de berg Bakhu gloeit van licht. De slang, de bewaker van de Groote
Groene Wateren ziet Ra in al zijn heerlijkheid aan den oostelijken
horizon van den hemel en zijn stralen schitteren op haar opperhuid.
Heerlijk is de Manzet Boot, gedragen door de rivier, stralend in de
pracht en het licht van den vollen dag. In het schuim aan den boeg van
de Boot dartelt de Abtu-visch, voortschietend door het glinsterende
schuim en de Ant-visch wordt gezien in den draaikolk van turkoois. Van
de aarde rijst een juichtoon op, want alle schepselen prijzen Ra bij
zijn komst.
Heil u, o Ra, bij uwe komst; de nacht en de duisternis zijn voorbij. Bij
het krieken van den dag schijnt gij, de hemelen zijn vervult met uw
licht. Koning der Goden zijt gij, alle heerlijkheid en triomf zijn van
u. De Goden komen als honden aan uw voeten, u met vreugde begroetend in
den morgenstond. Heil u, o Ra, bij uw komst; als gij opkomt, zijn alle
menschen blijde. Vol vreugde komt gij 's morgens, vol roem regeert gij
de wereld. De sterren der hemelen aanbidden u, Heer der Hemelen zijt
gij. Heil u, o Ra, bij uw opkomst! Niemand kan uw heerlijkheid
uitdrukken. Heer van alle Wijsheid en Waarheid. De zielen van het Oosten
dienen u, de zielen van het Westen zijn uw dienaren, het Noorden en het
Zuiden aanbidden u. Gij wordt aangebeden, onze Heerscher, door hen, die
gij hebt geschapen. Gij komt op aan 's hemels horizon gij doet het
menschdom zich verblijden. Heil u, o Ra, bij uw komst, bij uw komst in
schoonheid, o Ra.
* * * * *
AANTEEKENINGEN.
I. DE PRINSES EN DE DEMON.
Uitgegeven door Prisse d'Avennes,
Monuments Egyptiens, pl. XXIV.
Vertaald door Wiedeman, Religion
of the Ancient Egyptians, p. 275.
Dit verhaal is gebeiteld in een zandsteenen tablet, dat gevonden is door
Champollion in den tempel van Khonsu te Thebe en zich nu in de
"Bibliothèque Nationale" te Parijs bevindt. Er zijn acht-en-twintig
horizontale regels schrift en boven deze bevindt zich een afbeelding van
twee booten van Khonsu, gedragen op de schouders van priesters, terwijl
de koning wierook voor hen offert.
Toen het verhaal het eerst vertaald werd, werd er verondersteld, dat het
op waarheid gegrond was, maar nu wordt het gewoonlijk beschouwd als een
volksverhaal, dat bijdraagt tot het geloof aan Khonsu en tot zijn roem
en waarvan daarom door de priesters van dien god gebruik wordt gemaakt.
De koning, die er in genoemd wordt, kan niet geïdentificeerd worden met
één van de historische monarchen uit Egypte, hoewel zijn persoonlijke
naam, Ramses, voldoende bekend is onder de heerschers van de XX^{ste}
dynastie.
II. DE DROOM VAN DEN KONING.
Uitgegeven door Lepsius, Denkmaler,
III, 68.
Vertaald door Breasted, Ancient
Records, II, 810-815.
Het opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van rood
graniet, van viertien voet hoog, die staat in den kleinen tempel, die
ligt tusschen de voorpooten van de Groote Sphinx.
De tempel werd in 1817 uitgegraven door Kapitein Caviglia. Hij vormt het
eind van een processie-weg, die naar beneden voert langs geplaveide
wegen en trappen van den rand der woestijn af naar het heiligdom (zie
Vyse, Pyramids of Gizeh, III, 107). De kleine tempel is slechts tien
voet lang en vijf breed en aan het verste eind, met den achterkant naar
de borst van de Sphinx gekeerd, staat deze stèle (grafzerk).
Boven het opschrift, dat in horizontale regels geschreven is, staat een
afbeelding, links en rechts herhaald, van den koning, die water plengt
en wierook brandt voor het beeld van eene Sphinx, liggende op een pylone
of altaar. De benedenste helft van de stèle is zoo beschadigd, dat het
opschrift of vernield of onleesbaar is.
Het opschrift bedoelt te zijn uit den tijd van Thotmes IV, een koning
van de XVIII^{ste} dynastie, ongeveer 1400 v.C., opgericht door dien
monarch als een dankoffer.
Maar uit de taal, waarin het opschrift is gesteld, blijkt duidelijk, dat
het uit een veel lateren tijd moet zijn; Erman rekent, dat het dateert
uit een periode tusschen de XXIII^{de} en XXIV^{ste} dynastie. Het kan
echter ook een nieuwe weergave van een vroeger verhaal zijn, hoewel van
het vroeger opschrift niets is overgebleven.
* * * * *
III. DE KOMST VAN DE GROOTE KONINGIN.
Uitgegeven door Naville, Dier el
Bahari, II, pls. XLVI-LI (met vertaling).
Vertaald door Breasted, Ancient
Records, II, 187-220.
De inscriptie, met de afbeeldingen, die ze illustreeren, zijn
uitgehouwen in de muren van den tempel van Dier el Bahari, aan den
noordkant van den overgebleven muur van de bovenste verdieping.
Het groote gebouw, in den nieuwen tijd bekend als de tempel van Deir el
Bahari, werd opgericht door Koningin Hatshepsnut van de XVIII^{de}
dynastie, ongeveer 1500 v.C, om te dienen voor twee dingen, nl. voor
haar eigen doodendienst en voor de aanbidding van de godin Hathor. De
voornaamste gebeurtenissen uit de regeering van de Koningin zijn in de
muren gebeiteld; het verhaal van haar goddelijke afstamming neemt
natuurlijk een voorname plaats in. De inscriptie's in den tempel werden
vernield en vroeger gerestaureerd, daarom is er veel van het verhaal
verloren gegaan. Gelukkig echter versierde Amenhotep III, een koning van
dezelfde dynastie, bijna meer dan een eeuw later dan Hatshepsut, zijn
tempel van Luksor met gelijksoortige afbeeldingen en inscriptie's,
betrekking hebbend op zijn eigen goddelijke afstamming, terwijl hij
natuurlijk de namen van moeder en kind veranderde en eenige weinig
belangrijke veranderingen in de opschriften maakte. Door middel van dit
latere voorbeeld is het geheele vroegere verhaal duidelijk gemaakt.
De witte zuilenrijen van den tempel van Hatshepsut, tegen een
achtergrond van donkere rotsen, vormen een der meest treffende tooneelen
in het dal van den Nijl. De tempel werd eens gebruik als een Koptisch
dorp; vandaar zijn moderne naam van Deir el Bahari, het Noordelijk
Klooster.
Hij is niet lang geleden opgegraven en gerestaureerd door Dr. Naville
voor het Egyptische Exploratiefonds.
IV. HET BOEK VAN THOT.
Uitgegeven door Spiegelberg, Demotische
Papyrus (Kairo Catalogus).
Vertaald door Petrie, Egyptian
Tales, II, 89.
Deze geschiedenis is geschreven in het Demotisch op een papyrus, die
gevonden is te Thebe in het graf van een Koptischen monnik. Ze lag
tusschen andere papyrussen, die in het Hieratisch en in het Koptisch
geschreven waren, in een houten kist en bevindt zich nu in het
Kairo-Museum. Het Demotisch is het schrift, waarin de laatste vorm van
de Egyptische taal was geschreven; het vroegste voorbeeld, dat er van
overgebleven is, is uit de regeering van Shabaka van de XXV^{ste}
dynastie, ongeveer 715 v.C.; het bleef in gebruik tot de Romeinsche
tijden, toen het vervangen werd door het Grieksche alphabet.
De papyrus is uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar de tijd is niet
nauwkeurig bekend, daar de datum en plaats aan het eind gedeeltelijk
onleesbaar zijn. Het jaar 15 alleen is zichtbaar, wat echter niet
voldoende is om aan te duiden, onder welken koning het geschreven is. De
legende, die in dit boek weergegeven is, is slechts een deel van een
veel langer verhaal; het is inderdaad een geschiedenis in een
geschiedenis, verteld door den "ka" van Ahura aan den hoogepriester van
Memphis, toen hij zich waagde in het graf van Nefer-ka-ptah om het Boek
van Thot te zoeken. Men zegt, dat het Boek van Thot slechts uit twee
bladzijden bestaat; het moet dus een papyrus geweest zijn, die aan beide
zijden beschreven was.
* * * * *
V. OSIRIS.
Oorspronkelijk stuk: Plutarchus,
De Iside et Osiride.
Vertaald door: Mead, Thrice-greatest
Hermes, I, 278.
De verhandeling over Isis en Osiris werd door Plutarchus, zelf een
ingewijde in de Osiris-mysteriën, geschreven aan een medeingewijde, eene
vrouw, Klea genaamd. Dit werd in de tweede eeuw v.C. geschreven te
Delphi. Het is het eenige samenhangende verhaal, dat er overgebleven is
van den dood van Osiris en de omzwervingen van Isis. Ofschoon het van
zoo laten datum is, heeft men gevonden, dat het over het geheel juist
is, wanneer men het vergelijkt met de opschriften en beeldhouwwerken uit
de tijden van de Pharao's.
Het zoogenaamde Ritueel van Denderah is onze voornaamste bron voor de
aanbidding van Osiris in de voornaamste tempel van Egypte bij
gelegenheid van de feesten in de maand Khoiakh. Het Ritueel is gebeiteld
op de muren van den tempel van Denderah en geeft lot in bijzonderheden
de plechtigheden, die in gebruik zijn, weer, tot zelfs de afmeting en
het materiaal van de symbolische voorstellingen. Het opschrift dateert
uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar het Ritueel is aanzienlijk veel
ouder.
"Mysterie-spelen" naar aanleiding van den dood van Osiris en van de
overwinning van Horus op Set schijnen bij zekere groote gelegenheden
gehouden te zijn in de voornaamste centra van godsdienst. De voornaamste
rol was die van Horus, die in de hoofdstad werd vervuld door den Pharao
zelf en in de provincies door de plaatselijke notabelen.
* * * * *
VI. DE SCHORPIOENEN VAN ISIS.
Uitgegeven door Golénischeff, Metternichstele
(met Duitsche vertaling).
Vertaald door: Budge, Legends of
the Gods, p. 157.
Dit opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van marmer,
geplaatst op een vierkant voetstuk. In het begin van de negentiende eeuw
werd ze gevonden te Alexandrië en werd in 1828 door Mahomed Ali aan
Prins Metternich ten geschenke gegeven. De voorzijde, de achterzijde en
de zijkanten, zoowel van de stèle, als van het voetstuk, zijn bedekt met
horizontale en vertikale regels schrift en met mythologische figuren. De
stèle behoort tot een klasse van amuletische voorwerpen, die gewoonlijk
Cippi van Horus genoemd worden; ze zijn beschreven met bezweringen tegen
alle dieren "die bijten met hun mond of steken met hun staart". Deze
stèle is de grootste Cippus van Horus, die bekend is. Op de voorzijde is
in hoog-relief het beeld van Horus uitgehouwen, die voorgesteld wordt
als een naakt kind, staande op twee krokodillen en een leeuw, een
gazelle, schorpioenen en slangen in zijn handen houdend. Hij staat in
een tempel, waar het hoofd van Bes op staat. Isis en Thot, de godinnen
van het Zuiden en van het Noorden en andere mythologische figuren en
zinnebeelden bevinden zich binnen in en buiten op den tempel. Boven deze
voorstelling zijn horizontale registers, gevuld met figuren, die
mogelijk tooneelen voorstellen uit legenden, die nu verloren gegaan
zijn.
De tekst, die de geschiedenis van de schorpioenen van Isis bewaart, is
gegrift achter op het tablet, II 48-70. De stèle dateert ongeveer uit
370 v.C. onder de regeering van Necta-nebo I, van de XXX^{ste} dynastie.
* * * * *
VII. HET ZWARTE ZWIJN.
Uitgegeven door Naville. Das
Aegyptische Todtenbuch, pl. CXXIV.
Vertaald door Budge, Book of the
Dead, ch. CXII.
Het zoogenaamde Doodenboek is een verzameling teksten, die, geschreven
op papyrussen of op doodkisten, gevonden zijn in de graven. Geen uitgave
is er bekend, die alle stukken bevat; de volgorde is dus samengesteld
door vergelijking met vele voorbeelden.
De oude naam van deze teksten is: "Hoofdstukken over het Aanschouwen van
het Levenslicht"; de moderne naam is: "Doodenboek", daar het
klaarblijkelijk een handleiding is voor de behandeling van de dooden.
Het bevat een serie gebeden, lofzangen, magische formulieren en
toespelingen op mythologische verhalen, die men, naar men meende,
noodzakelijk moest kennen om te ontsnappen aan de gevaren van het leven
hiernamaals. Het is klaarblijkelijk zeer oud, want zelfs in de oudst
bekende voorbeelden, de Pyramiden Teksten van de VI^{de} dynastie, is de
tekst dikwijls zeer gebrekkig. De Pyramiden Teksten vertoonen sporen van
zeer primitieve gebruiken en eerediensten, waarvan er vele verloren
gegaan zijn in de latere vormen van het Doodenboek.
De geschiedenis, die verhaald wordt onder de naam van het Zwarte Zwijn,
heeft betrekking op een voorval in den oorlog tusschen Horus en Set en
is nergens anders bekend. Waarschijnlijk waren er veel zulke legenden in
omloop in het oude Egypte, maar weinig zijn er ongeschonden bewaard
gebleven. Horus was de groote helden-god, en zooals bij de helden van
andere landen het geval is, werden de legenden van andere kampioenen op
hem overgedragen. Sommige van zijn heldendaden en avonturen schijnen zoo
bekend te zijn geweest, dat een toespeling reeds voldoende was om ze den
lezer in 't geheugen terug te roepen.
Somtijds wordt er een kort en voor ons verward verhaal gegeven, zooals
in hoofdstuk CXIII van het Doodenboek, waarin verteld wordt, hoe Horus
zijn handen en armen, die hij verloren heeft in een moeras, terugkrijgt,
op een manier, die den modernen lezer weinig zegt.
Een groot aantal legenden zijn bewaard gebleven in magische papyrussen,
maar zelfs onder deze is het aantal aanduidingen en toespelingen grooter
dan het aantal complete legenden. Zoo staat er in de Demotische Papyrus
te Londen en te Leiden een bezwering tegen koorts, die aldus begint:
"Horus reed op een middag in het groene seizoen een heuvel op, gezeten
op een wit paard. Hij treft de goden aan bij het eten en zij noodigen
hem uit deel te nemen aan den maaltijd, maar hij weigert, omdat hij
koorts heeft." Dit is alles, wat er gezegd wordt, maar het is
klaarblijkelijk een zinspeling op een heel bekende geschiedenis.
* * * * *
VIII. DE GEVECHTEN VAN HORUS.
Uitgegeven door Naville, Mythe
d'Horus (met Fransche vertaling).
Vertaald door Wiedemann, Religion
of the Ancient Egyptians, p. 69.
Het verhaal van den oorlog tusschen Horus en Set is gebeeldhouwd op den
binnenkant aan de westzijde van den ringvormigen muur van den tempel van
Edfu. De geheele tempel is gewijd aan Horus; ofschoon ongetwijfeld een
vroegere stichting, dateert het tegenwoordige gebouw eerst uit het
Ptolemeïsche tijdperk. Het werd begonnen door Ptolemeus III Euergetes I
en er werden 180 jaren besteed aan het bouwen en decoreeren. De
ringvormige muur, waarop deze voorstellingen en opschriften waren
gebeeldhouwd, was gebouwd ongeveer 100 v.C., òf door Soter II òf door
Alexander I.
De tempel werd opgegraven door Mariette en van alle tempels in Egypte
bevindt deze zich in den meest gaven toestand, want met uitzondering van
de ergelijke verminking van de gezichten, waarschijnlijk door fanatieke
Christenen, zijn gebouw en beeldhouwwerk ongeschouden gebleven, behalve
door den tijd.
Het opschrift schijnt in legendarischen vorm een vrij nauwkeurig verhaal
te geven van gevechten tusschen stammen uit een zeer vroeg tijdperk.
Ofschoon het tegenwoordige opschrift van later datum is, zijn er vele
primitieve gedachten in bewaard gebleven, vooral in de lofliederen van
de vrouwen aan Horus.
"Eet het vleesch van den overwonneling, drink zijn bloed", is geen
uiting van de beschaving uit de Ptolemeïsche tijden. Menschenoffers
schijnen in Egypte in alle tijdperken gebracht te zijn. Offers voor den
oogst werden er te Eleithyapolis (El Kab) verbrand. Amasis II van de
XXVI^{ste} dynastie maakte een eind aan de menschenoffers te Heliopolis;
Diodorus zegt, dat er roodharige mannen werden geofferd aan het graf van
Osiris; daar de koning de geincarneerde Osiris was, zou dit beteekenen,
dat er bij de koninklijke graven menschenoffers werden gebracht,
waarschijnlijk bij de begrafenisceremoniën. Het Doodenboek zinspeelt ook
voortdurend op menschenoffers.
Te Edfu werd een altaar gevonden, dat besneden was met voorstellingen en
offerandes, waarin menschelijke wezens de slachtoffers zijn. Men kent
kleine beeldjes, rond gesneden, die den vorm hebben van gebonden
gevangenen en waarschijnlijk de methode aantoonen van het binden van een
slachtoffer; de beenen zijn gebogen bij de knieën en de voeten tegen de
dijen gebogen; de armen zijn bij de ellebogen gebogen en stevig aan het
lichaam gebonden. Dit is nu niet de gewone manier om een gevangene te
binden, maar is een speciale manier, waarschijnlijk bestemd voor een
menschelijk slachtoffer. De beelden stellen soms mannen, soms vrouwen
voor. Naar de voorstellingen en tooneelen op den cirkelvormigen muur te
oordeelen werd er een "mysteriespel" gespeeld in den tempel van Edfu,
waar de Pharao de hoofdrol, die van Horus, vervulde. Het schijnt meer
dan waarschijnlijk, dat in vroegere tijden Set of de Bondgenoot van Set,
gespeeld werd door een menschelijk wezen, dat werkelijk gedurende de
voorstelling gedood werd. Toen het gebruik van de menschenoffers begon
uit te sterven, werd het menschelijk slachtoffer vervangen door een
dier. Dit is het geval te Edfu, waar Set een hippopotamus genoemd wordt
en voorgesteld wordt als een zwijn.
* * * * *
XI. HET BIER VAN HELIOPOLIS.
Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau
de Sety I, pt. III, pls. 15-18
(Annales du Musée Guimet, IX).
Vertaald door: Wiedemann, Religion
of the Ancient Egyptians, p. 62.
Voor een beschrijving van het graf
van Sety I (zie de Aanteekeningen
over Legende XI).
Deze geschiedenis is gebeiteld op de muren van een zijkamer op de hoogte
van een van de binnengalerijen van het graf van Sety I (zaal XII van de
gidsen). Op een van de muren is een voorstelling van een koe, die staat
onder het met sterren bezaaide hemelgewelf. Dit is Nut, de hemelgodin;
zij wordt gedragen op de opgeheven handen van den god Shu, en elk been
wordt gedragen door twee goden; planeten en Zonneschepen gaan over haar
lichaam.
Het verband tusschen deze voorstelling en de legende is heel onzeker.
Het verhaal komt alleen op deze eene plaats voor, maar iedere opgraver
hoopt, dat hij eens een graf zal vinden, waar een volledig exemplaar van
de geschiedenis op de muren gebeeldhouwd is.
* * * * *
X. DE NAAM VAN RA.
Uitgegeven door: Pleyte en Rossi,
Papyrus de Turin, pls. 31, 77, 131-138.
Vertaald door: Wiedemann, Religion
of the Ancient Egyptians, p. 54.
Dit verhaal is gevonden op een Hieratische papyrus van de XX^{ste}
dynastie (ongeveer 1200-1100 v.C.) Ze is aan beide zijden beschreven;
het handschrift van den eenen kant verschilt met het handschrift aan den
anderen kant, waaruit men kan opmaken, dat het werk van twee schrijvers
is. Het geschrift is geschreven met zwarten inkt met uitzondering van
sommige zinnen, die met rooden inkt geschreven zijn. Hieratisch is het
loopende schrift, dat afgeleid is van de hieroglyphen; het vroegste
voorbeeld komt voor in de eerste dynastie; het werd in het laatste
tijdperk van de Egyptische geschiedenis vervangen door het Demotisch.
Deze papyrus is niet heelemaal volledig, maar het gedeelte, dat de
legende bevat, is gelukkig onbeschadigd. De inhoud bestaat uit
tooverformulieren tegen slangenbeten. Wanneer de toovenaar genezen wilde
door tooverkunst, reciteerde hij een gebeurtenis uit het leven van de
een of andere godheid, die aan de zelfde ziekte leed als de
mensch-patiënt, die genezing zocht. De woorden, die den goddelijken
patiënt genazen, zouden ook den menschelijken zieke genezen. Dezelfde
gedachte komt voor in de legende van de Schorpioenen van Isis.
* * * * *
XI. DE STREKEN, WAAR NACHT EN DIEPE DUISTERNIS HEERSCHEN.
Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau
de Seti I (Annales du Musée
Guimet, IX).
Vertaald door: Jéquier, Livre de
ce qu'il y a dans l'Hadès, Budge,
Egyptians Heaven and Hell.
De beschrijving van de Reis van Ra door de Andere Wereld is gebeeldhouwd
op de muren van het graf van Seti I te Thebe. Dit is het groote graf,
dat door Belzoni in October 1817 ontdekt werd. De lengte is 330 voet en
het bestaat uit lange gangen, zuilenhallen en zijkamers, uitgehouwen in
de vaste rots. Het Boek van Am-Duat is gebeiteld in de muren van gang
III, zalen V, VI en X en zijkamers XI en XIII. Er zijn slechts elf uren
gegeven, het twaalfde uur, ofschoon het dikwijls gevonden wordt op
papyrus, is zelden gebeiteld.
Er zijn twee lezingen van de reis van de Zon door de Duat. De eene werd
door de Egyptenaren zelve het Boek van dat, wat in de Andere Wereld (Am
Duat) is, genoemd, maar nu heet het het Boek der Poorten, want hierin
zijn de poorten belangrijker, dan de gebieden, die zij verdeelen. (Voor
een vergelijking van de twee boeken, zie Budge, Egyptian Heaven and
Hell). Het Boek der Poorten is zeldzamer dan het Boek van Am Duat, en
men vindt het gebeiteld op sarcophagen; het mooiste voorbeeld is de
sarcophaag van alabaster van Seti I, die zich nu in het Soane Museum te
Londen bevindt.
Het Boek van Am Duat wordt zoowel aangetroffen op papyrussen als op
grafmuren; het oudste voorbeeld van het laatste is het graf van
Amenhotep II van de XVIII^{ste} dynastie. Het is een compilatie door de
theologen uit dat tijdperk, een poging om verschillende duidelijke
denkbeelden over de andere wereld en het leven hiernamaals tot een
samenhangend geheel te vereenigen. Het vierde en vijfde gebied van de
Duat is klaarblijkelijk een koninkrijk, bestuurd door den god Sokar, den
Memphischen doodengod. Daar Memphis een zeer belangrijk godsdienstig
centrum is, moest zijn doodengod en zijn koninkrijk opgenomen worden in
de Duat van Ra, ten spijt van het feit, dat het een waterlooze woestijn
was en dat het eindigde met de Morgenster. Het was een gebied, geheel
verschillend van elk ander koninkrijk van het hiernamaals; geen rivier
stroomde er door; het werd noch door goden, noch door geesten bewoond,
doch door verbazend groote en afschuwelijke reptielen. Het vernuft van
de schrijvers van dit Boek om de Boot van Ra in een slang te veranderen,
die het zonder de rivier kon doen en over het zand kon glijden, is zeker
merkwaardig.
Er verschijnt ook nog een Morgenster in het tiende uur en de morgenbries
schijnt door de godinnen in het elfde uur gevoeld te worden, want zij
heffen haar handen op om haar gezichten er mee te bedekken.
Budge (Egyptian Heaven and Hell) spreekt er ook van, dat de Egyptenaren
de roode morgenwolkjes beschouwden als zijnde gekleurd door de
weerkaatsing van de vuurpoelen.
Deze aanduidingen van het feit, dat de morgen op de verkeerde plaats
verscheen, geven duidelijk te kennen, dat het boek een meer of minder
onhandige compilatie is. Het eerste uur schijnt er bijgevoegd te zijn
ten einde een goed begin te krijgen aan het verhaal. In het laatste uur
worden klaarblijkelijk tevens verschillende opvattingen vereenigd. Het
meest oude denkbeeld met betrekking tot den zonsopgang was, dat de Zon
elken morgen opnieuw geboren werd uit de Hemelgodin Nut. Deze theorie
past niet bij het dogma van de nachtelijke reis van de Zon door de
Andere Wereld in een Boot; daarom wordt het laatste uur voorgesteld als
een donkere en pijnlijke tocht, die de schoot van de godin symboliseert.
De geboorte van de Zon was de meest belangrijke gebeurtenis van den dag
voor zijn aanbidders; bijgevolg wordt het verhaal van het laatste uur
dikwijls gevonden op papyrussen, die begraven zijn in de graven.
Men veronderstelde algemeen, dat de Duat of Andere Wereld het gebied
was, dat lag ten noorden van Egypte: de delta voor de Egyptenaren van
het Zuiden, de Middellandsche Zee en zijn eilanden voor het delta-volk.
De Egyptenaren hadden een afkorting of verkorte inhoud van dit lange
verhaal van Ra's nachtelijke reis. Zij werd altijd beschreven op papyrus
in vertikale kolommen, waarin alle tooneelen en lange toespraken
weggelaten waren.
Zij geeft den naam van elke poort en elk gebied en van de goden van
ieder uur; soms, ofschoon niet altijd, de namen van de goden, die in de
verschillende gebieden wonen; en altijd de tooverwoorden, die Ra spreekt
tot de bewoners van elk land. Gelukkige uitkomsten hier en hiernamaals
worden er beloofd aan allen, die de woorden en voorstellingen door en
door kennen.
Het loflied aan Ra is een paraphrase van lofliederen, die nu nog
bestaan.
LIJST VAN DE NAMEN DER GODEN.
Abtu-visch. Een mythologische visch, die de Boot van Ra bij zonsopgang
vergezelt.
Ament. Het mythische dier, dat de harten der boozen verslindt bij het
Oordeel van Osiris.
Amon. God van Thebe. Gedurende en na de XVIII^{ste} dynastie werd hij de
opperste godheid van Egypte onder den naam van Amon-Ra.
Ant-visch. Een mythologische visch, die de Boot van Ra vergezelt bij
zonsopgang.