultuur en Hermelijn verwonderde er zich over dat haar man,

wanneer hij aan den gang was, zoo aardig en in zulk goed Hollandsch

redeneeren kon.

Na het eten kwam het rijtuig voor; August en Hermelijn stapten in;

Conrad sloot het portier en beantwoordde zeer slapjes de hand, die zij

hem toestak.

»Compliment aan Portias en Kitty,” riep hij hen na.

Hermelijn · 第 24 / 67 题