OUDE EGYPTISCHE LEGENDEN
M. A. MURRAY.
NAAR HET ENGELSCH BEWERKT
DOOR H. F.
W. J. THIEME & CIE - ZUTPHEN - 1921 INLEIDEND WOORD.
In dit boek worden de legenden van de Goden van het oude Egypte verteld,
legenden, die in omloop waren gedurende den "morgen van de wereld" en
die, gebeiteld in steen en geschreven op papyrussen, tot nu toe bewaard
zijn gebleven.
Dit boek is bestemd om de belangstelling van het beschaafde publiek op
te wekken voor den godsdienst en de beschaving van het oude Egypte.
Ofschoon het boek bestemd is voor den leek, zijn er aan het eind
Aanteekeningen voor den meer wetenschappelijken lezer gegeven. In deze
Aanteekeningen wordt de oorsprong van de legende vermeld, het boek of de
boeken, waarin het origineel gevonden kan worden en het boek, dat door
den een of anderen grooten geleerde uit den tegenwoordigen tijd vertaald
is in een der moderne talen. Er zijn andere vertalingen in menigte, die
men zien kan in de bibliotheken van specialisten; vele van deze zijn
echter alleen van nut voor degenen, die de Egyptische taal en
letterkunde bestudeeren.
De volgorde der verhalen is aldus: Eerst komen de legenden van
verschillende goden, dan de legenden van Osiris en van de godheden, die
met hem in verband staan en eindelijk de legenden van Ra.
Aan het eind vindt men Aanteekeningen op de legenden en een korte
inhoudsopgave van al de goden, die er in voorkomen.
* * * * *
OUDE EGYPTISCHE LEGENDEN.
I.
DE PRINSES EN DE DEMON.
Het was onder de regeering van Koning Ramses, zoon van de Zon,
gunsteling van Amon, koning der goden. Een groot krijgsman was Ramses;
in den strijd geleek hij op Mentu, den oorlogsgod; zeer dapper was hij,
als de zoon van de Hemelgodin.
Nu bevond zijne majesteit zich in Naharena waar de groote rivier, de
Euphraat, haar wateren voortstuwt naar de zee.
En hij ontving de schatting van zijn vorstelijke vazallen, want hij had
de negen stammen der boogschutters overwonnen, en niemand kon voor zijn
aangezicht bestaan, wanneer hij uittrok in volle wapenrusting. De
vorsten bogen hun hoofden ter aarde voor hem, terwijl hun adem den grond
beroerde, dien zijn voeten hadden betreden.
Groot en prachtig was hun schatting, die bestond uit goud en edelsteenen
van allerlei kleuren, blauwe lapis lazuli en de groene turkoos, die
gewijd is aan Hathor, de godin van de liefde en de vreugde. En slaven
droegen op hun rug welriekende houtsoorten aan, geurig en aromatisch,
als de boomen in het land der Goden.
De vorst van Bekhten kwam ook, vergezeld door zijne oudste dochter; hij
plaatste haar vóór de slaven, want zij was het uitgelezenste deel van
zijn schatting.
Zij was zeer schoon, haar lichaam was welgevormd en slank als een
palmboom, en de koning werd tot in het diepst van zijn ziel getroffen en
hij kreeg haar boven alles lief. Hij maakte haar tot zijne koninklijke
gade, gaf haar een naam, die haar bekend zou maken in het land Egypte;
"Neferu-Ra", schoonheid van Ra heette zij, want haar schoonheid was aan
den zonneschijn gelijk. En de naam werd geschreven in het koninklijke
ovaal, zooals het de gewoonte is bij de Egyptische koningen en hun
koninginnen.
Daarna keerde koning Ramses terug naar Egypte met zijn koninklijke gade,
koningin Neferu-Ra. En toen zij in het zwarte land, Egypte, kwamen,
verrichtte zij alle ceremoniën die een koningin van Egypte in de tempels
te verrichten heeft. Nu gebeurde het, dat koning Ramses zich op den
twee-en-twintigsten van de maand Payni in Thebe, de machtige, bevond. En
hij begaf zich naar den tempel van Amoe, want dit was de dag van het
schoone feest van den god, wanneer de booten heen en weer varen op het
water met toortsen en lichten, en de Heilige Bark, die versierd is met
goud en geschilderd in schitterende kleuren, hoog wordt opgeheven opdat
de menschen het beeld van Amon-Ra in de boot kunnen zien. En koningin
Neferu-Ra vergezelde zijne majesteit, want de koningin van Egypte is
altijd een aanbidster geweest van Amon-Ra, koning der Goden.
Toen zij nog in den tempel waren, kwamen er hovelingen van den Koning
binnen om de aankomst van een bode van den vorst van Bekhten te melden.
Hij was beladen met geschenken voor Neferu-Ra, koningin van Egypte
dochter van den vorst van Bekhten, en hij bracht ook een boodschap voor
den koning. Toen hij in tegenwoordigheid van den koning kwam, boog hij
ter aarde, zeggende: "Heil u, o zon van de negen stammen der
boogschutters! Mogen wij voor uw aangezicht bestaan".
Toen boog hij weer ter aarde en bracht de boodschap, die hij van den
vorst van Bekhten gekregen had, aan Ramses, koning van Egypte, over:
"Ik kom tot u, o machtig koning, mijn Heer, van wege Bent-reshy, de
kleine zuster van de koningin, Neferu-Ra; want zij heeft een ziekte in
haar ledematen. Zend daarom een geleerd man, opdat hij haar moge zien en
genezen."
De koning wendde zich tot zijn hovelingen en sprak: "Haal een schrijver
van het Huis des Levens en haal ook degenen, die de verborgen dingen van
de innerlijke Hal kennen".
En de hovelingen haastten zich aan het bevel te voldoen en brachten hen
in zijne tegenwoordigheid en de koning sprak tot hen: "Ik heb u hier
laten komen om deze zaak te hooren. Noem mij een man die geleerd en
bekwaam genoeg is om naar den vorst van Bekhten gezonden te worden.
Toen beraadslaagden zij met elkaar en zonden als een geleerd en bekwaam
man den schrijver Tehuti-em-heb tot den koning en de koning verzocht hem
met den boodschapper van den vorst van Bekhten mee te gaan om
Bent-reshy, de kleine zuster van de koningin, te genezen.
Toen de schrijver Tehuti-em-heb te Bekhten kwam, werd hij tot Bent-reshy
gebracht. Hij was een geleerd en bekwaam man en hij vond de prinses in
de macht van een geest, die hem vijandig was, jegens wien zijn kunde en
bekwaamheid niets baatten en die zijn tooverkunsten verijdelde.
Toen was de vorst van Bekhten treurig en droefheid was in zijn hart,
maar Tehuti-em-heb, de schrijver, ried hem aan om nogmaals naar Egypte
te zenden en de hulp in te roepen van Khonsu, den duivelbanner, om den
boozen geest uit Bent-reshy, de kleine zuster van de koningin, te
verdrijven.
Nu dan, zóó groot was de afstand van Bekhten naar Egypte, dat er van den
tijd, dat Tehuti-em-heb, de schrijver, uit Thebe vertrok, drie jaar
verliepen, voordat Koning Ramses de tweede boodschap bereikte, en
gedurende al dien tijd woonde de booze geest in Bent-reshy en kon niet
uitgedreven worden.
En toen de tweede boodschapper aankwam, was koning Ramses weer in Thebe,
en het was de eerste van de maand Pakhons, de maand, die gewijd is aan
Khonsu. Hij trad in den tempel, vergezeld door zijne hovelingen en den
boodschapper van den vorst van Bekhten. In den tempel stonden twee
beelden van Khonsu; zeer wonderbare beelden waren het, zeer heilige; het
eene heette Khonsu in Thebe Neferhotep, en het andere Khonsu, de
duivelbanner. Nu dan, Khonsu is de God van de Maan, de zoon van Amon-Ra
en van Mut, vrouwe van Ashru, en de menschen beelden hem uit met de
krullende lokken der jeugd, want hij is eeuwig jong en schoon.
Toen stond de koning voor het groote beeld van Khonsu in Thebe
Neferhotep en sprak: "O mijn goede Heer, ik kom weer tot u vanwege de
dochter van den vorst van Bekhten."
Daarop hieven de priesters het beeld van Khonsu in Thebe Neferhotep op
en plaatsten het tegenover Khonsu, den duivelbanner. En de koning sprak
weer tot Khonsu in Thebe Neferhotep en zei: "Mijn goede heer, wend uw
aangezicht tot Khonsu, den duivelbanner. Sta toe, dat hij zich naar
Bekhten begeeft."
Khonsu in Thebe Neferhotep boog zijn hoofd tweemaal als teeken van
toestemming. Heel wonderbaar was het beeld van Khonsu in Thebe
Neferhotep.
En weer sprak Koning Ramses: "Laat uwe bescherming met hem zijn. Stem
toe, dat ik den god Khonsu naar Bekhten zend om Bent-reshy, de kleine
zuster van de Koninklijke Vrouwe, te redden.
Khonsu in Thebe Neferhotep boog zijn hoofd tweemaal als teeken van
toestemming.
Zeer wonderbaar was het beeld van Khonsu in Thebe Neferhotep. En hij gaf
zijn magische bescherming viermaal aan Khonsu, den duivelbanner. Toen
gaf koning Ramses bevel Khonsu, den duivelbanner, in de Groote Boot te
plaatsen; en rechts en links van de Groote Boot waren vijf kleine booten
met talrijke en prachtige paarden en wagens. Het gevolg van Khonsu, den
duivelbanner, was gelijk aan dat van een koning. Een jaar en vijf
maanden reisden zij, voordat ze Bekhten bereikten.
De vorst van Bekhten trok uit met zijn boogschutters en hovelingen om
Khonsu, den duivelbanner, een koninklijke ontvangst te bereiden en zij
trokken hem tegemoet, als was hij een koning. De vorst van Bekhten viel
op zijn knieën en raakte met zijn voorhoofd den grond aan voor de voeten
van Khonsu, den duivelbanner, en zeide: "Gij zijt tot ons gekomen. O,
wees goedertieren voor ons, overeenkomstig de woorden van Ramses, koning
van Egypte". Zij brachten Khonsu, den duivelbanner, naar de kamer van
Bent-reshy, de kleine zuster van de koningin. En zie, er gebeurde een
wonder, want in hetzelfde oogenblik was zij gezond.
Toen sprak de geest, die in haar geweest was, tot Khonsu, den
duivelbanner: "Gij zijt gekomen in vrede, o groote God, de duivelbanner.
Bekhten is uw stad; haar volk zijn uw slaven. Ik buig voor u neder, want
ook ik ben uw slaaf. Ik wil gaan naar de plaats, vanwaar ik gekomen ben,
opdat mijn hart rust moge vinden. Maar laat de verheven Khonsu, voor dat
ik heenga, bevel geven, dat de vorst van Bekhten een dag vaststelt, die
gewijd is aan mij".
Toen hij deze woorden gehoord had, wendde Khonsu, de duivelbanner, zijn
hoofd naar den priester en zeide: "Laat de vorst van Bekhten een groot
offer brengen aan dezen geest".
De vorst van Bekhten en zijne soldaten en zijn hovelingen hoorden de
stemmen van den geest en van den god en zij sidderden en waren in de
hoogste mate verschrikt. Zij voldeden aan het bevel van den god en
maakten een groote offerande in gereedheid voor Khonsu, den
duivelbanner, en voor den geest, die het lichaam verlaten had van
Bent-reshy, de kleine zuster van de Koningin, de dochter van den vorst
van Bekhten. En zij stichtten een heiligen dag met offers en plengingen.
Zoo verliet de geest in den vorm van een Lichtend Wezen in vrede het
land Bekhten en ging heen, werwaarts het hem behaagde, zooals Khonsu, de
duivelbanner, bevolen had.
De vorst van Bekhten was blij en zijn hart was verheugd en het geheele
volk was ook verheugd, dat de geest uit Bent-reshy en uit het land
Bekhten verdreven was. Maar te midden van zijn vreugde en blijdschap
werd het hart van den vorst van Bekhten vervuld van vrees, dat de geest
zou terugkeeren en zich weer in het land vestigen, wanneer Khonsu, de
duivelbanner, vertrokken zou zijn. Hij overlegde bij zich zelf: "Ik zal
Khonsu, den duivelbanner, in Bekhten houden. Ik zal hem niet laten
terugkeeren naar Egypte". Zoo bleef Khonsu, de duivelbanner, drie jaren,
vier maanden en vijf dagen in Bekhten, want de vorst van Bekhten wilde
hem niet laten heengaan. En op het eind van dien tijd lag de vorst van
Bekhten des nachts in zijn bed te slapen en terwijl hij sliep, kreeg hij
een vizoen voor zijn oogen. Hij droomde, dat hij voor den tempel van
Khonsu, den duivelbanner, stond; de groote deuren van den tempel werden
teruggeslagen en de god trad naar buiten tusschen de deuren. Hij nam de
gedaante aan van een sperwer met gouden veeren, schoon en glanzend en
verhief zich hoog in de lucht met uitgespreide vleugels en schoot
pijlsnel voort in de richting van Egypte.
Toen de vorst van Bekhten ontwaakte, was hij buitengewoon ontsteld, want
hij vreesde den toorn der Goden. En hij zond om den priester van Khonsu,
den duivelbanner, en sprak tot hem: "De god is vervreemd van ons, hij is
naar Egypte teruggekeerd. Laat zijn triomfwagen ook naar Egypte
terugkeeren."
De vorst van Bekhten gaf bevel, dat de god naar Egypte zou worden
teruggebracht en overlaadde hem met gaven. Groot en talrijk waren de
geschenken bestaande uit allerlei schoone voorwerpen, die de vorst van
Bekhten gaf aan Khonsu, den duivelbanner. Vele maanden reisden zij,
begeleid door een escorte soldaten en paarden uit het land van Bekhten.
Zij kwamen goed en wel te Thebe aan en begaven zich naar den tempel van
Khonsu in Thebe Neferhotep. Toen gaf Khonsu, de duivelbanner, alle
geschenken, de rijke en kostbare geschenken, die hij van den vorst van
Bekhten gekregen had, aan Khonsu in Thebe Neferhotep; niets behield hij
voor zich zelf. Zoo eindigde de reis van Khonsu, den duivelbanner, den
grooten God.
* * * * *
II.
DE DROOM VAN DEN KONING.
Lang, lang geleden leefde Thothmes, koning van Egypte; hij was heer van
de twee landen, drager van de dubbele kroon, bemind door de Goden. Hij
was niet die Thothmes, de machtige Stier, die Syrië en Nubië veroverde
en de negen stammen der boogschutters overwon. Maar hij droeg denzelfden
naam en was een groot en dapper koning; Syrië boog voor hem, Nubië was
zijn slaaf en hij zette zijn voet op den nek van de negen stammen der
boogschutters. Als kind geleek hij op Harpocrates, den zoon van Isis,
die geboren was in de moerassen van het noordelijke land. Hij was schoon
als een God en had een gestalte als Horus, de wreker van zijn vader.
In alle mannelijke lichaamsoefeningen muntte hij uit; hij maakte jacht
op het wild gedierte in de woestijn, zoowel ten noorden als ten zuiden
van Memphis, hij vervolgde de leeuwen en herten, hij schoot met pijlen
op de schijf, hij reed in een zegekar en zijn paarden waren sneller dan
de wind. Hij joeg alleen of slechts met twee metgezellen, en niemand
kende het pad, dat hij zou volgen, want in de woestijn woont niemand,
behalve de wilde dieren.
Wanneer zijn dienaren rust noodig hadden gedurende de hitte van den dag,
nam hij ze mee naar het groote beeld van Harmachis dicht bij Eher-Aha,
waar de weg van den God oostwaarts voert naar On. Dit grootsche beeld
was van steen, gehouwen uit de levende rots; zijn gelaat was het gelaat
van een man, ernstig en majestueus, dat gekeerd was naar de opgaande
zon; zijn lichaam was het lichaam van een leeuw; op zijn voorhoofd
bevindt zich de doodaanbrengende slang, met haar kop rechtop, gereed op
haar toe te schieten. De menschen noemen dit beeld Harmachis en de
Sphinx en de "vader der verschrikkingen". Groot en verheven is dit beeld
van den God, rustend op zijn uitgezochte plaats; groot is zijn macht,
want de schaduw van de zon valt op hem. De tempels van Memphis en de
tempels van elke stad aan weerszijden er van vereeren het, zij strekken
hun handen vol aanbidding naar hem uit en offers en plengingen worden
hem gebracht.
Eens, voordat Thothmes nog koning was, voordat hij den troon van Horus,
den Levende, had bestegen, gebeurde het, dat hij alleen op jacht was in
de woestijn en het was op het midden van den dag. De hitte was fel en de
zonnestralen verblindend en hij rustte in de schaduw van den grooten
God. En terwijl hij zoo rustte, vermoeid en verhit, in de koelte van de
schaduw, viel hij in een zwaren en diepen slaap juist op het oogenblik,
dat de zon het zenith bereikte.
Zoo sliep hij in het middaguur en in zijn slaap droomde hij en kreeg hij
vizioenen. In zijn droom stond hij voor het reusachtige beeld van den
God, maar het was niet langer van steen, want ziet, het was de God zelf.
Er was leven in hem, zijn lippen bewogen en hij sprak met vriendelijke
woorden, zooals een vader spreekt tot zijn kind, want de woorden
bevatten een zegen.
"Zie nu, o mijn zoon Thothmes", sprak hij, zie mij aan, aanschouw mij.
Ik ben uw vader, ik, die Harmachis en Ra en Khepera en ook Atmu ben.
Want ik ben de Zonnegod, aan wien alle landen zijn onderworpen. Door mij
alleen zal het koninkrijk Egypte u ten deel vallen; gij zult de witte
kroon van het Zuidelijke Land en de roode kroon van het Noordelijke Land
dragen, gij zult zitten op den troon van Geb, den erfgenaam. Aan u zal
het geheele land in zijn lengte en breedte toebehooren, dat land,
hetwelk de alleenheerschende Koning beroemd zal maken. Gebrek zal nimmer
uw deel zijn, geen ongeluk zal u treffen, want geschenken zullen u
gebracht worden uit alle landen, van nabij en ver, uw leven zal vele
jaren duren; mijn aangezicht zal tot u gekeerd zijn en mijn hart zal
zich tot u neigen, indien gij voor mij doen wilt datgene, wat ik van u
zal verlangen.
En Thothmes keek en zag, dat het beeld half begraven lag in het zand en
het leek, alsof de God worstelde om zich vrij te maken, want niets dan
zijn hoofd stak uit boven de vlakte en het zand verhief zich om hem als
de golven van de zee, wanneer zij een schip verzwelgen, dat op de rotsen
geloopen is.
Toen sprak de God opnieuw en zeide: "Het zand van de woestijn, waarop ik
rust, omgeeft mij, het overstelpt mij, het bedekt mij. Haast u te doen,
wat mijn hart begeert, want ik weet, dat gij een zoon zijt, die de
bevelen van zijn vader zal opvolgen".
De slaap ontvlood de oogleden van Thothmes en hij werd wakker.
(Hier is het opschrift afgebroken en het eind van de geschiedenis is
niet bekend).
* * * * *
III.
DE KOMST VAN DE GROOTE KONINGIN.
Amon-Ra, koning der goden, zat op zijn troon en om hem stonden de
machtigsten der goden en godinnen geschaard. Aan zijn rechterzijde stond
Osiris, gekroond met de groote witte kroon van het Zuidelijk Land; aan
zijn linkerzijde stond Mentu, de oorlogsgod en op het hoofd van Mentu
stonden twee groote veeren en de stralende zonneschijf. Naast Osiris
stonden de tweelinggodinnen Isis en Nephthys; naast hen stond Hathor, de
godin van de liefde, die de Grieken Aphrodite noemen; Horus, de zoon van
Isis, met de verziende haviksoogen; en Anubis, de zoon van Nephthys, de
trouwe beschermer van Isis. Naast Nentu stonden Atmu, de god van den
zonsondergang; Shu en zijn tweelingzuster Tefnut; Geb, de god der aarde,
en Nut, de godin des hemels. Deze twee zijn de oudste van de goden, van
wie alle anderen afstammen.
Amon-Ra, koning der goden, zat op zijn troon en zag uit over het land
Egypte en hij sprak, zeggende: "Ik wil een koningin scheppen om over
Tamery te regeeren, ik wil de twee Landen voor haar vereenigen in vrede
en in haar handen wil ik de geheele wereld plaatsen. Egypte en Syrië,
Nubië en Punt, het land der Goden, zullen onder haar scepter staan." En
toen hij gesproken had, heerschte er stilte onder de goden.
Terwijl hij nog sprak, verscheen Thot, die op één na de grootste was, de
schepper van de tooverkunst, de heer van Khemennu. Hij luisterde naar de
woorden van Amon-Ra, koning der goden en gedurende de stilte, die
volgde, sprak hij:
"O Amon-Ra, heer van de tronen van de Twee landen, koning der goden,
schepper der menschen. Zie, in het Zwarte land in het paleis van den
koning is een maagd, die schoon is en welgevormd. Aahmes is haar naam en
zij is de vrouw van den koning van Egypte. Zij alleen kan de moeder zijn
van de groote koningin, die gij scheppen wilt om over de Twee Landen te
regeeren. Zij bevindt zich in het paleis van den koning. Kom, laat ons
tot haar gaan".
Nu dan, de gedaante van Thot is de gedaante van een ibis, opdat hij snel
door de lucht kan vliegen en niemand hem zal herkennen, en als een ibis
vloog hij naar het paleis van den koning. Maar Amon-Ra nam de gedaante
aan van den koning van Egypte. Groot was de majesteit van Amon-Ra,
prachtig zijn kleedij. Om zijn hals had hij een schitterenden keten van
goud en edelgesteenten, om zijn armen droeg hij armbanden van zuiver
goud en amber en op zijn hoofd had hij twee pluimen; aan de pluimen
alleen kon men den koning der goden kennen. In de eene hand droeg hij
den scepter als teeken van macht, in de andere het zinnebeeld van het
leven. Prachtig was hij, als de zon op den middag en de geuren van het
land Punt omgaven hem.
In het paleis van den koning van Egypte bevond zich koningin Aahmes en
het was nacht.
Zij lag op haar rustbed en de slaap hield haar oogleden gesloten. Als
een kostbaar kleinood lag zij daar in al haar schoonheid en de kamer,
waarin zij sliep was het omhulsel, waarin het kleinood gevat was; zwart
brons en amber, acacia- en ebbenhout waren de materialen, waarmee het
paleis versierd was en haar rustbed had den vorm van een woesten leeuw.
Door de twee groote deuren van het paleis kwamen de goden binnen;
niemand zag hen, niemand werd hen gewaar. En met hen kwam Neit, de godin
van Saïs en Selk de schorpioen-godin. Op het hoofd van Neit bevonden
zich schild en gekruiste pijlen, op het hoofd van Selk een schorpioen,
die in elke klauw het zinnebeeld van het leven droeg. De welriekende
geuren van Punt verspreidden zich door de kamer en koningin Aahmes
ontwaakte en aanschouwde Amon-Ra, koning der goden, schepper der
menschen. In al zijn majesteit en schoonheid verscheen hij voor haar en
haar hart werd vervuld met vreugde. Hij hield haar het zinnebeeld van
het leven en den scepter der macht toe. En Neit en Selk hieven de
rustbank, waarop de koningin lag, op en hielden ze hoog in de lucht,
opdat zij verheven mocht zijn boven den grond, waarop de gewone
stervelingen leven, terwijl zij met de onsterfelijke Goden sprak. Toen
keerde Amon-Ra terug en werd tot den troon verheven onder de Goden. En
hij riep tot zich Khnum, den schepper, die de lichamen der menschen
vormt, die bij de bruisende wateren van den grooten katarakt woont. Aan
Khnum gaf hij bevel, zeggende: "O Khnum, maker van de lichamen der
menschen, vorm voor mij mijn dochter, haar, die de groote koningin van
Egypte zal zijn. Want ik wil haar geven behalve het leven voldoening,
vastberadenheid en vreugde des harten tot in eeuwigheid".
Khnum, de schepper, de maker van de lichamen der menschen, die bij de
groote katarakten woont, gaf aan Amon-Ra dit antwoord: "Ik wil voor u uw
dochter scheppen en haar gedaante zal schitterender zijn dan die der
Goden vanwege de grootheid van haar waardigheid als koningin van het
Zuiden en het Noorden".
Toen haalde hij zijn pottebakkerswiel en nam klei en met zijn handen
vormde hij het lichaam van de dochter van koningin Aahmes en het lichaam
van haar "ka". En het lichaam van het kind en het lichaam van de "ka"
waren elkander in gedaante en gelaatstrekken precies gelijk, zoodat
niemand dan de Goden alleen ze van elkaar onderscheiden kon. Hare
schoonheid was aan die van Amon-Ra gelijk en overtrof die van de Goden.
Naast het pottebakkerswiel knielde Hekt, vrouwe van Herur, godin der
geboorte. In iedere hand hield zij het zinnebeeld van het leven en toen
het wiel draaide en de lichamen gevormd werden, hield zij het haar toe,
opdat het leven de levenlooze klei zou doordringen. Toen gingen Khnum,
de maker van de lichamen der menschen en Hekt, de godin der geboorte,
naar het paleis van den koning van Egypte en met hen ging Isis, de
groote moeder en haar zuster Nephthys; ook Meskhent en Ta-urt en Bes, de
beschermer der kinderen. De geesten van Pé en de geesten van Dep kwamen
mede om de dochter van Amon-Ra en van koningin Aahmes te begroeten.
En toen het kind verscheen, verheugden de godinnen zich en de geesten
van Pé en van Dep zongen lofliederen haar ter eer, want de dochter van
Amon-Ra zou eens op den troon van Horus van de Levenden zitten en over
het Land van Egypte regeeren tot eer van de Goden. Hatshepsut werd zij
genoemd, eerste der Edele Vrouwen, goddelijke der Diademen gunstelinge
van de Godinnen en geliefd door Amon-Ra. En de Goden beloofden haar, dat
zij meesteres zou zijn van alle landen onder de zon en dat zij als
koningin zou verschijnen op den troon van Horus in de heerlijkheid van
het Groote Huis. En de gunst van Amon-Ra viel haar voor altijd ten deel.
IV.
HET BOEK VAN THOT.
Ahura was de vrouw van Nefer-ka-ptah en hun kind heette Merab; onder
dezen naam was hij door de schrijvers opgeteekend in den Tempel des
Levens. En ofschoon Nefer-ka-ptah de zoon van den Koning was, stelde hij
in niets ter wereld belang dan in het lezen van oude gedenkschriften,
die geschreven waren op papyrus in den Tempel des Levens of in steen
gebeiteld in de tempels; den geheelen dag en iederen dag weer
bestudeerde hij de geschriften der voorvaderen.
Eens ging hij naar den tempel om te bidden tot de Goden, maar toen hij
de opschriften op de muren zag, begon hij ze te lezen en hij vergat te
bidden, hij vergat de Goden, hij vergat de priesters, hij vergat alles
om zich heen, totdat hij achter zich gelach hoorde. Hij keek om en zag
een priester staan, die zoo lachte.
"Waarom lacht gij om mij?" vroeg Nefer-ka-ptah.
"Omdat gij deze waardelooze geschriften leest", antwoordde de priester.
"Wanneer gij geschriften wilt lezen, die waard zijn gelezen te worden,
dan kan ik u vertellen, waar het boek Thot verborgen ligt".
Toen hield Nefer-ka-ptah niet op met vragen en de priester antwoordde:
"Thot schreef het boek met eigen hand en al de tooverkunsten der wereld
zijn er in opgeteekend. Als gij de eerste bladzijde leest, zult gij den
hemel, de aarde, de hei, de bergen en de zee kunnen betooveren, gij zult
de taal van de vogels des hemels verstaan en gij zult weten wat de
kruipende dieren der aarde spreken en gij zult de visschen tot op de
donkerste diepte der zee zien. En als gij de volgende bladzijde leest,
kunt ge, al waart gij dood en in de wereld der geesten, terugkomen op
aarde in de gedaante, die gij eens hadt. En behalve dat zult gij de zon
zien schijnen aan den hemel te gelijk met de volle maan en de sterren en
gij zult de groote gedaante van de Goden aanschouwen".
Toen sprak Nefer-ka-ptah: "Bij het leven van Pharao, dat boek zal in
mijn bezit komen. Zeg mij, wat gij verlangt en ik zal het voor u doen."
"Zorg voor mijn begrafenis," zei de priester. "Zorg er voor, dat ik
begraven word als een rijk man met priesters en klaagvrouwen, offers,
plengingen en wierook. Dan zal mijn ziel in vrede rusten in de Velden
van Aalu. Honderd zilverstukken moeten er besteed worden voor mijn
begrafenis".
Toen zond Nefer-ka-ptah een vluggen bode uit om het geld te halen en hij
stelde den priester honderd zilverstukken ter hand. Toen de priester het
zilver genomen had, zei hij tot Nefer-ka-ptah:
"Het Boek ligt te Koptos midden in de rivier. Midden in de rivier ligt
een ijzeren kist. In de ijzeren kist zit een bronzen kist. In de bronzen
kist zit een kist van keté-hout. In de keté-houten kist zit een kist van
ivoor en ebbenhout. In de kist van ivoor en ebbenhout zit een zilveren
kist. In de zilveren kist zit een gouden kist. En in de gouden kist zit
het Boek van Thot. Rondom de ijzeren kist krioelen slangen en
schorpioenen en allerhande kruipende dieren en daar boven op zit een
slang, die geen mensch kan dooden. Deze moeten dienen om het Boek van
Thot te bewaken".
Toen de priester uitgesproken had, snelde Nefer-ka-ptah uit den tempel,
want zijn vreugde was zoo groot, dat hij niet wist, waar hij was. Hij
liep snel, ten einde Ahura te zoeken en haar te vertellen van het Boek
en dat hij naar Koptos wou gaan om het te zoeken. Maar Ahura was zeer
bedroefd en zeide:
"Ga niet op reis, want moeite en verdriet wachten u in het Zuidelijk
Land".
Zij legde haar hand op die van Nefer-ka-ptah, alsof zij hem terug wilde
houden van het verdriet, dat hem wachtte. Maar hij wilde niet
tegengehouden worden en rukte zich los van haar en begaf zich naar den
koning, zijn vader. Hij vertelde den koning alles, wat hij vernomen had
en zeide: "Geef mij de koninklijke bark, o mijn vader, opdat ik naar het
Zuidelijke Land moge gaan met mijn vrouw Ahura en mijn zoon Merab. Want
het Boek van Thot moet en zal ik hebben".
Dus gaf de koning zijn bevelen en de koninklijke bark werd in gereedheid
gebracht en Nefer-ka-ptah, Ahura en Merab zeilden de rivier op naar het
Zuiden tot Koptos. Toen zij te Koptos aankwamen, kwamen de hoogepriester
en al de priesters van Isis naar de rivier om Nefer-ka-ptah, Ahura en
Merab welkom te heeten. En zij trokken in een groote processie op naar
den tempel van de Godin en Nefer-ka-ptah offerde een os en een gans en
plengde wijn ter eere van Isis van Koptos en haar zoon Harpocrates.
Daarna richtten de priesters van Isis en hun vrouwen een groot feest
aan, dat vier dagen duurde, ter eere van Nefer-ka-ptah en Ahura.
In den morgen van den vijfden dag riep Nefer-ka-ptah een priester van
Isis tot zich, een groot toovenaar, die ingewijd was in al de mysteriën
van de Goden. En te samen maakten zij een kleine tooverdoos, die er
uitzag als de romp van een boot en zij maakten mannen en een grooten
voorraad tuig en deden de mannen en het tuig in de tooverboot. Toen
spraken zij een tooverspreuk uit over de boot en de mannen ademden en
waren levend en begonnen het tuig te gebruiken. En Nefer-ka-ptah liet de
tooverboot neer in de rivier, zeggend: "Werklieden, werklieden! Werkt
voor mij!" En hij vulde de koninklijke bark met zand en zeilde alleen
weg, terwijl Ahura aan den oever der rivier te Koptos zat en uitkeek en
wachtte, want zij wist, dat er verdriet moest komen uit deze reis naar
het Zuidelijke Land.
De toovermannen in de tooverboot werkten drie nachten en drie dagen
zonder ophouden door en toen zij ophielden, lag de koninklijke bark ook
stil en Nefer-ka-ptah wist, dat hij gekomen was op de plaats, waar het
boek lag verborgen.
Hij nam het zand uit de koninklijke bark en strooide het in het water en
het maakte een opening in de rivier, een opening van een "schoenus" lang
en een "schoenus" breed; midden in de opening lag de ijzeren kist en
naast de kist lag opgerold de groote slang, die geen mensch kon dooden
en rondom de kist aan alle kanten tot aan den rand van de muren van
water krioelden slangen en schorpioenen en allerlei kruipend gedierte.
Toen stond Nefer-ka-ptah op in de koninklijke bark en over het water
schreeuwde hij de slangen en schorpioenen en het kruipend gedierte iets
toe; een luide en verschrikkelijke kreet was het en de woorden er van
waren tooverwoorden. Zoodra zijn stem zweeg, waren de slangen en
schorpioenen en het kruipend gedierte ook stil, want zij waren betooverd
door de tooverwoorden van Nefer-ka-ptah en zij konden zich niet
verroeren. Nefer-ka-ptah stuurde de koninklijke bark tot aan den rand
van de opening en begaf zich te midden van de slangen en de schorpioenen
en het kruipend gedierte en zij keken hem aan, maar konden zich niet
bewegen door de betoovering, waardoor zij bevangen waren. En nu bevond
Nefer-ka-ptah zich van aangezicht tot aangezicht met de slang, die geen
mensch kon dooden, en zij richtte zich op, gereed tot den strijd.
Nefer-ka-ptah snelde op haar toe en sneed haar het hoofd af, maar op
eens kwamen het hoofd en het lichaam weer te samen en de slang, die geen
mensch kon dooden, was weer levend en gereed voor het gevecht. Weer
schoot Nefer-ka-ptah op haar af en zoo hard sloeg hij, dat het hoofd ver
van het lichaam geslingerd werd, maar plotseling vereenigden het hoofd
en het lichaam zich weer en weer was de slang, die geen mensch kon
dooden, levend en klaar om te strijden.
Toen zag Nefer-ka-ptah, dat de slang onsterfelijk was en niet verslagen
kon worden, maar overwonnen moest worden door list. Weer snelde hij er
op toe en sloeg haar in tweeën en heel vlug deed hij zand op ieder stuk,
zoodat, toen het hoofd en het lichaam bij elkaar kwamen, het zand
tusschen was, en de stukken zich niet konden vereenigen en de slang, die
geen mensch kon dooden, lag hulpeloos voor hem.
Toen ging Nefer-ka-ptah naar de groote kist, waar zij stond in de
opening midden in de rivier en de slangen en schorpioenen en het
kruipend gedierte keken toe, maar zij konden hem niet tegenhouden.
Hij opende de ijzeren kist en vond een bronzen kist.
Hij opende de bronzen kist en vond een keté-houten kist.
Hij opende de keté-houten kist en vond een kist van ivoor en ebbenhout.
Hij opende de kist van ivoor en ebbenhout en vond een zilveren kist.
Hij opende de zilveren kist en vond een gouden kist.
Hij opende de gouden kist en vond het Boek van Thot.
Hij opende het Boek en las een bladzijde en opeens had hij den hemel, de
aarde, de hel, de bergen en de zee betooverd en hij verstond de taal van
vogels, visschen en andere dieren. Hij las de tweede bladzijde en hij
zag de zon schijnen aan het uitspansel te gelijk met de volle maan en de
sterren en hij zag de groote gedaante van de Goden en zoo sterk was de
betoovering, dat de visschen van uit de diepste diepten der zee naar
boven kwamen. Nu wist hij, dat, wat de priesters hem verteld had, waar
was. Toen dacht hij aan Ahura, die op hem wachtte te Koptos en hij sprak
een tooverspreuk uit over de mannen, die hij gemaakt had, zeggend:
"Werklieden, werklieden! Werkt voor mij! en breng mij terug naar de
plaats, vanwaar ik gekomen ben". Zij zwoegden dag en nacht, tot dat zij
te Koptos kwamen en daar zat Ahura bij de rivier. Ze had niets gegeten
of gedronken sedert het vertrek van Nefer-ka-ptah, want zij zat te
wachten en uit te zien naar het verdriet, dat over hen zou komen. Maar
toen zij Nefer-ka-ptah zag terugkeeren in de koninklijke bark, was haar
hart blijde en zij verheugde zich in de hoogste mate. Nefer-ka-ptah kwam
naar haar toe en legde het Boek van Thot in haar handen en verzocht haar
het te lezen. Toen zij de eerste bladzijde las, betooverde zij den
hemel, de aarde, de hel, de bergen en de zee en zij verstond de taal van
de vogels, de visschen en het kruipend gedierte, en toen zij de tweede
bladzijde las, zag zij de zon schijnen aan het uitspansel tegelijk met
de volle maan en sterren en zij zag de groote gedaanten van de Goden en
zoo sterk was de betoovering, dat de visschen uit de diepste diepten te
voorschijn kwamen.
Nefer-ka-ptah riep om een stuk nieuwe papyrus en een beker bier; en op
de papyrus schreef hij al de tooverkunsten, die in het Boek van Thot
stonden. Toen nam hij den beker bier en doopte de papyrus in het bier,
zoodat alle inkt werd weggespoeld en de papyrus er uitzag alsof er nooit
op geschreven was. En Nefer-ka-path dronk het bier en kende opeens al de
tooverformulieren, die geschreven waren geweest op de papyrus, want dit
is de methode van de groote toovenaars.
Toen gingen Nefer-ka-ptah en Ahura naar den tempel van Isis en brachten
er offers aan Isis en Harpocrates en gaven een groot feest en den
volgenden dag begaven zij zich aan boord van de koninklijke bark en
zeilden vroolijk de rivier af naar het Noorden. Maar ziet, Thot had het
verlies van zijn boek ontdekt en Thot barstte in woede los gelijk een
panther uit het zuiden en hij snelde naar Ra en vertelde hem alles,
zeggende:"Nefer-ka-path heeft mijn tooverkist gevonden en ze geopend en
heeft mijn Boek gestolen, juist het boek van Thot; hij versloeg de
bewakers, die het omringden en de slang, die geen mensch kan dooden, lag
hulpeloos vóór hem. Wreek mij, o Ra, op Nefer-ka-path, zoon van den
koning van Egypte."
Koning Ra antwoordde en sprak: "Neem hem en zijn vrouw en zijn kind en
doe met hen, wat gij wilt." En nu was het verdriet, waarop Ahura wachtte
en waarnaar zij uitzag, op het punt over hen te komen, want Thot nam van
Ra een volmacht mee, die hem in staat stelde met den steler van zijn
Boek te doen, wat hij verkoos.
Toen de koninklijke bark zacht de rivier afvoer, kwam de kleine jongen
Merab uit de schaduw van de zonnetent en leunde over den kant, en keek
naar het water. En de macht van Ra trok hem neer, zoodat hij in de
rivier viel en verdronk. Toen hij viel, uitten al de matrozen op de
koninklijke bark en al de menschen die langs den oever wandelden een
luiden kreet, maar zij konden hem niet redden.
Nefer-ka-path kwam uit zijn kajuit en sprak een tooverspreuk uit over
het water en het lichaam van Merab kwam aan de oppervlakte en zij
haalden het aan boord van de koninklijke bark. Toen las Nefer-ka-ptah
nog een tooverspreuk en zoo groot was haar macht, dat het doode kind
sprak en Nefer-ka-ptah alles vertelde, wat er onder de Goden gebeurd
was, dat Thot zich zocht te wreken en dat Ra hem de macht gegeven had
aan die wraak op dengene, die zijn boek gestolen had, te voldoen.
Nefer-ka-ptah gaf bevel, dat de koninklijke bark naar Koptos zou
terugkeeren, opdat Merab daar begraven zou worden met al de eerbewijzen,
die aan den zoon van een vorst verschuldigd waren. Toen de
begrafenisplechtigheden voorbij waren, zeilde de koninklijke bark de
rivier af naar het Noorden. Een vroolijke reis was het niet meer, want
Merab was dood en Ahura's hart was bezwaard van wege het verdriet, dat
nog komen moest, want aan de wraak van Thot was nog niet voldaan. Zij
bereikten de plaats, waar Merab in het water was gevallen en Ahura kwam
te voorschijn uit de schaduw van de zonnetent en zij leunde over den
kant van de bark en de macht van Ra trok haar naar beneden, zoodat zij
in de rivier viel en verdronk.
Toen zij viel, uitten de matrozen in de koninklijke bark en alle
menschen, die langs den oever der rivier wandelden een luiden kreet,
maar zij konden haar niet redden. Nefer-ka-ptah kwam uit de kajuit en
sprak een tooverspreuk uit over het water en het lichaam van Ahura kwam
aan de oppervlakte en zij haalden het aan boord van de koninklijke bark.
Toen Sprak Nefer-ka-ptah een andere tooverspreuk en zoo groot was haar
macht, dat de doode vrouw sprak en Nefer-ka-ptah alles vertelde, wat er
gebeurd was onder de Goden, dat Thot nog wraak zocht en dat Ra hem
toegestaan had met den steler van zijn boek te doen, wat hem goeddunkte.
Nefer-ka-ptah gaf bevel, dat de koninklijke bark zou terugkeeren naar
Koptos, opdat Ahura begraven kon worden met de eerbewijzen, die
verschuldigd zijn aan de dochter van een koning.
Toen de begrafenisplechtigheden voorbij waren, zeilde de koninklijke
bark de rivier af naar het Noorden. Een treurige reis was het nu, want
Ahura en Merab waren dood en aan de wraak van Thot was nog niet voldaan.
Zij bereikten de plaats, waar Ahura en Merab in het water waren gevallen
en Nefer-ka-ptah voelde, dat de macht van Ra hem trok.
Hoewel hij er zich tegen verzette, wist hij, dat ze hem zou overwinnen.
Hij nam een stuk linnen, fijn en sterk, en maakte er een band van, en
daarmede bond hij het Boek van Thot stevig op zijn borst vast, want hij
was besloten dat Thot zijn Boek nimmer terug zou hebben.
Toen trok de macht hem nog sterker en hij trad uit de schaduw van de
zonnetent te voorschijn en wierp zich in de rivier en verdronk. Toen hij
viel, uitten al de matrozen van de koninklijke bark en alle menschen,
die langs den oever wandelden, een luiden kreet, maar zij konden hem
niet redden. En toen zij zijn lichaam zochten, konden zij het niet
vinden.
Daarop zeilde de koninklijke bark de rivier af, totdat zij het
Noordelijke Land bereikten en te Memphis aanlandden en de kapiteins van
de koninklijke bark gingen naar den koning en vertelden hem alles, wat
er gebeurd was. De koning trok rouwkleeren aan; hij en zijn hovelingen,
de hoogepriester en alle priesters van Memphis, het leger van den koning
en de hofhouding van den koning waren in rouwgewaden gekleed en zij
trokken in processie naar de haven van Memhis naar de koninklijke bark.
Toen zij aan de haven kwamen, zagen zij het lichaam van Nefer-ka-ptah in
het water drijven naast de bark, dicht hij het roer. En dit wonder
geschiedde door de tooverkracht van Nefer-ka-ptah; zelfs in den dood was
hij een groot toovenaar wegens de tooverspreuken die hij van de papyrus
afgewasschen en in het bier opgedronken had.
Toen trokken zij hem uit het water en zij zagen het Boek van Thot op
zijn borst gebonden met den gordel van het koninklijk linnen. En de
koning gaf bevel, dat zij Neferka-ptah zouden begraven met de
eerbewijzen, die verschuldigd zijn aan den zoon van een koning en dat
het boek van Thot met hem begraven zou worden.
Zoo was aan de wraakzucht van Thot voldaan, maar het boek bleef bij
Nefer-ka-ptah.
* * * * *
V.
OSIRIS
In den beginne vervloekte Ra Nut en zijn vervloeking bestond hierin, dat
geen harer kinderen geboren zou worden op eenigen dag van eenig jaar. En
Nut smeekte Thot om hulp, Thot, die haar lief had, den god van de
tooverkunst, de geleerdheid en de wijsheid, hem, dien de Grieken Hermes
Trismegistus noemden. Ofschoon de vervloeking, die eens door den grooten
God Ra geuit was, nimmer herroepen kon worden, opende Thot door zijn
wijsheid een uitweg. Hij begaf zich naar den Maangod, wiens luister
bijna gelijk was aan dien van de Zon zelf en daagde hem uit tot een
dobbelspel. Groot was de inzet aan beide zijden, maar die van den
Maangod was het grootst, want hij verwedde zijn eigen licht. Spel na
spel speelden zij en altijd was het geluk aan de zijde van Thot, totdat
de Maan niet meer wilde spelen. Toen verzamelde Thot het licht, dat hij
gewonnen had en door middel van zijn macht en grootheid verdeelde hij
het over vijf dagen. En sedert dien tijd heeft de Maan geen licht genoeg
om de heele maand te schijnen, maar neemt af, totdat hij geheel duister
is en groeit dan weer langzaam aan tot zijn vollen glans; want het licht
van vijf heele dagen was hem afgenomen. En deze vijf dagen plaatste Thot
tusschen het eind van het oude jaar en het begin van het nieuwe, zoodat
hij ze afgescheiden hield van beide; en op deze vijf dagen werden de
vijf kinderen van Nut geboren: Osiris op den eersten dag, Horus op de
tweeden, Set op den derden, Isis op den vierden en Nephthys op den
vijfden. Zoo werd de vervloeking van Ra tegelijk vervuld en te niet
gedaan, want de dagen, waarop de kinderen van Nut geboren werden,
behoorden tot geen jaar.
Toen Osiris geboren werd, werden er teekenen en wonderen gezien over de
geheele wereld, want een stem weerklonk over de geheele aarde: "De Heer
van het Heelal komt tot het licht". En een vrouw, die water putte op het
heilige voorplein van den tempel, werd vervuld met een goddelijke
inspiratie en snelde weg, roepende: "Osiris, de Koning is geboren".
Nu was Egypte een barbaarsch land, waar de menschen elkaar bevochten en
menschenvleesch aten; niets wisten zij van de goden, wetteloos waren zij
en onbeschaafd. Maar Osiris werd Koning van Egypte en hij toonde zijn
volk, hoe zij het land moesten bebouwen en koren zaaien en den wijnstok
planten en hij leerde hun, welke eer zij de Goden verschuldigd waren, en
maakte wetten en vernietigde hun barbaarsche en onbeschaafde gebruiken.
Waarheen hij zich begaf, boog het volk voor hem neer, want zij hadden
tot zelfs den grond lief, waarop zijn voeten traden; en wat hij ook
voorschreef, zij deden het. Zoo regeerde Osiris over de Egyptenaren; met
ontrolde banieren en klinkende muziek trok hij uit Egypte, ten einde
alle landen onder zijn scepter te brengen.
Maar Set haatte zijn broeder Osiris en hij verzamelde twee-en-zeventig
samenzweerders; en onder hen bevond zich Aso, koningin van Ethiopië. En
zij vatten het plan op, dat, wanneer Osiris terugkeerde, zij hem zouden
dooden en Set op den troon zetten; maar zij hielden hun plannen geheim
en trokken Osiris met vriendelijke gezichten tegemoet, toen hij Egypte
in triomf weer binnentrok. In het verborgen hielden zij telkens
samenkomsten, in het verborgen ook brachten zij een kist in gereedheid,
gemaakt van kostbaar hout, beschilderd en versierd met rijke teekeningen
en gloeiende kleuren, een mengeling van tinten en een overvloed van
kunstig handwerk, zoodat allen, die ze zagen, verlangden ze in hun bezit
te hebben. Set, de Booze, had in het geheim de maat genomen van het
lichaam van Osiris en de kist was zoo gemaakt, dat het lichaam van den
Koning er in paste, want dit behoorde tot het plan.
Toen alles gereed was, noodigde Set zijn broeder en de twee-en-zeventig
samenzweerders uit op een feest in zijn groote feesthal.
Toen het feest voorbij was, zongen zij het lied van Mancros, zooals de
gewoonte was, en slaven boden ronde bekers wijn aan en wonden
bloemkransen om de hoofden der gasten en stortten reukwerken over hen
uit, totdat de feestzaal doortrokken was van heerlijke geuren. En
terwijl er vreugde heerschte, traden er slaven binnen, die de kist
droegen, en alle gasten uitten een kreet van bewondering op het zien van
haar schoonheid.
Toen stond Set op van zijn zitplaats en zeide: Hem, die in deze kist
gaat liggen en die er in past, zal ik haar geven. Zijne woorden waren
honigzoet, maar in zijn hart was de bitterheid van het kwade.
Eén voor één gingen de samenzweerders onder gescherts en gelach in de
kist liggen; den een was zij te lang, een ander was te kort, een derde
was zij te wijd en een vierde te nauw. Toen was de beurt aan Osiris en
geen kwaad vermoedend legde hij er zich in neer. Plotseling pakten de
samenzweerders het deksel beet en sloegen het dicht; eenigen spijkerden
het stevig vast, terwijl anderen gesmolten lood in alle openingen goten,
opdat hij niet zou kunnen ademen en leven. Zoo stierf de groote Osiris,
die Unnefer, de Zegevierende, wordt genoemd, en na zijn dood kwam hij in
de Duat en werd Koning der Dooden en Heerscher over hen, die in het
Westen wonen.
De samenzweerders hieven de kist, die nu een doodkist was, op en droegen
haar naar de rivier. Zij slingerden haar ver in het water en Hapi, de
Nijl-god, ving haar op en droeg haar op zijn stroom naar de zee; de
Groote Groene Wateren namen haar op en de golven droegen haar naar
Byblos en lichtten haar in de tamarinde, die aan het strand groeide.
Toen groeiden er uit den boom groote takken, die bladeren en bloemen
droegen, ten einde een geschikte rustplaats voor den God te vormen en de
faam van zijn schoonheid verbreidde zich door het geheele land.
In Byblos regeerde Koning Malkander en zijn vrouw, Koningin Athenaïs.
Zij gingen naar het strand om den boom te zien, want niets kon men zien
dan bladeren en bloesems, die de kist voor het oog verborgen. Toen gaf
Koning Malkander bevel, dat de boom omgehakt en naar het Koninklijke
paleis gebracht zou worden. Iedereen was verbaasd bij het zien van haar
schoonheid, ofschoon niemand wist, dat ze het lichaam van een God
bevatte.
Isis was buitengewoon bevreesd voor Set. Zijn vriendelijke woorden
misleidden haar niet en zij kende zijn vijandschap jegens Osiris, maar
de groote Koning wilde niet gelooven aan de slechtheid van zijn broeder.
Toen de ziel van Osiris het lichaam verliet, wist Isis terstond, dat hij
dood was, hoewel geen mensch het haar verteld had. Zij nam haar zoontje,
die Harpocrates of het Kind Horus genoemd wordt en vluchtte met hem naar
de moerassen van de Delta en verborg hem in de stad Pé. Oud en grijs was
de stad Pé en ze stond op een eiland; daar woonde de godin Uazet, die
ook Buto en Latona genoemd wordt, want zij wordt aangebeden onder vele
namen. Uazet nam het kind onder haar bescherming en Isis maakte door
haar goddelijke macht het eiland los en het dreeft op de oppervlakte der
Groote Groene Wateren weg, zoodat niemand kon zeggen, waar het te vinden
was. Want zij vreesde de macht van Set, die het kind zou kunnen
vernietigen, zooals hij den vader vernietigd had.
Daar de zielen der menschen geen rust kunnen vinden, voordat de
begrafenisplechtigheden zijn vervuld en de begrafenisoffers zijn
gebracht, reisde zij eenzaam en alleen om het lichaam van haar
echtgenoot te zoeken en het te begraven volgens zijn rang en grootheid.
Vele menschen ontmoette zij, zoowel mannen als vrouwen, maar niemand had
de kist gezien en in deze zaak hielp haar macht niet. Toen bedacht zij,
het aan de kinderen te vragen en dadelijk vertelden zij haar van een
beschilderde kist, die in den Nijl dreef. En tot op dezen dag hebben de
kinderen een profetische kracht en kunnen den wil van de Goden verklaren
en de dingen, die nog zullen komen, vooruitzien.
Zoo kwam Isis, steeds de kinderen ondervragend, te Byblos. Zij zat aan
Groote Groene Wateren en de maagden van Koningin Athenaïs kwamen baden
en spelen in de golven. Toen sprak Isis tot haar en vlocht haar haren en
maakte haar juweelen vast; de adem van de Godin was zoeter dan de geuren
van het Land Punt en hij deelde zijn geur mede aan het haar en de
juweelen en de kleeren van de maagden. Toen zij terugkwamen in het
paleis, vroeg Koningin Athenaïs haar, hoe zij dat reukwerk hadden
gekregen en zij antwoordden: "Eene vrouw, vreemd en bedroefd, zat aan
het strand, toen wij gingen baden en zij vlocht onze haren en maakte
onze juweelen vast en van haar kwam het reukwerk, hoewel wij niet weten
hoe." Koningin Athenaïs ging naar het strand om de vreemde vrouw te zien
en sprak met haar en zij praatten met elkaar zooals moeders praten, want
ze hadden beiden een zoontje; de zoon van Isis was ver weg en de zoon
van Athenaïs was doodziek.
Toen stond Isis, de Machtige in de Tooverkunst, de bekwame Genezende op,
en zeide: "Breng mij bij uw zoon!" Samen keerden de Godin en de Koningin
terug naar het paleis en Isis nam den kleinen Diktys in haar armen en
zeide: "Ik kan hem sterk en gezond maken; maar op mijn eigen wijze wil
ik het doen en niemand mag er zich mede bemoeien."