Batavia was in zicht en de reis met de Menado ten einde. Het was een
gelukkige reis geweest met weinig stormen, zoo goed als geen
onaangenaamheden, geen oproer onder het transport, voordeeligen wind,
zoodat men binnen den bepaalden tijd aankwam.
Vriendschappen en verbintenissen voor het leven waren er, wel is waar,
niet aangeknoopt, maar toch, men had het goed met elkaar kunnen vinden;
die elkaar minder mochten lijden, waren rustig uit mekaar’s weg
gebleven, de anderen hadden zich wat vaster aaneengesloten en toch was
men blijde op Java te zijn, allen, behalve Simons, die nu het voorwerp
zijner platonische bewondering zou verliezen.
Het oogenblik van afscheid kwam, mevrouw Brant had haar beide meisjes
»de bonte tweeling”, zooals Hermelijn ze noemde omdat ze van dezelfde
grootte maar van verschillende gelaatskleur waren—zeer netjes voor de
gelegenheid gekleed, precies gelijk, want zij wilde geen onderscheid
maken tusschen de bleeke vlasblonde Cis en de donkerbruine Non, en toch
waren het toevallig steeds kleuren, die de lichte goed en de donkere
afschuwelijk kleedden.
Mevrouw van Diteren had weer eenige kwade oogenblikken op het gezicht
van het eiland, waar al haar lievelingen geboren waren en dat zij ook
met het lieve viertal verlaten had.
Haar echtgenoot snauwde haar onbarmhartig toe dat zij al die malle
kunsten zeker van die gekke meid had geleerd, die zij steeds zoo
naliep.
Simons liep rond, met een pakje onder den arm, zoo druk en tevens zoo
schichtig, dat kapitein Brant hem vroeg, of hij reeds door de
tarantulaspin gestoken was.
Eindelijk zag hij Hermine de Géran op het dek verschijnen. Zij had voor
’t eerst een sneeuwwit morgenkleed aan, dat haar hermelijnachtige
schoonheid ten volle deed uitkomen.
Zij liep als gewoonlijk naast mevrouw van Diteren; aangenaam ware het
Simons geweest, als hij haar alleen had mogen spreken, maar daar
bestond weinig kans toe, want de beide dames waren onafscheidelijk,
vooral nu in de laatste oogenblikken.
De treurende moeder begon erbarmelijk te schreien; Hermelijn sloeg den
arm om haar middel en drukte haar hoofd tegen haar borst; zacht
fluisterde zij haar lieve troostende woorden toe.
»Och Mientje,” snikte de arme vrouw, »ik weet niet hoe ik die reis had
kunnen doen zonder jou, je bent mij zoo tot troost geweest. Nu ik je
verlaten moet is het of ik opnieuw van mijn kindertjes afscheid neem.”
»Kom, lieve mevrouw, moed! Vijf jaar zijn gauw om, dan zal immers uw
oudste terugkomen, of liever daar moet u voor zorgen, dat is lang
genoeg; dan moet u uw wil doordrijven, ’t is wel geweest. En nu is u
terug op Batavia...”
»Ach, dat leege huis en al hun speelgoed terug te vinden, waar ik ’t
heb gelaten! Ik zie er zoo tegen op Hermine! Zal je mij dikwijls
schrijven?”
»Stellig, mevrouw, en dan komt u eens bij me logeeren.”
»Ik wou dat je meeging met ons, ’t zou mij zoo goeddoen.”
»Dat kan niet, ’t spijt me erg, maar u begrijpt het zelf, ik weet niet
of mijn man het goedkeurt en daarbij mijnheer van Diteren,” voegde zij
er lachend bij, »vindt het stellig niet goed.”
Daar naderde Simons juist.
»Gaat u nog naar wal?” vroeg hij eerbiedig buigend.
»Neen mijnheer!”
»Dus moet ik hier afscheid nemen.”
»Als u daaraan behoefte heeft, ja!”
»Mag ik u een klein souvenir aanbieden, ik heb er nog steeds een
onwaardeerbaar van u.”
»Heeft u die mooie pen nog?”
»Ze zal met mij begraven worden.”
Hermelijn barstte in een helder gelach uit; als zij lachte klonk er
iets als neerklaterende parelen, zoo melodieus en harmonisch, zoo
opwekkend en verfrisschend tegelijk. Alles was jong in Hermine en dat
maakte haar voor ieder, die niet innerlijk verdord en verdroogd was als
van Diteren, onweerstaanbaar aantrekkelijk.
»Verlangt u hetzelfde van uw souvenir aan mij?”
»Neen, als u het bij uw leven maar soms beziet.”
Hij reikte haar het pakje over, het waren photographieën naar beroemde
schilderijen in een daarvoor bestemd doosje.
»Ik dank u zeer, mijnheer Simons,” zeide Hermelijn op den
natuurlijksten toon der wereld, »’t is een heel aardig souvenir van
onze reis, juist geschikt voor menschen, die weinig kans hebben de
schilderijen ooit in werkelijkheid te zien. Mijn man en ik zullen er
met genot naar kijken; u weet »A thing of beauty is a joy for ever” en
aan kunstvreugde zal het ons in het gebergte maar te dikwijls
ontbreken. Nogmaals hartelijk dank!”
En zij reikte hem haar hand en zag hem tegelijk recht in de oogen.
»Wat ziet hij er vreemd uit,” dacht zij.
Hij hield haar hand iets langer en steviger vast, dan de strikte
beleefdheid vorderde, maar plotseling liet hij ze los, keerde zich om,
en ging over de verschansing leunen; aan de beweging zijner schouders
zag Hermelijn duidelijk, dat hij streed om een plotselinge aandoening
meester te worden.
»Mijn hemel, zou hij ’t ernstig meenen?” vroeg zij half lachend, half
bewogen aan mevrouw van Diteren.
»Waarom zou hij ’t niet meenen, denk je dat het zoo moeilijk is van je
te houden?”
»Vreemd,” dacht Hermelijn, »onbekend kom ik op het schip en nu zijn er
twee, die bij ’t afscheid om mij schreien. Wat zal Coen er van zeggen,
’t schijnt dat zijn vrouwtje in den smaak valt, maar ik heb dien armen
jongen toch altijd zoo geplaagd.”
De andere afscheidsgroeten liepen zeer gewoon af; de bonte tweeling
stortte ook tranen bij het verlaten van de lieve, jonge mevrouw, die
zich zoo aardig met haar had beziggehouden.
»Als ze allen beginnen, ga ik ook nog huilen,” sprak mevrouw Brant, »en
dat heb ik nog maar zelden in mijn leven gedaan. Het ga u goed,
mevrouwtje!”
En zij kuste Hermelijn’s zachte wangen.
Van Diteren’s laatste afscheidswoorden waren minder hartelijk dan die
zijner vrouw:
»Nu nieuwe mevrouw, het beste succes met je schoonzuster.”
»O ik ben niet bang voor één schoonzuster, voor geen zes!” riep zij met
van ondeugd tintelende oogen hem tartend na.
Van Diteren beet zich op de lippen en mompelde er iets bij.
»We zullen eens kijken verdraaide heks, hoe ze je spoedig leeren een
toontje lager te zingen.”
En zoo vertrokken ze allen. Hermelijn bleef het kleine bootje de
»Tjiliwong” nastaren en voelde zich getroffen, bij de gedachte dat zij
de menschen, met wie zij zes weken lief en leed had gedeeld, nu
misschien nimmer zou terugzien, vooral voor die goede mevrouw van
Diteren, deed het haar verdriet, maar alles werd overtroffen door de
gedachte:
»Over een paar dagen zie ik mijn man, en van hem zal ik nooit scheiden,
vóór de akelige dood er tusschen komt,” juichte zij in het diepste van
haar hart.
»Ik vind het niets hartelijk van haar man, dat hij haar niet komt
afhalen,” zei mevrouw van Diteren aan boord van den »Tjiliwong” tot
mevrouw Brant.
»Brant dacht ook dat hij hier zou wezen. ’t Is vreemd.”
Maar Hermelijn zag er niets vreemds in. Zij had een telegram ontvangen
met de woorden:
»Welkom in Indië!”
Zij vond dat een allerliefste attentie van Conrad Géran; een grooten
brief had zij toch aangenamer gevonden; die laatste dagen vielen haar
het zwaarste, slechts de heer Tulings en een andere familie, die zich
zeer op den achtergrond had gehouden, bleven op de boot. Zij brandde
van verlangen aan wal te gaan en Batavia te zien, maar zij durfde niets
op eigen gezag doen in het vreemde land.
Eindelijk kwam de »Menado” te Samarang aan; den laatsten nacht had
Hermelijn geen oog gesloten, nu zij aan het begin stond van een nieuw
leven, begon zij eerst er het volle gewicht van te gevoelen; in die
laatste stille uren kwamen de herhaalde waarschuwingen en plagerijen
van van Diteren haar weer voor den geest, maar dan trachtte zij er om
te lachen. Haar Conrad zou met haar zijn, en wat behoefde zij nog te
vreezen?
Zij trachtte zich opgeruimd te voelen maar haar hartje klopte geweldig,
zij hoopte spoedig aan te komen en ’t was een verlichting, te hooren
dat het nog langer zou duren dan men aanvankelijk dacht.
Eindelijk kwam men aan; de haven van Samarang laat, wat veiligheid
betreft, veel te wenschen over, soms zijn de stoombooten van wal uit
niet te genaken.
»De blauwe vlag waait.”
En dan weet men dat alle gemeenschap over zee verbroken is; de
tambangans (schuiten) mogen de rivier niet verlaten, daar de onstuimige
zee te veel gevaren zou opleveren voor hen, die zich toch op de golven
wilden wagen.
Gelukkig voor Hermelijn was de blauwe vlag niet op den toren der
hoofdwacht geheschen, de witte huizen der stad teekenden zich scherp af
tegen het geboomte en de hooge berg Oenarang vormde een indrukwekkenden
achtergrond, tegenover de vrij wilde zee.
Een tambangan worstelde met de golven, nu eens zwevend in de hoogte,
dan weer diep nederdalend, Hermelijn volgde den eersten zwarten tip,
die langzamerhand grooter en grooter werd, met kloppend hart en
trillende oogen.
Twee heeren zaten er in, haar schoonvader zeker... en hij.
»Er ist’s, die Flagge der Liebe mag wehen.”
Onophoudelijk gonsden haar die woorden uit de Freischütz door het
hoofd, terwijl ze met ijskoude handen zich aan de leuning vastklemde en
niets anders meer zag, niets anders meer hoorde, dan het bootje en het
klotsen der roeispanen in de dansende golven. De heeren zwaaiden met
hun hoeden, zij haalde haar zakdoek uit en wuifde terug.
»Er ist’s, er ist’s!”
’t Was of elke golf, die tegen het schip opvloog en het zilverschuim
hoog en sissend deed omhoogspatten, de woorden zong en nog eens zong,
zoo zelfs dat zij haar tergend in de ooren klonken. Zij begon de
gezichten te onderscheiden en toen kon zij het niet langer meer boven
uithouden; zij wist het zelf niet of ’t angst, dan wel vreugde, of
schaamte was, maar zij had nu willen vluchten verre van daar. Iets
bleef in haar hart de overhand behouden, de zekerheid dat over weinige
oogenblikken, zij niets anders meer gevoelen zou dan diep innig geluk,
het bewustzijn dat al haar wenschen vervuld waren, dat zij niets meer
te verlangen of te vreezen had, dat zij dan eerst zich in veilige haven
zou bevinden.
»Wil u den damessalon ingaan?” vroeg de kommandant, die haar op de trap
ontmoette.
»Heel graag mijnheer! Brengt u de heeren dan beneden?”
»Zeker mevrouw, ik zal mij met de ontvangst belasten,” zeide hij zeer
ernstig zonder een in zulke omstandigheden, zoo goedkoope poging om
aardig te zijn.
Daar zat zij nu op de rood fluweelen divan en volgde met haar oog de
vergulde lijsten, die kleine bloemstukken omgaven; zij telde
werktuigelijk de roode en blauwe blaadjes, en deelde de figuren van het
lijstje in vijftallen af.
Eensklaps rees zij op.
»Was dat wel Conrad geweest, die eene heer! Misschien had hij een
ongeluk gehad, misschien was hij ziek, misschien...”
»Hoe dwaas! hoe kinderachtig,” zeide zij dadelijk er op, en streek zich
met de hand over de golvende lokken, die ondanks al haar moeite om zich
van daag bijzonder netjes te kappen, weerbarstiger schenen dan ooit en
zij begon te lachen. Maar die lach klonk zoo zonderling, ’t was of zij
nu eerst voelde dat zij de Hermelijn van vroeger nimmer meer zou zijn,
dat zij zich zelf vreemd werd.
Daar hoorde zij duidelijk dat de tambangan aanlegde, dat de kapitein de
aankomelingen begroette; er werd over de onstuimige zee gesproken, hoe
kon men dat doen op zoo’n oogenblik?
Zij ging naar de deur maar kwam terug en bleef weer zitten, even zag
zij in den spiegel en schrikte over haar bleekheid; die zwarte japon
kleurde haar niets, zij zag er niets goed uit, zij zou haar man stellig
teleurstellen. Waarom had ze met geen rood of blauw dat zwart
opgevroolijkt?
Daar hoorde ze mannenstappen de trap afgaan, toen vouwde ze haar handen
en lispelde, bevend:
»O vader, sta me bij, ik ben bang.”
Van Diteren als hij er bij geweest ware zou gegrijnslacht hebben, zoo
was die brutale meid nu eindelijk klein geworden.