Toen de wereld ontstond, waren er twee rivieren, de rivier van Egypte en

de rivier aan den hemel. Groot is de Nijl, de rivier van Egypte, die

ontspringt aan gene zijde van de katarakt, het land van Egypte

bevloeiend en aldus vreugde en goede oogsten brengend aan Ta-mery. Groot

en indrukwekkend is de rivier aan den hemel, stroomend door de hemelen

en door de Duat, de wereld, waar nacht en duisternis heerschen en op die

rivier vaart de Boot van Ra. Boot van de Millioenen Jaren is haar naam,

maar de menschen noemen haar de Manzet Boot in den morgen, als Ra in al

zijn pracht en heerlijkheid opkomt aan den oostelijken horizon van den

hemel; de Mesektet Boot wordt ze genoemd in den avond, wanneer Ra

glorierijk de portalen binnengaat van de Duat, waar de berg Manu zijn

pieken verheft tegen den westelijken hemel. Aan den westelijken horizon

ligt de berg Manu en aan den oostelijken horizon de berg Bakhu; groot en

kolossaal zijn zij; hun kruinen verheffen zich boven de aarde en de

hemel rust op hun toppen. En op de hoogste piek van den berg Bakhu woont

een slang; dertig cubiet is zij lang en haar huid is van vuursteen en

glinsterend metaal. Zij bewaakt den berg en de Groote Groene Wateren en

niemand kan haar passeeren behalve Ra in zijn Boot. 's Avonds daalt Ra

in al zijn majesteit neer aan den Westelijken horizon, naar de portalen

van de Duat bij de kloof van Abydos. Prachtig is de Mesektet Boot,

schitterend haar versieringen en haar kleuren zijn als amethist en

smaragd, jaspis en turkoos, lazuli en goud. Bij de Kloof van Abydos

wachten eenige goden om de Boot in gereedheid te brengen voor den tocht

door de Duat, het land, waar nacht en diepe duisternis heersenen.

Ontdaan is de boot van haar pracht, kaal en zonder glans is ze, wanneer

ze de portalen van de Duat passeert en in de boot ligt het lichaam van

Ra, levenloos en dood. Dan nemen de goden de lange sleeptouwen; langzaam

glijdt de Boot langs de rivier. De poorten van de Duat worden ver

opengeworpen en de twaalf godinnen van den nacht nemen haar plaatsen in

op de Boot om ze te leiden door de duisternis en de gevaren van de Duat;

loodsen van de rivier zijn zij en zonder haar zou zelfs Ra er niet

ongedeerd over kunnen varen.

"Stroom van Ra" is de naam van het eerste gebied van de Duat. Somber is

dit land, maar niet heelemaal donker; want aan elken kant van de rivier

liggen zes slangen, opgerold en de koppen rechtop, en de adem van haar

monden is een vuurvlam.

In de kajuit van de Boot ligt Ra, dood en levenloos; op den voorsteven

bevinden zich Up-uaut, de Wegbereider en Sa en de godin van den tijd.

Dicht bij de kajuit bevindt zich een gezelschap goden; dit zijn degenen,

die Ra behoeden voor alle gevaren en voor den aanval van den

afschuwelijken Apep.

Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat naar plaatsen van

diepe duisternis, van afgrijzen en schrik, waar de dooden hun

woonplaatsen hebben en Apep de komst van Ra ligt af te wachten. Zoo gaat

het eerste uur van den nacht voorbij en het tweede uur nadert.

Aan den ingang van elk gebied van de Duat is een poort; hoog zijn de

muren en nauw is de doorgang; op de muren staan speerpunten, scherp en

spits, opdat geen mensch er over kan klimmen.

De deur van de poort is van hout en draait om een spil en een

monsterachtige slang bewaakt de deur. Niemand mag voorbij haar gaan,

behalve zij, aan wie haar naam bekend is. Bij den bocht van den doorgang

liggen twee groote gekamde slangen, de een boven, de ander onder. De

adem van haar mond bestaat uit vuur en vergif; door het nauwe portaal

zenden zij van beide kanten stroomen vuur en vergif. Aan ieder eind van

den doorgang staat een wachter, die wacht houdt. Dan maakt de godin van

het eerste uur plaats voor de godin van het tweede uur en zij roept luid

den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren

opengeworpen, het vuur en het vergif houden op en de Boot van Ra vaart

er door.

"Ur-nes" noemen wij dit tweede gebied van de Duat, maar de Hanebu's en

zij, die de eilanden van de Groote Groene Wateren bewonen, noemen het

Ouranos. De rivier is breed en draagt op haar donkere wateren vier

sloepen; geen riemen hebben zij, noch masten of roeren, maar zij drijven

op het water en worden gedragen door den stroom. Geheimzinnig en vreemd

zijn zij en de schimmen, die er zich in bevinden, gelijken op

menschengedaanten. In dit gebied is Ra Heer en Koning en zij, die hier

wonen, hebben vrede, want niemand kan de groote gekamde slangen

voorbijgaan, die de poorten bewaken, wier adem een mengsel is van vuur

en vergif. Gelukkig zijn zij, die dit land bewonen, want hier wonen de

geesten van het koren, Besa, Nepra en Tepu-yn. Dit zijn degenen, die de

tarwe en de gerst laten groeien en de vruchten van de aarde menigvuldig

doen zijn. Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door

streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen, waar de dooden hun

woonplaats hebben en Apep op de komst van Ra ligt te wachten. Zoo gaat

het tweede uur van den nacht voorbij en het derde uur is nabij. Dan

maakt de godin van het tweede uur plaats voor de godin van het derde uur

en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de

deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Stroom van den eenigen God" is de naam van het derde gebied van de Duat

en hier in het schoone Amentet is het Koninkrijk van Osiris. Aan

weerszijden van de rivier bevinden zich de groote gedaanten van de

goden, die de gedaante van Osiris zelf omringen. Hij is gezeten op zijn

troon in koningsornaat met de Witte Kroon van het Zuidelijk Land en de

Roode Kroon van het Noordelijke Land op zijn hoofd. Groot is Osiris, de

god der dooden, want allen, die sterven, moeten voor hem verschijnen als

hun rechter en hun harten worden gewogen in de weegschaal tegen de veer

van de Waarheid. Zijn troon staat op een stroomend water, helder en diep

en uit het water verheft zich een enkele lotusbloem, gekleurd als de

ochtendhemel. Op de bloem staan de vier Kinderen van Horus, die Osiris

bijstaan bij het Oordeel en die de lichamen der dooden beschermen. Aan

hen behooren het Zuiden en het Noorden, het Westen en het Oosten en de

vier groote godinnen zijn hun beschermsters. Zij staan op de lotusbloem

en hun gezichten zijn naar Osiris gekeerd; het eerste heeft het gezicht

van een man, het tweede het gezicht van een aap, het derde het gezicht

van een jakhals en het vierde het gezicht van een roofvogel. Dit nu is

het uur, dat de boosdoeners vreezen; door hun eigen daden worden zij

veroordeeld en niets kan hen helpen. Zwaar is het hart van den booswicht

en het doet de schaal neerslaan; lager en lager zinkt ze, totdat ze de

kaken bereikt van Amemt, den Verslinder van Harten. Dan wordt de

boosdoener uitgeworpen in de diepe duisternis van de Duat om er te wonen

bij de afschuwelijken Apep en eindelijk in de Vuurpoelen te vallen.

Maar sommigen zijn er, die de rechtschapenheid zelf zijn geweest op

aarde, die geen mensch hebben benadeeld door bedrog of geweld, die de

weduwe, de wees en den zeeman, die schipbreuk geleden heeft, hebben

bijgestaan, die de hongerigen hebben gespijzigd en de naakten gekleed,

die geen strijd hebben opgewekt, noch tranen hebben doen vloeien.

Wanneer deze voor het Oordeel van Osiris verschijnen en hun harten in de

weegschaal gelegd worden, dan is de veer van de Waarheid het zwaarst. De

schaal met de veer gaat naar beneden en de schaal met het hart naar

boven. Dan neemt Thot het hart en zet het weer in de borst van den

mensch en Horus neemt hem bij de hand en geleidt hem naar den voet van

den troon van Osiris, opdat hij voor eeuwig moge wonen in het koninkrijk

van Osiris.

En eerst nu kan hij den zeer reinen en waarachtig heiligen Osiris zien,

want "de zielen der menschen zijn niet in staat deel te hebben in de

goddelijke natuur, zoolang zij besloten zijn in lichamen met

hartstochten... Wanneer zij bevrijd zijn van deze beletselen en overgaan

naar reiner en ongeziene streken... dan eerst wordt deze God hun leider

en Koning; van hem hangen zij geheel af, steeds ziende zonder verzadigd

te worden, en steeds vurig verlangend naar de schoonheid, die een mensch

onmogelijk kan uitdrukken of zich denken" [1].

[Noot 1: Plutarchus: "De Iside et Osiride" (Squire's vertaling).]

Langzaam glijdt de Boot van Ra door de Duat, naar streken van diepe

duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te

wachten op de komst van Ra en waar de Vuurpoelen worden klaargemaakt

voor de boozen.

Zoo gaat het derde uur van den nacht voorbij en het vierde uur is nabij.

Dan maakt de godin van het derde uur plaats voor de godin van het vierde

uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden

de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Levende der schimmen" is de naam van het vierde gebied van de Duat en

Sokar heeft de heerschappij over dit land. Woest is de uitgestrektheid

zand, onbegrensd de woestijn, droefgeestig en somber het landschap. Geen

grassprietje, geen boom of struik is er te zien, niets groeit er, niets

leeft er dan monsterachtige veelhoofdige slangen, die langs den grond

glijden of op pooten voortkruipen.

Verschrikkelijk zijn zij om aan te zien, zooals ze daar kronkelen en

draaien en sissen en brullen; ze heffen hun afzichtelijke koppen in de

hoogte en houden hun donkere vleugels uitgespreid. Maar hun

kwaadaardigheid geldt Ra niet en hij gaat veilig tusschen hen door.

Bedolven is de groote rivier en verdwenen is ze onder het bewegelijke

zand en waar ze stroomde, is nu een diep ravijn. De rotsmuren verheffen

zich hoog en steil en steeds slingert en draait de weg tusschen de

rotsen door. De menschen noemen deze plaats Re-stau de Mond van het

Graf.

Zelfs in deze sombere woestijn voert Osiris heerschappij; Heer van

Re-stau wordt hij genoemd, daarom behoeft niemand vreesachtig te zijn

als hij langs het smalle pad gaat. En nu kan de Boot van Ra niet meer op

het water drijven, maar wordt veranderd in een groote en machtige slang

met een glinsterende huid. Op den voorsteven zit een slangenkop met

wakende en woeste oogen, op den achtersteven zit een slangenkop met de

giftanden gereed. Over het zand glijdt ze voort, zooals een boot over

het water glijdt.

Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van

diepe duisternis, schrik en afgrijzen naar de plaats, waar Apep ligt te

wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het vierde uur van den nacht

voorbij en het vijfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het vierde

uur plaats voor de godin van het vijfde uur en zij roept luid den naam

van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de

Boot van Ra vaart er door.

"Verborgen" is de naam van het vijfde gebied van de Duat en in dit

donkere en sombere gebied woont Sokar, zijn Heer en Koning, de god van

hen, die begraven zijn. Bij een bocht van den kronkelenden weg is zijn

woonplaats diep onder den grond, daar boven verheft zich een hooge berg

zand. Twee sphinxen houden de wacht er bij; zij hebben het lichaam van

een leeuw en het gelaat van een mensch, en haar klauwen zijn uitgespreid

als de klauwen van een roofdier. In het midden ligt een slang met drie

koppen en tusschen haar vleugels staat Sokar in de gedaante van een man

met het hoofd van een sperwer. Wild en woest als een sperwer is Sokar en

vreeselijk is de straf, die hij degenen laat ondergaan, die zich tegen

hem verzet hebben. Dicht bij zijn woning is een meer, waar het water

kookt en borrelt van de hitte, zooals het water kookt in een ketel. In

het kokende meer worden de rebellen geworpen en zij roepen tot Ra om

hulp, maar Ra ligt koud en levenloos ter neer, wachtend op de komst van

Khepera en op hun kreten wordt geen acht geslagen, terwijl de Boot haar

weg vervolgt.

Aan den anderen kant van het ravijn ligt een hoog en gewelfd gebouw, het

huis van Nacht en Duisternis. Twee vogels klemmen zich aan weerszijden

vast en er rondom heen slingert zich een tweekoppige slang. Zij heft

haar woeste koppen op en haar vergif is altijd klaar om den vluggen

indringer te treffen, die het wagen zou te trachten er voorbij te komen.

Trouw waakt zij, want in het huis van Nacht en Duisternis woont Khepera,

de groote Ziel van het Heelal, wiens zinnebeeld is de kever, de god van

de opstanding.

In de gedaante van een kever wacht hij op de komst van Ra en hij vliegt

op de Boot en wacht daar den tijd af, wanneer hij den god tot het Leven

terug zal brengen. En nu dringt er door de diepe duisternis langs den

nauwen doorgang een lichtstraal; de Morgenster staat bij de poort om de

Boot verder te geleiden: want in het donkerst van den nacht ligt een

belofte van den komenden dag.

Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van

diepe duisternis, schrik en afgrijzen, naar de plaats, waar de

afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra.

Zoo gaat het vijfde uur van den nacht voorbij en het zesde uur is nabij.

Dan maakt de godin van het vijfde uur plaats voor de godin van het zesde

uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden

de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door, "Afgrond der

wateren" is de naam van het zesde gebied van de Duat en Osiris voert er

heerschappij, Osiris, de groote God, Heer van de stad Daddu, de levende

Koning, de Schepper der menschen, der dieren en van de groene planten,

die op aarde groeien, Osiris, voor wien alle menschen buigen vol lof en

aanbidding.

De rivier komt weer uit het zand te voorschijn en de Boot drijft op haar

wateren en zij, die er in zitten, verheugen zich, want de uren van den

nacht gaan voorbij. Op de oevers van de rivier bevinden zich de groote

gedaanten der goden, geheimzinnig en wonderbaarlijk; negen

koningsscepters staan daar ook en een monsterachtige leeuw doemt op uit

de duisternis, zwak beschenen door het licht, dat de Boot van Ra

uitstraalt. Drie tempels staan er bij de rivier, en een slang, die vuur

ademt, bewaakt ze. Geheimzinnig en vreemd zijn de dingen, die zich in de

heiligdommen bevinden en den mensch is het niet gegeven de beteekenis er

van te vatten; in het eene is een menschenhoofd, in een ander de vleugel

van een vogel, in het derde het achterste gedeelte van een leeuw. Hier

woont ook de groote opgerolde slang met vijf koppen en in haar kronkels

ligt Khepera, de god van de opstanding. Op zijn hoofd plaatst hij den

kever, onder zijn voeten is het teeken des vleesches; zoo brengt hij het

Leven in de dooden en zoo zal hij Ra weer in het leven terugroepen. Want

dit is het meest verwijderde punt van de Duat en achter de poort ligt de

weg naar den zonsopgang.

Langzaam vaart de Boot van Ra door de Duat, door streken van diepe

duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te

wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het zesde uur van den nacht voorbij

en het zevende uur is nabij. Dan maakt de godin van het zesde uur plaats

voor de godin van het zevende uur en zij roept luid den naam van den

Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van

Ra vaart er door.

"Geheime spelonk" is de naam van het zevende gebied van de Duat. Vol

gevaar en nood is het, want de afschuwelijke Apep woont in dit land. Als

een groote en monsterachtige slang ziet hij er uit; met wijd-open mond

verzwelgt hij de wateren van de rivier, opdat de Boot zal vergaan en Ra

zal omkomen. Dan zou de aarde toebehooren aan de machten der duisternis

en kwaad en boosheid zouden de goden overwinnen. Maar op den voorsteven

van de Boot staat Isis, de groote toovenares, wier tooverkunst niemand

kan weerstaan. Isis, de grootste der godinnen, zij, die de dooden kan

opwekken en aan wie alle menschen liefde en eerbied bewijzen. Met de

armen uitgestrekt, spreekt zij de Machtswoorden uit, luid roepend over

de donkere rivier.

Om het lichaam van Ra slaat de slang Mehen haar beschermende kronkels,

want nu is de tijd van het gevaar gekomen.

Op een zandbank midden in de rivier ligt de afschuwelijke Apep.

Vierhonderd vijftig cubiet is de zandbank lang; de kronkels van Apep

bedekken ze zoodanig, dat er niets te zien is dan de rivier er om heen.

Luid sist en brult hij en de Duat wordt vervuld met den donder van zijn

stem, doch Isis deinst niet terug, noch houdt zij op met haar

tooverformules te reciteeren en met de tooverachtige bewegingen, die zij

maakt met haar handen. Haar tooverspreuken overwinnen en de

afschuwelijke Apep ligt hulpeloos op het zand. Dan springen Selk en

Her-desuf van de Boot van Ra en binden hem met touwen vast en met

scherpe messen steken zij in zijn vleesch, hopend hem te vernietigen.

Maar Apep is onsterfelijk en iederen nacht wacht hij om de Boot van Ra

aan te vallen.

Toch houden Selk en Her-desuf hem vast, terwijl de Boot haar weg

vervolgt langs de groote zandbanken, waar hij wringt en draait en

worstelt om vrij te komen, maar de touwen zijn sterk en de messen zijn

scherp en zijn pogingen zijn vergeefsch.

Voort gaat de Boot naar de begraafplaatsen der goden. Deze staan bij de

rivier; hooge bergen zand zijn het, op elken berg staat een gebouw en op

elken hoek bespiedt het hoofd van een man het voorbijgaan van Ra. Zacht

glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, voortgaand door de duisternis

tot den zonsopgang en den dag. Zoo gaat het zevende uur van den nacht

voorbij en het achtste uur is nabij. Dan maakt de godin van het zevende

uur plaats voor de godin van het achtste uur en zij roept luid den naam

van den Wachter aan de poort.

Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Sarcophaag der goden" is de naam van het achtste gebied van de Duat,

want hier wonen de doode goden. Dood en begraven zijn zij, gebalsemd en

gezwachteld, zooals de menschen de dooden op aarde balsemen en

zwachtelen. Zij roepen luid heilgroeten tot Ra, als hij voorbij vaart,

roepend tot hem door de uitgestrekte ruimte, maar zoo ver zijn zij weg,

dat het geluid van hun stemmen klinkt als het gebrul van wilde stieren,

als de kreet van roofvogels, als het geklaag van rouwdragers, als het

gezoem van bijen. Vóór de Boot gaan negen Volgelingen van de Goden;

vreemd zijn hun gedaanten, geheimzinnig en wonderlijk, aan niets gelijk,

dat op aarde is. Voor hen uit loopen de vier zielen van Tatanen in de

gedaante van rammen, groot en vurig, met wijd uitgespreide en scherp

gepunte horens. De eerste is gekroond met hoog opstaande pluimen, de

tweede met de Roode kroon van het Noordelijke Land, de derde met de

Witte Kroon van het Zuidelijke Land, de vierde met de schitterende

zonneschijf. Oud is Tatanen, bewoner van Memphis, waar de woning van

Ptah is aan den zuidkant van den muur. Zacht glijdt de Boot van Ra voort

door de Duat, gaande door de duisternis naar den zonsopgang en den dag.

Zoo gaat het achtste uur van den nacht voorbij en het negende uur is

nabij. Dan maakt de godin van het achtste uur plaats voor de godin van

het negende uur, en zij roept luid den naam van den Wachter aan de

poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er

door.

"Processie van beelden" is de naam van het negende gebied van de Duat.

Vol en sterk stroomt de rivier en de Boot wordt voortgedragen op den

bruisenden stroom. Twaalf sterregoden bewaken de Boot, met roeiriemen in

hun handen, gereed om de Boot in geval van nood te helpen.

In dit land heerscht geen diepe duisternis, want twaalf groote gekamde

slangen liggen opgerold op den oever en de adem van hun mond is vuur en

vlam, stralend op het donkere water en op hen, die in de Duat wonen.

Drie sloepen drijven op de donkere rivier; vreemd is de vorm van deze

sloepen, niet als de booten der menschen; en de schimachtige gedaanten

er in, zien er uit als een koe, een ram en de ziel van een mensch. Van

hen ontvangen de bewoners van dit land de offeranden, die hun gebracht

worden op aarde. Dan beginnen de sterregoden te zingen; en de twaalf

godinnen en de wevende goden en de bewoners van dit land zingen den roem

en de eer van Ra, prijzend den Heer van de Boot, de Schepper van hemel

en aarde. Met vreugde en gezang volgen zij den voorgeschreven weg.

Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, voortreizend naar den

zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het negende uur van

den nacht voorbij en het tiende uur is nabij. Dan maakt de godin van het

negende uur plaats voor de godin van het tiende uur en zij roept luid

den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren

opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door.

"Afgrond der Wateren, hoog van oevers" is de naam van het tiende gebied

van den Duat en de heerscher ervan is Ra. De bewoners van dit land komen

hun koning tegemoet, als hij voorbijgaat op de wassende rivier. Diep en

vol en sterk stroomt het water en de Boot wordt voortgedragen op den

bruisenden stroom. Goddelijke krijgslieden, gewapend met blinkende

oorlogswapens vormen een lijfwacht voor hun koning, licht straalt van

hun aangezichten, als het licht van de zon. Aan den oever der rivier

zitten vier godinnen; zij werpen lichtstralen uit in de duisternis,

aldus den weg van Ra verlichtend op de donkere rivier. Voor de Boot van

Ra beweegt zich de Morgenster in de gedaante van een tweehoofdige slang,

die op beenen loopt, en op haar hoofd bevinden zich de kronen van het

Zuidelijke Land en het Noordelijke Land; tusschen haar kronkels bevindt

zich de groote sperwer uit de lucht; Leider van den Hemel is haar naam,

want de sterren van den hemel volgen haar, maar de menschen noemen haar

Hesper en ook wel Lucifer. In de sloep op den stroom bevindt zich een

slang; Leven der Aarde wordt zij genoemd en zij waakt in de Duat tegen

de vijanden van Ra.

Dit is het grootste van alle gebieden van de Duat, want in dit rijk van

wonderen en mysteriën verbindt Khepera zich met Ra en Ra zelf wordt

opnieuw geschapen. Toch blijft het doode lichaam van Ra in de Boot; maar

zijn ziel wordt vereenigd met de ziel van Khepera.

Voorwaarts gaat de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang

en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het tiende uur van den nacht

voorbij en het elfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het tiende uur

plaats voor de godin van het elfde uur en zij roept luid den naam van

den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot

van Ra vaart er door.

"Opening van de spelonk", is de naam van het elfde gebied van de Duat en

Ra is er heerscher. Zeer veel is de rivier gevallen en traag stroomt ze

voort; de Boot wordt voortgetrokken door de goden; niet met touwen

trekken zij haar voort, maar met het lichaam van de groote slang Mehen,

den beschermer van Ra. Op den boeg van de Boot staat een vurige ster,

maar haar licht is niet rooder dan de vreemde en felle gloed, die dit

land vervult; vreeselijk rood is het en de aanblik er van jaagt schrik

en ontzetting aan. Dit is het gebied, dat gevreesd wordt door de

boosdoeners, want hun straf wacht hen hier. Heinde en ver zijn

vuurpoelen; godinnen, wier adem vuur is, bewaken de poelen, in haar

handen vlammende zwaarden houdend. Met haar messen martelen zij de

boozen en werpen hen in de vuurpoelen, waar zij volkomen vernietigd

worden. Horus staat er bij en aanschouwt hun kwellingen, want deze zijn

de vijanden van Osiris en van Ra, de boosdoeners op aarde en lasteraars

van de goden. Geen hulp kan hen bereiken, geen ontkomen is mogelijk,

door hun eigen daden zijn ze gedoemd tot het zwaard en het vuur. En de

rook en het vuur van hun marteling stijgen op in de Duat.

Aan den anderen kant van de rivier bevinden zich de sterren; Shedu is er

in de gedaante van een slang, scharlaken en rood is hij en de sterren,

die zijn lichaam vormen, zijn tien in getal. Dan is er ook een

geheimzinnige en wonderlijke gedaante te zien; als een gevleugelde slang

met pooten ziet zij er uit en tusschen de vleugels ziet men de

schimachtige gedaante van een man. De menschen noemen hem Atmu, bewoner

van Heliopolis; oud is Atmu, ouder dan Ra zelf; en hij zendt de zachte

briesjes van den Noordewind naar het land Egypte. Aan weerszijden van

hem schijnen de Oogen van Horus flauw in het zwakke en bleeke licht. En

nu steekt de morgenwind op; liefelijk en zacht is hij, maar met hem komt

de belofte van den dag.

Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den

zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het elfde uur

voorbij en het twaalfde uur en de dageraad zijn nabij. Dan maakt de

godin van het elfde uur plaats voor de godin van het twaalfde uur en zij

roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren

opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door. "De duisternis is geweken

en geboortes hebben plaats" is de naam van het twaalfde gebied van de

Duat. Op den voorsteven van de Boot zit de groote kever van Khepera,

gereed om bij de gedaanteverwisseling van Ra te helpen, voordat hij het

eind van de Duat bereikt. Dit twaalfde gebied van de Duat is niet gelijk

aan de andere streken, want het is omsloten door het lichaam van een

groote en monsterachtige slang. "Leven van de Goden", is haar naam, en

door dit groote en kolossale lichaam reist de Boot der Millioenen Jaren.

Twaalf van de aanbidders van Ra vatten de touwen en sleepen de Boot

verder, en hier in het lichaam van de slang wordt Ra veranderd in

Khepera en wordt weer levend, want nu is de reis door de Duat bijna

volbracht. Bij den mond van de slang staan twaalf godinnen; aan deze

geven de Aanbidders van Ra de sleeptouwen over en zij trekken de Boot

naar den oostelijken horizon van den hemel. En nu wordt het doode

lichaam van Ra uit de Boot geworpen, zooals het kaf wordt weggeworpen,

wanneer het graan gezift is, want de ziel en het leven van Ra zijn in de

kever van Khepera, en de gedaanteverwisselingen van Ra zijn voltooid.

Met geschreeuw en gezang, met vreugde en blijdschap komt de Boot van Ra

te voorschijn uit de Duat. Prachtig is de Manzet Boot, zooals zij

voortspoedt naar den zonsopgang. Werp wijd, wijd open de deuren en laat

den dag binnen.

Oude Egyptische Legenden · 第 4 / 6 段