HOOFDAFDEELING I. GEWERVELDE DIEREN.

Het lichaam van een Gewerveld dier is tweezijdig symmetrisch,

d. i. het kan door één vlak in twee deelen worden verdeeld, die elkaars

spiegelbeeld zijn, dus uitwendig elkander volkomen gelijken, met dien

verstande, dat wat bij de eene helft aan den linkerkant gelegen is,

bij de andere helft aan de rechterzijde ligt, enz. (Er zijn dieren,

waar het lichaam door meer vlakken in twee helften kan worden verdeeld,

welke elkaars spiegelbeeld zijn. Dit is o.a. het geval bij de zeester,

fig. 18. Bij zulke dieren vindt men een zeker aantal, hier 5,

gelijke deelen straalsgewijs rondom een middelpunt gegroepeerd. Men

spreekt dan van straalsgewijze symmetrie). Bij zeer jonge Gewervelde

dieren, meer nog bij dieren, welke nog bezig zijn, zich binnen 't ei

te ontwikkelen, vindt men tweezijdige symmetrie in alle deelen des

lichaams, uitwendige en inwendige. De uitwendige vorm van het lichaam

blijft altijd tweezijdig symmetrisch, met uitzondering slechts van

de platvisschen (schol, fig. 19); de inwendige organen hebben bij

het volwassen dier hunne symmetrische ligging min of meer verloren.

In 't lichaam van een Gewerveld dier bevindt zich als as eene uit

wervels bestaande wervelkolom, welke de ruggemergsholte omsluit

(fig. 1). Evenals de ruggemergsholte in het skelet van den kop

tot eene schedelholte zich verwijdt, zoo gaat ook het in de

ruggemergsholte beslotene ruggemerg binnen de schedelholte in de

hersenen over. Behalve de lichaamsholte aan de rugzijde, welke

de centrale deelen van het zenuwstelsel omsluit, is er nog aan de

buikzijde eene lichaamsholte aanwezig, welke bij de zoogdieren door

het middenrif in tweeën is gedeeld, nl. in de borst- en de buikholte

(fig. 1, 2). In deze lichaamsholte aan de buikzijde zijn in hoofdzaken

gelegen de organen van de ademhaling, den bloedsomloop, de vertering en

de uitscheiding. (Bij alle andere hoofdafdeelingen van het dierenrijk

zijn de centrale deelen van het zenuwstelsel in dezelfde lichaamsholte

gelegen als de zooeven genoemde organen).

Met de wervelkolom zijn verschillende beenderen verbonden, die voor

de vasthechting van spieren dienen. Deze beenderen vormen te zamen

het skelet; het bezit van zoo'n skelet of geraamte behoort tot de

't meest in het oog vallende kenmerken van een Gewerveld dier. De

dieren van deze hoofdafdeeling hebben nooit meer dan vier ledematen;

sommige (bijv. walvisschen) hebben er twee, andere (slangen) in

't geheel geene.

Hun bloed is rood, terwijl dat van de vertegenwoordigers der meeste

andere diergroepen kleurloos is.

Ik moet nog nader spreken over de wijze, waarop de bloedsomloop bij

de onderscheiden Gewervelde dieren plaatsgrijpt. Bij geen enkele

diersoort uit deze groep is het hart van zoo eenvoudigen bouw als

fig. 20 aangeeft. Aan eene zoodanige inrichting van het hart zouden dan

ook groote bezwaren verbonden zijn. Een hoofdbezwaar zou wel dit zijn,

dat op het oogenblik, waarop het bloed het hart verlaat, geen nieuw

bloed in dit orgaan kan worden opgenomen, omdat het samengetrokken

is; daardoor moet de bloedstroom in de aderen stilstaan. Bij alle

Gewervelde dieren nu is dit bezwaar dáárdoor weggenomen, dat op de

plaats, waar de ader in het hart uitmondt, zich eene opzwelling, eene

uitzetting van deze ader bevindt, waarin het bloed zich kan ophoopen,

zoolang de samentrekking van het hart duurt (fig. 21). Wanneer--'t geen

bij vele dieren het geval is--het bloed uit het lichaam door twee of

meer aders naar 't hart terugkeert, dan hebben deze aders gezamenlijk

ééne opzwelling. De wand van deze opzwelling is van spieren voorzien;

dit is nuttig, om het daarin bevatte bloed snel naar het eigenlijke

hart te vervoeren, toch kunnen blijkbaar dunne spieren hier voldoende

zijn; terwijl de wand van het eigenlijke hart, van waaruit het bloed

door 't geheele lichaam geperst wordt, veel dikker moet zijn. Daar de

hier bedoelde opzwelling, evenals het eigenlijke hart, in 't bezit

is van spierwanden, beschouwt men haar als een deel van het hart;

men noemt haar de voorkamer of den boezem van het hart, terwijl

het eigenlijke hart den naam van de kamer krijgt. Het is duidelijk

dat er eene tamelijk wijde opening tusschen boezem en kamer moet

zijn (fig. 21), opdat al het bloed dadelijk na de ontspanning der

kamerwanden uit den boezem in de kamer kunne treden; want alleen

op deze wijze kan eene geregelde bloedstrooming zonder oponthoud

plaatsvinden. Maar als er eene wijde opening tusschen boezem en

kamer bestaat, dan is een enkele klep niet geschikt om gedurende de

samentrekking der kamerwanden het bloed te verhinderen, in den boezem

te geraken; zoo'n klep zou zeer groot moeten zijn en dan 1o. te ver in

de kamer op slaan, 2o. veel kans hebben, zich te buigen, en aldus geene

volledige afsluiting te vormen. Daarom zijn er op de grens tusschen

boezem en kamer twee of drie kleppen aanwezig, welke--om het te ver

doorslaan te voorkomen--door een aantal peesachtige draadjes aan den

wand der kamer bevestigd zijn (fig. 21). Opdat het bloed, 't welk in

de slagader geperst is, niet gedurende de ontspanning van de wanden

der kamer in deze laatste terugkeere, vindt men kleppen ook op de

plaats, waar de slagader uit het hart te voorschijn treedt (fig. 22).

Bij de visschen vindt men een hart, dat in alle hoofdzaken met het

bovenbeschrevene overeenstemt, waar echter de boezem vóór en boven de

kamer ligt (fig. 22). De bloedsomloop van de visschen echter wordt

door het in fig. 22 afgebeelde schema niet juist weergegeven. Bij

zijne beweging door 't lichaam heeft het bloed een groot deel van

zijne zuurstof verloren (vgl. bl. 26); het moet dus, als het in 't

hart is teruggekeerd, eerst weer nieuwe zuurstof opnemen, vóór het

geschikt is, den tocht door 't lichaam op nieuw te aanvaarden. Dit

nu geschiedt bij de visschen op deze wijze, dat het uit de kamer

uittredende zuurstofarme bloed eerst door de kieuwen stroomt. (Vgl

fig. 23. waar men in plaats van longslagader en longhaarvaten leze:

kieuwslagader en kieuwhaarvaten). Deze kieuwen bestaan uit een groot

aantal kleine, dunwandige huiduitstulpingen, die in regelmatige

reeksen aan bepaalde beenstukken van het kopskelet (de "kieuwbogen")

vastzitten. Het zuurstofarme bloed, dat uit de hartkamer uittreedt

en door verschillende slagadervertakkingen de kieuwplaatjes bereikt,

neemt, terwijl het de haarvaten dezer kieuwplaatjes doorstroomt, nieuwe

zuurstof op uit het zuurstofhoudende water, 't welk zich voortdurend

rondom de kieuwplaatjes beweegt. Er wordt voortdurend een stroom

van versch water door den mond opgenomen, en rechts en links door de

"kieuwspleten" weer naar buiten gelaten. Zal een visch blijven leven,

dan is het noodig, dat het water, waarin deze zich ophoudt, zuurstof

bevat; in uitgekookt (zuurstofloos) water sterft de visch.

Het bloed is, nadat het in de kieuwen nieuwe zuurstof heeft opgenomen,

opnieuw voor de voortbeweging door 't lichaam geschikt geworden;

uit de haarvaten der kieuwen stroomt het in grootere vaten, welke

zich telkens tot weer grootere vaten vereenigen, totdat eindelijk een

enkel vat ontstaat, dat het nu weer zuurstofrijke bloed naar alle:

deelen van het lichaam voert.

Bij de hier beschreven inrichting moet het hart het bloed door twee

verschillende stelsels van haarvaten voortbewegen, nl. door dat van de

kieuwen en door dat van het lichaam (fig. 23). Dit gaat echter niet

zoo gemakkelijk, wijl het bloed in de fijne haarvaten veel weerstand

ondervindt. Het bloed verliest dus in het eerste haarvatennet (dat

der kieuwen) een goed deel van zijne snelheid; de bloedstrooming door

't lichaam grijpt dus zeer langzaam plaats. En aangezien het bloed

de zuurstof bevat, die de verschillende lichaamsdeelen noodig hebben,

wordt bij de visschen in een' bepaalden tijd slechts weinig zuurstof

door de lichaamsdeelen heen gevoerd; er grijpt dus in de verschillende

lichaamsdeelen slechts weinig oxydatie plaats, dus er wordt weinig

warmte in het lichaam van een' visch ontwikkeld, en deze is slechts

tot geringe arbeidsproductie in staat.

Eene snellere beweging van het bloed wordt bij de overige Gewervelde

dieren daardoor mogelijk gemaakt, dat bij hen in de bloedbaan tusschen

het haarvatennet in de ademhalingsorganen (hier: longen, fig. 25,

lo) en dat in het lichaam (li) een tweede hart is geplaatst, en wel

een, dat in alle opzichten aan het bovenbeschrevene in bouw gelijk

is. Het eerste hart, 't welk met het vischhart te vergelijken is

(het gestreepte in fig. 25), neemt (door Ha) het zuurstofarme bloed

op, 't welk uit de verschillende deelen des lichaams terugkeert, en

perst het door de haarvaten der longen, waar het weer rijk wordt aan

zuurstof. Uit de longen begeeft zich nu het bloed naar de voorkamer

van het tweede hart (het wit gelatene); van daar wordt het naar de

kamer van datzelfde hart, en van hier uit door eene slagader (Ao)

naar de verschillende deelen des lichaams geperst; en nadat het,

aldus zijne diensten gedaan heeft, keert het in den boezem van

het eerste hart (B) terug. Zoo krijgt de bloedstroom, die in de

haarvaten der longen zijne snelheid voor een goed deel had verloren,

door de samentrekking van de wanden der kamer van het tweede hart,

nieuwe snelheid terug. Eene snellere bloedstrooming heeft snellere

oxydatie in 't lichaam tengevolge, dus meer warmteontwikkeling en

meer arbeidsproductie.

De beide harten werken ieder voor zich; maar zij liggen naast

elkander, en wel de beide boezems tegen elkaar en de beide kamers

tegen elkaar. Ook zijn de wanden der beide boezems en die der beide

kamers aan elkander vastgegroeid. Men spreekt daarom niet van twee

harten, maar van één hart, dat uit twee helften bestaat; dit is

ook juister. De rechter harthelft (fig. 25, B.K) is die, welke het

zuurstofarme bloed, dat uit het lichaam is teruggekeerd, opneemt

en het naar de longen perst; de linker harthelft (B'K') ontvangt

het uit de longen terugstroomende, zuurstofrijk geworden bloed en

perst het door 't lichaam. Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn,

waarom men het hart van een' visch moet vergelijken met de rechter

harthelft van den mensch.

Bij de zoogenoemde kruipende dieren (slangen, hagedissen) zijn de

beide harthelften niet volkomen van elkander gescheiden; want in

den wand tusschen de linker en de rechter kamer bevindt zich eene

opening. Daardoor vermengt zich het zuurstofarme bloed der rechter

harthelft met het zuurstofrijke bloed der linker harthelft; en deze

vermenging grijpt in des te sterker mate plaats, naarmate de opening

in den wand tusschen de beide kamers grooter is. Bij de kruipende

dieren stroomt er dus bloed naar de longen, dat nog betrekkelijk veel

zuurstof bevat; en door het lichaam stroomt bloed, dat op verrena niet

zoo rijk is aan zuurstof als het bloed, 't welk bij de zoogdieren door

het lichaam gaat. Dientengevolge is 1o. de ademhaling minder krachtig

bij de kruipende dieren dan bij de zoogdieren, 2o. de oxydatie in de

verschillende deelen des lichaams bij de eerstgenoemden zwakker dan

bij de laatsgenoemden, en dus zijn ook de warmteontwikkeling en de

arbeidsproduktie er minder sterk.

Bij de amphibiën (kikvorschen, salamanders) is de opening in den wand

tusschen de beide hartkamers bijzonder groot; soms zijn van dien wand

nog slechts kleine overschotten aanwezig, soms zelfs ontbreekt hij

geheel. In nog sterkere mate dan bij de kruipende dieren moet dus

bij de amphibiën vermenging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed

plaatsgrijpen.

Men is gewoon, de Gewervelde dieren te verdeelen in warmbloedige en

koudbloedige. Onder warmbloedige dieren verstaat men dezulke, bij

welke de lichaamstemperatuur standvastig ("constant") is, d. i. altijd

ongeveer dezelfde blijft. Deze standvastige lichaamstemperatuur

is bij de eene diersoort iets hooger dan bij de andere, bijv. bij

de koe ongeveer 38° C., bij den mensch 37,5°. Of nu de temperatuur

der omgeving rijst of daalt, dat heeft geen merkbaren invloed op de

lichaamstemperatuur van het dier.--Onder koudbloedige dieren verstaat

men dieren, welker lichaamstemperatuur in gewone omstandigheden gelijk

is aan die van de omgeving. De zoogdieren en vogels zijn warmbloedig,

de kruipende dieren, amphibiën en visschen zijn koudbloedige Gewervelde

dieren. Alle dieren, welke niet tot de hoofdafdeeling der Gewervelden

behooren, zijn koudbloedig.

Reeds boven werd erop gewezen, dat de bron (althans de hoofdbron)

der dierlijke warmte gelegen is in de oxydatie, welke in alle doelen

des lichaams plaatsgrijpt. Tegenover deze bron van warmte staan echter

oorzaken van warmteverlies: 1o geleiding en uitstraling, waarbij de

warmte zich aan andere lichamen meedeelt en deze in temperatuur doet

stijgen, 2o verdamping, waarbij de warmte wordt gebruikt om water in

waterdamp te veranderen. Dit laatste geschiedt in de longen en aan de

oppervlakte van de huid. Wij ademen waterdamp uit en zonderen zweet

af, dat verdampt. Hoe hooger nu de temperatuur van de omgeving wordt,

des te meer zweet wordt er gevormd, des te meer water wordt er aan

de huidoppervlakte in waterdamp veranderd, des te meer warmteverlies

grijpt er plaats. Vandaar dat het stijgen van de temperatuur der

omgeving geen' hoogeren warmtegraad van het lichaam eens zoogdiers

of vogels teweeg brengt.

Bij de kruipende dieren en amphibiën is de warmteontwikkeling in 't

lichaam geringer dan bij de zoogdieren en vogels ten gevolge van de

vermenging van zuurstofarm en zuurstofrijk bloed (vgl. bl. 40); bij de

visschen is zij geringer ten gevolge van de langzamere strooming van

het bloed (bl. 38). Bij allen is de warmteontwikkeling zóó gering,

dat het warmteverlies (door geleiding, uitstraling en verdamping)

er gewoonlijk tegen opweegt. Vandaar dat de lichaamstemperatuur

van de "koudbloedigen" gewoonlijk niet hooger is dan die van de

omgeving. Maar neemt men de oorzaken van warmteverlies weg, dan stijgt

de lichaamstemperatuur. Zoo bijv. wanneer men eene menigte levende

visschen bij elkaar in een' zak pakt. Zoo zijn er enkele slangen, die

haar lichaam rondom hare eieren tot een kluwen inéénrollen, en aldus

door verkleining van het warmteuitstralingsoppervlak eene temperatuur

voortbrengen, hoog genoeg om deze eieren uit te broeden. (N.B. hooge

temperatuur in bijenkorven.)

Er zijn warmbloedige dieren, die onder den invloed van eene zeer

koude omgeving, tot den rang van koudbloedigen afdalen. Dit zijn de

zoogenaamde "winterslapers", zooals vleermuizen, egel, marmot. Deze

hebben dan eene lichaamstemperatuur, gelijk aan die der omgeving;

zij zijn gedurende den "winterslaap" zeer weinig gevoelig en hebben

dan eene uiterst trage stofwisseling. Stijgt de temperatuur van de

omgeving tot boven een bepaald minimum, dan leeft de winterslaper

weer op, en zijne lichaamstemperatuur stijgt in weinig tijds van

enkele graden boven 0° tot 35°-38° C.

Wij verdeelen de Hoofdafdeeling der Gewervelde Dieren in vijf klassen.

Warmbloedig zijn: Klasse I Zoogdieren, Klasse II Vogels; koudbloedig:

Klasse III Kruipende dieren, Klasse IV Amphibiën, Klasse V Visschen.

Beginselen der dierkunde · 第 9 / 28 题