De koffielanden der Gérans lagen op de helling van den Merawoe, een
sinds jaren schijnbaar rustige vulcaan, die echter in den laatsten tijd
enkele teekenen van leven gaf in den vorm van luchtige pluimen die als
donzige wolken den krater ontsnapten; nu en dan hoorden de Javanen ook
een onderaardsch gedruisch, dat schrik en vrees onder hen bracht, maar
tot nu toe geen verdere gevolgen had.
Aan den voet van den berg strekte zich een heuvelachtige oppervlakte
uit, rijk aan wouden en dalen, aan stille meren en oudheden uit den
Hindoetijd, die dit gedeelte tot een der merkwaardigste van Java
maakten.
Vredige dessa’s [34] brachten met hun goudbruine daken afwisseling in
die zee van groen, en sawahs [35], dambordvormig afgedeeld, daalden
trapsgewijze de hellingen af. Het groote huis lag tegen den heuvelrug
aan, vanwaar men een uitgestrekt gezicht had; hoogerop, dieper in het
woud, bevond zich het land, waarover August het opzicht had.
De weg ging steil opwaarts, langs rotsmuren en ravijnen, gevuld met den
weelderigsten plantengroei; een rijtuig zou langs den smal kronkelenden
weg niet kunnen voortgaan, slechts het kleine, dappere paard van
August, te klein bijna voor zijn lange beenen, en de tandoe, waarin
beide schoonzusters zaten, door zes koelies gedragen, konden zich aan
de moeilijke bestijging wagen.
Portias had gaarne zijn vrouwtje gevolgd maar zijn schoonvader
vertrouwde hem een werk toe, dat veel te doen gaf, en waarbij zulk een
haast was, dat er van meegaan geen sprake kon zijn.
Corona liet zich dien morgen niet zien; zij had haar vader gevraagd of
’t met zijn goedkeuring was, dat Kitty meeging.
»Maar kindlief,” was het antwoord, »wat kan ’t mij schelen als haar man
het goedvindt; heb jij er iets tegen, belet ’t haar dan.”
Zij voelde haar onmacht om dat uitstapje te beletten; met leede oogen
zag zij de toenemende vriendschap tusschen Kitty en Hermelijn aan, een
vriendschap, waarop zij alleen recht meende te hebben; zij had alle
moeite gedaan die te verwerven, zij die niet gewoon was om liefde of
vriendschap te bedelen, en Hermelijn bleef standvastig op een afstand.
Zij behandelde haar met koelen afkeer, zou ’t dan waar zijn, wat Thoren
van Hagen had gezegd, dat het een slechte daad geweest was, Conrad te
dwingen tot zijn geluk?
Zoo vertrokken dan Kitty en Hermelijn zonder haar afscheidsgroet en hun
stemming was er niet slechter om. Het was zeer vroeg in den morgen, de
dauw lag nog over het gras en de boomen, de bamboes en varens, de
alang-alang en de woudbloemen; hoe hooger men kwam, hoe frisscher de
atmosfeer werd, een nieuw leven doortintelde Hermelijn’s aderen; daar
de tandoe hoogst langzaam ging, stapte zij nu en dan uit om te wandelen
en ten volle de heerlijke natuur te genieten.
Bij elke kromming van den weg vertoonde zich een ander gezicht:
rotsblokken in chaotische verwarring opeengestapeld, bedekt met mantels
van groen, wit en rood gebladerte, vergezichten op rijstvelden, die een
groot meer geleken, waaruit als eilanden de groene boomen doken, die
een kampong overschaduwden; wouden, ineengestrengelde koepeldaken, die
met moeite een zonnestraal doorlieten en op welks bodem het
donkergroene mos met ontelbare woekerplanten doorwoeld werd; ravijnen,
waarin de toppen van de hoogste boomen onbereikbaar diep aan haar
voeten lagen.
En boven dat alles de top van den bergreus, verscholen tusschen blauwe
wolken, die nu eens een bekoorlijken sluier wierpen over bosschen en
rotsen, dan weer door de zon beschenen, schitterden in weergaloozen
gouden gloed.
»Hoe heerlijk te leven en gelukkig te zijn,” riep Hermelijn, Kitty’s
arm drukkende, terwijl zij de wonderbare tropische natuur plotseling
omfloersd zag door het vochtige waas dat haar oogen bedekte.
»We moesten met ons vieren zijn, ik met met mijn José, jij met Conrad!”
»Niets gemakkelijker dan dat voor jou, maar voor mij!”
»Wacht maar, Hermelijn! Wie verzekert ons dat hij niet evenveel
verdriet heeft als jij?”
»Omdat hij met mij getrouwd is?”
»Neen, omdat hij verlegen is met zijn eigen houding! Let maar op,
zusjelief, hij weet niet, hoe hij ’t moet aanleggen, want hij is een
domme jongen, maar geloof me, als hij alles vooruit had geweten, zou
hij ’t anders hebben aangelegd.”
»Wat vooruit geweten?”
»Wel dat je zoo’n lief, goed Hermelijntje was, die Cor zoo aardig op
haar plaats kon zetten. Portias zal ’t hem vertellen, wat je gisteren
avond tegen haar hebt durven zeggen.”
»Maar is daar nu zoo’n moed toe noodig?”
»We zijn allemaal bang voor haar, ik heb zooveel van haar gehouden en
toch, zoo iets durfde ik nooit uitspreken.”
Tegen den middag kwam men aan het hooggelegen, bijna geheel in de
bosschen verscholen huis van August; het was van bamboes opgetrokken en
met atap [36] gedekt, maar het zag er toch netjes uit. Een loentasheg
omgaf het van drie zijden; in de voorgalerij stonden potten met
bloemen, die Hermelijn wel wat kinderachtig vond, daar waar men de
heerlijkste exemplaren van het plantenrijk voor het bewonderen had in
den vrijen grond; de kerees [37] hingen neer, maar op het getrappel van
papa’s paard kwamen een zestal kereltjes, van verschillende
schakeeringen bruin, opstuiven. Het eenige verschil was dat eenige in
hansop, schilderachtig badjoe monjet (apenbaadje) genoemd, waren
gekleed zonder aanzien van geslacht of leeftijd, terwijl de anderen dit
eenige kleedingstuk geheel misten. De jongste scheen nauwelijks één
jaar en hield een groote pisang [38] onophoudelijk tusschen hand en
mond, de anderen hadden òf kuikens, òf vruchten in de vuile vingers.
Zij spraken niet eens Maleisch maar Javaansch, allen door mekaar, een
gillend, de andere kermend, papa tegemoet vliegend. Kitty greep er
twee, die als droppels water op elkaar geleken bij de badjoe monjet en
stelde ze Hermelijn voor.
»Het tweede tweelingpaar, tot het oudste behoort Jantje.”
»Dan is het gemakkelijk er tien bij mekaar te krijgen,” antwoordde
Hermelijn lachend en dreef de zelfoverwinning zoover, dat zij op het
met zand en pisangpap bemorste gezichtje een plek zocht, waar zij een
kus drukte, bij welk onverwacht bewijs van tantelijke liefde het
jongentje of meisje ’t op zulk een luid geschreeuw zette, dat zij zich
niet meer aan de herhaling der liefkoozing waagde.
Toen zij het huis betrad kwam de dikke Poppie in een bonte kabaja, met
hooge kondé [39], geheel het uiterlijk eener Javaansche baboe,
aangewaggeld, haar in het Maleisch verwelkomend.
»Hoor eens Pop,” zei Kitty, »onze lieve zus kan reeds heel aardig
maleisch voor haar doen, maar met haar schoonzuster spreekt zij bij
voorkeur Hollandsch.”
»Ja, ik vergeet haast! Kom hier, ik zal wijzen met jou kamer en dan wij
gaan eten.”
»Laper sekali,” [40] bromde August.
»Ja, kassian! Cor geeft ook niets mee voor te eten, wacht als ze weg
gaat, ik geef ketoepat en saté, en kwee-kwee!”
»Dadelijk eten!”
Met bedrijvige hartelijkheid rolde de goedhartige dikkert voor hen uit
naar de logeerkamer, die er heel anders uitzag dan die van Ngaroengan
en Djantong; alles had een even Inlandsch aanzien, ofschoon blinkend
van zindelijkheid. De voorgalerij werd nooit gebruikt en was bijna
altijd gesloten; in de achtergalerij scheen men te huizen, daar stond
tenminste August’s leuningstoel en de rustbank met kussens opgestapeld,
waarop moeder Poppie en haar kinderen met opgetrokken knieën zaten te
eten, want van aan tafel zitten was geen sprake.
Poppie deed op gewone dagen als er geen logés waren alles op een diep
bord en zette den hoogen rijstberg voor August, die in zijn
luiaardstoel lag en zoo dineerde, dan nam zij op een ander bord een
bijna even grooten hoop, ging met de onnavolgbare vlugheid van een
Indische vrouw op de baleh-baleh [41] zitten, de beenen kruisgewijze
onder haar gevouwen en begon met haar vijf vingers eerst zich zelf te
voeren en dan haar talrijk kroost, dat op bloote voeten om haar heen
trippelde of wel op de baléh-baléh klom, stoeide, griende, kibbelde om
elk stukje vleesch dat Adik meer kreeg dan Non, of om elke hap, die een
beurt oversloeg bij Pietje of Jootje; zoo hadden ten huize van August
de middagmalen plaats. De grootere kinderen kregen een batok
(uitgeholde klappernoot) vol rijst en toebehooren en gingen ergens op
de trappen zitten of in den tuin en kwamen zich aanmelden als de
voorraad uitgeput was. Na het diner of de lunch, nam mevrouw Poppie
haar mooie schildpadden sirihdoos en tracteerde zich zelf op een
pruimpje dat zij met grooten smaak toebereidde; zij spoelde daarna
echter steeds haar mond en durfde zich niet te veel aan haar
liefhebberij overgeven; want als Corona er achter kwam, wist zij wel,
wat er volgen zou.
Daarna ging Njonja [42] een praatje houden met de kokkie, die naast de
naaister op een matje kwam hurken; zij zelf nam daarbij een korte
welverdiende rust op de baléh-baléh, omringd door haar lievelingen.
Nu echter was alles anders ingericht; de zusters waren het zoo deftig
gewoon, daarbij de eene was een tottok. [43] De tafel werd behoorlijk
gedekt en van zilveren lepels en vorken voorzien; de stoelen waren
aangezet maar de kinderen kregen hun batok en de kleinen werden door de
baboe op een matje vereenigd en door haar gedoelangd (gevoed).
Hermelijn moest uit een ondragelijke omgeving ontsnapt zijn om zich
hier op haar gemak te voelen. August sprak met zijn vrouw slechts in
het Maleisch of Javaansch, Poppie draafde door zonder te bemerken,
hoeveel bokken tegen het Hollandsch door haar geschoten werden en links
en rechts neervielen; Kitty alleen was haar gezelschap waard en
Hermelijn smachtte er naar met haar samen te kunnen zijn.
Na het maal, dat zoo overvloedig was als een echte Indische rijsttafel
het slechts kon wezen, gingen zij naar haar kamer en daar spraken
beiden naar hartelust over hetgeen hen zoo ter harte ging: Conrad en
alweer Conrad; Hermelijn werd niet moe over zijn jeugd te hooren
verhalen.
»Hou je nog altijd veel van hem?” vroeg Kitty.
»Moet ik ’t dan niet? Hij is mijn man, als ik niet meer van hem kon
houden dan zou mijn ongeluk niet te overzien zijn.”
’s Middags werd er gebaad, maar het toilet van Poppie bepaalde zich tot
het aantrekken van een schoone witte kabaja, dat was nog een
beleefdheid den gasten aangedaan, anders werd de bonte kabaja tegen een
andere van die kleur verruild. De kinderen kregen schoone hansoppen
aan, vóór dat zij het bosch ingingen. Mama had voor pisang goreng en
kollak [44] gezorgd, waaraan zij zich zoolang te gast deden, tot er
zelfs onpasselijkheden en nieuwe huilpartijen ontstonden.
Al was dus de geest, die in dit huishouden heerschte, voor Hermelijn nu
juist niet opwekkend of verfrisschend, materieel deed het haar
bijzonder goed, dank de groote wandelingen, die zij met Kitty en August
maakte, de rijtoertjes, welke zij alleen met hem ondernam, want Kitty
bleef t’huis gehoorzaam aan haar man, met alle blijmoedigheid, die een
liefhebbende vrouw leggen kan in haar onderwerping aan den wil van een
beminden meester.
»Kon ik den mijne ook maar gehoorzamen. Gaf hij mij maar een gebod, een
wensch, dien ik opvolgen moest!” zuchtte Hermelijn.
Maar voornamelijk was het haar een troost met Kitty over al die duizend
kleine nietigheden te kunnen keuvelen, waarover jonge meisjes en
vrouwtjes nooit uitgeput raken, en waaraan zij evengoed behoefte hebben
als aan versche lucht en dagelijksch brood. Zich uit te praten is zoo
iets echt vrouwelijks, dat zij, die er de gelegenheid niet toe hebben,
het gemis daarvan voelen tot schade van haar lichaams- of
zielsgezondheid; het onverstoorbaar optimisme van Kitty werkte gunstig
op Hermelijn, haar gezonde natuur, die een afkeer had van
neerslachtigheid, kwam den druk te boven, welke haar in Djantong zoo
pijnigde; zij begon zooals Thoren van Hagen het raadde, zilveren randen
aan de donkere wolken te onderscheiden en vreesde niet terug te keeren
naar huis; ook trachtte zij de kinderen van August uit hun verwilderden
staat op te heffen. Vroeger had zij het in haar blinde ingenomenheid
tegen Corona wreed en onnatuurlijk gevonden dat deze de kinderen van
hun ouders verwijderde om ze onder haar oog op te voeden, nu echter, nu
zij hen als Javanen in het wilde hier zag opgroeien kon zij de groote,
gevreesde Cor geen ongelijk meer geven.
Haar schoonzuster Poppie gaf zich veel af met Inlandsche geneeskunde;
geen kwaal of zij wist er raad voor; zij had zalfjes en dranken voor
ieder ten beste, maar zeide zij:
»Cor geeft niet ik gebruik die obat! Kassian, als laatst ik mag helpen
met kleine Jantje, hij stellig beter, maar nu hij is dood.”
Zij was steeds in groote zorg of haar kinderen wel gebruik maakten van
de djamoe’s, borehs, parems en hoe al die middeltjes, welke den
anti-kwakzalversbond een griezeling op het lijf zouden jagen, nog meer
heeten mogen; niettegenstaande Corona’s verbod had zij toch steeds een
menigte tampah’s [45] met allerlei kruiden op het dak harer bijgebouwen
te drogen gelegd, om ze als vloeistoffen te laten trekken in den
maneschijn. Er was altijd een heele apotheek in de maak, en Hermelijn,
die gaarne iets leerde, won haar hart door naar het gebruik en de
samenstelling van die middeltjes te vragen.
August liet zijn vrouw haar gang gaan; hij zat het liefst in Indisch
costuum staten te schrijven, hij was de copiist der kolonie, had een
prachtige hand en maakte nooit fouten, zijn vrouw zorgde goed voor zijn
tafel; meer scheen hij niet van haar te verlangen.
Acht dagen bleef Hermelijn hier logeeren en verkreeg daardoor een blik
in een echt Indisch huishouden, dat haar volstrekt niet aantrekkelijk
voorkwam. Kitty, die reeds in dien tusschentijd een kort bezoek van
haar man en dagelijks eenige brieven van hem had ontvangen, verlangde
naar huis, maar Guillaume kwam zijn beide zusters dringend vragen, ook
zijn Toetie eens te komen bezoeken, en Hermelijn, die geen haast had
naar Djantong terug te keeren, vanwaar zij taal noch teeken ontving,
voelde lust de uitnoodiging aan te nemen.