KLASSE IV. AMPHIBIËN.

De Amphibiën zijn koudbloedig, en wel om dezelfde reden als de

Kruipende dieren (bl. 41). Huid naakt, vochtig, veelal slijmig;

door haar heen neemt het bloed zuurstof uit de lucht op, en, hoewel

er ook andere ademhalingsorganen aanwezig zijn, treedt dus ook de

huid mee in dienst van de ademhaling.--De Amphibiën doorloopen eene

gedaanteverwisseling; d. i. reeds vóór de jongen den vorm hebben

aangenomen, dien de volwassen dieren hebben, verlaten zij het ei,

nemen zelven hun voedsel op en leiden aldus een zelfstandig leven. Als

voorbeeld wil ik hier de gedaanteverwisseling van den bruinen of

landkikvorsch bespreken (fig. 109). Het ei bestaat uit eene donkere

massa, zoo groot ongeveer als een bakerspeldeknop, omgeven door een'

dunnen wand. Maar zoodra de eieren in 't water komen, neemt hun wand

eene groote hoeveelheid water op en neemt daarbij een' veel grooteren

omvang aan (a); zoodat de door éénen kikvorsch gelegde eieren met

elkander eene massa "kikkerdril" vormen, dubbel zoo groot als de

kikvorsch zelf. De donker gekleurde inhoud van 't ei, aanvankelijk

rolrond, wordt langwerpig (b); en weldra ontstaat daaruit een larfje,

dat zich door den eiwand heenwerkt en zich in 't water begeeft. Aan

dit larfje (c), dat spoedig den vorm van een vischje krijgt (d),

vindt men eenigszins vertakte huiduitstulpingen, door welke heen

zich een stroom begeeft van bloed, hetwelk uit het omgevende water

zuurstof opneemt. De bedoelde huiduitstulpingen noemt men kieuwen;

en daar zij niet, als bij de visschen, alleen door eene kieuwspleet

met de omgeving in verbinding staan, maar uitwendig gezeten zijn,

noemt men ze uitwendige kieuwen. Weldra vormt zich een huidzoom

(d), die vooral den staart omgeeft, zoodat een ware "roeistaart"

wordt gevormd. Intusschen ontstaan inwendige kieuwen, terwijl

de uitwendige verdwijnen. Dan zijn de larfjes ("donderpadjes")

geheel vischvormig. Spoedig ontstaan ook de ledematen; eerst de

achtersten (e), een' heelen tijd later de voorsten (f). Terwijl

nu de longen gevormd worden, vernauwen zich de kieuwspleten, die

zich later geheel sluiten;--de staart wordt kleiner, terwijl kop

en romp snel in omvang toenemen. Weldra verlaat nu ook het dier,

dat reeds geheel op een' kleinen kikvorsch gelijkt, het water (g),

en spoedig verdwijnt nu de staart geheel en al (h).--In hoofdzaken

komt de gedaanteverwisseling (metamorphose) van alle Amphibiën met

die van den kikvorsch overeen.--De dieren dezer klasse begeven zich,

met weinige uitzonderingen, in 't voorjaar in 't water om zich voort

te planten; hoewel zij in de overige deelen des jaars op 't land leven,

vindt men ze toch zonder uitzondering slechts op vochtige plaatsen.

Tot deze klasse behooren de volgende inlandsche soorten:

de bruine of landkikvorsch (fig. 109, A), de groene of

waterkikvorsch (B), de boomkikvorsch, de padden, ook de land- en

watersalamanders.--Kikvorschen en padden bezitten in den volwassen

toestand geen' staart, en vrij lange pooten; de salamanders hebben

in den volwassen toestand wèl een' staart en betrekkelijk korte

pooten. De salamanders (fig. 110) zijn eenigszins hagedisvormig,

maar verschillen van de hagedissen doordat zij niet met schubben

bedekt zijn.--Kikvorschen en padden eten vele insekten en slakken;

zij vangen hunne prooi door het plotseling uitwerpen van hunne

slijmige tong (fig. 109, A), waaraan het dier, dat zij willen vangen,

vastkleeft; zij trekken daarna de tong weer in en slaan die in den

mond om. Zij doen als insektenverdelgers zeer veel nut. Daarom is het

zeer te bejammeren, dat bij ons te lande niet wordt tegengegaan de

kikvorschmoord op groote schaal, die soms vooral in het Zuiden van

Nederland wordt uitgeoefend door personen, die kikkerbilletjes aan

de Parijsche restaurants willen leveren.--Padden, die zich onder 't

loof der aardbezieplanten ophouden, worden vaak met een wantrouwend

oog aangezien; terwijl toch de pad geene stukken van de aardbeien

afvreet, maar juist de slakken verdelgt, die dit doen.

Beginselen der dierkunde · 第 14 / 28 题