KLASSE I. ZOOGDIEREN.

Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met

haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij

na de geboorte een' tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan

den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren

hebben, die melk afzonderen.

Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader

ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen

in Hoofdstuk I (bl. 1-29) over den bouw van het dierlijke lichaam is

meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de

verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het

skelet betreft, zij naar bl. 5 verwezen. Slechts op enkele punten wil

ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid

veel kleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de

kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl. fig. 5 met fig. 33). Het

aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere

soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een

verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken

poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo

ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten

van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap

(fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling

zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne

teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen

bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond

niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde

nog twee kleine ("rudimentaire") teenen. Ook bij 't varken (fig. 29)

zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste

(buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in 't

algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is

één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard

heeft één stevig middelvoetsbeen ("pijp"), waaraan een teen vast zit,

en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen ("griffelbeentjes",

fig. 30), welke geene teenen dragen.--Bij het rund, het schaap en de

geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een

middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen

van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).--Wat

betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op

den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl. 12.

De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant, en wel

in bepaalde uithollingen, welke men "tandkassen" noemt. Den bouw van

eenen zoogdiertand kan men uit fig. 31 leeren kennen. Men onderscheidt

aan zoo'n tand in de eerste plaats de zoogenoemde "tandholte" (p),

welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die

bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door het tandbeen

(d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van

den tand bestaat. Het nog hardere email of glazuur (e) bedekt bij

den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele "tandkroon",

d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te

voorschijn komt. De "tandwortel", d. i. het gedeelte van den tand,

dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde "cement"

(c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één'

wortel, andere hebben er meer.

Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met

glazuur bedekt is, noemt men bedekte tanden; er zijn echter Zoogdieren,

bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte

voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde

plaatsen (in den vorm van "plooien") glazuur over de oppervlakte

verbreid is. Zulke "geplooide" kiezen vindt men alleen bij de

plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).

Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de

kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden,

nl. de snijtanden, de hoektanden en de maaltanden of kiezen. De

snijtanden dienen in 't algemeen om het voedsel af te bijten; zij

hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn

in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak

staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36,

h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn dan ook vooral groot

bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi

stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt

men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in

't geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De

hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar

dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.--Op de hoektanden volgen

de kiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken

te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen

inwerken. (Vgl. bl. 24). Bij de vleescheters is het voldoende dat

de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters

echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden

voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later

zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij

geheel fijngemalen is. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet

op en neer, maar van de rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo

worden dus bij 't kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen

van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen

deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder

is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten

der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger

uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het

fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)

De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte

hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop

van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door

te zeggen: de snijtanden en hoektanden "wisselen". Die, welke 't eerst

verschijnen, heeten melktanden; de later komende noemt men blijvende

tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke 't naast aan de hoektanden

grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt

men "valsche", de laatstbedoelde "ware kiezen" (fig. 36).

Het aantal tanden van verschillende soort is bij de onderscheiden

zoogdiersoorten op verre na niet gelijk. Men drukt dit aantal uit

door eene zoogenoemde "tandformule", waarin men doorgaans slechts de

helft van het aantal tanden opschrijft, beginnende met de middenste

snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve

getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in

de onderkaak.

2 + 1 + 5

Tandformule van den mensch ---------

2 + 1 + 5

0 + 0 + 6

het rund ---------

4 + 0 + 6

3 +(1)+ 6

het paard ---------

3 +(1)+ 6

3 + 1 + 6

den hond ---------

3 + 1 + 7

Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat

dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft,

in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in

iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden

van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat deze kunnen voorkomen

(bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.

Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een' beperkten groei,

d. i. zij zijn op een' bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals

ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen

tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met

de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde

"slagtanden" van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der

varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de

slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen

voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage

van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen

deze steeds in lengte toe.--

Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke

hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen,

3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren,

7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of

Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren,

13. Vogelbekdieren.

Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.

Orde Roofdieren.

In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan

iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De

valsche kiezen (bl. 47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde

"scheurkies") zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat

hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele

oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is

dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet

heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche

kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de

daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen

komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan

gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte

echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen

van den mensch (fig. 38, knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen

stuk te knippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren,

welke voor 't verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht

(kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo

goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor 't

stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij 't geledingsgewricht

der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer

kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een

kenmerk van de 't best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn

ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde

zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate

zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor

een deugdelijk roofdier.

De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De

roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien

scherp.

Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. die der

landroofdieren, 2o. die der zeeroofdieren. Tot de laatsten, welke

ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot

de eersten o. a. de familiën der katachtigen, der hondachtigen,

der marterachtigen, der beren.

Familie der katachtigen.

Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen,

met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34),

terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in 't geheel

geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige

uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij

gaan alleen op de teenen (bl. 12). Op de volgende wijze bewaren zij

hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de

klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht,

en wordt in dezen stand gehouden door een' elastischen band, die

naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen

gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor

de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de

vacht te voorschijn komt.--De katachtigen hebben eene zeer buigzame,

bewegelijke ruggegraat, die hun bij 't klimmen en bij 't springen van

hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren,

die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in 't

schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.

Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals

leeuwen, tijgers en panthers; ook de huiskat, die niet afstamt van

de in de Midden-Europeesche wouden levende wilde kat, maar van de in

Nubië en Soedan levende Nubische kat. De kat is op verre na niet zoo

lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak:

zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in

vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden

kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden

gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen

hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren;

maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw

of later ingevoerd.

Familie der hondachtigen.

Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen

minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde

tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl. 51); de klauwen kunnen niet

worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.

Tot de hondachtigen behooren o. a. de hond, de wolf (die sedert

ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en de vos. De

verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde

pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager

op de pooten en hebben zij een' langeren, zwaarder behaarden staart.

Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men

hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o. huishonden

(herdershond, keeshond), 2o. zijdehonden (zijdehond, Bologneserhondje,

Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o. taksen of dashonden,

4o. jachthonden (staande honden, parforcehonden), 5o. bullebijters

(mops, bulhond, doggen), 6o. windhonden. Men kan den stamvorm niet

aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk

zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.

De vos is met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur. In

Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons 't meest voor,

in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche

holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang

naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben

vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en

engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden

doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.

Familie der marterachtigen.

Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein

en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen

scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool,

dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en

de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te

kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.

De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan

't achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof

afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde

als bont.

Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levende

boommarter en de in schuren nestelende steenmarter of het fluwijn. De

laatste vernielt heel wat pluimgedierte.--Meer komen hier voor de

bunsing, de groote wezel of het hermelijn en de kleine wezel. De

bunsing (ulk, mud, meert), om zijn' stank bijzonder bekend, doet nut

als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin

in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen

wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde van den staart. Vooral

de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt

meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook

eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen,

patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut

dan schade.

Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader

door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput

neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander

dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken

zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen

gedoode dieren ook opaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het

toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig

veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat

een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt,

dit--als hij niet gestoord wordt--geheel leeg moordt.

De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de

andere marterachtigen.

De otter heeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in

waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.--De plompe,

dikke das komt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.

Orde Insekteneters.

Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden,

zijn de insekteneters in 't algemeen klein van stuk. Die soorten,

welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet)

zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen

op of in den grond. De neus is tot een' snuit verlengd (fig. 44),

en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den

grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol,

spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon

heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen

de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die

der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen

de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt,

dat het heeft aangegrepen. (Het gebit van de dieren dezer orde is

gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).--De ooren zijn bij de in

den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan

op de geheele voetzool (bl. 12).

Inlandsche vertegenwoordigers zijn: spitsmuizen, mol, egel.

Spitsmuizen of molmuizen (fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende

diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware

muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en

andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten,

welke in den grond leven.

De mol (fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De

voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den

grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den

kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol

gaat in den morgen, op den middag en in den avond uit om de insekten

en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar

van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, 't

welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige

gewassen schadelijk; maar in 't algemeen kan men zeggen, dat hij meer

nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een'

of anderen grooten "molshoop". Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst

uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met

"jagen" doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men

een' doolhof van gangen (f, g, h), die de vijanden, welke den mol

in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een'

dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang

(b) naar den tunnel (a), een' langeren of korteren gang, die naar

het soms op tamelijk grooten afstand gelegen "jachtveld" leidt. De

wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard;

maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijne prooi te vangen,

storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich

dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de

bodemoppervlakte, en doet aldus "molleritten" ontstaan. In den winter,

als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen

zijn, graaft de mol insgelijks dieper.

Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als

wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden

berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want

de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door

den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.

De egel (fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen;

hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een' bal

inéénrolt, waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den

aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op

de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een'

winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen

is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een

kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.

Orde Vleermuizen.

Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven

alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit

verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet

in den grond leven, hebben zij geen' snuit. Het 't meest in het oog

vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen

van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met

uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange

vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de

beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige, voor

vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren

zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich

op haar tastgevoel, 't welk, behalve in het vliegvlies, ook in de

groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen

aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De

vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen,

in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke

plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij

nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders

en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.

Orde Knaagdieren.

In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds

doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze

snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en

achteruit wordt bewogen. Bij 't knagen slijten de snijtanden aan den

achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene

dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt

aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden

onbeperkt is, valt duidelijk in 't oog, wanneer door de eene of

andere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen,

bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak

staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en

vormen zoogenoemde "olifantstanden" (Zie fig. 51).

De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere

planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl. 45, 46); bij die, welke

nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen,

eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.

Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de

voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.

De dieren dezer orde hebben voor 't meerendeel een sterk

voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te

verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.

Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:

haasachtigen, muisachtigen, woelmuisachtigen, eekhorens.

Familie der haasachtigen.

Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de

bovenkaak.--Geplooide kiezen.--Ooren lang, lepelvormig.--Bovenlip

gespleten.--Snorharen.--Twee inlandsche soorten: haas (fig. 41)

en konijn.

De haas is grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig

grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.--De haas komt in

alle streken van ons land voor: op zand, veen en klei. Het wijfje

werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen

open hebben, in een open "leger".--De haas eet zelden veel voedsel

(kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten)

op dezelfde plek van een' akker; doordat hij nu hier, dan daar een

plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in

't oog dan die van 't konijn.

Het wilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig

grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan

de haas.--Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en

blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.--Het konijn

komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor 't

graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond

deugt daarvoor ook al weer niet. 't Konijn is dus zeer plaatselijk

in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).--De schade valt meer

in 't oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en

dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer

schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt

van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van

kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de

sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van

boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.--De

tamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn,

stammen allen van het wilde konijn af.

Familie der muisachtigen.

De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende

familie); maar zij hebben in 't algemeen een' slankeren lichaamsbouw,

langere pooten, een' meer spitsen kop, een' langeren staart (met

uitzondering van den hamster, die een' zeer korten staart heeft).--De

achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de

meer huppelende beweging (fig. 52).

In ons land komen voor: de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis,

die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,--de

dwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout,

enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,--ten

slotte de boschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte

buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen,

maar ook op 't veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel

als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.

De kortstaartige hamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de

rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In

ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigronden van

Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral

veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.

Familie der woelmuizen.

Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl. 63.

Inlandsche soorten zijn de waterrat en de veldmuis.

Men verwarre de waterrat (fig. 54) niet met de bruine rat (fig. 52),

die, daar zij soms te water gaat, wel eens "waterrat" wordt genoemd. De

echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes,

kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en

akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij

de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk

graankorrels, aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen

ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat

heeft eene lengte van 1 1/2 dM. zonder den staart; zij is bruingrijs

of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men

"vreetwolf" of "aardwolf" noemt, komt op hoogere gronden voor en

doorknaagt den voet van boomstammen.

De veldmuis (fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is

geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in

streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en

lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen

vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden

soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in 't midden van den

zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert, is

gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in 't midden of in de

tweede helft van den zomer groot te worden.

Familie der eekhorens.

De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te

kennen. Het gewone eekhorentje (roodbruin van kleur) is in onze

bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. 't

Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de

eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze

veel schade. (Fig. 56.)

Orde Eenhoevigen.

Deze orde bevat slechts ééne familie: die der paardachtigen, tot welke

paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die

echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel,

enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne

teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen

hoef (bl. 12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een

groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van

"pijp" geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine

middelvoetsbeentjes, die men "griffelbeentjes" noemt (fig. 30),

en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein

teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor

bij muildieren en muilezels).

De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden

en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare

kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een'

planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en

ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.

De snijtanden hebben een' heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand

onderscheidt zich van een' menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan

onbeperkt is (zie bl. 49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat

de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt; 2o. doordat

het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel

bedekt, zich ook over 't glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat,

uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail

naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen

voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte

eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo

diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden

een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten,

dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in 't midden eene opening,

omgeven door 1o. een' ring cement, 2o. een' ring glazuur, 3o. het

tandbeen, 4o. een' ring glazuur en 5o. een' ring cement. De holte

is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste

zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld,

welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet

vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve

zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de

kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan

de oppervlakte vroeger of later verliezen.

Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn

komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste

weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den

éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting

verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt,

kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of

niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.

De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de

toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wij geven den

paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken

dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van

iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.

Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet

bekend. Men ziet dikwijls den tarpan, die in groote troepen de

Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder

voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als een wild

dan wel als een verwilderd paard moet worden beschouwd. Verwilderde

paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden

ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland,

in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa's ("Cimmarones" en

"Mustangs").--Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:

Oostersche of edele en Westersche of zware. Tot de eerstgenoemden

behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche,

het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner,

het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het

Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising

van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die

afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn;

dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs

(Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche

paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.

De ezel is een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier;

hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het

paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet,

zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen

rondom de Middellandsche Zee.--De jongen van paard en ezel noemt

men muildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie

(hit) is,--muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder

eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in,

maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.

Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.

Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan

één' hoef aan iederen poot, welke niet herkauwen. De huid is doorgaans

dik; het gebit is, al naar 't voedsel, verschillend.--Men rekent er

toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts

over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten,

welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.

De varkenachtigen hebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de

twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen

(vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven

(fig. 29) en slechts bij zware varkens op een' weeken grond den

bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie

kootjes.--Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op

het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.--De varkens eten

zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne

kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch;

de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen

zich dan opwaarts (fig. 58, 59).

Voorheen kwam in ons geheele land het wilde zwijn voor; thans

is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er

een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is

zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar

daar de lagere landen over 't geheel meer door menschen bewoond zijn

dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar

de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,

peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,--ook insekten,

wormen, slakken, vogeleieren.

Het tamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemde

grootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar

voren hangende ooren,--aan een' grooten, smallen kop,--aan bijzonder

lange pooten,--aan een' zeer naar boven gekromden rug ("karperrug"),

aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een' kam

vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze

grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste

in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels

geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In

de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog

wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat

volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest;

dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens

1 1/2 M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.

In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorige

Chineesche zwijn, dat korte pootjes en een' breeden rug heeft, weinig

haren of borstels draagt, en niet meer dan 1/3 of zelfs maar 1/4

van het lichaamsgewicht van 't grootoorige varken bereikt, maar zeer

spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.--In Engeland heeft

men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige

zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in 't algemeen grooter

zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer

geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire, enz.) zijn

in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee

te kruisen.

Orde Herkauwers of Tweehoevigen.

Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee

volledig ontwikkelde hoeven ("klauwen"), die natuurlijk ieder het

laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn

echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig,

die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen,

waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De

twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn

met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien

(fig. 28).

Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de

bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige

bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht

snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden

ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De

kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere

kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl. 45), zooals men bij uitsluitende

planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij 't kauwen onder

de bovenkaak heen en weer bewogen (bl. 46).

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden,

en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het

dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk

is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.

Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd,

maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de

verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor

eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij

het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene

tijdelijke bewaarplaats, de pens (fig. 60, A) genoemd, waar het bij

de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheid

van veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank)

in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen

voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen

zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit

de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op

nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam "herkauwers".

De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij

de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen

verwijde gedeelten van den darm met elkaar de "samengestelde maag"

te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende:

de pens (fig. 60, A), de muts of netmaag (B), de boekpens of boekmaag

(C) en de lebmaag (D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking

met de "enkelvoudige" maag van de andere dieren overeen. De slokdarm

heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de

muts in de onmiddellijke nabijheid ligt; intusschen zet hij zich

in de zoogenoemde "slokdarmspleet" (fig. 62, ab) naar de derde

maagafdeeling, de boekpens of boekmaag, voort. De lebmaag is de

laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60,

3) aansluit.--De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer

ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er

pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling

in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in

de pens ziet). Het slijmvlies, 't welk de pens van binnen bekleedt,

is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat

van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d') is

bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige

vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte,

bladvormige, grootere of kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61,

f; fig. 62, III).--De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies

met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h; fig. 62, V).

Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden

ingezogen en die spijzen, welke bij 't kauwen tot eene soort van

pap worden, gaan--althans voor een groot gedeelte--dadelijk naar

de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van

de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens,

daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de

grootste afdeeling).--Dranken, die in groote teugen worden opgenomen

en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden

in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij 't kauwen niet in

eene papachtige massa zijn veranderd.--In de pens blijven de spijzen

verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel

en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting

over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm

heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in

de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te

worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is

geworden, drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den

slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige

slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze

laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.

Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding

staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens

komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit

orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de

volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten

kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort

van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen

de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen,

dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens

zou dus een "kauwmaag" kunnen heeten.--

Het vierde gedeelte ongeveer van 't leven wordt bij de meeste

herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet

zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel

dat eene koe per dag van 24 uren 12 1/2 Kilogram hooi opneemt: een

rantsoen, dat--als niets anders wordt gegeven--zeker niet te hoog kan

worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi,

terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan

speeksel opneemt. 12 1/2 Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund

tot 5 × 12 1/2 = 62 1/2 Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud

van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft

de spijsmassa een' tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in

kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht

van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram,

moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken

worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en

neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel;

maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok

zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voor de volledige

verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7-2/9

uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd,

dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om 't hooi,

dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.--Eet het rund gras,

dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf

is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.

Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de

spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der

slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den

spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij 't kauwen en bij

't herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus

geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt,

niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet

dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan 't herkauwen gaan;

en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een' zwaar beladen

wagen of voor den ploeg wordt gespannen.--

Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche

kameelen en giraffes, de familie der holhoornigen en die der

hertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de

belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.

Familie der holhoornigen.

Horens komen in 't algemeen in beide geslachten voor, en wel bij

alle wilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en

schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten,

geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, 't zij in beide

geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.--Den naam heeft de

familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan

uit eene horenscheede, welke de beenpit omgeeft, die niets anders is

dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig

hol; de holte in 't voorhoofdsbeen heet de voorhoofdsboezem;

en deze zet zich in de beenpit voort. Bij de geboorte zijn nog

geene horens aanwezig. Weldra ontstaat aan weerskanten van den kop

eene uitgroeiing aan 't voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels

opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt

zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer

en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de

leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft

verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig

plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.

Runderen hebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits,

rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus

("neusspiegel") is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij

de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen

verdeeld.--De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden

soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.

In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14e eeuw)

het oerrund of de urus geleefd: een zeer groot rund, dat in alle

hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van

Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus

den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er

echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook

in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn,

zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende

klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in

de onderscheiden streken der aarde zijn zeer verschillende runderrassen

gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor 't geven van veel

melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en

weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.--Buffels

zijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent

wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren

zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in

Indië).--Bisons hebben een' hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar

achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele

deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika

leven nog bisons in 't wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.

Schapen hebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede

ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richting van voren

naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben

geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der

schapen zijn behaard; de laatste is in 't midden van eene loodrechte

groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.--Men

vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. den moeflon (op

Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van de tamme schapen,

welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen

uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het

vleesch.--Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of

meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van

een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte

kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer

of minder sterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding

der schapen vormt aldus een samenhangend "vlies", dat bij 't scheren

één geheel blijft.

Geiten (fig. 68) hebben ook een' behaarden neus en bovenlip, de

laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en

op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting

van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is

niet gebogen.--Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. de

steenbok (Alpen, Pyrenaeën) en verder de tamme geiten, die voornamelijk

om hare uitstekende melk worden gehouden. De Kaschmirgeit (Kaschmir

en Thibet) en de Angorageit (Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje,

Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren

("wol").

Familie der hertachtigen.

De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig

dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het "gewei" vormen, alleen

bij 't mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens--zoolang

het hert in wasdom blijft toenemen--te worden vervangen door een

gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de

holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.--In ons land komen

hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar

vindt men twee soorten: het groote edelhert en de kleine ree. In

vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid;

zij werden toen ook veel grooter.--Edelhert en ree zijn beiden voor

den landbouw schadelijk door het opeten en vertrappen van rogge en

ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende

landbouwgewassen.--Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken

gehouden; meer gebruikt men daarvoor het damhert, dat oorspronkelijk

uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.--

De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier

nader zouden moeten worden behandeld.

Beginselen der dierkunde · 第 10 / 28 题