Intusschen was het voor de arme, eenzame Hermelijn een uitkomst toen
August voor haar huis van het paard steeg en de invitatie van zijn
Poppie overbracht.
»Als Conrad het goedvindt,” antwoordde zij.
Conrad was echter niet te vinden; hij ging den geheelen dag uit,
kleedde zich ’s middags nooit meer aan en bracht zijn vrijen tijd door
met op kalongs [26] te schieten, en zich zoo Inlandsch mogelijk vóór te
doen.
Aan tafel speelde hij met den hond, gaf hem de beste beten, ging
dikwijls zonder zadel te paard rijden en holde den weg af, op gevaar
van in een ravijn te storten; soms ging hij nog verder en plaagde
Hermelijn op echt kinderachtige wijze; hij scheurde eens uit haar
keurige Frithjofssage eenige bladzijden om er een propje voor zijn
geweer uit te maken, zoodat onwillekeurig de tranen haar in de oogen
sprongen bij deze daad van kwajongens moedwil.
Zij vermoedde niet, hoe den vorigen avond Conrad met datzelfde boek en
een duitsche dictionaire voor zich had gezeten, onmogelijke pogingen
aanwendend om het gedicht, dat hem belang inboezemde, te volgen, maar
vergeefs, hoe hij daarna die dictionaire in machtelooze woede op den
grond had gegooid, zoo hard dat Hermelijn meende een stoel te hooren
omvallen.
Hij was boos en ontevreden op de geheele wereld, maar schreef toch
dienzelfden dag naar Samarang om een Duitsche spraakkunst voor
zelfonderricht te ontbieden en een nieuw exemplaar van de
Frithjofssage.
Hermelijn moest uit alle kracht strijden tegen de vreeselijke matheid
welke haar overviel, alles was haar te veel, alles boezemde haar schrik
en afkeer in. Wat zou zij doen?
Boeken lezen, maar die spraken van geluk, van liefde, van hoop, en van
alle drie moest zij afstand doen, alles was zoo onbeduidend, vergeleken
bij haar eigen lot; de verzen van Byron en Musset alleen hadden haar
geboeid, daarin vond haar geest een welkome echo, ’t was of hun bittere
ondervindingen hun geleerd hadden een blik in haar ziel te slaan. Zijn
vertwijfelde klachten waren ook de hare, hij gaf een vorm aan de
onbestemde beelden van haar ziel, zoo levensmoede, zoo ontgoocheld, zoo
bitter voelde zij zich ook. Na de lezing van eenige zijner gedichten
bleef zij een geheelen nacht wakker, ter prooi aan onrustige droomen,
aan wanhopige vragen, waarop geen antwoord mogelijk was. ’t Liefst ware
zij zoo gebleven zonder opstaan, zonder terugkeer naar het werkelijke
leven om dan stil af te wachten wat het leven haar nog bitters zou
aanbrengen.
Maar toen zij opgestaan was, triomfeerde haar krachtige geest over die
ziekelijke gedachten.
»Ik zal Musset niet meer lezen, hij maakt me zwak, kleinzielig. Zijn
boeken zijn vergift voor mij; ik moet sterk wezen, mij niet laten
neerslaan en het leven moedig in de oogen zien, hoe vreeselijk het ook
schijne.”
In haar huishouden had zij weinig lust; waarom zou zij in de keuken
bezig zijn, waarom smakelijke schotels klaar maken? Zij wist immers
niet eens of haar man aan tafel kwam, òf wel dan gaf hij de Hollandsche
spijzen, die zij zelf had toebereid dadelijk aan de honden om wat koude
rijst tusschen zijn vijf vingers te nemen en ze met een stukje dendeng
[27] en een lombok[27] op te eten.
Dan ging zij alles in ’t huis verzetten, opdat er niets van Corona’s
regelingen zou overblijven, maar toen dit gedaan was, kon het niet meer
herhaald worden en het gaf haar geen werk meer.
De piano was haar eenige uitkomst, uren lang stortte zij haar hart in
tonen uit, zingen kon zij niet, haar keel was als dichtgeschroefd, maar
als zij begon te spelen, zorgde Conrad dat hij wegkwam; als hij naar
huis terugkeerde en haar voor de piano zag, maakte hij onmiddellijk
rechtsomkeert.
Eens zeide Hermelijn tot hem:
»Maar Conrad, ik zie ’t niet in, waarom wij altijd stommetje tegenover
elkaar moeten spelen.”
»Ik heb niets te praten,” snauwde hij.
Eens toen het pak boeken uit Samarang kwam, was hij niet t’huis; toen
hij echter het pakje zag, nam hij het spoedig mee en sloot zich in zijn
kamer op.
»Nog geheimen bovendien!” zuchtte Hermelijn, »o God, sta me bij, ik kan
haast niet meer.”
Hermelijn was steeds gewoon al haar gedachten, al haar daden te adelen
door een echt godsdienstige opvatting, die haar beter, geduldiger,
liefdevoller moest maken; zij geloofde vast dat het lijden, goed
gedragen, de ziel verheft, het hart nader tot God brengt; zij trachtte
eerst steun in het gebed te zoeken, zij las bij voorkeur godsdienstige
boeken, dan voelde zij zich sterk en hoopvol, maar nadat zij zich dag
aan dag met haar naar liefde dorstend hart, behandeld zag met de meest
ijskoude onverschilligheid, haar fijne beschaving telkens gekwetst werd
door Conrad’s opzettelijk ruwe manieren, ontviel haar alle hoop, alle
moed, alle vertrouwen. Zij voelde zich hoe langer hoe meer afgemat,
zwak, troosteloos; niets wekte haar meer op uit de doodsche stilte, die
haar omringde; haar overviel een gevoel of zij met gesloten oogen niets
te doen had dan zich over te geven aan den stroom van het leven, die
haar langzaam maar zeker wegvoerde naar den dood, den eenigen
verlosser.
Vooral in die lange avonden en nachten, als de eigenaardige stilte van
den tropischen nacht haar omringde, als buiten de sterren fonkelden
tusschen het franje-achtige loof der tjemara’s en tamarinden, als het
gebladerte zacht ruischte en dat gemurmel zich vermengde met het
eindelooze sissen en piepen der insecten, met het klagende geroep der
houtduif of de schrille kreten van de jakhalzen, als in het maanlicht
de katjapirings [28] tusschen de donkere bladen gloeiden als zilveren
rozen en de kamoening [29] haar fijne bloemen als een welriekenden
regen ter aarde liet vallen, de melati’s[29] haar geuren naar
Hermelijn’s kamer opzonden als een groete aan de eenzame Westersche,
dan voelde zij zich meer dan ooit alleen, verlaten, ongelukkig; haar
hart smachtte naar sympathie, naar een vriendelijk woord, een
liefkozing; dikwijls voelde zij bekoring zich voor Conrad’s voeten te
werpen en hem te zeggen:
»Zend mij weg òf behandel mij tenminste als vriendin! Ik zal je
gehoorzamen als mijn meester.”
Doch haar trots weerhield haar; zij wilde zich zijn mindere niet
toonen. Hij zou haar kunnen breken maar buigen nooit; liever had zij
dat de storm wild door het gebergte loeide, dat de donder weergalmde
door de rotsen, de regen kletterde en de wind de boomen heen en weer
zweepte; dan droomde zij gaarne van een ramp, die de wereld uit haar
grondvesten rukte, die haar en Conrad en Corona met zich rukte,
waarheen, wist zij zelf niet en wilde het ook niet weten.
Zoolang mogelijk streed Hermelijn tegen de namelooze matheid, die haar
dreigde te overstelpen; lichamelijke beweging had haar goed gedaan,
maar waar zou zij die nemen, alleen als zij steeds was? Een wandeling
ver van huis in de wildernis deed haar huiveren; in de onmiddellijke
nabijheid van Djantong maakte zij soms ontdekkingstochten, doch zij
kende den weg niet en vreesde onaangename ontmoetingen; lectuur kon
haar niet meer boeien of het moest wanhoopspoëzie zijn en zoolang zij
kon, hield zij hare hand af van Byron of Musset, die haar
onweerstaanbaar aantrokken; het huishouden en de muziek boezemden haar
weldra afkeer in, niets was in haar oog belangrijker dan haar eigen
gedachten.
Haar hoofd klopte, haar oogen brandden, haar borst deed haar pijn; ’t
was of zij zwaar ziek ging worden, in waarheid was slechts haar
zenuwgestel aangedaan.
»Zou men zich zoo gevoelen als men krankzinnig wordt,” dacht zij
sidderend en zag dan angstig naar den grooten weg, hopende, dat er
iemand zou komen om eenige afwisseling te brengen in haar ondragelijk
leven.
Een enkelen keer zag zij een of meer ruiters naderen; soms was het haar
vader, of wel een van de broeders, maar de pogingen, die zij aan moest
wenden om tegenover hen opgeruimd en tevreden te schijnen, vielen haar
telkens zwaarder en als zij weg waren, voelde zij zich nog meer
uitgeput.
»Kon ik maar iets uitrichten, die lijdelijke werkeloosheid is meer dan
ik dragen kan,” verzuchtte zij weinige minuten vóór dat August kwam met
zijn verzoek.
»Conrad zal wel dadelijk komen. Vraag ’t hem zelf,” antwoordde zij.
August en Poppie waren nu juist geen personen aan wier omgang zij veel
had maar toch, beiden schenen goed en hartelijk, en dan waren er
kinderen. Zij zou daar leven en beweging vinden, maar vooral zou haar
man van haar gehate tegenwoordigheid voor korten tijd ontslagen zijn.
Zooals te denken was, antwoordde Conrad niets anders dan:
»Als je trek hebt, ga je gang!”
Op die beminnelijke toestemming haastte Hermelijn zich haar goed in te
pakken, terwijl August met zijn broer de beste wijze besprak om naar
zijn woning te gaan.
»Je moet van avond maar slapen in het groote huis, Hermine,” zei Conrad
op zulk een vreemden toon, nu hij haar aansprak, dat zijn vrouw er van
schrikte.
»Morgen kan je verder gaan met de tandoe [30].”
»Heel goed, ’t is zooals je het beschikt het beste.”
Er werd gerijsttafeld. August en Conrad hadden het druk over de
koffiecultuur en Hermelijn verwonderde er zich over dat haar man,
wanneer hij aan den gang was, zoo aardig en in zulk goed Hollandsch
redeneeren kon.
Na het eten kwam het rijtuig voor; August en Hermelijn stapten in;
Conrad sloot het portier en beantwoordde zeer slapjes de hand, die zij
hem toestak.
»Compliment aan Portias en Kitty,” riep hij hen na.