»Ben je zoo druk aan ’t schrijven, Mientje?”
»Och mijn lief mamaatje.”
Hermelijn streek met de hand over de oogen, die een weinig vochtig
waren, trok mevrouw van Diteren naar zich toe en kuste haar hartelijk.
»Ik amuseer mij zoo met mijn Coentje alles te schrijven wat mij op het
hart ligt.”
»Moet hij dat alles lezen?”
»Ja later, als wij op ’t land samen zijn. Nog achttien dagen!”
»Nog achttien dagen, dan ben ik weer zooveel verder van mijn
kindertjes.”
»Maar dan krijgt u ook spoedig tijding van hen!”
»Ze mogen zoo dikwijls niet schrijven, dat leidt hen af in hun studie.”
»O mevrouwtje, dat u zich dit alles heeft laten wijsmaken, u die meer
verstand in uw pink heeft, dan die zes totebellen...”
»Mientje, wat een leelijk woord, het zijn toch van Diteren’s zusters en
ze zijn zoo knap.”
»Zoo knap, zoo knap, dat zij uw liefde en eenvoud niet meer kennen. En
ik zeg u, dat u veel knapper is dan alle zes te zamen met... uw man
daarbij,” wilde zij zeggen, maar hield het woord in en zei alleen:
»Ik had ù eerder moeten kennen.”
»Je bent ook zoo flink. Kassian, die arme Simons.”
»Zit hij te dammen met zijn tweede vlam, mevrouw Brant?”
»Als je niet getrouwd was, werd hij stellig op je verliefd.”
»Zou hij ’t dan nog moeten worden?”
»Nu ja, je bent getrouwd en al wordt hij verliefd, het helpt hem
weinig.”
»Neen, daar vrees ik ook voor! Maar ik ben moe van ’t schrijven. Ik ga
mijn boekje opbergen en dan wil ik eens kijken hoe hij ’t daar boven
maakt.”
»Mevrouw wint altijd.”
»Natuurlijk, anders was er geen aardigheid bij.”
Een oogenblik later kwamen beide dames op het dek, waar Simons
werkelijk vlijtig aan het dammen was met de kolossale mevrouw Brant,
een dame met sterk Groningsch accent, die ook voor ’t eerst de
keerkringen passeerde en nog geen twee jaar gehuwd was.
Kapitein Brant, die met verlof in Europa geweest was met zijn twee
voorkinderen, had daar haar kennis gemaakt. Zij was een weduwe ook met
twee kinderen en woonde in de kleine stad, waar Brant zijn familie kwam
bezoeken en plan had zich te vestigen.
»Mooier kon je het niet treffen,” zeide men, »mevrouw X gaat de stad
uit en heeft nog huur aan haar huisje. ’t Is juist groot genoeg voor u
en misschien wil zij zich ook van haar meubels ontdoen.”
Kapitein Brant maakte haar een visite; och ja, zij wilde om mijnheer
pleizier te doen, wel het een en ander verkoopen, maar zij had er geen
plan op gehad, alles was nog betrekkelijk nieuw en keurig netjes
onderhouden.
Dit zag Brant’s militair oog onmiddellijk; smaakvol waren de meubeltjes
niet, fijn nog minder maar solide, ô zoo solide. Voor een officier, die
voor twee jaren met verlof in Holland is, komt het er echter op een
weinig meer of minder soliditeit niet aan. Het moeten al heel zwakke
dingen zijn, die ’t geen twee jaar kunnen uithouden; doch mevrouw sprak
zoo mooi, zelfs aandoenlijk, daar waar zij het over haar verlatenheid
als arme weduwe had en zij vroeg hem zoo weinig.
De kapitein vond alles dol goedkoop, toen zij met een zucht en de
verklaring dat zij er zich van ontdeed alleen om mijnheer te gerieven,
hem een prijs noemde, dien hij in vergelijking met de Indische prijzen
werkelijk laag vond, maar t’huis gekomen en alles optellend en
besprekend met zijn moeder en broers, verklaarden deze niet meer of
minder dan dat mevrouw X een afzetster was. Zij bepaalden een som,
waarvoor zij alles te houden of te geven had, en den volgenden morgen
ging onze kapitein met looden schoenen naar de weduwe. Hij had een
afschuw van loven en bieden, en in plaats van met zijn voorstel aan te
komen, verklaarde hij haar spoedig, dat hij alles voor den door haar
gestelden prijs overnam.
Nu werd zij waarlijk onweerstaanbaar; zij liet haar kindertjes komen en
sprak over »de engeltjes” van den kapitein, luisterde naar de opsomming
hunner kwalen, raadde dik ondergoed aan, flanellen borstrokken en
wollen kousjes, verzocht hen eens bij haar grut te komen spelen; in een
woord de kapitein raakte in de wolken.
Den nacht bracht hij slapeloos door; een enkel denkbeeld hield hem
bezig, waarom moest die teere, zorgvolle moeder dit huis nu voor hem
verlaten, zou er iets tegen zijn, dat hij met zijn lievelingen bij haar
introk?
Neen niets, als zij maar wilde.
En zij wilde. De kinderen waren geen bezwaar, integendeel ze zouden met
mekaar heel aardig kunnen spelen.
»En nu we toch trouwen, zal ik je maar bekennen, dat ik je heel, heel
veel voor alles in rekening heb gebracht. Ik zag er eerst tegen op maar
nu ieder van ons met zijn drieën is, hebben we mekaar niets te
verwijten,” zoo sprak zij. Kort daarna werd het huwelijk gesloten; de
beide meisjes van weerskanten gingen mee naar Indië en de
geïmproviseerde broertjes bleven op dezelfde kostschool; gedurende het
verblijf in Holland had geen der partijen zich over den genomen stap
beklaagd en mevrouw Brant zag er niets tegen op den man harer keuze te
volgen.
Een hartstocht had zij en dat was dammen; ieder werd om beurten voor
het bord gezet en was er niemand te vinden dan werd de man er aan
gewaagd.
»Maar met hem kan ik het nog dikwijls doen in de eene of andere
negorij, waar hij geplaatst wordt,” sprak zij openhartig, »nu wil ik
het liever met een ander probeeren.”
»Wint u, mevrouw?” vroeg Hermelijn naderbij komend.
»Ja, als u er bij komt, dan kan ik drie tegelijk slaan zonder dat hij
er iets van merkt, hij kan zijn gedachten niet bij het spel houden.”
»Dus zal ik maar heen gaan om u de overwinning niet te gemakkelijk te
maken!”
»Ik heb er een nederlaag voor over, als u bij ons komt staan,” zei
Simons, »heeft u gedaan met schrijven?”
»Voorloopig,” en mevrouw van Diteren toefluisterend, »een drama
getiteld: »Het damspel op de Menado” of »de zelfopofferende
ambtenaar”.”
De beide onafscheidelijke dames verwijderden zich.
»Men zou niet zeggen dat zij al getrouwd is,” merkte mevrouw Brant op
met al het gewicht dat eene, die het reeds tweemaal geweest is, in
zoo’n opmerking kan leggen.
»Zij is ’t toch helaas! wel!” zuchtte Simons.
»Och, ’t is de moeite niet waard; met den handschoen of liever niet
eens met een handschoen, want dat doen ze niet meer.”
»Vindt u het geen waagstuk van haar?”
»Verschrikkelijk.... ongehoord!.... Ze kennen mekaar zoo goed als
niet.”
»Dat treft de kerel, zonder eenige moeite, zonder gevaar voor een
blauwtje zulk een vrouw t’huis te krijgen.”
»En ’t moet een nare, akelige jongen zijn. Brant kent die familie, door
en door inlandsch—dat zeggen de Oosterschen voor Indisch, moet u
weten—echte sinjo’s, die geheel onder den invloed van hun vader en
zuster staan.”
»Kent de kapitein haar man?”
»Neen, maar wel zijn familie! De vader zoekt de vrouwen voor zijn zoons
uit. Misschien hebben ze dien zoogenaamden man van haar zijn
handteekening laten plaatsen onder de procuratie zonder dat hij wist,
wat hij teekende.”
»Maar dat zou onmogelijk wezen.”
»Verbeeld je, getrouwd zijn zonder het zelf te weten.”
»En is daar niets aan te doen?”
»Zij is vol illusiën, het spijt me alleen dat wij te Batavia
uitstappen. Ik zou die ontmoeting zoo graag gezien hebben op Samarang
tusschen die onbekende echtgenooten.”
»Ik niet, ik vind een teleurstelling hartverscheurend. Waarom kon ze
niet wachten met trouwen tot ze in Indië was?”
»De Gérans weten ook wat zij doen. Op geld komt het bij hun niet aan,
ze moeten een mooi meisje hebben, van goede familie, want trotsch is
dat volk er bij, zegt Brant. Verbeeld je, als zij eens kennis maakte
met die menschen en ze bevielen haar niet, dan kwam er van trouwen
niets.”
»Des te beter.”
»Maar dan zou ze toch niet juist u nemen.”
»Dat weet ik wel, maar er was altijd meer kans.”
»Nu verbeelding heb je genoeg, Simons, maar kijk eens aan waar je dien
dam zet. Is ’t je ernst? Praten of spelen, een van tweeën, naaien en
breien gaan niet samen.”
Haar echtgenoot liep met van Diteren op en neer. Ook zij hadden het
over Hermine de Géran! Wat zou er van de conversatie aan boord der
Menado geworden zijn, wanneer zij de reis op een andere boot had
gemaakt?
»Ik zie hun vriendschap niet graag, zij haalt mijn vrouw allerlei
dingen in ’t hoofd,” sprak van Diteren.
»En de mijne zet ze onophoudelijk met haar stillen aanbidder voor het
dambord.”
»Ik mag ze niet, en jij?”
»Ik vind het een verduiveld aardige meid. Bij de hand, van alle markten
t’huis, niet preutsch en toch met zoo’n air over zich, dat niemand het
wagen zal haar te na te komen.”
»Maar bemoeiziek in de hoogste mate.”
»Dat kan ik niet vinden, enfin, ik heb er geen ondervinding van.”
»In plaats van mijn vrouw wat neer te zetten, en te zeggen, dat het
voor ’t welzijn der kinderen is, dat zij in Europa blijven, zet zij
haar op en verzekert, dat het onnoodige plagerij van mijn kant is en
volstrekt niet noodzakelijk.”
»Heeft zij dat gezegd?”
»Nu ja, niet precies maar in dien geest toch.”
»Een bewijs dat zij oprecht is.”
»Laat ze haar oprechtheid voor zich houden. Ik kan er mij in
verkneukelen, dat zij bij die Gérans komt. Let maar op, Brant, we
zullen er mooie dingen van beleven.”
»In elk geval niets ten nadeele van haar naam en karakter, want zij is
zoo braaf als trotsch. En een vrouw, die beide is, zal zelfs door onze
alles behalve reine Indische maatschappij geëerbiedigd worden.”
»Wat zij is, hoe weet je dat?”
»Hermelijn wordt zij genoemd en dat is zij, blank en fier; zoo zal zij
ook blijven.”
»Mijn hemel, Brant, ken je haar van van daag of van gisteren, hoe kom
je zoo poëtisch?”
Het gesprek werd fluisterend voortgezet. Van Diteren had nu eenmaal een
antipathie opgevat tegen de vrouw, die hem geen gelijk gaf in iets, wat
hij tegen beter weten in had volgehouden, alleen om de arme moeder te
toonen dat zij van zulke dingen geen verstand had.
Daarbij was hij een van die ongelukkige wezens, bij wien de Indische
zon alles verzengd heeft wat eeuwig jong en frisch moet blijven; hij
geloofde niet aan liefde, zelfs aan geen ouderliefde, aan
onbaatzuchtigheid, aan opoffering, alles werd gedaan om bij-oogmerken,
niemand was volgens hem goed en edel dan omdat hij inzag dat hij door
zich zoo te vertoonen beter zijn doel zou bereiken dan omgekeerd.
Nu begon hij den kapitein staaltjes te verhalen, die hij zelf had
bijgewoond van meisjes, bij wie Hermine niet in de schaduw kon staan en
waarop thans zeer veel af te dingen viel, die de laster had aangevallen
met of zonder recht.
»De laster, o spreek me niet van laster! Ga maar eens bij Verhuell
kijken, daar zie je wat laster doen kan en hoor wat Bouwmeester als
Hamlet er van zegt. »Wees zoo rein als ijs, zoo koud als marmer,” ik
weet het niet precies meer, maar ’t komt er op aan dat het niemendal
helpt, hoe men zich houdt; als de laster je pakken wil, dan krijgt hij
je ook beet.”
»Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan.”
»En welk vlekje is er aan mevrouw de Géran? Is er een zweem van
koketterie in haar houding tegenover dien fat van een Simons of... òf
tegenover jou?”
»Tegenover mij, jawel, zij kan me niet luchten.”
»En dat pikeert je tegen wil en dank.”
»Ik heb geen moeite gedaan om haar een andere opinie van mij te geven.”
»Maar je zoudt willen dat zij die had. Heeft ze niet altijd standvastig
geweigerd piano te spelen of te zingen?”
»Omdat ze niet wist of haar man het goed zou vinden, heeft ze aan mijn
vrouw gezegd. Ik geloof om ons een hoog idee van haar talent te laten
behouden.”
»Hoe ’t ook zij, die jonge Géran is een gelukkige kerel; ’t is te hopen
dat het uilskuiken zijn geluk beseft.”
»Wel kapitein,” vroeg Simons, die na schitterend verslagen te zijn door
de vrouw, den man naderde, »u heeft het ook over de jonge mevrouw,
geloof ik! Vindt u die huwelijken met den handschoen geen ellendige
instelling?”
»Even ellendig als het: »Hier liggen voetangels en klemmen” in een
mooien, open bloementuin.”
»Pas maar op de voetangels, jong mensch! Ik zou je daarvan kunnen
vertellen, ’t kan zijn nut hebben.”
Een damspel met mevrouw Brant was stellig veel geschikter, zoo niet
nuttiger bezigheid voor den vrij baarschen jongen ambtenaar, dan een
gesprek onder vier oogen met den levenswijzen van Diteren, dat hem
moest bekend maken met de mindere ideale zijde van het Indische leven.