De dieren, die tot deze klasse behooren, zijn koudbloedig, ten gevolge
van de vermenging van het slagaderlijke bloed der linker harthelft met
het aderlijke bloed der rechter harthelft. (Vgl. bl. 40). Terwijl
zij in dit opzicht met de volgende klasse (die der Amphibiën)
overeenstemmen, verschillen zij ervan o. a. doordat zij niet als
dezen eene naakte huid hebben, maar met schubben of schilden bedekt
zijn.--Zij doorloopen ook geene gedaanteverwisseling, zooals de
Amphibiën doen. Het reptielenei is ongeveer als het vogelei gebouwd;
echter is de schaal niet zoo hard en broos, maar meer buigzaam, doordat
er geen kalk in is afgezet. Het ei wordt òf door de zonnewarmte,
òf door de in mest of rottende bladeren zich ontwikkelende warmte
uitgebroed. Ook zijn er Kruipende dieren, die hunne eieren in 't
lichaam houden tot het oogenblik dat de jongen worden geboren (adder).
Tot de Reptielen brengt men de volgende orden: krokodillen,
schildpadden, hagedissen, slangen. Tot de eerste twee orden behooren
geene inlandsche vertegenwoordigers.
Hagedissen hebben voor 't meerendeel 4 pooten; zij hebben oogleden en
uitwendige gehooropeningen; zij bezitten een borstbeen en alleen aan
de voorste rompwervels ribben. Zij kunnen hunnen bek niet zoo wijd
openen als de slangen.--Inlandsch zijn eenige soorten van hagedissen
(fig. 105) en de pootlooze hazelworm (fig. 106).
Slangen (fig. 107, 108) hebben geen pooten, geen oogleden noch
uitwendige gehooropeningen, geen borstbeen, ribben aan alle
wervels; zij kunnen door eene bijzondere inrichting den muil zeer
wijd openen en aldus veel grooter dieren als spijs opnemen dan men
zou verwachten.--Inlandsch zijn: 1º. de niet vergiftige ringslang
(blauwachtig grijs met zwart en wit gevlekten buik; een zwarte en
een witte band om den hals), die op 't land en in 't water leeft,
2º. de evenmin vergiftige gladde slang (bruin met zwarte vlekken),
3º. de giftige adder (fig. 108). Deze laatste heeft een' breeden, aan
't vooreinde stompen kop,--een lichaam, dat bij den staart plotseling
smaller wordt,--eene groengrijze of bruinachtige kleur, en over den
rug een' zwarten zigzagband of eene reeks van zwarte ruitvormige
vlekken. Lengte 1/2 M. De beide haakvormige giftanden zitten vóór in
de bovenkaak; bij het openen van den muil veranderen zij van stand
en komen loodrecht op de bovenkaak te staan. Zij zijn doorboord door
een kanaal, dat van de gifklier komt, zoodat het vergif onmiddellijk
in de beide door de tandjes gemaakte wonden geraakt. De beet van
de adder is gevaarlijk en kan doodelijk zijn. Het vergif werkt
echter alleen nadeelig, wanneer het in het bloed wordt uitgestort;
niet wanneer het in den darm komt.--Ofschoon de adder nut doet door
't verslinden van vele veldmuizen, moet zij wegens het gevaar, dat
zij voor den mensch oplevert, zooveel mogelijk worden uitgeroeid.