in leven was en zij kwamen weer bij elkaar en hun booten vulden het
kanaal. De Boot van Ra voer naar hen toe en boven de Boot scheen de
glans van den gevleugelden Discus. Toen Horus de vijanden verzameld zag
op één plaats, viel hij hen aan, dreef hen op de vlucht en doodde hen in
grooten getale.
Dit nu is de vierde ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote
slag werd nog niet geleverd.
Toen bleef Horus van Edfu zes dagen en zes nachten op het kanaal in de
boot van Ra en zag uit naar de vijanden, maar hij zag hen niet, want zij
lagen als lijken in het water.
En tot op den huidigen dag verrichten de menschen ceremoniën ter
herinnering aan de Slagen van Horus op den eersten dag van de eerste
maand van de overstrooming, op den zevenden dag van de eerste maand van
de verschijning der aarde na de overstrooming en op den
een-en-twintigsten en vier-en-twintigsten dag van de tweede maand van de
verschijning van de aarde. Deze dagen worden heilig gehouden te Ast-abt,
dat ten zuiden van Anrudef ligt, waar een van de graven van Osiris is.
En Isis sprak een tooverban uit rondom Anrudef, opdat geen vijand in de
nabijheid zou komen; en de priesteres van Anrudef wordt ter herinnering
genoemd: "De Vrouwe van de Betoovering"; en de wateren worden genoemd:
"De Wateren van het Zoeken," want daar zoekt Horus naar zijn vijand.
En Horus zond zijn Volgelingen uit en zij achtervolgden den vijand en
brachten gevangenen mede, honderd zes uit het Oosten en honderd zes uit
het Westen. Deze doodden zij in tegenwoordigheid van Ra op de heilige
plaatsen.
Toen gaf Ra aan Horus en zijn strijders twee steden, die tot nu toe de
Mesen-steden genoemd worden, want de Volgelingen van Horus zijn
Mesentiers, de Metaalwerkers.
In de tempels van de Mesen-steden heeft men Horus als God en zijn
geheime plechtigheden worden vier keer per jaar gehouden. Groot en
heilig zijn deze dagen in de Mesen-steden, want zij zijn een herinnering
aan de Gevechten van Horus, die hij voerde tegen Set, den moordenaar van
Osiris.
Nu verzamelden deze vijanden zich weer in het Oosten en zij reisden naar
Tharu. Toen werd de Boot van Ra te water gelaten om hen te achtervolgen
en Horus van Edfu veranderde zich in de gedaante van een leeuw met het
gezicht van een man; zijn armen waren als van steen en op zijn hoofd
droeg hij de Atefkroon, welke is de witte diadeem van het Zuidelijke
Land, versierd met veeren en horens en aan weerszijden een gekroonde
slang. En hij snelde zijn vijanden achterna en versloeg hen en voerde
honderd-twee-en-veertig gevangenen mede.
Toen zeide Ra tot Horus van Edfu: "Laten wij noordwaarts reizen naar de
Groote Groene Wateren en den vijand daar vernietigen, zooals wij hem in
Egypte vernietigd hebben."
Noordwaarts trokken zij nu en de vijand vluchtte voor hen en zij
bereikten de Groote Groene Wateren, waar de golven braken op het strand
met het geluid van den donder. Toen stond Thot op en hij stond midden in
de Boot en hij zong vreemde woorden over de booten en barken van Horus
en zijn Volgelingen en de zee werd kalm, toen het geluid van de woorden
over haar golven klonk. En er heerschte stilte over de Groote Groene
Wateren, want de wind was gaan liggen en niets was in zicht dan de
booten van Ra en van Horus. Toen sprak Koning Ra: "Laten wij rondom de
geheele uitgestrektheid van het land zeilen, laten wij naar het
Zuidelijke Land zeilen," En zij wisten, dat Ra den vijand bespeurde. Zij
haastten zich en zeilden bij nacht naar het Zuidelijk Land, naar het
land Ta-kens en zij kwamen aan de stad Shaïs, maar voordat zij Shaïs
bereikten, zagen zij niets van den vijand. Shaïs nu, ligt aan de grens
van Nubië en in Nubië lagen de wachtposten van den vijand. Toen
veranderde Horus van Edfu zich in een grooten gevleugelden Discus met
uitgespreide schitterende vleugels en naast hem kwamen de godinnen
Nekhbet en Uazet en haar gedaante was de gedaante van groote gekroonde
slangen; op het hoofd van Nekhbet prijkte de witte kroon van het
Zuidelijke Land, op het hoofd van Uazet rustte de roode kroon van het
Noordelijke Land.
En de Goden in de Boot van Ra riepen luid en zeiden: "Zie, o Gij, die de
tweemaal groote zijt, hij heeft zich tusschen de twee godinnen
geplaatst. Zie, hoe hij zijn tegenstanders overvalt en hen vernietigt".
Dit nu is de ontmoeting in Nubië, maar de laatste groote slag had nog
niet plaats.
Toen kwam Ra in zijn Boot en hij legde aan te Thest-Hor en gaf bevel,
dat de menschen in iederen tempel van de Twee Landen den Gevleugelden
Discus zouden uithouwen en rechts en links van den Discus zouden Nekhbet
en Uazet zich bevinden als groote gekamde slangen, met kronen op de
hoofden. En de tempel op de punt van Thest-Hor wordt ter herinnering tot
op dezen dag "Het Huis van Horus in het Zuiden" genoemd, en een groot
offer is daar gebracht aan Ra en Horus. En Ra gaf aan Horus de provincie
van "Het Huis van het Gevecht" en Ast-Abt en de Mesen-steden in het
Oosten en het Westen en Edfu in het Noorden en Tharu en Ganti en de "Zee
van het Zeilen" en Opper Shasu en Edfu-van-het-Huis-van-Ra.
En van het meer ten zuiden van Edfu-van-het-Huis-van-Ra brengt men water
naar de twee Huizen van den Koning op den dag van het Set-feest. En Isis
droeg Ar-steen van zand naar Thest-Hor. Ar-steen van de Ster was het; en
in elke plaats van het Zuidelijke Land, waar Horus naar toe ging, wordt
tot op dezen dag Ar-steen gevonden.
Sommigen nu zeggen, dat de laatste groote slag nog komen moet en dat
Horus Set eindelijk zal dooden en dat Osiris en al de Goden op aarde
zullen regeeren, als hun vijand vernietigd is. Naar anderen zeggen, dat
de strijd reeds geëindigd is en dat Horus den grooten en kwaadaardigen
Vijand doodde, die hun allen ellende en droefheid berokkend had.
En dit is het, wat zij zeggen: Na maanden en jaren groeide Horus het
Kind op tot een man. Toen kwam Set met zijn bondgenooten en hij daagde
Horus uit in tegenwoordigheid van Ra. En Horus verscheen en zijn
Volgelingen kwamen met hem mee in hun booten, in hun wapenrusting en met
hun blinkende wapens met gevesten van besneden hout en hun bogen en hun
speren.
En Isis maakte gouden versierselen voor den voorsteven van de boot van
Horus en zij bevestigde ze met tooverwoorden, zeggende: "Goud zit aan
den boeg van uw boot, de groote boot van Horus, de boot van de vreugde.
Moge de dapperheid van Ra, de kracht van Shu, de macht en de vrees met u
zijn. Gij zijt overwinnend, o zoon van Osiris, zoon van Isis, want gij
strijdt voor den troon van uw vader."
Toen nam Set de gedaante aan van een rood nijlpaard, groot en machtig,
en hij kwam uit het Zuidelijke Land met zijn bondgenooten, en reisde
naar het Noordelijke Land om Horus van Edfu te ontmoeten. En te
Elephantine stond Set op en sprak een erge vervloeking uit tegen Horus
van Edfu en tegen Isis en zeide: "Laat er een sterke wind komen, een
hevige noordenwind en een woedende storm"; en het geluid van zijn stem
was gelijk de donder in het Oosten van den hemel.
Zijn woorden werden geroepen aan den zuidelijken hemel, een woord en een
kreet van Set, den vijand van Osiris en van de Goden.
Plotseling brak er een storm los over de booten van Horus en zijn
Volgelingen; de wind bulderde en het water werd in groote golven
opgezwiept en de booten werden heen en weer geworpen als stroohalmen.
Maar Horus liet zich niet van den weg afbrengen; en door de duisternis
van den storm in het schuim van de golven schitterde de gouden
voorsteven als de stralen van de zon.
En Horus nam de gedaante aan van een jongen man, zijn lengte was acht
el; in zijn hand hield hij een harpoen; het ijzer was vier el, de steel
twintig el lang en een keten van zestig el was er aan bevestigd. Boven
zijn hoofd zwaaide hij het wapen, alsof het een riet was, en hij wierp
het naar het groote, roode nijlpaard, dat in de diepe wateren stond,
gereed om Horus en zijn Volgelingen te vernietigen, zoodra de storm hun
booten zou doen vergaan.
En bij den eersten worp drong het wapen diep in het hoofd van het
groote, roode nijlpaard en raakte de hersenen. Zoo stierf Set, de Booze,
de vijand van Osiris en van de Goden.
En tot op dezen dag zingen de priesters van Horus van Edfu en de
dochters van den Koning en de vrouwen van Busiris en de vrouwen van Pé
een loflied en slaan de trom voor den overwinnenden Horus.
En dit is hun zang: "Verheugt u, o vrouwen van Busiris! Verheugt u, o
vrouwen van Pé! Horus heeft zijn vijanden overwonnen!
"Juicht, bewoners van Edfu! Horus, de groote God, Heer van den hemel,
heeft den vijand van zijn vader gedood!
"Eet het vleesch van den overwonnene, drinkt zijn bloed, verbrandt zijn
gebeente in de vlammen van het vuur. Laat hem in stukken snijden, en
geeft zijn beenderen aan de katten, de stukken van zijn vleesch aan de
kruipende dieren.
"O Horus, de Dappere, de eerste der Goden, de Harpoenier, de Held, de
Prijsmaker van gevangenen, Horus van Edfu, Horus de Wreker!
"Hij heeft den Booze verslagen, hij heeft een poel gemaakt van het bloed
van zijn vijand, zijn pijl heeft een prooi gemaakt. Ziet, aanschouwt
Horus op den boeg van zijn boot. Gelijk Ra, schijnt hij aan den horizon.
Hij is getooid in groen linnen, in fijn linnen en zijde. De dubbele
diadeem rust op uw hoofd, de twee slangen op uw voorhoofd, o Horus, de
Wreker!
"Uw harpoen is van metaal, de steel is van den sycomore der woestijn,
het touw is gevlochten door Hathor van de Rozen. Gij hebt gemikt naar
rechts, gij hebt geworpen naar links. Wij prijzen u hemelhoog, want gij
hebt de boosheid van uwen vijand geketend. Wij prijzen u, wij aanbidden
uwe majesteit, o Horus van Edfu, Horus de Wreker!"
* * * * *
IX.
HET BIER VAN HELIOPOLIS.
Koning Ra regeerde over de Twee Landen. Hij was de tweede koning van
Egypte en onder zijn regeering was er vrede op aarde en de oogsten waren
zoo overvloedig, dat de menschen nu nog spreken van de goede dingen die
"er gebeurden ten tijde van Ra". Door zijn eigen macht schiep hij zich
zelf en hij schiep hemel en aarde, goden en menschen en regeerde over
hen allen.
Honderden en honderden jaren regeerde hij, totdat hij oud werd en de
menschen hem niet meer vreesden, maar lachten en zeiden: "Kijk Ra eens!
Hij is oud, zijn beenderen zijn als zilver, zijn vleesch als goud en
zijn haar als echte lapis lazuli."
Toen werd Ra toornig bij het hooren van hun gescherts en gelach en hij
riep tot hen, die in zijn gevolg waren: "Roep mijn dochter, mijn
oogappel, hierheen en ook de goden Sher en Tefnut, Geb en Nut en de
groote god Num, wiens woning in de wateren van de lucht is. Doe mijn
verzoek in het geheim, opdat de menschen u niet hooren en zien zullen,
want dan zouden ze bang worden en zich verbergen."
In stilte gingen de boodschappers heen, zeer zacht kwamen zij de goden
en godinnen oproepen. In het geheim en onhoorbaar kwamen de goden en
godinnen in het Huis van Ra op de Verborgen Plaats. Niets zagen of
hoorden de menschen, en zij lachten Ra weer uit, niet wetend, welke
straf hen treffen zou.
Aan weerszijden van den troon stelden de goden en godinnen zich op en
zij bogen voor Koning Ra ter aarde met hun voorhoofden den grond rakend,
zeggend: "Spreek, opdat wij u kunnen hooren."
Toen zei Ra tegen Num, den grooten God, wiens woning in de wateren van
de lucht is: "O, oudste van den goden en alle gij goden! ziet, hoe de
menschen, die ik geschapen heb, tegen mij spreken. Zeg mij, wat gij
zoudt willen, dat ik hen doen zou, want waarlijk ik wil hen niet dooden,
voordat ik uw woorden gehoord heb."
En Nun, de groote god, wiens woning in de wateren van de lucht is,
antwoordde: Mijn zoon Ra, grootste van de goden, machtigste der
koningen, uw troon is bevestigd, en de geheele wereld zal u vreezen,
wanneer gij uw dochter, uw oogappel, uitzendt tegen hen, die u
aanvallen."
Koning Ra sprak weer: "Zij zullen vluchten naar de woestijnen en de
bergen en zich verbergen, wanneer de vrees hun harten bevangt, omdat zij
geschertst en gelachen hebben, en in de woestijnen en bergen kan niemand
hen vinden."
Toen zeiden de goden en godinnen, terwijl zij hun voorhoofden tot aan
den grond bogen: "Zend uwe dochter, uw oogappel, uit tegen hen."
En plotseling kwam de dochter van Ra. Sekhmet wordt zij genoemd en
Hathor, de wreedste der godinnen; als eene leeuwin stort zij zich op
haar prooi, moorden is haar een genot en zij dorst naar bloed.
Op verzoek van haar vader begaf zij zich naar de Twee Landen om allen te
dooden, die zich hadden verzet tegen Koning Ra en die hun verzet hadden
omgezet in gescherts en gelach. In het land Ta-mery doodde zij hen en op
de bergen, die liggen ten oosten en ten westen van de groote rivier. Van
links naar rechts wendde zij zich, allen doodend, die zij op haar weg
ontmoette en voor haar uit vluchtten de rebellen, die tegen Ra waren
opgestaan.
En Ra zag neer op de aarde en riep tot zijn dochter, zijn oogappel: "Kom
in vrede, o Hathor. Hebt gij gedaan, wat ik u te doen heb gegeven? En
Hathor lachte, toen zij antwoordde, en haar lach was de vreeselijke stem
van de leeuwin, als zij haar prooi verscheurt. "Bij uw leven, o Ra,"
riep zij, "ik doe met de menschen, wat ik wil en mijn hart is verheugd
in mij."
Verscheiden nachten zag de rivier rood en de godin waadde in
menschenbloed en haar voeten waren rood, toen zij door het land Egypte
schreed tot Henen-seten.
Toen zag Ra weer neer op de aarde en zijn hart werd vervuld van
medelijden met de menschen, ofschoon zij tegen hem waren opgestaan. Maar
niemand kon de wreede godin doen ophouden, zelfs Koning Ra niet; uit
zich zelfs moest zij ophouden te dooden, want goden noch menschen konden
haar dwingen. Door slimheid alleen kon dit verkregen worden.
Ra gaf bevel, zeggende: "Roep boodschappers tot mij, die snel zijn als
de stormwind." En toen zij gekomen waren, zeide hij: "Loop naar
Elephantine, haast u, ga snel en breng voor mij de vrucht mede, die
slaapwekkend is. Wees vlug, wees vlug, want dit alles moet volbracht
zijn, voordat de morgen daagt".
De boodschappers haastten zich en hun spoed was gelijk aan den
stormwind. Zij kwamen te Elephantine, waar de groote rivier bruist over
de rotsen, die haar weg versperren; zij namen de slaapwekkende vrucht en
met de snelheid van den wind brachten zij ze aan Ra. Vuurrood en
scharlakenrood was de vrucht en het sap was rood als menschenbloed; en
de boodschappers brachten ze naar Heliopolis, de stad van Ra. Toen
stampten de vrouwen van Heliopolis gerst en maakten bier en zij
vermengden het sap van de slaapwekkende vrucht met het bier en het bier
kreeg de kleur van het bloed. Zeven duizend maten bier maakten zij en
zij brouwden het haastig, want de nacht was bijna voorbij en de dag was
op het punt aan te breken. In allerijl kwamen Koning Ra en al de goden
en godinnen, die bij hem waren te Heliopolis om het bier te keuren. Ra
zag, dat het er uitzag als menschenbloed en hij zeide: "Dit bier is zeer
goed. Hiermede kan ik het menschdom beschermen".
Bij het krieken van den dag gaf hij dit bevel: "Breng dit bier naar de
plaats, waar mannen en vrouwen gedood zijn, en stort het uit over de
velden, voordat de schoonheid van de nacht voorbij is". Zoo stortten zij
het uit over de velden. Vier palm hoog stond het op den grond en zijn
kleur was de kleur van bloed.
's Morgens kwam de wilde Sekhmet, gereed om te dooden en voortgaande
keek ze hier en daar rond, uitziende naar een prooi. Maar geen levend
wezen zag zij, alleen die velden, die vier palm diep lagen onder het
bier, dat de kleur had van bloed. Toen lachte zij met den lach, die
gelijk was aan het gebrul van een leeuwin, want zij dacht, dat dit het
bloed was, dat zij vergoten had. En zij bukte zich en dronk. Weer en
weer dronk zij en zij lachte harder, want het sap van de slaapwekkende
vrucht steeg naar haar hersenen en zij kon niet meer zien te dooden door
het sap van de vrucht.
Toen zei Koning Ra tot haar: "Kom in vrede, o lieveling." En tot nu toe
worden de meisjes van Amu ter herinnering Lievelingen genoemd.
En Koning Ra sprak weer tot de godin, zeggend: "Voor u zal een drank
klaar gemaakt worden van de slaapwekkende vruchten; ieder jaar zal deze
gemaakt worden ter gelegenheid van het groote Nieuwjaarsfeest en de
hoeveelheid zal afhangen van het aantal priesteressen, die mij dienen."
En tot den huidigen dag worden er op het feest van Hathor dranken
gemaakt van de slaapwekkende vruchten, naar verhouding van het aantal
priesteressen van Ra ter herinnering aan de bescherming der menschen
voor de woede van de godin.
X.
DE NAAM VAN RA.
Koning Ra was de schepper van hemel en aarde, van de goden, de menschen,
het vee, het vuur en den levensadem, en hij regeerde de goden en de
menschen.
En Isis zag zijn macht, de macht die zich uitstrekte over hemel en
aarde, voor welke alle goden en menschen bogen; en zij verlangde in haar
hart naar de macht, opdat zij daardoor grooter zou zijn dan de goden en
heerschappij zou hebben over de menschen.
Er was slechts één weg om die macht te verkrijgen. Door de kennis van
zijn eigen naam regeerde Ra en niemand dan hij zelf kende dien geheimen
naam. Wie het geheim zou te weten komen, dien zou - god of mensch - de
heerschappij over de geheele wereld toebehooren en zelfs Ra moest hem
dan onderdanig zijn. Angstig bewaarde Ra zijn geheim en hield het altijd
opgesloten in zijn borst, opdat het niet van hem genomen zou worden en
zijn macht verminderen zou.
Iederen morgen kwam Ra in al zijn glorie aan het hoofd van zijn stoet te
voorschijn aan den oostelijken horizon, langs het luchtruim trekkend, en
's avonds bereikten zij den westelijken horizon en Koning Ra zonk neer
om de diepe duisternis van de Duat te verlichten. Vele, vele malen had
Ra die reis volbracht, zoo vele malen, dat hij nu oud werd. Zeer oud was
Ra en het speeksel liep neer uit zijn mond en viel op de aarde.
Toen nam Isis aarde en vermengde die met het speeksel en zij kneedde de
klei en vormde ze en maakte er de gedaante van van een slang, de
gedaante van de groote gekamde slang, die het zinnebeeld is van al de
godinnen, de koninklijke slang, die op het voorhoofd van de Egyptische
Koningen prijkt. Geen toovermiddelen, noch bezweringen gebruikte zij,
want in de slang bevond zich de goddelijke stof van Ra zelf. Zij nam de
slang en verborg haar op het pad van Ra, den weg waarlangs hij reisde,
als hij trok van den oostelijken naar den westelijken horizon van den
hemel.
's Morgens verscheen Ra met zijn gevolg in al zijn glorie, trekkend naar
den westelijken horizon, waar zij de Duat binnengaan en de diepe
duisternis verlichten. En de slang stak haar puntig hoofd omhoog en haar
giftanden drongen in het vleesch van Ra en het vuur van naar vergif
drong door in den God, want de goddelijke stof was in de slang.
Ra schreeuwde luid en zijn kreet weergalmde langs den hemel van den
oostelijken tot den westelijken horizon; over de aarde klonk hij en
goden en menschen hoorden den kreet van Ra. En de goden, die deel
uitmaakten van zijn gevolg, zeiden tot hem: "Wat scheelt u? Wat scheelt
u?"
Maar Ra antwoordde geen woord, hij beefde over al zijn ledematen, zijn
tanden klapperden en niets zeide hij, want het vergif verspreidde zich
door zijn lichaam, zooals Hapi zich verspreidt over het land, wanneer de
wateren buiten haar oevers treden bij de overstrooming van de rivier.
Toen hij gekalmeerd was, riep hij tot hen, die hem volgden, en sprak:
"Komt tot mij, gij, die ik geschapen heb. Ik ben gekwetst door een
smartelijk iets. Ik voel het, hoewel ik het niet zie; ook is het geen
maaksel van mijn handen en ik weet niet, wie het gemaakt heeft. Nooit,
nooit heb ik een pijn gevoeld als deze; nooit, nooit is mij een ergere
beleediging aangedaan dan deze. Wie kan mij kwetsen? Want niemand kent
mijn geheimen naam, den naam, die gesproken werd door mijn vader en mijn
moeder en die in mij verborgen is, opdat niemand mij zou kunnen
betooveren. Ik ging uit om neer te zien op de aarde, die ik gemaakt heb,
ik bevond mij boven de Twee Landen, toen iets - ik weet niet wat - mij
trof. Is het vuur? Is het water? Ik brand, ik huiver, ik beef over mijn
geheele lichaam. Roep tot mij de kinderen van de goden, hen, die bekwaam
zijn in de geneeskunst, hen, die kennis hebben van de tooverkunst, hen,
wier macht tot aan den hemel reikt."
Toen barstten al de goden uit in geween en geklaag en gejammer; hun
macht baatte niet jegens de slang, want in haar was de goddelijke stof
belichaamd. Met hen kwam Isis de Geneeskrachtige, de Meesteres van de
Tooverkunst, in wier mond de Levensadem is, wier woorden ziekten
verdrijven en de dooden doen ontwaken.
Zij sprak tot Koning Ra en zeide: "Wat is er, o goddelijke Vader? Wat is
er? Heeft een slang u pijn berokkend? Heeft een schepsel van uw hand
zijn hoofd tegen u opgestoken? Zie, het zal overwonnen worden door de
macht van mijn tooverkunst; ik wil het uitdrijven door middel van uw
glorie."
Toen antwoordde Koning Ra: "Ik legde den vastgestelden weg af, ik trok
door de Twee Landen, toen een slang, die ik niet zag, mij met zijn
giftanden trof. Was het vuur? Was het water? Ik ben kouder dan water, ik
ben warmer dan vuur, ik beef over al mijn ledematen en het zweet loopt
langs mijn gezicht, zooals het doet langs de gezichten der menschen in
de blakende hitte van den zomer."
En Isis sprak weer en haar stem was zacht en sussend: "Zeg mij uw Naam,
o goddelijke Vader, uw waren Naam, uw geheimen Naam, want hij alleen kan
leven, die bij zijn naam genoemd wordt."
Toen antwoordde Koning Ra: "Ik ben de Maker van hemel en aarde, ik ben
de Grondvester van de bergen, ik ben de Schepper van de wateren, ik ben
het Licht en ik ben de Duisternis, ik ben de Maker van de Uren, de
Schepper van de Dagen, ik ben de Voorganger bij de Feesten, ik ben de
Oorsprong van de stroomende rivieren, ik ben de Schepper van het levend
vuur. 's Morgens ben ik Khepera, 's middags Ra en 's avonds Atmu."
Maar Isis hield zich stil: geen woord sprak zij, want zij wist, dat Ra
haar de namen gezegd had, die iedereen kende; zijn ware Naam, zijn
geheime Naam was nog in zijn borst verborgen. En de kracht van het
vergif vermeerderde en verspreidde zich door zijn aderen als brandend
vuur.
Na een oogenblik stilte sprak zij weer: "Uw Naam, uw ware Naam, uw
geheime Naam was niet onder deze. Zeg mij uw Naam, opdat het vergif
uitgedreven kan worden, want slechts hij, wiens naam ik ken, kan genezen
worden door de macht van mijn tooverkunst."
En de kracht van het vergif vermeerderde en de pijn was als de pijn van
levend vuur.
Toen riep Koning Ra luid en zeide: "Laat Isis bij mij komen en laat mijn
Naam overgaan van mijn borst naar haar borst."
En hij verborg zich voor de goden, die in zijn gevolg waren. Ledig was
de Boot van de Zon, ledig was de groote troon van den God, want Ra had
zich verborgen voor zijn Volgelingen en voor de maaksels van zijn
handen.
Toen de Naam uit het hart van Ra kwam om over te gaan naar het hart van
Isis, sprak de godin tot Ra en zeide: "Verbind u zelf met een eed, o Ra,
dat ge uw beide oogen zult geven aan Horus."
De twee oogen van Ra nu zijn de zon en de maan, en de menschen noemen ze
tot op dezen dag de Oogen van Horus.
Zoo werd de naam van Ra hem ontnomen en aan Isis gegeven en zij, de
groote Toovenares, riep luide het Machtswoord en het vergif gehoorzaamde
en Ra was genezen door de macht van zijn Naam. En Isis, de Groote, de
Meesteres van de Goden, de Meesteres van de tooverkunst, zij is de
bekwame Genezende, in haar mond is de Adem des Levens, door haar woorden
verdrijft zij de pijn en door haar macht doet zij de dooden ontwaken.
XI.
DE STREKEN, WAAR NACHT EN DIEPE DUISTERNIS HEERSCHEN.