Familie der wespen. Monddeelen als bij de bijen. Ook
angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den
rusttoestand overlangs opgevouwen.
De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort
van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te
kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter;
alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in
holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In 't voorjaar begint
iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren
en voedt zij de larven. Eerst later in 't jaar wordt zij bij den
nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen
uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters,
en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).
Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwer loopt kans,
dat hij zulke nesten bij 't ploegen vernielt en dat hij en zijn paard
dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken
tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen
als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;--inwrijven met
salmiak;--een compres met loodazijn).--
Familie graafwespen. Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen;
maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De
graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den
grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt,
't welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat
het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting
overga, brengt de graafwesp het vooraf in een' toestand, waarin het
geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken
de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in 't lichaam
en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl. 129); daardoor wordt
het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.--Sommige
graafwespen begraven rupsen (de rupsendooder), anderen snuittorren
(de snuittordooder), weer anderen vliegen (de vliegendooder). Dat
aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).--
Familie mieren. Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet
snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en
vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk
verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de
arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een' angel en
steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen
den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de
bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf
en spuiten het vergift in de wonde.
Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende 't grootste gedeelte
des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en
poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn
vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een'
zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes
laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, 't zij dat
zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haar worden uitgetrokken door
de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen
begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze
ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van "miereneieren"
als vogelvoer gebruikt.--De mierennesten bestaan uit dennenaalden of
kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van
boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.
Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk;
andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere
schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen;
vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit
hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare
sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te
bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen
overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer
deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer
naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen
in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.--
Familie sluipwespen. De sluipwespen leggen hare eieren in larven of
poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel,
't welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl. 136); eerst
wanneer zij bijkans volwassen zijn en op 't punt van te verpoppen,
verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,--of wel zij verpoppen
binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar
buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen
bewoonde insekt.--Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen
verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft
eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven
naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige
cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn
komt, is in C afgebeeld.--Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich
sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot
getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen,
eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.--
Familie bladwespen. Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer
lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde
vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het "dunne middeltje" der
wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het
achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient
om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen,
in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn "bastaardrupsen"
(zie bl. 138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten,
buigen in rust gaarne haar lichaam C-vormig inéén; sommigen heffen,
als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen
het over den kop heen naar voren.--Als de bastaardrupsen volwassen
zijn, spinnen zij zich, 't zij aan de planten, waarop zij leefden,
't zij in den grond, eene ovale cocon.--Voorbeelden: knollenbladwesp,
bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.
Orde Vlinders of Schubvleugeligen.
Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven,
zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze
met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die "roltong" wordt
genoemd (fig. 139, g), en waarmee honig uit de bloesems wordt opgenomen
(fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige
schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer
sprekende, soms meer doffe kleuren.--Gedaanteverwisseling volkomen
(bl. 134). De larven zijn rupsen (zie bl. 137), de poppen zijn bedekt
(bl. 138).--
Familie dagvlinders (fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed,
in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen
elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.--De
rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde
dorentjes bekleed.--Poppen naakt, hoekig.--Voorbeelden: Koolwitjes
(fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.--
Familie pijlstaartvlinders of avondvlinders (fig. 140). Lichaam forsch
maar niet plomp. Vleugels lang en smal.--Rupsen onbehaard, doorgaans
een horen op het laatste lid van 't achterlijf "pijlstaartrupsen",
fig. 114).--Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden:
dennenpijlstaart, doodshoofduil.--
Familie spinners (fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij
de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes
ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels
bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes
flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats,
waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht
bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van
de schors, de ringelrupsvlinder in een' ring rondom een twijgje
(fig. 142).--De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus
in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,
waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte
van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.--De rupsen
van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen
(zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts
een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is
(nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten
schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.--
Familie uilen (fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard
lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet
bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel
zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten
doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder
eitje afzonderlijk.--Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans
in den grond; geene cocon.--Vele soorten zijn voor den akkerbouw en
den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups),
slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).--
Familie spanrupsvlinders (fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf,
met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben
de wijfjes geene (fig. 144, b) of slechts zeer kleine, voor 't vliegen
onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige
sprieten.--De rupsen zijn "spanrupsen" (zie bl. 138). Tot deze familie
behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke
wintervlinders (fig. 144).--
Familie bladrollers (fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde
vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!),
in 't inwendige van vruchten (de rups in de "wormstekige" appelen en
die in de "wormstekige" pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).--
Familie motten (fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle
vleugeltjes, door een' franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden
zich met bladeren ("spinselmotten" in appelboomen en meidorens);
anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren
(kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.
Orde Halfvleugeligen.
De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen
alles te zamen een' zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een'
geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn
(de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes
zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel
of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in
de lengte gegroeid.--Bij vele soorten van halfvleugeligen (land-
en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig
en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels
vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,
fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig
nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen)
hebben in 't geheel geene vleugels.--Gedaanteverwisseling onvolkomen
(bl. 134).
Tot de halfvleugeligen behooren o. a. de weegluis, de frambozenwants
(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchten haren
afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten van waterwantsen
(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers);
eindelijk de bladluizen en de schildluizen.--
De bladluizen (fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een'
langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde
en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en
vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren,
welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in
't volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn
allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen
ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen
van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door
één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander
opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er
zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt,
terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In
den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.--Daar
de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen,
kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer
schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen
opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en
vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort,
die in de onmiddellijke nabijheid der moeder den zuigsnuit in het
zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort
te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls
uit honderden stuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel
schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen
sterven; vóór 't echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren
verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen
uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren,
die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben
gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer
en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere
generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde
exemplaren.--Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben
(spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en
hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij
door wind en regen soms in massa's gedood worden, komen zij slechts
nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor,
dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de
oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij
den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende,
klevende vloeistof ("honigdauw") van zich geven, welke, als zij in
kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes
der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook
hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk
sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen;
zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van "roetdauw", "het zwart"
en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.--
De schildluizen zijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit
van pootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen
de larfjes zich met haren snuit aan een' twijg, een' tak of een'
stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan
ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook
wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt,
dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden
beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke
de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo'n schild tot
een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje,
dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden
voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos
en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het
schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen
beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor
den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis,
maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok)
vindt men vele schadelijke soorten.
Orde Blaaspooten.
Zeer kleine insekten met een' eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij
de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen
tevens uitzuigen.--De vier smalle vleugels hebben lange franje aan
de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De
uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als
zuignappen dienst doen.--Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl. 134).--In
sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan
vliegen zij--vooral op zeer warme dagen--in grooten getale in zwermen
rond.--Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems,
aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.
Orde Tweevleugeligen.
Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg,
vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen
(steekmuggen, dazen) ingericht.--Alleen de voorvleugels zijn
ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine,
kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).--Gedaanteverwisseling
volkomen (bl. 134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen'
duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van
de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten
veranderen in bedekte poppen (bl. 138); de koplooze maden verpoppen
binnen hare eigen larvenhuid.
Familie der muggen (fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne
pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,
krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen
geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich
op planten bevinden. Van andere soorten steken noch de wijfjes noch
de mannetjes (galmuggen, langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en
krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in
vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken 't meest
voorkomen.--Van de langpootmuggen leven de grauwe larven ("emelten"
of "grauwe wormen") òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw-
en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke
't laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)--Galmuggen zijn klein,
de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij
breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit
een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het
wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen
legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene
opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug),
soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der
aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de
gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.--
De familie der dazen of bremsen bestaat uit groote of middelmatig
groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een' flink gebouwden
kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed
en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven
leven in den grond en zijn onschadelijk.--Paardendaas, runderdaas,
regendaas, goudoogdaas.--
De familie der roofvliegen zijn meer slank en dun dan de dazen,
met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen
hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en
de huisdieren laten zij met rust.--
Familie zweefvliegen. Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig
gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden
zich soms een' tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande
of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De
larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg,
narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water ("gootmaden");
de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die
zij uitzuigen.--
Ware vliegen hebben een' zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In
hoofdzaken komen zij met de zwarte kamervlieg in bouw overeen. Behalve
deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie:
de blauwe bromvlieg en de vleeschvlieg, welker maden in gekookt of
rauw vleesch leven,--de schapenvlieg, die als made in de huid en in de
daaronder gelegen deelen van 't schaap parasiteert,--de bloemvliegen,
welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg,
uienvlieg, bietenvlieg),--de groenoogen, die als made in grasachtige
gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),--de parasietvliegen,
welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de
huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie
bl. 153),--de horzels (fig. 123), die als made in de maag of den darm
(paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid
(runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.--
Luisvliegen. Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen
voorpooten, geschikt voor 't klauteren in de haren van de dieren,
waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige
soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn
ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde
"schapenluis" of "schapenteek", die eigenlijk schapenluisvlieg moet
worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware
schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made
reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit is ook
bij enkele andere insekten 't geval, o. a. bij de schapenhorzel
en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot
ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpopt onmiddellijk
na hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich
voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de
luisvliegen. Telkens verlaat zoo'n insekt, om eene made ter wereld
te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene
reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere
beschutte plaats geboren.
Orde Vlooien.
Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te
steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen
gedaanteverwisseling (bl. 134): larve met een' duidelijken kop, maar
pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewone menschenvloo leeft
in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De
vlooien zijn tijdelijke parasieten.
Orde Luizen.
Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel
gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die
bloed zuigen) of bijtend (vacht- of haarluizen, die stukjes haar of
huidschilfers eten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of
zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren
te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.
Orde Spring- en Franjestaarten.
Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten,
met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde
van 't achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf
een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het
lichaam naar voren wordt gestoken en voor 't springen gebruikt wordt
(springstaarten).--Tot de franjestaarten behoort o. a. de suikergast;
tot de springstaarten behooren de geslachten Podura, Smynthurus, enz.