De »Menado” stoomde onvermoeid door den Indischen oceaan, die op ’t
oogenblik ten minste, zich kalm en glad uitspreidde als de oppervlakte
van een metalen spiegel.
In den salon zit voor een der tafels mevrouw de Géran te schrijven. Een
ongeloofelijk dikke vlecht hangt tot voorbij haar middel, op haar
voorhoofd dartelt een rijkdom van donkerblonde krulletjes, die zich
nimmer de beleediging zouden getroosten voor poneyhaar gehouden te
worden; de zeelucht heeft haar wangen frisch gekleurd, maar vermocht
haar schitterend blanke kleur niet te verbranden. Zij heeft een
donkerblauwe huisjapon met donkerroode opslagen aan, die hare
welgevormde, ranke gestalte knap omsluit.
Terwijl zij schrijft schitteren haar oogen onder de lange wimpers, de
kuiltjes komen te zien en verraden hoe ondeugend zij lacht.
»Verbeeld je, beste Coen,” zoo staat er, »die jongen verbeeldt zich
verliefd op mij te zijn; ik doe of ik ’t niet begrijp en hij staat
verbaasd over zooveel onbegrijpelijkheid. ’t Is zoo dwaas, die
onbehouwen knaap.”
»Wat voor liefs zou ik niet geven mevrouw, om een kijkje te mogen nemen
in dat keurige boekje.”
Hermine schrijft nog een paar letters, tot de kuiltjes verdwijnen, wat
echter niet zoo dadelijk gelukken wil en antwoordt den spreker.
»Och meneer Simons, misschien loonde dat kijkje ’t offer niet.”
»Niet, o mevrouw, uw intiemste gedachten, uw journaal.”
»Hoe weet u dat?”
»Een dame aan boord, die in een boekje schrijft, wat zou die anders
doen dan een journaal aanleggen.”
»Vooral wanneer er zulke belangrijke dingen voorvallen als hier; wat
zou u interesseeren?”
»Uw manier van alles te zien en weer te geven.”
»O meneer, dat is de moeite van het nieuwsgierig zijn niet waard.”
Zij schreef voort.
»Het boekje is bijna half vol,” zuchtte hij, zich tegenover haar
plaatsend.
»Zucht u daarover?”
»En zou ik niet zuchten?”
»Omdat mijn boek half uit is?”
»Dan zal de reis ook geëindigd zijn; ze is reeds over de helft.”
»Gelukkig.”
Zij ging voort met schrijven:
»Nu zit hij tegenover mij en vertelt allerlei flauwe dingen, ik moet er
mij zelf telkens aan herinneren dat ik getrouwde vrouw ben; hoe zou ik
hem anders er in laten loopen. Denk eens aan, Coen, een blonde jongen,
van dat akelige vlasblond, dat op het voorhoofd reeds heel ver naar
achter kruipt, maar met studie over den kruin is gekamd om alle leemten
zooveel mogelijk te bedekken, een baard en snorretje bestaande uit
twintig en nog eenige haren, gedecideerd rossig, oogen, waarvan zonder
het brilletje niets zou te zien zijn. Ik heb zeker portret voor mij, en
onwillekeurig vergelijk ik beide, dat breede voorhoofd, die mooie,
fluweelachtige oogen, dien donkeren knevel, dat karakteristieke in kin
en neus, o beste Coen wat tel ik de dagen, wanneer ik dat alles zien
kan, niet op een koud, stom portret maar in werkelijkheid...”
Haar pen ging vlugger over het papier, haar lippen zeiden zachtjes de
woorden na, die zij schreef. Een lieve blos steeg naar haar wangen.
»Wat voor moois schrijft u weer?” klaagde haar trouwe ridder, die haar
stilzwijgend bewonderde.
»Is u daar nog? Foei meneer Simons, nu stoort u mij bepaald.”
»Zoo uit de verte, mevrouw! Mag ik dat niet eens? Moet ik heengaan?”
»U heeft het recht overal te zitten, waar u wil, maar niet om met mij
te praten, als ik schrijf.”
»Maar als u eens niet schreef.”
»Dan was het een ander geval; voorloopig ben ik aan ’t schrijven.”
»U kan uw heele leven nog schrijven.”
»En met u praten niet? Neen, dat is waar, maar ik schrijf liever op dit
oogenblik, dan dat ik ooit weer met u praat.”
»Kan ik u dan zoo weinig schelen?”
»Dat weet ik niet, ik heb er nooit aan gedacht en ’t komt er ook niet
op aan, of u mij iets of niets schelen kan.”
»Bij u misschien, maar bij mij niet.”
Zij trachtte weer te schrijven maar de draad was afgebroken.
»Ik wou dat u ging dammen met mevrouw Brant,” zeide zij ongeduldig.
»Is dat een straf?” vroeg hij op nederigen toon.
»Neen, een voorzorgsmaatregel, om niet te maken, dat u ophoudt mij
onverschillig te zijn.”
»Zal dat gebeuren als ik hier blijf?”
»Stellig.”
»En hoe?”
»Ik zou eenvoudig mijn schrijfmaterieel bij elkaar zoeken, denken, dat
het schrijven mij van daag niet gegund is en het u levenslang
verwijten.”
»Met bitterheid?”
»Wat dacht u, met zoetigheid? Kom, meneer Simons, het schip is groot
genoeg, ik zie niet in wat u daar tegenover mij als een gaslantaarn bij
officieel maanlicht doet.”
»U zien is mij genoeg.”
»Dat kan u evengoed als u mevrouw Brant verzoekt een spelletje te
dammen en u verbeeldt, dat ik het ben.”
»Juffrouw Hermine.”
»Mijnheer!”
»Och ik vergis me weer, ik kan me niet voorstellen dat u een heusche
mevrouw is. Ik kan het niet gelooven, ik gaf de helft van mijn leven,
als er zoo’n malle formaliteit niet had plaats gehad.”
»Dan zou u ver gevorderd zijn, als u dat halve leven kwijt was.”
»Ik mocht dan op hoop leven.”
»Een mager voedsel, waarvan onze kok, vrees ik, moeilijk iets
smakelijks kan maken, en dat de dokter niemand als versterkend middel
zal voorschrijven.”
»Meent u dat hoop niet versterkend en krachtig is? O had ik meer hoop,
ik zou sterker zijn.”
»Nu, zoodra ik daarvan te veel heb, zal ik ze u in poeiers verdeeld
toezenden.”
»Altijd even gevat, even geestig! U moest weten, hoe ik u bewonder.”
»Bewonder dan mijn geduld, dat mij zonder boos worden naar uw
belangrijke praatjes doet luisteren. En te denken dat mevrouw Brant met
haar dambord naar u smacht.”
»U is meedoogenloos! Ik zal u mijn gezelschap niet langer opdringen.”
»’t Verstandigste, wat ik nog van u gehoord heb. Zie zoo, daarvoor
verdient u een belooning.”
Zij trok de stalen pen uit haar houder, stak die nog vochtig van den
inkt aan de punt van haar haaknaald, en bood ze op deze wijze haar
vurigen bewonderaar aan.
»Alles wat van u komt is mij oneindig veel waard,” zeide hij ootmoedig,
nam met zijn twee vingers de pen uit het haakje, bemorste zich met den
inkt, tot groote vroolijkheid van Hermine, en deed toen het zwarte,
verroeste ding verdwijnen in zijn portemonnaie.
»Daar zal ze blijven als een herinnering aan de mooiste vingers, die
ooit een pen in beweging hebben gebracht,” zeide hij, »als een
aandenken aan de prachtige woorden, die zij op uw bevel geschreven
heeft en die ik nooit, nooit zal mogen lezen.”
»Gelukkig dat uw portemonnaie niet met wit satijn gevoerd is,” merkte
de jonge mevrouw spottend aan. »Ha, kijk eens hoe het gele leer reeds
de sporen draagt van uwe vingertoppen.”
Simons zuchtte hoorbaar, en trachtte met zijn zakdoek alles weer in
orde te brengen; ondertusschen scheen Hermine den draad teruggevonden
te hebben en schreef voort:
»Och mijn lieve, beste man, hoe verlang ik naar je, als ik naar al die
nauwe, onbeteekenende praatjes luister van menschen, die mij niets,
niets aangaan! O, ’t is zoo vreemd, daar alleen tusschen te zijn,
niemand te hebben, voor wie ik iets voel—de goede mevrouw van Diteren
uitgezonderd—mij tegenover hen trotsch en statig te moeten houden.
Lieve Coen, wat zal ik me anders voordoen als we samen zijn; we kennen
mekaar nog zoo weinig niet waar, maar we zullen spoedig kennis maken of
liever hernieuwen. Je Hermelijntje is nog dezelfde van vroeger; weet je
nog, hoe je mij dien naam gaf, nadat we in de dictionnaire gezocht
hadden, wat Hermine in het Fransch beteekende. »Hermelijn!” zoo moet je
heeten, zei je. »Wit en zwart, zoo is het ook, je wenkbrauwen en je
oogen zijn zwart en anders ben je wit.”
»Na dien tijd heeft niemand mij meer Hermine genoemd, maar nu zal jij
me weer Hermelijntje noemen, ik zal zoo’n zacht lief hermelijntje voor
je wezen, Conrad! voor jou alleen, versta je dat?
»Ze hebben wel eens gezegd dat ik een nagemaakte hermelijn ben. Ik zal
je vertellen van waar dat komt, want in Indië weet men zeker weinig van
bont af; het hermelijn is erg duur en zeldzaam, maar toch verkoopen de
bontwerkers veel wit bont met zwarte staarten. Weet je, waar dat alles
van afkomstig is? Van witte poezen en van de staarten van zwarte. En nu
bedoelen ze daarmeê dat ik in plaats van een hermelijn een kat ben. Hoe
vind je dat, ventje lief? Ik kan me verbeelden, dat wij al deze
malligheid samen lezen, op een regenachtigen middag in onze
voorgalerij, maar dan moet ik heel dicht bij je zitten, om wanneer ik
verlegen ben over al die gekheid mijn gezicht op je schouder te
verbergen. O Conrad, ik mag er niet aan denken, zooveel geluk. Wat is
Onze Lieve Heer toch goed! Toen mijn arme papa stierf, dacht ik dat er
nooit meer iemand op de wereld zou wezen, die aan mij dacht, dat het
niemand ooit meer zou kunnen schelen of ik vroolijk was dan bedroefd,
of ik altijd maar voor me zelf zou moeten leven, van de eene betrekking
in de andere gaan, al mijn vroolijkheid verliezen, nooit meer hartelijk
lachen, nooit meer stoeien. Ik was papa’s oogappel, Moe was altijd even
knorrig en grienig. Ik deed alles, ik stak mijn handen uit, ik lachte
en zong en als er geen vleesch op tafel zou komen, dan wist ik zulke
mooie bloemen in de vazen te doen, dat zij reeds dadelijk daaraan
zagen, wat er mankeerde, en dan zei ik er een paar grappen over en
prees de sauce piquante, die precies rook als gebraden vleesch. De
kinderen waren ziekelijk en lastig; maar ik kon er goed mee terecht,
dat beviel Moe niet en toen het groote ongeluk ons getroffen had, zocht
zij troost bij haar familie en deed mij voelen dat elke band tusschen
ons verbroken was. En toen kwam jou voorstel!
»Och Conrad! ik kan het mij niet verbeelden dat ik voor jou alleen zal
moeten leven, dat het mijn plicht is, mijn eerste, mijn grootste plicht
je gelukkig te maken, je alles te zijn.
»Ik vind het zoo heerlijk dat we daar zullen wonen afgescheiden van de
wereld, geheel voor en met mekaar, als Paul en Virginie. Ik ben niet
bang voor de eentonigheid van Ngaroengan; een piano zal er immers zijn,
en ik heb boeken bij me, die we samen zullen lezen..... Wat zijn we nog
jong, Coen! Vind je dat niet heel prettig? Twee en veertig jaar met ons
tweeën,—we zullen echte goede kameraadjes zijn. Ik verbeeld me, dat we
er nog pleizier in zouden hebben met den vlieger te spelen, en ik kan
ook paardrijden! En dan gaan we samen rijden, uren, uren ver!
»Ik schrijf hier alles wat mijn hart mij ingeeft, mijn brieven
verscheur ik drie, vier malen en begin ze telkens opnieuw: ik ben nog
een beetje bang voor den Conrad, dien ik niet ken, maar de andere met
wien ik kennis zal maken, die mij schaakt en mij brengt, diep, diep in
het gebergte, waar hij ons nestje gebouwd heeft, die moet alles weten,
alles wat in mijn hart omgaat.
»Ach Coen, ik ben zoo gelukkig! Als je toch wist, hoe ik iederen morgen
en iederen avond, je portret een nachtkus geef, en hoe ik me voorstel,
dat we in het vervolg zoo’n akelig stuk papier niet noodig zullen
hebben om dat mekaar te doen.
»Ondankbaar schepsel, nu spreek ik zoo van dat lieve portret en ik zou
’t niet willen missen voor ik weet niet hoeveel. Ik ben te gelukkig,
Coen, en dat doet me zulke dwaasheden zeggen. Is ’t wel goed zoo
gelukkig te wezen en geeft dat geen teleurstelling? Ze zeggen... maar
zijn we niet allen in Gods hand? Beste Coen, je gelooft het immers ook,
dat wij een goeden Vader in den hemel hebben, die al ons doen en laten
bestiert, die ons verdriet toezendt—zooals Papa’s overlijden—opdat wij
ons leed moedig dragen en daardoor beter worden, die evenals Hij regen
en droogte aan het land geeft, ons ook tranen en geluk toezendt.
Lieveling, als wij samenzijn, vrees ik geen leed, ik zal op je steunen,
je zult me leeren beter te worden, want...”