Iederen dag verbaasde Koningin Athenaïs zich over haar zoon. Van een

klein, schreiend kind werd hij een sterke en gezonde jongen, maar Isis

sprak geen woord en niemand wist, wat zij deed. Athenaïs ondervroeg haar

maagden en zij antwoordden: "Wij weten niet, wat zij doet, maar dit

weten wij, dat zij hem voedt en 's nachts grendelt zij de deuren toe van

de zaal, waar de zuil staat, en stapelt houtblokken op het vuur en

wanneer wij luisteren, kunnen wij niets hooren, dan het gesjilp van een

zwaluw."

Athenaïs was vol nieuwsgierigheid en verborg zich 's nachts in de groote

zaal en keek toe, hoe Isis de deuren grendelde en de houtblokken op het

vuur stapelde, totdat de vlammen hoog oplaaiden. Toen maakte zij, voor

het vuur zittend, een open ruimte tusschen de vlammende houtblokken, een

open ruimte, die gloeiend rood was en in die ruimte legde zij het kind

en zich in een zwaluw veranderend, vloog zij om de zuil, treurend en

klagend, en het geklaag was als het gesjilp van een zwaluw. Koningin

Athenaïs uitte een kreet en greep het kind uit het vuur en keerde zich

om, om te vluchten. Maar vóór haar stond Isis, de Godin, groot en

verschrikkelijk.

"O dwaze moeder!" sprak Isis. "Waarom greept gij het kind? Slechts een

paar dagen nog en alles, wat sterfelijk was in hem, zou verteerd zijn

door het vuur en hij zou geweest zijn gelijk de Goden, onsterfelijk en

eeuwig jong".

Een diepe eerbied beving de Koningin, want zij wist, dat zij een van de

goden aanschouwde. Zoo nederig mogelijk smeekten zij en Koning Malkander

de Godin, een geschenk aan te nemen. Al de rijkdommen van Byblos werden

voor haar uitgespreid, maar zij waren haar onverschillig.

"Geeft mij", zeide zij, "wat deze zuil bevat en ik zal tevreden zijn".

Dadelijk werden werklieden ontboden, ze haalden de zuil omver, hieuwen

ze open en lichten de kist er uit. En Isis nam welriekende specerijen en

geurende bloesems, deze strooide ze over de zuil, wikkelde ze toen in

fijn linnen en gaf ze aan den Koning en de Koningin. En alle menschen

uit Byblos aanbidden ze tot op dezen dag, omdat ze eens het lichaam van

een God bevatte.

Maar Isis nam de kist mede op een boot en zeilde weg van Byblos en toen

de golven van de rivier Phaedrus, opgezeept door den wind, de kist

dreigden weg te spoelen, deed zij het water opdroogen door haar

tooverspreuken. Toen, op een eenzame plaats, opende zij de kist en het

gezicht van den dooden God aanschouwend, treurde en klaagde zij.

Nu zeggen sommigen, dat, toen Isis Byblos verliet, ze Diktys medenam en

dat hij uit de boot viel en verdronk. Anderen zeggen, dat haar

geweeklaag zoo vreeselijk klonk in zijn bittere smart, dat zijn hart

brak en hij stierf. Maar ik denk, dat hij in Byblos bleef, en omdat hij

gelegen had in de armen der Goddelijke Moeder en door het reinigend vuur

was gegaan, groeide hij op tot een groot en edel Koning, die zijn volk

met wijsheid regeerde.

Toen verborg Isis de kist en reisde naar de stad Pé, op het drijvende

eiland, waar haar zoontje Harpocrates veilig was onder de hoede van

Uazet, de Godin van het Noordelijke Land. En terwijl zij weg was, kwam

Set om op wilde beren te jagen met zijn honden. Hij joeg bij maanlicht,

want hij hield van den nacht, wanneer alle slechte demonen te voorschijn

komen; en de lucht was vervuld met het geschreeuw en het hallo der

jagers en het geblaf der honden, die hun prooi achterna joegen. En toen

Set voorbijrende, zag hij de geschilderde kist, waarvan de kleuren

glinsterden en schitterden in den maneschijn. Op dat gezicht kwamen haat

en toorn over hem gelijk een roode wolk en hij raasde als een panter uit

het Zuiden. Hij sleepte de kist van de plaats, waar zij verborgen was,

en brak ze open; hij greep het lichaam en scheurde het in veertien

stukken en door zijn machtige en goddelijke kracht strooide hij de

stukken door het land Egypte. En hij lachte en zeide: "Het is niet

mogelijk het lichaam van een God te vernietigen, maar ik heb het

onmogelijke gedaan: ik heb Osiris vernietigd". En zijn gelach weerklonk

door de wereld en zij, die het hoorden, vluchtten en beefden.

Toen Isis terugkeerde, vond zij niets dan de vernielde kist en wist, dat

Set dat gedaan had. Haar zoeken moest nu weer opnieuw beginnen. Zij nam

een kleine sloep, gemaakt van papyrusstengels, die samengevoegd waren,

en zeilde door de moerassen, om de stukken van Osiris' lichaam te

zoeken, en al de vogels en dieren gingen met haar om haar te helpen; en

tot op den huidigen dag zullen de krokodillen geen boot aanraken van

papyrusstengels, want zij denken, dat het de moede Godin is, die nog

altijd aan het zoeken is.

Machtig en listig was haar vijand en alleen door beleid kon hij

overwonnen worden; daarom bouwde zij, overal waar zij een deel van het

goddelijke lichaam vond, een prachtig grafmonument en vervulde de

begrafenisplechtigheden, alsof zij het lijk daar had begraven. Maar in

werkelijkheid nam zij de stukken mede, en toen zij na lange omzwervingen

ze alle gevonden had, vereenigde zij ze alle weer tot één lichaam door

de groote kracht van haar tooverkunst.

Want, wanneer Horus het Kind opgegroeid zou zijn tot een man, dan zou

hij vechten met Set en zijn vader wreken; en nadat hij de overwinning

zou behaald hebben, zou Osiris weer levend worden. Maar tot op dien dag

zal Osiris in de Duat wonen, waar hij de Dooden even wijs en edel

regeert als hij het de levenden deed, toen hij nog op aarde was. Want,

ofschoon Horus met Set strijdt en de gevechten hevig woeden, is er nog

geen beslissende overwinning behaald en is Osiris nimmer op aarde

teruggekeerd.

* * * * *

VI.

DE SCHORPIOENEN VAN ISIS.

Ik ben Isis, de groote Godin, de Meesteres van de Magica, de Zegster der

tooverspreuken.

Ik kwam uit mijn huis, dat mijn broeder Set mij gegeven had, want Thot,

de tweemaal groote, die machtig in de waarheid is op aarde en in den

hemel. Hij riep en ik kwam te voorschijn, toen Ra in volle glorie naar

den westelijken horizon daalde en het avond werd.

En met mij kwamen de zeven schorpioenen en hun namen waren Tefen en

Befen, Mestet en Mestetef, Petet, Thetet en Matet. Achter mij stonden

Tefen en Befen; aan weerszijden bevonden zich Mestet en Mestetef; vóór

mij waren Petet, Thetet en Matet, om den weg vrij te maken, opdat

niemand mij zou belemmeren of hinderen. Ik riep luid tot de schorpioenen

en mijn woorden klonken door de lucht en drongen in hun ooren: "Hoedt u

voor den Zwarte, roep den Roode niet, kijk noch naar kinderen, noch naar

eenig klein hulpeloos schepsel."

Toen trok ik door het land van Egypte, Tefen en Befen achter mij, Mestet

en Mestetef aan weerszijden van mij, Petet, Thetet en Matet vóór mij; en

wij kwamen te Per-sui, waar de krokodil God is en in de Stad van de Twee

Sandalen, die de stad is der Tweeling-Godinnen. Hier beginnen de poelen

en moerassen van het Noordelijke Land, waar velden met papyrusriet zijn

en waar de moerasbewoners huizen; van hier tot aan de Groote Groene

Wateren strekt zich het Noordelijke Land uit.

Toen kwamen wij bij huizen, waarin de moerasbewoners woonden en de naam

van een der vrouwen was "Roem", ofschoon sommigen haar ook "Kracht"

noemden. Zij stond voor haar deur en van ver zag zij mij aankomen, moe

en afgemat als ik was, en ik zou gaarne hebben willen nederzitten in

haar huis om te rusten. Maar toen ik op het punt was tot haar te

spreken, sloot zij de deur dicht, want zij was bang voor de zeven

schorpioenen, die mij vergezelden.

Ik trok verder en een der vrouwen opende haar deur voor mij en in haar

huis rustte ik. Maar Mesten en Mestetef, Petet, Thetet en Matet en ook

Befen kwamen bij elkaar en legden hun vergif op den angel van Tefen; zoo

had de angel van Tefen zevenvoudige kracht. Toen keerde Tefen terug naar

het huis van vrouw "Roem", die haar deur voor mij gesloten had; de deur

was nog gesloten, maar tusschen de deur en den drempel was een nauwe

opening. Door deze nauwe opening kroop Tefen en drong het huis binnen en

stak met een angel van zevenvoudige kracht den zoon van vrouw "Roem".

Zoo sterk en brandend was het vergif, dat het kind stierf en er brand

uitbrak in het huis.

Toen riep en klaagde vrouw "Roem", maar niemand luisterde naar haar en

de Hemel zelf zond water op haar huis. Een groot wonder was dit water

van den Hemel, want de tijd voor de overstroomingen was er nog niet.

Zoo schreide en klaagde zij en haar hart was vol verdriet, toen zij zich

herinnerde hoe zij voor mij de deur had dicht gedaan, terwijl ik, moede

en afgemat als ik was, had willen rusten in haar huis. En haar

klaagtonen drongen in mijn ooren en mijn hart zwol op van verdriet over

haar verdriet en ik keerde terug en ging met haar naar de plaats, waar

het doode kind lag.

En ik, Isis, de Meesteres van de tooverkunst, wier stem de dooden kan

doen ontwaken, ik riep luid de Woorden, die Macht hebben, de Woorden,

die zelfs de dooden kunnen hooren. En ik legde mijn handen op het kind,

opdat ik het Leven mocht terugroepen in het levenlooze. Koud en stil lag

het neder, want het zevenvoudig vergif van Tefen was in hem. Toen sprak

ik tooverspreuken tot het vergif van de schorpioenen, zeggende: "O

vergif van Tefen, verlaat hem en val op den grond! Vergif van Befen, ga

niet voort, dring niet verder door, verlaat hem en val op den grond!

Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Zegster van tooverspreuken.

Val neer, o vergif van Mestet! Haast u niet, vergif van Petet en Thetet!

Nader niet, vergif van Matef. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de

Zegster van tooverspreuken. Het kind zal leven, het vergif zal sterven!

Zooals Horus sterk en gezond is voor mij, zijn moeder, zoo zal dit kind

sterk en gezond zijn voor zijn moeder!" Toen werd het kind beter en het

vuur werd gebluscht en de regen hield op. En vrouw "Roem" bracht al haar

rijkdom, haar armbanden en haar halssieraden, haar goud- en zilverwerk

naar het huis van de moeras-vrouw en legde ze neer aan mijn voeten als

teeken van berouw, dat ze de deur voor mij gesloten had, toen ik, moede

en afgemat, aan haar huis gekomen was.

En tot op den huidigen dag maken de menschen deeg van weitenmeel,

vermengd met zout, en leggen het op de wonde, die veroorzaakt is door

den steek van een schorpioen, en dan zeggen zij de Tooverwoorden op, die

ik uitsprak over het kind van vrouw Roem, toen het zevenvoudige vergif

in hem was. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Meesteres van de

tooverkunst, de Zegster der tooverspreuken.

* * * * *

VII.

HET ZWARTE ZWIJN.

De reden, waarom de stad Pé aan Horus gegeven werd, weet ik en zal ik u

vertellen.

Er bestaat tusschen Horus en Set vijandschap en haat, oorlog en strijd.

Altijd duurt de strijd voort en de strijders gaan woedend te keer en de

overwinning is nog door geen van beiden behaald, hoewel de Goden met

Horus zijn.

Set is listig en sluw en tracht meer door slimheid dan door moed en

ervarenheid in den strijd te overwinnen, en verder bezit hij de macht

een willekeurige gedaante aan te nemen, zoodat hij zoowel de menschen

als de Goden misleiden kan. Deze macht bezit Set, maar de macht van

Horus is niet dezelfde; want de rechtschapenheid en de waarheid zijn

eigenschappen van Horus; bedrog en valschheid worden bij hem niet

gevonden. Wie in de blauwe oogen van Horus kijkt, kan daarin de toekomst

weerspiegeld zien en zoowel de Goden als de menschen zoeken Horus op om

te vernemen, wat de toekomst zal brengen.

Set kwam te weten, dat Ra Horus raadplegen wilde en hem dunkte, dat dit

een goede gelegenheid was Horus kwaad te doen, indien hij de gedaante

aannam van een Zwart Zwijn.

Woest was zijn voorkomen, lang en scherp zijn slagtanden en zijn kleur

was zwart als een onweerswolk; wild en kwaadaardig was zijn blik en

vervulde de harten der menschen met vrees.

Toen kwam Koning Ra tot Horus en sprak tot hem, zeggende: "Laat mij in

uw oogen zien en aanschouwen, wat er gebeuren zal." En hij keek in de

oogen van Horus en hun kleur was die van de Groote Groene Wateren,

wanneer de zonnelucht er zich in weerspiegelt. En terwijl hij keek, ging

het Zwarte Zwijn voorbij. Ra wist niet, dat het de Booze God was en hij

riep tot Horus: "Kijk eens naar dat Zwarte Zwijn! Nooit heb ik zoo'n

groot en woest beest gezien".

En Horus keek: ook hij kende Set niet in deze vreemde gedaante en dacht,

dat het een wilde beer was uit de bosschen van het Noordelijke Land. Hij

was dus niet meer op zijn hoede en weerloos tegen zijn vijand.

Toen wierp Set een vuurstraal in het oog van Horus en Horus schreeuwde

luid van de pijn, die veroorzaakt werd door het vuur en kermde hevig en

riep: "Het is Set en hij heeft mij vuur in de oogen geworpen".

Maar Set was er niet meer, want hij had zich uit de voeten gemaakt en

het Zwarte Zwijn werd niet meer gezien. En Ra vervloekte het zwijn om

Set en zeide: "Laat het zwijn door Horus verafschuwd worden".

En tot op dezen dag offeren de menschen het zwijn, wanneer de Maan vol

is, omdat Set, de vijand van Horus en de moordenaar van Osiris, zijn

gedaante aannam om den blauwoogigen God kwaad te doen. En om deze reden

zijn ook de zwijnehoeders onrein in het land van Egypte; nooit mogen zij

de tempels betreden en aan de Goden offeren en hun zonen en dochters

mogen niet huwen met de aanbidders der Goden.

En toen de oogen van Horus genezen waren, gaf Ra hem de stad Pé en hij

gaf hem twee priester in de stad Pé en twee priesters in de stad Nekken

om bij hem te zijn als eeuwige rechters.

Toen was het hart van Horus blijde en hij verheugde zich en door de

blijdschap van Horus tooide de aarde zich met bloemen en onweerswolken

en regen kwamen niet voor.

* * * * *

VIII.

DE GEVECHTEN VAN HORUS.

Het was in het drie honderd drie-en-zestigste jaar na de regeering van

den God Ra-Horakhti op aarde, dat de groote oorlog tusschen Horus en Set

plaats greep.

Zijne Majesteit, God Ra, dien de menschen ook Ra-Horakhti noemen, was in

Nubië met zijn leger, een groote en ontelbare menigte soldaten,

voetknechten en ruiters, boogschutters en strijdwagens. Hij voer in zijn

Boot op de rivier; de boeg van de Boot was van palmhout, de achtersteven

was van acaciahout en hij landde te Thest-Hor, aan de oostzijde van de

Binnenwateren. En tot hem kwam Horus van Edfu, ook Harpoenier en Held

genaamd, zoekend naar dien Boosdoener Set, den moordenaar van Osiris.

Lang had hij gezocht, maar Set was hem steeds ontweken.

Koning Ra had zijn strijdmachten verzameld, want Set was tegen hem

opgestaan en Horus was blijde bij het denkbeeld van een strijd, want hij

hield meer van een uur vechten dan van een dag feestvieren. Hij kwam bij

Thot, den god van de tooverkunst, en Thot verleende hem de macht zich te

veranderen in een gevleugelden discus, een discus die gloeide als een

vuurbal, met groote vleugels aan weerszijden, die gekleurd waren als de

lucht bij zonsondergang, wanneer het blauw schakeert van donker tot

licht en doorschoten is met gouden gloed. De menschen trachten deze

tinten na te bootsen, wanneer zij den gevleugelden discus boven de

tempeldeuren snijden of er een borstversiersel van maken van goud,

ingelegd met turkoos en kornalijn en lazuli. Zoo zat Horus als een

groote gevleugelde discus op den voorsteven van de boot van Ra en zijn

heerlijkheid schitterde over de wateren en trof zijn vijanden, die in

hinderlaag lagen. Op zijn schitterende vleugelen verhief hij zich in de

lucht, en sprak tegen zijn listige vijanden een vervloeking uit, een

verschrikkelijke en vreesaanjagende vervloeking, zeggende: "Uw oogen

zullen blind zijn en gij zult niet zien; en uw ooren zullen doof zijn en

gij zult niet hooren."

En plotseling zag elke man, toen hij naar zijn buurman keek, een

vreemdeling, en toen hij zijn eigen bekende moedertaal hoorde, klonk het

als een vreemde taal en zij riepen, dat zij verraden waren en dat de

vijand zich onder hen bevond. Ze keerden hun wapens tegen elkander en in

een oogwenk hadden velen opgehouden te leven en de overigen waren

gevlucht, terwijl boven hen de glanzende Discus zweefde, die uitkeek

naar Set. Maar Set was in de moerassen van het Noordelijke Land en deze

behoorden slechts tot zijn voorhoede.

Toen spoedde Horus terug naar Ra en Ra omhelsde hem en gaf hem een dronk

wijn met water. En tot op dezen dag plengen de menschen op deze plaats

een offer van wijn en water voor Horus tot een aandenken. Toen Horus den

wijn gedronken had, sprak hij tot Koning Ra en zeide: "Kom en zie uwe

vijanden, hoe zij neerliggen in hun bloed." Ra kwam en met hem kwam

Astarte, de Meesteres der Paarden, haar vurige rossen mennend; en zij

zagen het met lijken bedekte veld, waar de soldaten van Set elkander

verslagen hadden.

Nu, dit is de eerste ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote

slag had nog niet plaats. Toen kwamen de bondgenooten van Set bij elkaar

en beraadslaagden en namen de gedaanten aan van krokodillen en

nijlpaarden, want deze groote dieren kunnen onder water leven en geen

menschelijk wapen kan hun huid doorsteken. Zij gingen de rivier op,

terwijl het water achter hen opzwiepte, en wierpen zich op de Boot van

Ra om ze te doen omslaan. Maar Horus had zijn afdeeling wapensmeden bij

elkaar geroepen en zij hadden bogen en speren vervaardigd van metaal,

dat zij eerst gesmolten en geweld, gehamerd en gevormd hadden, terwijl

er nog tooverspreuken over uitgesproken waren. Toen de woeste dieren de

rivier op kwamen in de golven van schuim, spanden de Volgelingen van

Horus hun boogpezen en lieten hun pijlen vliegen; zij wierpen hun

werpspiesen en deden een aanval met hun speren. En het metaal drong door

de huiden en trof de harten en van deze gevaarlijke dieren werden er

zeshonderd vijftig verslagen en de overigen namen de vlucht.

Dit nu is de tweede ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote

slag werd nog niet gestreden.

De bondgenooten van Set vluchtten, sommigen de rivier op en sommigen de

rivier af; hun harten waren versaagd en hun voeten weigerden den dienst

uit vrees voor Horus, den Harpoenier, den Held. En zij, wier gezichten

naar het Zuidelijk Land gekeerd waren, vluchtten het snelst, want Horus

achtervolgde hen in de Boot van Ra, en met hem kwamen zijn Volgelingen

met hun wapens in de handen.

Ten zuid-oosten van Denderah, de stad van Hathor, zag Horus den vijand

en hij wierp zich op hen met zijn Volgelingen, terwijl Ra en Thot naar

de worsteling keken in de Boot.

Toen zei Koning Ra tot Thot: "Zie, hoe hij zijn vijanden wondt! Zie, hoe

Horus van Edfu vernieling onder hen brengt!" En naderhand bouwden de

menschen een tempel op deze plaats ter herinnering aan het gevecht en de

Goden in dezen tempel waren Ra en Min en Horus van Edfu.

Dit nu is de derde ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote slag

had nog niet plaats. Toen wendden zij vlug de Boot en snel dreef ze

stroomafwaarts, de vluchtelingen vervolgend, wier gezichten naar het

Noordelijk Land gekeerd waren. Een nacht en een dag vervolgden zij ze en

ten noord-oosten van Denderah zag Horus hen. En hij haastte zich, hij en

zijn Volgelingen en hij viel op hen aan en versloeg hen. Groot en

verschrikkelijk was de slachting terwijl hij ze voor zich uit dreef.

Zoo was Set's leger in het Zuiden in vier groote ontmoetingen

vernietigd, maar de laatste groote slag had nog niet plaats. Nu wendden

de bondgenooten van Set hun aangezichten naar het meer en de moerassen

van de zee. Horus bevond zich achter hen in de Boot van Ra en zijn

gedaante was de gedaante van een grooten gevleugelden discus; en met hem

kwamen zijn Volgelingen met de wapens in hun handen. Toen beval Horus

stilte en hun monden bewaarden het stilzwijgen.

Vier dagen en vier nachten waren zij op het water om den vijand te

zoeken. Maar niemand vonden zij, want hun vijanden hadden de gedaante

aangenomen van krokodillen en nijlpaarden en lagen verborgen in het

water. In den morgen van den vijfden dag zag Horus hen; op eens gaf hij

het sein tot den strijd en de lucht werd vervuld met het rumoer van den

slag, terwijl Ra en Thot naar het gevecht keken, terwijl zij wachtten in

de Boot.

Toen riep Koning Ra luid, toen hij Horus als een verterende vlam op het

slagveld zag: "Zie, hoe hij zijn wapen tegen hen keert; hij doodt hen,

hij vernietigt hen met het zwaard, hij snijdt hen in stukken, hij

verslaat hen volkomen. Zie en aanschouw Horus van Edfu!" Tegen het eind

van het gevecht kwam Horus terug in triomf en hij bracht honderd en

twee-en-veertig gevangenen naar de Boot van Ra.

Dit nu is de eerste ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote

slag had nog niet plaats. Want de vijanden, die op de Noordelijke

Wateren waren, keerden hun aangezichten naar het kanaal om de zee te

bereiken en zij kwamen bij de Westelijke Wateren van Mert, waar de

Bondgenoot van Set zijn woonplaats had, Horus achtervolgde hen,

uitgerust met zijn blinkende wapens en hij ging in de Boot van Ra en Ra

was in de boot met acht lieden van zijn gevolg. Zij bevonden zich op het

Noorder Kanaal en voeren achterwaarts en voorwaarts, wendend en nog eens

wendend; maar niets hoorden of zagen zij. Toen voeren zij een nacht en

een dag noordwaarts en kwamen aan het Huis van Rerhu.

Daar sprak Ra tot Horus en zeide: "Zie, uw vijanden zijn samengekomen

bij de Westelijke Wateren van Mert, waar de Bondgenooten van Set wonen."

En Horus van Edfu verzocht Koning Ra in zijn Boot te komen om tegen de

Bondgenooten van Set op te trekken.

Weer reisden zij noordwaarts, waar de nooitondergaande Sterren om een

zeker punt in de luchtruimte draaien en aan de oevers van de Westelijke

Wateren van Mert waren de Bondgenooten van Set, gereed voor den strijd.

Toen aarzelde Horus van Edfu geen oogenblik, maar wierp zich op den

vijand, vergezeld door zijn Volgelingen, die de wapens in de hand

droegen. Dood en vernieling brachten zij rechts en links, totdat de

vijand voor hen vluchtte. Toen de strijd geëindigd was, telden zij de

gevangenen; drie honderd een-en-tachtig waren er gemaakt en deze doodde

Horus vóór de Boot van Ra en hun wapens gaf hij aan zijn Volgelingen.

Dit nu is de tweede ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote

slag was nog niet geleverd. En nu, eindelijk, kwam Set zelf te

voorschijn uit zijn schuilplaats. Woest en wild is hij, listig en wreed,

van nature aan een roofdier gelijk, zonder genade of medelijden; en de

menschen beelden hem uit met het hoofd van een wild dier, want

menschelijk gevoel is hem onbekend. Hij kwam te voorschijn uit zijn

schuilplaats en brulde verschrikkelijk. De aarde en de hemelen beefden

bij het geluid van zijn gebrul en bij de woorden, die hij uitte, want

hij pochte er op, dat hij zelf zou vechten tegen Horus en hem zou

vernietigen, zooals hij Osiris vernietigd had.

De wind droeg de woorden van zijn gepoch tot Ra en Ra zei tot Thot, Heer

van de Tooverkunst en van de Wijsheid: "Laat deze hooge woorden van den

Verschrikkelijke te niet gedaan worden." Toen sprong Horus van Edfu

voorwaarts en viel zijn vijand aan en een hevig gevecht woedde en Horus

wierp zijn wapen en doodde velen en zijne Volgelingen vochten ook en

behielden de overhand. Uit het stof en het gerucht van den strijd kwam

Horus te voorschijn en sleepte een gevangene mede; en de armen van den

gevangene werden op zijn rug gebonden en de staf van Horus werd over

zijn mond gebonden, zoodat hij geen geluid kon geven en het wapen van

Horus werd op zijn keel gezet.

Horus sleepte hem voor Koning Ra. En Ra sprak en zeide tot Horus: "Doe

met hem, wat gij wilt." Toen wierp Horus zich op zijn vijand en sloeg

het wapen in zijn hoofd en in zijn rug, sneed zijn hoofd af, sleepte het

lichaam bij de voeten voort en sneed het eindelijk in stukken. Zoo

handelde hij met het lichaam van zijn tegenstander, evenals Set met het

lichaam van Osiris gehandeld had. Dit gebeurde op den zevenden dag van

de eerste maand van het jaargetijde, wanneer de aarde te voorschijn komt

na de overstrooming. En het meer wordt tot op dezen dag het "Meer van

den Strijd" genoemd.

Dit nu is de derde ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote

slag werd nog niet geleverd. Want het was de Bondgenoot van Set, dien

Horus had gedood, en Set zelf was nog in leven en hij woedde tegen Horus

als een panter uit het Zuiden. En hij stond op en brulde en zijn stem

was gelijk de donder en terwijl hij brulde, veranderde hij in een groote

slang en kroop in den grond. Niemand zag hem verdwijnen en niemand zag

hem veranderen, maar hij vocht tegen de Goden en door hun macht en

kennis zijn zij op de hoogte van wat er gebeuren zal, ofschoon geen

mensch het hun vertelt. En Ra zei tot Horus: "Set heeft zich in een

sissende slang veranderd en is in den grond gekropen. Wij moeten maken,

dat hij er nooit weer uitkomt; nooit, nooit weer!"

Oude Egyptische Legenden · 第 2 / 6 段