Visschen zijn koudbloedige dieren, die hun geheele leven lang door
kieuwen ademen. Het hart bestaat uit slechts ééne kamer en ééne
voorkamer (zie blz. 37, 38). De kop sluit zich onmiddellijk aan den
romp aan, zoodat een hals ontbreekt (fig. 111). De visschen bewegen
zich hoofdzakelijk met den staart, aan welks uiteinde de staartvin
geplaatst is. Met de rugvin (-vinnen) en de achter de aarsopening
gezeten aarsvin ligt deze laatste in het middenvlak van den visch,
terwijl de aan den schedel bevestigde borstvinnen zoowel als de
buikvinnen "parige" lichaamsaanhangselen zijn, die zich min of meer
met het twee paar ledematen der overige Gewervelde dieren laten
vergelijken.--Het skelet der meeste visschen (snoek, baars, karper,
paling, schol) bestaat uit been; bij eenige vischsoorten (haai, rog)
is het kraakbeenig.--De huid is bij verreweg de meeste visschen met
schubben bedekt.