VI.

De deur werd geopend en twee heeren kwamen binnen, beiden lang en door

de zon gebruind, maar van verschillenden leeftijd.

De oudste was een goede vijftiger, hoewel men hem in Holland voor even

in de zestig kon aangezien hebben; zijn krullend haar was nog vol maar

spierwit, een kort geknipte gitzwarte knevel groeide onder een scherp

gebogen neus; even zwart maar nog borsteliger waren de wenkbrauwen, die

fronsend over een paar doordringende zwarte oogen hingen;

breedgeschouderd en forsch gebouwd, droeg hij een wit jasje van

vreemden vorm, was hoog tot aan zijn kin dichtgeknoopt en in zijn hand

hield hij een badientje. De jongere mager, min of meer voorover

gebogen, had een overmatigen langen, stijven hals en klein hoofd; zijn

gelaat miste alle uitdrukking, hij maakte den indruk van een adjudant

naast zijn generaal, van een weinig zeggenden en nauwelijks

toeluisterenden vertrouweling naast een tooneelkoning.

Hermelijn ging hen tegemoet.

»Hij is er niet bij,” was haar eerste gedachte.

»Welkom, kind!” sprak de oude heer en kuste haar op het voorhoofd; »ik

ben je nieuwe vader en dat is je zwager August. Je man is niet

meegekomen, hij wacht je in het hotel. Van middag kerkelijke inzegening

en dan onmiddellijk naar huis. Is je goed ingepakt, ik bedoel, wat je

dadelijk noodig hebt, voor de rest wordt gezorgd.”

De zwager vergenoegde zich zijn schoonzuster een slappe hand toe te

steken, die zij even aanraakte, zonder er zelfs aan te denken dat hij

haar volle neef was. Toch was zij niet teleurgesteld; Conrad wilde hun

ontmoeting niet aan boord doen plaats hebben; hij had gelijk, wat

hadden die officieren, matrozen en bedienden met hun liefde noodig?

»Hij is toch niet ziek papa?” vroeg zij, dapper hem dien titel gevend.

»Waarom zou hij ziek wezen? August, ga naar den kapitein en zeg hem,

dat wij dadelijk vertrekken.”

August verdween zeer gehoorzaam.

»Maak je dan maar klaar, hoe is je voornaam ook weer?”

»Hermine!”

»Nu spoedig dan, we hebben geen tijd te verliezen. Het is 11 uur.”

Nog geen drie minuten later had Hermine haar hoed op en den mantel

omgedaan en stond met haar handkoffertje op het dek, zeide den

kapitein, zijn officieren en de overgebleven passagiers vluchtig

»goeden dag” want haar schoonvader was reeds in het bootje afgestegen,

en ging toen zelf het trapje af, dat naar het tamelijk sterk deinende

bootje leidde.

De oude heer de Géran reikte haar de behulpzame hand, August sprong hen

na, de roeiers zetten hun spanen in beweging en het schuitje begon

Samarang te naderen.

Hermelijn kon nog maar niet op haar gemak komen; haar schoonvader deed

haar geen enkele vraag over haar reis, over haar familie, vertelde

niets van het eenige, dat haar belang inboezemde, maar sprak over de

ellendige haven van Samarang, over de moeite, die het kosten zou daarin

verandering te brengen, over de ellendige bandjirs [2], die in de

laatste Westmousson de stad geteisterd hadden en die van het aangename,

schilderachtige plaatsje uit de dagen zijner jeugd een akelig hol

hadden gemaakt.

Dat was alles zeker hoogst interessant, maar op dit oogenblik boezemde

Samarang Hermelijn slechts in zooverre eenige belangstelling in, daar

het in een zijner huizen haar Conrad bevatte.

August’s stem was met geen mogelijkheid te hooren, want zoolang de

tocht duurde gaf hij haar geen gelegenheid zijn lippen te ontsnappen.

Eindelijk kwam men in de rivier, die gevuld was met djangollans [3],

prauwen en tambangans, en weinige oogenblikken later aan de

aanlegplaats »Boom” genaamd.

Daar stond een rijtuig hen op te wachten, een zoogenaamde palankijn,

waarin het drietal plaats nam.

Later kon Hermine zich niets meer herinneren, van de straten, die zij

doorgereden was, met de naar Europeesch model gebouwde huisjes die de

brandende zon nu in een vuurgloed blakerde; ’t was of zij in een droom

voortleefde, waaruit alleen de stem van Conrad haar kon doen ontwaken.

Men reed het ruime plein van het Heerenlogement op; het was twaalf uur

en de rijsttafel juist begonnen.

»We zullen maar dadelijk gaan eten,” zei de oude heer de Géran, toen

zij uitgestapt waren en wees Hermelijn de deur aan naar de groote

binnengalerij, waar een vijftigtal heeren, dames en kinderen om een

lange tafel zaten.

»Waar is Conrad?” had zij willen vragen, maar de vraag verstijfde haar

op de lippen, daar van hem geen sprake scheen te zijn.

Het drietal zette zich aan tafel, Hermine tusschen de beide heeren, den

steeds zwijgenden August en den vader, die ’t weldra met zijn over- en

naasten buurman druk had over allerlei belangrijke onderwerpen, waarvan

Hermelijn niets anders kon onthouden dan dat het in Indië een ellendige

boel was, dat alle dingen verkeerd gingen, dat het gouvernement een

menigte boosheden op zijn rekening had, dat ieder verongelijkt werd en

het niet lang zoo duren kon.

De heer de Géran had een korte, gebiedende manier van spreken, hij

zeide iets, dat als zijn overtuiging moest gelden, en kwam er niet op

terug; wanneer de anderen hem wilden verzekeren, dat het niet juist zoo

was, dat er iets op af te dingen viel, dan ging hij met eten voort,

zonder zich in het minste over de redeneeringen van den ander te

bekommeren, of hij maakte er plotseling een einde aan door de een of

andere opmerking, die met het gesprokene in volstrekt geen verband

stond.

Hermelijn kon niets door de keel krijgen; de rijsttafel was haar nog

geheel vreemd, en daarbij was zij zoo vervuld van haar zonderlingen

toestand, zoo teleurgesteld door de afwezigheid van Conrad, dat zij

zich nauwelijks de moeite wilde gunnen om te eten als elk ander. Zij

merkte niet, hoe zij de algemeene aandacht opwekte, hoe eenigen haar

beklaagden, anderen benijdden; een ding trof haar slechts, de

verbazende bergen rijst, die de zwijgende, magere August op zijn bord

nam en met ongeloofelijke snelheid deed verdwijnen.

Zij kon die verlatenheid niet langer dragen en wendde zich tot hem met

de vraag:

»Waar is Conrad nu toch?”

»Nog niet aangekomen, strakjes pas.”

En hij nam een hoop sambel [4] op zijn bord.

»Behoort dat hier zoo?”

»Weet niet.”

»Sinds wanneer is u dan op Samarang?”

»Acht dagen.”

»En... pa-pa ook?”

»Jawel.”

»Voor zaken, of om mij af te halen?”

»Altijd maakt papa de boel in orde om dezen tijd.”

Welke boel, kon Hermelijn met geen mogelijkheid raden.

»U is getrouwd, niet waar?”

»Ikke, jawel.”

»En hoeveel kinderen heeft u?”

»Tien en een op komst.”

Hermelijn vertrouwde haar ooren niet, die opgeschoten knaap, vader van

tien kinderen.

»Maar hoe oud is u dan, August?”

»Acht en twintig.”

»En uw vrouw heet immers Sophie?”

»Jawel.”

»Is zij een Europeesche?”

»Neen.”

»En uw broer Guillaume heeft ook al een vrouw.”

»Jawel.”

»En ook kinderen?”

»Vijf, pas weer een gekregen.”

»Van uw zusters zijn er ook al een paar getrouwd.”

»Dolly en Kitty.”

»Wonen zij ook op het land?”

»In Kaboelen.”

»En hoe heeten hun mannen?”

Hermelijn zou verlegen geweest zijn, als iemand gehoord had, hoe weinig

zij haar tegenwoordige familie kende, maar niettegenstaande de kosten

van het gesprek geheel op haar rekening kwamen, vond zij ’t zoo beter

en nuttiger dan geheel en al te zwijgen en zette dus haar verhoor

voort.

»Van Akkeveen en Portias.”

»Corona is toch de oudste?”

»Wie?”

»Corona.”

»O Cor, ja.”

»Ouder dan u?”

»Weet niet.”

»Zij wordt dus Cor genoemd!”

»Jawel.”

»En hoeveel kinderen zijn er nog behalve u en Corona, Guillaume, Dolly,

Kitty en Conrad.”

Een lange pauze, August scheen te tellen.

»Zes, neen zeven... wacht eens, ja toch zes.”

»En is hun moeder al lang dood.”

»Vijf jaar.”

»Corona is dan zeker hun pleegmoeder.”

August vond deze vraag zeker de moeite niet waard om er het genot aan

op te offeren, dat het kluiven van een in kerrie toebereid kippepootje

hem bereidde; zijn vingers en lippen waren er goudgeel door gekleurd.

De oude heer de Géran had echter zijn maal geëindigd; hij stond op en

vroeg Hermelijn of ook zij gedaan had; dadelijk was zij met haar

toestemmend antwoord gereed en wilde hem volgen toen van het andere

gedeelte der tafel een heer naar hen toekwam.

»Mijnheer de Géran, uw nieuwe schoondochter, als ik mij niet vergis,

mag ik u de eer verzoeken mij aan mevrouw voor te stellen.”

»Mijnheer Thoren van Hagen, Hermine de Géran.”

»Hermelijn!”

»Iwan!”

Lachend zagen de beiden elkander aan; de vreugde een bekend gelaat te

zien, tusschen al die onbekenden deed Hermine’s oogen stralen en zij

reikte hem de hand.

»Kent ge mekaar?” vroeg de schoonvader.

»Och ja, van het Graafje, toen juffrouw van Voorden haar papa er

kommandant was, en ik als sergeant bij hem aanbevolen was.”

»Heeft u den militairen dienst verlaten?” vroeg de oude heer.

»Ja, zoodra ik de luitenants-epauletten had, heb ik ze weggeworpen.”

»En wat ben je thans?”

»Niets Her... ik zal mevrouw moeten zeggen.”

»Natuurlijk, mijnheer Thoren van Hagen, ik ben het te kort, om niet op

dien titel gesteld te zijn.”

»Nu, ik ben letterlijk niets, ik reis voor mijn pleizier.”

»Gelukkige menschen, die ’t kunnen doen. Reis je met ons mee, Thoren?

Naar Ngaroengan?”

»Met zeer veel genoegen, mijnheer de Géran.”

»Nu, ’t blijft afgesproken, om vier uur rijden we naar de kerk, om half

vijf naar boven.”

»Als u mij verzekert, dat ik niemand hinder, noch door de plaats, die

ik inneem, noch door mijn tegenwoordigheid en familie.”

»Wel neen, volstrekt niet. Is er wat Beersma?”

De heer de Géran stond weer iemand anders te woord; ’t was niet

moeilijk te zien, dat hij hier met zeer veel onderscheiding behandeld

werd en dat ieder hoog tegen hem opzag; hij zelf scheen het volle

bewustzijn te hebben van zijn waardigheid.

»Wat verwondert het mij je hier te zien, Hermelijn,” zeide Thoren van

Hagen, »je ziet hoe waar het is dat oude praatje à la monsieur de la

Palisse van die bergen en dalen. Mijn goede majoor is dus niet meer!”

»Anders zou ik hier niet wezen,” zeide Hermelijn met een trilling in de

stem, want plotseling was ’t haar of zij er spijt van moest hebben dat

zij den stap had gewaagd.

»Je man is er nog niet.”

»Neen, ken je de familie, Iwan?”

»Volstrekt niet, ik ben sinds een maand hier in het logement gelogeerd,

en maakte een dag of wat geleden kennis met den ouden heer de Géran,

een kranige kerel, van wien ik veel gehoord had, de koffiekoning van

midden-Java, die altijd gereed staat elke onderneming te steunen, alles

wat goed en grootsch is, tot stand te brengen. Een man, waaraan Indië

veel verplichting heeft, je mag trotsch zijn tot die familie te

behooren, Hermelijn!”

»O dat ben ik ook.”

»Van waar kende je je man?”

»Uit Holland.”

»Is hij daar geweest, dan zal ’t hoop ik een ander exemplaar wezen

dan...” en hij knipoogde glimlachend in de richting van August.

»O stellig, ’t is zoo’n lieve jongen.”

»Is ’t de jongen, die je den naam van Hermelijn gaf?”

»Juist en daarom was mij die altijd zoo lief. Ik was zoo blij hem weer

te hooren. En hoe gaat het je vader, Iwan?”

»Goed... ik denk ’t ten minste.”

»Is ’t weer mis?”

»Wanneer zou ’t dit niet zijn?”

»En trek je nu de wereld zoo doelloos rond?”

»Wel zeker, ’t is de nuttigste en prettigste manier om mijn tijd zoek

te brengen.”

»Is dat het doel van ’t leven?”

»Voor jou niet, lief bruidje, je hebt nu maar een doel, straks zoo mooi

mogelijk in tegenwoordigheid van je heer en meester te verschijnen.

Maar zeg eens Hermelijn, vind je dat niet wat raar? Ik ben, geloof ik

erg in den smaak gevallen van den heer de Géran; hij heeft op alle

manieren bij mij aangedrongen, dat ik mee zou gaan naar zijn land, maar

toen wist ik niet dat hij nog een schoondochter verwachtte en nu

schijnen wij samen te reizen met het jonge paar.”

»Ik weet het niet, ik vind alles hier zoo wonderlijk. ’t Is misschien

Indische mode, maar ik kan er niets tegen zeggen, als anderen het goed

vinden.”

»Nu ’t is mij een troost, dat ik het ten minste niet ben, die het tête

à tête verstoor; waar een papa bij is en dan nog bovendien zoo’n hark

als die nieuwe zwager van je, daar is van een zoet samenzijn toch geen

spraak. Wat zult ge mekaar veel te vertellen hebben als het ijs eenmaal

gebroken is; nu in die heerlijke Indische natuur kan je een

verrukkelijke honigmaand doorbrengen.”

»Ik heb nog een schoonzuster à prendre.”

»Daar heb ik van gehoord! Dat moet geen katje zijn om ongehandschoend

aan te pakken; meen je dat ik er roeping toe voel om »the Taming of the

Shrew” bij haar te beproeven?”

»Ik weet het niet, ik heb dat altijd een akelig stuk gevonden.”

»Met jou zal zoo’n operatie wel niet noodig zijn, zachte Hermelijn?”

»Ik ben niet zacht.”

»Daarvan weet ik mee te praten; wat hebben wij veel gekibbeld en mekaar

geplaagd.”

»Toch zijn wij steeds goede vrienden gebleven.”

»Dat schijnt zoo, als ik me niet vergis, zijn we als kwade gescheiden.”

»Omdat je mijn poes op de gracht had laten schaatsenrijden; ’t beest is

na dien tijd niet meer gezond geweest.”

»O ja, door mij is ze zeker in het katten-asyl terecht gekomen?”

Beiden lachten en voelden zich recht op hun gemak; de heer de Géran

keerde zich juist om en zeide aan August, die zijn laatste spinazie had

gegeten, dat hij zijn schoonzuster naar haar kamer moest brengen, dan

kon zij zich lekker maken.

»Maar precies om half vier komt Conrad, zorg dat je dan klaar bent.”

Thoren van Hagen glimlachte om die zonderlinge manier van bruiloft

vieren.

Hermelijn boog zich voor de heeren en volgde toen haar langen,

stakerigen zwager, die haar voor ging naar de buitengalerij.

Voor een der kamerdeuren, die daar op uitkwamen, bleef hij staan.

»Van u,” zeide hij alleen.

»Dank je wel, August.”

Zij ging naar binnen en vond er haar handkoffertje en granatendoekje;

de kamer was groot, eenvoudig maar netjes gemeubeld, een groote divan

stond tegenover het ledekant; zonder zich uit te kleeden, strekte

Hermelijn zich daarop uit, nog steeds onder den indruk van al het

vreemde dat haar overkwam.

Zij had zich alles zoo heel anders voorgesteld; waarom moest ze hier nu

alleen zitten in dit vreemde logement, terwijl het anders zoo’n

geschikte gelegenheid zou geweest zijn om met haar man kennis te maken.

Zij trachtte de gedachte, die zich telkens en telkens aan haar opdrong,

met geweld te verdrijven en de vraag niet te beantwoorden.

»Of zulk een talmen wel verwacht mocht worden van een jongen bruidegom

en of dat niet gelijk stond met onverschilligheid?”

Liever dacht zij aan Iwan Thoren van Hagen; hoe aardig, dat zij dien

dollen jongen hier moest terugzien; hij scheen bedaarder geworden, hij

was dan nu ook een groot, deftig heer, keurig in kleeding en verzorgd

in voorkomen, met een vollen, kort geknipten donkeren baard; maar zijn

mooie oogen, die soms zoo ontzaggelijk treurig konden zien, om dadelijk

weer te tintelen van ondeugende vroolijkheid waren dezelfde gebleven en

daaraan had zij hem dadelijk herkend. Wat had die wildzang haar vader

soms moeilijke uren doen doorleven en als die oude heer Thoren van

Hagen kwam met zijn gebogen gestalte, en zijn vergrijsde lokken en den

zwarten doek om zijn hals, die iets bedekte, waaraan een vreeselijke

geschiedenis heette verbonden te zijn, dan was Iwan stellig nergens te

vinden. Hoe was Moe steeds uit haar humeur, als hij een paar van haar

kleine jongens mee had genomen naar Velp of Escharen en laat in den

avond met hen thuis kwam, berooid en wel; natuurlijk volgden daar weer

eenige dagen arrest op, totdat de majoor eindelijk verzocht had

ontheven te worden van zulk een voogdijschap en hij naar Maastricht in

garnizoen werd gezonden, dicht bij het landgoed van zijn vader, tot

groote blijdschap van haar stiefmoeder, tot verdriet van de broertjes

en zusjes en zelfs van haar, want zij mocht hem graag als haar oudsten

broer, maar niet zooals zij van Conrad hield, dat was iets heel anders

geweest, reeds toen.

Zij had veel onder kinderen verkeerd en nu raakte zij er weer geheel

in; hoeveel kneuters waren er wel bij de Gérans, tien van August, vijf

van Guillaume, zes neen zeven... zij raakte verward in al die cijfers,

en kon ze niet meer uiteenhouden.

’t Was koel en frisch in de kamer, de jalouzieën van deuren en ramen

stonden open, de rieten valgordijnen in de voorgalerij hingen neer, een

zacht koeltje streelde Hermelijns wangen, zij was moe gedacht en moe

gerekend. Voor eenige oogenblikken vergat zij alles om zich heen.

Hermelijn · 第 12 / 67 题