KLASSE I. INSEKTEN OF GEKORVEN DIEREN.

Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).--De leden zijn tot

drie lichaamsafdeelingen vereenigd: kop, borststuk en achterlijf

(fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de

kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen,

niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden

(fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste ('t voorborststuk) een

paar pooten, en het tweede ('t middenborststuk) zoowel als het derde

('t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het

achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden;

er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.--De bovenvermelde

drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop

dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk

voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor

voeding en voortplanting.

Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen

kant des kops een "samengesteld" oog, d. i. een oog, 't welk uit een

groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien

vindt men bij verschillende insekten nog enkele "enkelvoudige" oogen

boven op den kop.--De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn

zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het

tastgevoel.--De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het

eerste paar (de bovenkaken, fig. 117, Bov.k.) en het tweede paar (de

onderkaken, O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen

bewegen, terwijl de kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk

vergroeid zijn, 't welk de "onderlip" (O.l)] heet. Eene voortzetting

van de huidbekleeding des kops (de "bovenlip", Bl.) steekt meer of

min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de

insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen,

zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze "bijtende monddeelen". Bij

die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij

zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht

(verlengde monddeelen).

De pooten der insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen,

die grootendeels genoemd zijn naar de deelen van een' zoogdierpoot;

toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten

en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan

een' insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korte

heuplid, 2º. den insgelijks zeer korten dijring, 3º. de langwerpige

dij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezette

scheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaanden voet. Het laatste

lid van den voet is van klauwen, soms van zuignapjes voorzien.--De

vleugels (fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee

lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den

vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt

vleugels heeft (in den poptoestand), zijn deze inééngeplooid; maar door

het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich,

bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de

vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig

eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze

wijze worden de laatsten tot "aderen" of "nerven", welke den vleugels

stevigheid verleenen. Bij de kevers zijn de voorvleugels geheel en al

hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere

achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar

vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels

(bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers

en sprinkhanen) 't geval zijn.

Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere

insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke

echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede "achterlijfspooten", in

tegenstelling met de gelede "borstpooten" (fig. 114). Bij de volwassen

insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm)

aanhangselen aan het laatste lid van 't achterlijf; ook draagt het

achterlijf eene legboor bij zulke insekten, welke hunne eieren in een

bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.--

De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele

soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen

ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren

komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen

op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten

echter ontwikkelen zich met gedaanteverwisseling of metamorphose;

d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand

zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor

behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote

hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel

kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De

gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn

dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke

diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige

uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten;

deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven. Maar de sterke

vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens

bij uitzondering niet ongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in

massa's, 't welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen),

en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan

onze gewassen berokkent.

Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: de volkomene

en de onvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen

poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel

opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;--onvolkomen noemt men de

metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en

het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand

eenigszins van gedaante verandert.--Het woord "vervelling" dien ik

hier nog nader te verklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren

bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het

einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid

afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid,

die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis

in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.

Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de

vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt

hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de

voorlaatste vervelling komen kleine "vleugelstompjes", of liever

"vleugelscheeden" (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen

welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook

de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste

vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in

de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige

gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen

dier; veel meer dan bij die insekten 't geval is, welke eene volkomen

gedaanteverwisseling doorloopen. (Zie fig. 122).

De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den

poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang. Van

het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende

geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den

winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in

den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een

half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij

de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de

ontwikkeling.

Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt

het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts

eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt

(zie bl. 26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies

aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer

voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot

vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde "vetlichaam"

der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze

reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt

eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan

eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.

De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer

verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in: rupsen, ware

larven en maden. De maden (fig. 123, b, c) zijn pootloos en hebben

geen' duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. De

ware larven hebben wèl een' harden kop, die van de overige deelen

van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben

borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten

echter bezitten zij niet, hoogstens aan 't uiteinde van 't achterlijf

een paar ongelede lichaamsaanhangselen. De rupsen (fig. 114, 120, a)

hebben een' duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten

en een verschillend aantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidt

ware rupsen, die later in vlinders veranderen, en bastaardrupsen,

die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124)

hebben een' kogelronden kop en bezitten 6-8 paar achterlijfspooten;

bij de eersten (fig. 119, 120, a) is de kop plat en bedraagt het aantal

achterlijfspooten 2-5. De gang der rupsen staat in nauw verband met

het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus

verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het

geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden

zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten,

dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt

dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is 't geval

bij de zoogenoemde "spanrupsen", die slechts 2 paar achterlijfspooten

bezitten (fig. 144, c).

De poppen zijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der

afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren

(fig. 119, 120, c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder

lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen)

afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt men bedekte, de

laatsten onbedekte poppen.--Vele poppen zijn naakt (fig. 119, 121);

andere zijn omgeven door eene cocon (fig. 120, b) of door de larvehuid

(fig. 123, d). 't Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen:

als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden

toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, 't

welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door

eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden

wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen

niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen

of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.

Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden:

1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of

Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen,

6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of

Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.

Orde Schildvleugeligen of Kevers.

Bijtende monddeelen (bl. 131). Een groot voorborststuk, dat met het

middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd

tot harde "dekschilden", die in den rusttoestand alleen den kop, het

voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het

"schildje") en soms het uiteinde van 't achterlijf onbedekt laten. De

achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder

de dekschilden samengevouwen.--Gedaanteverwisseling volkomen. Larven

met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.

Van de talrijke familiën noem ik de volgende.

Loopkevers (fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige

sprieten, krachtige kaken.

Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in 't geheel niet. Larven

langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond

op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over

't geheel nuttig.--

Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het

geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die

der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende

insekten of met rottende organische zelfstandigheden.--

Knotssprietigen hebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan

de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. de aaskevers en doodgravers,

die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de

doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren

in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als

larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen

behooren verder: de koolzaadglanskever, het frambozenkevertje,

het bietenkevertje.--

Bladsprietigen (fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn

de laatste 3-7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een

knotsje. De larven ("engerlingen", fig. 121) zijn dik, krom gebogen;

zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of

in mest.--Hiertoe behooren o. a. de meikever en het rozenkevertje;

ook de mestkevers en het vliegend hert.--

Kniptorren zijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer

lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer

driehoekig zijn ("zaagvormige sprieten"). Op den rug liggende,

springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt

het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden-

en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna

licht het de neergebogen einden van 't lichaam weer op, waarbij

de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor-

en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor

door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het

voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist

past in eene groeve, die in 't middenborststuk aanwezig is. Ligt

de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar

boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het

midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel

weer in de groeve terug.--De larven der kniptorren ("ritnaalden",

"koperwormen") zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van

kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan

't laatste lid van het achterlijf.--Van sommige kniptorsoorten leeft

de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk

aan graan en vele andere kultuurgewassen.--

Snuittorren (fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop,

aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in

stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om

voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin

zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen

(fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden,

nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet

kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven

(fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.--Vele schadelijke soorten,

als: erwtenkever, boonenkever, bladrandkever, appelbloesemkever,

dennensnuittorren, graanklander.--

Schorskevers zijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij

dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner

is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.--De larven

gelijken veel op die der snuitkevers.--De moederkever boort een gat

door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár

uit een of meer gangen ("moedergangen"), aan weerskanten waarvan

zij hare eieren legt. De larven graven "larvengangen", welke voor

't meerendeel loodrecht op de moedergang staan, en die steeds wijder

worden, naarmate de larve groeit. Aan 't einde van den gang verpopt

de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen

naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding

tusschen bast en hout verbroken, bast en teeltweefsel grootendeels

vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:

dennenscheerder, iepenspintkever, enz.--

Boktorren hebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren

gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in

't hout. Sommige soorten (o. a. de populierboktor) zijn schadelijk.--

Goudhaantjes of bladkevers (fig. 130) zijn gedrongen van vorm,

aan de rugzijde bol. De larven leven voor 't meerendeel buiten op

de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten;

enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar

pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze

familie behooren o. a. lelietorretje, aspergekevertje, elzenhaantje,

Coloradokever, schildpadtorren, ook de springende aardvlooien.--

Lievenheersbeestjes (fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken

veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten,

evenals de volwassen kevers, bladluizen.

Orde Rechtvleugeligen.

Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig,

in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid

(fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl. 134).--Men

onderscheidt loopende en springende rechtvleugeligen.

Tot de loopende rechtvleugeligen behooren oorwormen en kakkerlakken

(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);--tot de springende

rechtvleugeligen: de veldsprinkhanen (zonder sabelvormige legboor),

de sabelsprinkhanen (met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), de

krekels (rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën

meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren

de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen

zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;--tot de krekels o. a. de

huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).

Orde Gaas- of Netvleugeligen.

Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend,

met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling

onvolkomen of volkomen (bl. 134).

Eene onvolledige gedaanteverwisseling hebben: de in warmere streken

levende termieten; de haften en glazenmakers, welker larven in 't

water leven (fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten,

waaronder vele schadelijke;--de termieten zijn door hunne vernielzucht

zeer bekend.

Eene volledige gedaanteverwisseling doorloopen: de gaasvliegen,

de schorpioenvliegen, de kokerjuffers. De gaasvliegen bezitten

in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken,

waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen,

terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen

opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de

mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje

in 't zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit

kuiltje vallen (vooral mieren).--De schorpioenvliegen dooden in de

vlucht vele insekten.--De kokerjuffers leven als larven in 't water,

en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of

schelpen samenstellen.

Orde Vliesvleugeligen.

Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl. 131), de laatsten tot

bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij

sommige soorten een' soort van snuit vormend, geschikt om honig uit

de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen

minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor

't oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren)

of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten:

't zij om houtdeelen stuk te maken, die voor 't bouwen der nesten

worden gebruikt (wespen), 't zij om eene opening te maken in dieren of

plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), 't

zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen

(brombijen).--Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig

nerven.--Gedaanteverwisseling volkomen (bl. 134). Larven bij vele

familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).

Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan

zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechts voor

het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten

dient zij slechts voor 't laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen

plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan

vervormde legboor wordt "angel" genoemd.--De bij andere insekten in

't achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid

afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient,

zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.

Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen,

ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle

mieren, vele bijen en wespen) vormen staten, welke soms uit duizenden

individu's bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van

den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijke

voortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen,

steeds onvruchtbare werkdieren of arbeidsters vindt: vrouwelijke

individu's met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen

ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen,

kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van

vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken

staat aanwezig dan de voortplantingsindividu's.--

Familie der bijen. Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee

honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard

dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of

met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor 't vasthouden van

het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen

en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en het eerste,

bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen

dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.--De in

staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde

van de werkbijen in schilfers zich afscheidt), van zandkorrels,

hout of deelen van bladeren.

Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige

rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.

Beginselen der dierkunde · 第 17 / 28 题