KLASSE II. VOGELS.

Vogels zijn warmbloedige Gewervelde dieren, die met veeren bedekt

zijn, en die eieren leggen, welke zij door hunne lichaamswarmte tot

verdere ontwikkeling brengen ("uitbroeden").

De vogels zijn voor de voortbeweging in de lucht ingericht. Dit blijkt

vooreerst uit den bouw der voorste ledematen, welke tot vleugels

vervormd zijn. Men onderscheidt aan zoo'n vleugel in 't algemeen

dezelfde deelen als aan den arm van den mensch. Men zie fig. 70, waar

vooreerst het opperarmbeen (H), de ellepijp en het spaakbeen zich

duidelijk laten onderscheiden. Het spaakbeen (fig. 71, s) kan hier

niet om de ellepijp (ep) draaien; en aan het laatstgenoemde been zijn

de "kleine slagpennen" (fig. 71, II) van de vleugels bevestigd. De

hand bestaat, behalve uit de kleine handwortelbeenderen (fig. 70,

W), uit twee lange middelhandsbeenderen (m), waaraan twee vingers

(Z, z) zijn bevestigd, en uit een kleiner middelhandsbeentje (t),

waaraan al of niet een kleine beenige duim, maar in ieder geval een

"duimvleugeltje" (fig. 71, d.vl) bevestigd is. De groote slagpennen

(fig. 71, I) zijn aan de groote middelhandsbeenderen (fig. 71, mh)

en de vingers (v) vastgehecht. Zoo vormen beenderen en slagpennen te

zamen een' vleugel, die bij zijne beweging door de lucht veel weerstand

kan ontmoeten, tengevolge waarvan de terugdruk van de lucht den vogel

in de gewenschte richting voortbeweegt.

De vogel moet bij 't vliegen niet slechts maken dat hij vooruit komt;

maar hij moet bovenal maken dat hij niet daalt, hetgeen zonder de

bewegingen der vleugels, tengevolge van de zwaartekracht het geval zou

zijn. Daarvoor zouden de vleugels naar beneden moeten worden geslagen,

evenals voor de voorwaartsche beweging een achterwaartsche slag noodig

is. De vleugelslag wordt dus gewoonlijk naar achteren en tegelijk naar

beneden gericht; ja, als de vogel eenmaal eene zekere snelheid in de

voorwaartsche richting heeft verkregen, dan richten de slagen zich

bijkans geheel naar beneden, daar de voorwaartsche snelheid tengevolge

van den geringen weerstand der lucht niet spoedig wordt uitgeput.

Het is voor een' vogel een groot voordeel, dat zijn soortelijk gewicht

gering is, m. a. w. dat hij bij een' betrekkelijk grooten omvang een

betrekkelijk gering gewicht heeft. Een gering soortelijk gewicht nu

wordt verkregen vooreerst door de dikke laag veeren, die den omvang

van een' vogel betrekkelijk groot maakt, terwijl toch veeren licht

zijn. Ten tweede zijn de beenderen van den vogel bijkans alle hol,

en niet--zooals de inwendig holle beenderen der zoogdieren--met merg,

maar met lucht gevuld. Ten derde bevinden zich overal in 't lichaam,

tusschen de verschillende organen, dunwandige blaasjes, die met lucht

kunnen worden gevuld en aldus worden opgeblazen. Daardoor wordt de

omvang van den vogel, wanneer hij wil gaan vliegen, vergroot, terwijl

het gewicht niet van belang toeneemt. De vulling der luchtzakken

grijpt op de volgende wijze plaats: de lucht komt door de luchtpijp

in de longen, vandaar in de aangrenzende luchtzakken, die weer met

verdere luchtzakken, ook met holten in de beenderen, samenhangen.

Ook is het voor 't vliegen van 't hoogste belang, dat het groote

borstbeen (fig. 70, S) van een' zeer sterk vooruitstekenden kam

voorzien is; daaraan hechten zich de vliegspieren vast, die te dik

zijn om aan een plat borstbeen (als bij de zoogdieren) bevestigd te

wezen. Ook geeft de kam op het borstbeen aan den geheelen vóórkant

van 't lichaam des vogels den vorm van een' kiel, die gemakkelijk de

lucht doorsnijdt.

De romp van den vogel is zeer stijf, hetgeen van nut is om gedurende

de vlucht het evenwicht in de lucht te bewaren. Deze stijfheid

van den romp is 't gevolg 1º. hiervan, dat de lendenwervels en de

heiligbeenwervels tot één onbewegelijk stuk (het lendenheiligbeen;

zie fig. 72) vereenigd zijn, waaraan weer de zeer lange heupbeenderen

stijf vastgegroeid zijn, 2º. van de omstandigheid, dat het ruggedeelte

van elke rib een uitsteeksel draagt, 't welk over dat van de volgende

rib heen ligt (fig. 70); daardoor is beweging der ribben slechts in

ééne richting mogelijk.

Deze stijfheid van den romp zou den vogels erg hinderlijk zijn o.a. bij

het opnemen van voedsel, ware het niet dat de hals, tengevolge van

het groote getal halswervels, zeer bewegelijk was. Dat getal bedraagt

minstens 12, het kan (bij de zwanen) zelfs 22 zijn.

De achterste (benedenste) ledematen gelijken veel meer dan de

voorste (bovenste) op die der zoogdieren. (Vgl. fig. 70). 't

Dijbeen is in den romp verborgen; het kuitbeen is klein en soms

met het scheenbeen vergroeid. Bij den jongen vogel, lang vóór hij

uit het ei geboren wordt, kan men--evenals bij de zoogdieren--twee

rijen voetwortelbeenderen, en verder middelvoetsbeenderen en teenen

onderscheiden. Maar reeds gedurende de ontwikkeling van het jong binnen

het ei, vergroeit de eerste rij voetwortelbeenderen met het ondereinde

van het scheenbeen, terwijl de tweede rij met de middelvoetsbeenderen

tot één beenstuk (het zoogenoemde "loopbeen") vergroeit, 't welk

evenals de teenen met horenplaatjes bekleed is.--Het aantal teenen

bedraagt hoogstens vier; de naar achteren gerichte teen echter kan

zeer klein zijn en ook geheel ontbreken. De Afrikaansche struisvogel

heeft slechts twee teenen. De achterste teen der vogels bestaat uit

twee kootjes, de volgende uit drie, de derde uit vier, de vierde uit

vijf. Toch is dikwijls de derde teen de langste.

De vogels hebben geen tanden. Hun boven- en onderkaak zijn met eene

horenlaag bedekt, die aan den rand tandvormige uitsteekseltjes kan

hebben. De met eene horenlaag bekleede kaken vormen te zamen den

"snavel".

Het darmkanaal is kort; dit kan dan ook het geval zijn want de vogels

eten òf dierlijke spijs òf zaden; slechts bij uitzondering gebruiken

zij spijzen, die slechts weinig voedende stof bevatten (groene

kruiden). Aan den slokdarm vindt men een zakvormig aanhangsel, den

"krop", waarin de vertering reeds begint; hierin ook bergen de vogels

het voedsel, dat zij voor hunne jongen bijééngaren. De maag bestaat uit

twee afdeelingen: eene kliermaag en eene spier- of kauwmaag. De eerste

bevat in haren wand kliertjes, die een verterend vocht afscheiden;

de laatste heeft zeer dikke spierwanden en eene bekleeding met eene

sterk geribde horenlaag. Door het tegen elkaar drukken en langs elkaar

wrijven der wanden worden graankorrels, enz. verbrijzeld. De steentjes,

die de vogels inslikken, en die nooit in de spiermaag gemist worden,

ondersteunen de werking van dit orgaan. De vogels hebben twee blinde

darmen.--De endeldarm eindigt in eene verwijding, de "cloaca" (=

riool) genoemd, waarin ook de uitvoerbuizen der nieren alsmede die

der voortplantingsorganen uitmonden.

Het ei van een' vogel bestaat vooreerst uit eene verschillend gekleurde

kalkschaal (fig. 73, e), waarin zeer fijne openingen zijn, door welke

de lucht kan binnendringen, die het jong voor zijne ademhaling noodig

heeft. Tegen de schaal ligt aan de binnenzijde een vlies, terwijl het

eiwit ook door een vlies is omgeven. Deze beide vliezen (d) liggen

tegen elkaar aan en vormen a. h. w. één vlies, het schaalvlies;

op ééne plaats echter wijken zij van elkaar en vormen aldus de

luchtkamer (f). Deze kan zich aan verschillende zijden van het

ei bevinden, alnaar de positie, waarin het ei ligt. In het eiwit

(b, b') vindt men twee inééngedraaide strengen (c, c'), welke de

binnenzijde van het schaalvlies verbinden met het dunne vliesje,

dat den dooier omgeeft. Deze laatste vertoont aan zijne oppervlakte

een wit vlekje, de zoogen. "kiemschijf" (h), die de aanleg van den

jongen vogel is. Van deze kiemschijf breidt zich naar binnen in den

dooier eene witte massa uit, die aan haar uiteinde tot een bolvormig

lichaampje opzwelt. Deze slijmige witte massa, die bij 't koken van

het ei niet gemakkelijk stolt, wordt de witte dooier genoemd, terwijl

het overige van den dooier, 't welk geel of roodachtig van kleur is,

de gele dooier (a) heet.

Niet alle deelen van het ei worden in hetzelfde orgaan van den vogel

gevormd. In de buikholte vindt men den eierstok, waar de dooiers

ontstaan, die men daarin dan ook, bijv. bij eene leggende kip,

in grooten getale kan aantreffen, en wel van de grootte van een'

speldeknop af tot die van een' volwassen dooier toe. Van den eierstok

loopt in vele bochten en windingen eene buis naar de cloaca, die

men den eileider noemt. Terwijl nu de dooier, steeds om zijne as

draaiend, zich door dezen eileider voortbeweegt, scheidt de wand

van dit laatstgenoemde orgaan het eiwit eromheen af; dicht bij de

cloaca heeft de eileider eene verwijding, waar zich schaalvlies en

kalkschaal vormen.

Zal een vogelei tot verdere ontwikkeling geraken, m. a. w. zal zich

uit de kiemschijf een jonge vogel vormen, dan is noodig dat het

ei een' tijd lang aan eene temperatuur van ongeveer 40° C. wordt

blootgesteld. Men kan deze temperatuur kunstmatig verschaffen,

door de eieren in zoogenoemde "broedmachines" te leggen; maar in den

natuurstaat wordt de noodzakelijke verhoogde temperatuur gegeven door

het lichaam van den ouden vogel, die zijne borst en zijnen buik tegen

de eieren drukt. In den tijd van het "broeden" grijpt eene sterkere

bloedstrooming dan gewoonlijk naar de huid van deze lichaamsdeelen of

naar bepaalde plekken ervan plaats, waardoor de bedoelde lichaamsdeelen

warmer worden. Bij sommige vogelsoorten broedt alleen het wijfje

(kip), bij de struisvogels alleen het mannetje; bij vele vogelsoorten

wisselen mannetje en wijfje elkander in 't broeden af. De broedtijd,

die noodig is om de eieren tot geheele ontwikkeling te brengen,

zóó dat de jonge vogel te voorschijn komt, is bij onderscheiden

vogelsoorten niet gelijk, bijv. bij den kanarievogel 13 dagen,

bij de kip 3 weken. Enkele vogels zijn er (onder de inlandsche

soorten alleen de koekoek), die hunne eieren in het nest van andere

vogelsoorten leggen, en die het uitbroeden zoowel als de zorg voor

de jongen aan dezen overlaten. Zulke vogels leggen hunne eieren met

groote tusschenpoozen; zij leggen elk ei in een afzonderlijk nest.

Er zijn vogelsoorten, welker jongen, zoodra ze uit het ei te voorschijn

komen, bevederd zijn, de oogen open hebben en zelven hun voedsel

opnemen (eenden, kippen); andere, welker jongen bij de geboorte kaal

zijn en blind, en een' tijd lang door de ouden worden gevoed (musch,

spreeuw, valk, duif).

In 't algemeen maken de vogels een nest, waarin ze hunne eieren leggen

en uitbroeden. Bij sommige soorten (meeuw, kievit) wordt slechts eene

kleine uitholling in het zand of in den grond gemaakt en worden de

omgevende planten eenigszins uit elkaar gebogen. Andere broeden in den

grond in reeds voorhanden gaten (bergeend, in verlaten konijnenholen)

of in door henzelven vervaardigde gaten (oeverzwaluw). Weer anderen

maken nesten uit stukjes klei, die zij met speeksel aan elkaar hechten

(boerenzwaluw, huiszwaluw); ook zijn er, die het nest hoofdzakelijk

van takjes maken, maar daartusschen voor de stevigheid klei brengen

(lijster, ekster). Vele vogels maken hunne nesten uitsluitend uit

plantendeelen, 't zij uit grootere takken (houtduif), of uit kleinere

twijgjes en bladeren (rietzanger, leeuwrik), soms hoofdzakelijk uit

mos (vink). Ook de vorm der vogelnesten is al naar de vogelsoort

zeer verschillend.

Gelijk men weet, noemt men de gezamenlijke in een land voorkomende

diersoorten de fauna van dit land, zooals men de gezamenlijke

plantensoorten zijne flora noemt. Nu is het bij de zoogdieren

gemakkelijk te zeggen, welke soorten tot onze fauna behooren, welke

niet; bij dieren echter, die zich zoo snel en over zoo groote afstanden

bewegen als de vogels, gaat dit niet altijd zoo gemakkelijk. Het kan

voorkomen, dat soorten, die eigenlijk in geheel andere streken thuis

behooren, door stormen naar ons land worden gedreven. Wij noemen dan

zulke soorten dwaalgasten van ons land (roséspreeuw uit Azië).--Maar

ook de vogels, welke niet a. h. w. toevallig hier komen, blijven

nog niet juist gedurende 't geheele jaar in ons land. Die soorten,

welke winter en zomer blijven in de nabijheid van de plaats, waar zij

geboren en getogen zijn, noemt men standvogels (huismusch, ringmusch,

geelgors). Andere soorten blijven weliswaar ook winter en zomer in deze

streken, maar zwerven in den winter over grootere uitgestrektheden

rond, om hun voedsel te zoeken. Men noemt ze zwerfvogels (meezen,

spechten, boomkruipers). Zij trekken niet op vaste tijden van de eene

streek naar de andere, ook niet in bepaalde richtingen: hun zwerven

wordt bloot bepaald door 't gebrek aan voedsel in zekere streek. Is

dus ergens een' heelen winter lang voedsel genoeg, dan gedraagt zich

een zwerfvogel als standvogel. Op hunne tochten naar eene andere

streek voegen zich dikwijls verschillende soorten van zwerfvogels

tot grootere groepen bij elkaar.--Niet aldus doen de trekvogels. Deze

onderscheiden zich van de zwerfvogels doordat zij op gezette tijden

en langs bepaalde wegen wegtrekken, in hoofdzaak in de richting

N. Z. en Z. N. Voorbeelden zijn de ooievaars en zwaluwen, die, elk

najaar ongeveer op den zelfden tijd, bijkans op denzelfden datum,

naar Zuidelijker streken trekken, om in 't voorjaar, insgelijks op

een' tamelijk vaststaanden tijd, weer terug te keeren naar het land,

waar zij nestelen. Zonder twijfel is het trekken voor deze vogels eene

nuttige eigenschap; immers zij zouden hier te lande in den winter het

voedsel niet kunnen vinden, 't welk zij noodig hebben. Maar terwijl

de zwerfvogels eerst wegtrekken als er gebrek aan voedsel ontstaan

is, verhuizen de trekvogels gewoonlijk reeds van te voren; en zij

komen soms terug op een' tijd, waarin het voedsel nog zeer schaars

is. Behoefte aan spijs is dus niet de rechtstreeksche drijfveer

van het trekken. Ook trekvogels, die in kooien worden gehouden,

vertoonen in de eerste jaren van hunne gevangenschap, tegen den

tijd, waarop hunne soortgenooten vertrekken, de grootste onrust,

en dat niettegenstaande de warmtegraad der omgeving naar hunnen zin

is en zij aan voedsel geen gebrek hebben.--Zwaluwen en ooievaar zijn

voorbeelden van trekvogels, die hier te lande broeden; men noemt hen

broedgasten. Andere trekvogels, die hier den winter doorbrengen en

in andere streken broeden, noemt men wintergasten (koperwieklijster,

bonte kraai). Ook zijn er trekvogels, die ten Noorden van ons land

broeden en ten Zuiden daarvan den winter doorbrengen; deze noemt men

doortrekkers. De trekvogels houden zich onderweg natuurlijk hier

en daar op om te rusten en om voedsel op te nemen. Zoo slaan alle

trekvogels, die zich uit Europa naar Afrika begeven, vóór zij de

Middellandsche Zee oversteken, in 't Zuiden van Spanje, van Italië of

't Balkanschiereiland, of op een der Grieksche eilanden neer. Van

de kraanvogels, die in Noordelijk Europa broeden en in Noordelijk

Afrika overwinteren, slaan soms kleinere of grootere troepen op

onze Geldersche of Brabantsche heiden neer, waar zij zich intusschen

soms niet langer dan een' dag ophouden. Andere trekvogels, die uit

't Noorden komen, blijven in 't najaar eenige weken lang in onze

streken, zwerven er soms rond en gaan eerst tegen den winter naar

't Zuiden (houtsnip; sommige lijsters en leeuwriken).

Van de ongeveer 240 vogelsoorten, die tot onze fauna behooren,

zijn dus sommigen standvogels, anderen zwerfvogels, weer anderen

trekvogels; en deze laatsten verdeelt men in broedgasten, doortrekkers

en wintergasten. De dwaalgasten rekenen wij niet tot onze fauna.--

Tusschen de verschillende vogels bestaan op verre na niet

zoo belangrijke, ingrijpende verschillen als tusschen de

onderscheiden zoogdieren. Men onderscheidt gewoonlijk de

volgende orden: 1. Roofvogels, 2. Klimvogels, 3. Zangvogels,

4. Duiven, 5. Hoendervogels, 6. Waadvogels, 7. Zwemvogels, 8

Struisvogelachtigen. De inlandsche vogels behooren tot de eerste

7 orden.

Orde Roofvogels.

Krachtige snavel met haakvormig omgebogen bovenkaak, aan den wortel

met eene huid ("washuid") bedekt. Krachtige pooten met groote,

kromme klauwen. Flink ontwikkelde vleugels. Gezicht zeer scherp. De

roofvogels nestelen op boomen, gebouwen of rotsen; 't nest bestaat

uit takjes en twijgen; de voortplanting is niet sterk. Zij leven

in paren.--Men onderscheidt Dagroofvogels en Nachtroofvogels of

Uilen. De laatsten slapen over dag, en gaan tegen den avond op roof

uit. Met de nachtelijke leefwijze staan in verband zoowel de groote

oogen als het zachte gevederte, waardoor de vleugelslag geen geruisch

maakt. De kop is van voren plat; om de oogen zijn kleine veertjes

straalsgewijs geplaatst. De bevedering der pooten zet zich tot op de

teenen voort.--De Dagroofvogels hebben een' zijdelings samengedrukten

kop, minder groote oogen, steviger veeren.

Tot de Dagroofvogels behooren o.a. de koningsarend, de sperwer,

de havik, de valken, de buizerden;--gieren komen in ons land niet

voor.--Tot de Nachtroofvogels behooren o.a. de kerkuil, de steenuil, de

ooruil.--Torenvalk, gewone buizerd en alle inlandsche uilen zijn zeer

nuttig door 't dooden van veldmuizen en andere kleine knaagdieren. Vele

andere roofvogels, zooals sperwer, havik en slechtvalk, zijn schadelijk

door het dooden van insektenetende zangvogeltjes, van pluimgedierte,

enz.

Orde Klimvogels.

Twee teenen naar voren en twee naar achteren gericht. Overigens

zeer verschillend. Koekoek, spechten, papegaaien behooren er toe;

de laatsten alleen in de tropen.

De koekoek is nuttig als verdelger van vele rupsen, hoewel hij het

aantal kleinere insektenetende vogels eenigszins vermindert; want

van een broedsel, waarbij een koekoeksei is gelegd, komt niets terecht.

Orde Zangvogels.

Drie teenen naar voren, één naar achteren. Men voegt eigenlijk in

deze orde bijéén alle vogels, die niet best in eene der andere orden

kunnen worden opgenomen. De naam "zangvogels" is in letterlijken zin

volstrekt niet op allen toepasselijk. (kraaien!)

Men onderscheidt naar den vorm van den snavel:

dunsnaveligen: boomkruiper (fig. 81), boomklever, hop (fig. 82);

tandsnaveligen: met eene omgebogen punt aan den snavel; hiertoe

behooren de klauwieren (klapekster, fig. 83);

diksnaveligen, die èn plantaardig en dierlijk voedsel gebruiken;

hiertoe behooren: raaf, zwarte kraai, bonte kraai, roek (fig. 84),

torenkauw, ekster, Vlaamsche gaai,--spreeuw (fig. 86);

priemsnaveligen: lijsters, wielewaal,--kwikstaarten,--nachtegaal,

roodborstje, roodstaartje, hofzangers (fig. 85), rietzangers,

grasmusschen,--winterkoninkje (fig. 87),--goudhaantjes (fig. 89);

kegelsnaveligen: meezen (fig. 91, 92);--leeuweriken (fig. 88);--

musschen (fig. 90), vink, putter, kneu;

spleetsnaveligen: zwaluwachtigen (o.a. huis-, boeren-, en oeverzwaluw;

gierzwaluw, geitenmelker of nachtzwaluw; fig. 93, 94).

Vele Zangvogels doen als verdelgers van schadelijke insekten, slakken,

enz. groot nut.

Boomkruiper en boomklever reinigen in den winter de stammen der

boomen van insektenpoppen en insekteneieren; meezen, goudhaantjes en

winterkoninkjes zoeken overwinterende insekten en insekteneieren van

twijgen en knoppen af.--Natuurlijk doen de insektenetende vogels,

welke hier alleen des zomers zijn, minder nut dan die, welke ook

des winters hier overblijven. Toch moeten vooral de nachtegaal,

het roodborstje, het roodstaartje, de hofzangers, de kwikstaarten

en piepers als hoogst nuttig worden beschouwd. Ook de onderscheiden

lijstersoorten, van welke de merel hier den winter overblijft, doen

veel nut. De spreeuw, die in den winter slechts voor zeer korten tijd

wegtrekt, moge soms door 't rooven van kersen, aalbessen, druiven

en zachte peren zeer aanmerkelijke schade veroorzaken,--het nut dat

deze vogel teweegbrengt, is veel grooter. In scharen van honderden

trekken de spreeuwen, vooral in den nazomer en het najaar, de velden

af en reinigen ze van slakken, rupsen en bladluizen, enz.--Van de

verschillende soorten van kraaien is de roek van de meeste beteekenis,

omdat hij doorgaans in zoo groot aantal voorkomt. De kraaien eten

weliswaar veel engerlingen (meikeverlarven), emelten, aardrupsen,

enz., die zij uit den grond halen, alsook veel rupsen en volwassen

meikevers, die zij van de boomen zoeken; maar zij halen ook veel pas

gekiemd zaad (graan, erwten, boonen) uit den grond en graankorrels

uit de aren. Daardoor en door 't rooven van vele vogeleieren doen zij

kwaad.--De musschen (huismusch en ringmusch) doen als insekteneters

zeer zeker ook nut; maar dit wordt zonder twijfel overtroffen door

het kwaad, dat zij op onze graanvelden aanrichten.

Orde Duiven.

Krachtige, eenigszins gedrongen lichaamsbouw. Vleugels lang en

spits. Snavel aan de basis met een vliesje bedekt; kraakbeenschubben

over de neusgaten (fig. 95). Drie teenen naar voren, ééne naar

achteren; de teenen niet (als bij de hoendervogels) door een vliesje

verbonden.--De duiven leven in paren en bouwen kunstlooze nesten

van twijgen. Zij voeden zich en ook hunne jongen uitsluitend met

plantaardige spijs. Zij worden dikwijls schadelijk door 't eten

van graankorrels, erwten, wikken, koolzaad- en boekweitkorrels,

enz. Toch doen zij ook nut door 't eten van de zaden van herik,

krodde en andere onkruiden.

In ons land komen in 't wild voor: de houtduif of ringduif en de

tortel.

De rotsduif, die als standvogel in de landen rondom de Middellandsche

Zee, als trekvogel op de rotsachtige kusten van Schotland, de Faroër

enz., nestelt, is de stammoeder van onze huisduifrassen. De in ons

land veelvuldig voorkomende zoogenoemde "wilde" duiven zijn eigenlijk

verwilderde huisduiven. Zij broeden op torens en aan andere groote

gebouwen, in ruïnes, enz.

Orde Hoendervogels.

Een stevig, gedrongen lichaam. Kop klein, bij vele soorten met kale,

verschillend gekleurde plekken, met vleezige kammen of lellen, of met

eene kuif van veeren. Het vooreinde van den bovensnavel grijpt over

den ondersnavel heen.--Vleugels kort, afgerond; vlucht dientengevolge

eenigszins zwaar.--Pooten stevig. Achterteen gewoonlijk hooger dan de

voorteenen aan het loopbeen ingeplant, en kleiner dan deze. Voorteenen

aan hare basis door een kort vliesje verbonden. De mannetjes van

vele soorten hebben aan het loopbeen eene spoor.--De hoendervogels

houden zich gewoonlijk op den grond op, waar zij hun voedsel zoeken,

dat uit zaden, bessen, groene plantendeelen, insekten, wormen en

slakken bestaat.

Tot deze orde behooren de volgende huisvogels:

de onderscheiden rassen van kippen, misschien van verschillende

stamvormen afkomstig, die men echter in ieder geval in Voor- en

Achter-Indië en in Neerl. Indië moet zoeken;

de kalkoen, uit Amerika afkomstig;

het parelhoen of de "poule pintade", uit Afrika;

de pauw, uit Midden-Azië.

De boschfasant komt oorspronkelijk in Klein-Azië in 't wild voor,

werd bij de oude volken als huisvogel gehouden, en wordt ook bij

ons nog als zoodanig aangekweekt; echter heeft men hem in vele

streken laten verwilderen; en zoo is hij dan ook in Nederland

een gezocht wild.--Oorspronkelijk leven in ons land slechts drie

hoendersoorten: korhoen, patrijs en kwartel. Alleen de laatste is een

trekvogel. Fasanten, korhoenders, patrijzen en kwartels behooren tot

het wild. Er wordt veel jacht op gemaakt.

Orde Waadvogels.

De Waadvogels zoeken dierlijk voedsel aan de oevers van zoete wateren,

aan de zeekust of op vochtige landerijen (vochtige weiden en akkers,

veenstreken, moerassen); zij zijn diensvolgens er op ingericht om door

't water te waden: het loopbeen is lang en even als het onderste

gedeelte van de scheen geheel onbevederd en met horenplaatjes

bekleed. In de vlucht trekken de waadvogels de pooten niet tegen

het lichaam, zooals de vogels der tot hiertoe behandelde orden doen,

maar zij strekken ze in de volle lengte naar achteren uit. De jongen

der ooievaars en reigers zijn bij de geboorte kaal en blind; die der

meeste andere waadvogels zijn bij de geboorte bevederd en hebben de

oogen open.--Die soorten, welke aan het strand leven, eten visschen,

slakjes, schelp- en schaaldieren, enz.; die, welke op vochtige akkers

en weiden zich ophouden, zijn door 't eten van insekten en slakken

voor den landbouw nuttig.

Het behoeft geene verwondering te wekken, dat ons land met zijn

strand, zijne rivieren, meren, veenplassen en kanalen en zijne

lage landstreken, die gedurig onder water staan, rijk is aan

waadvogels. Zelfs komen hier te lande soorten voor, die in andere

deelen van West-Europa hoogst zeldzaam zijn of er in 't geheel niet

worden aangetroffen. (Lepelaar; roode reiger).

Tot de waadvogels worden o. a. gebracht: de kraanvogel (zie bl. 94,

onderste regel);--de waterhoenders, die zich aan den waterkant

ophouden, en welker nest in 't water drijft (hiertoe wordt ook de

meerkoet gerekend);--de kwartelkoning of spriet, die tegelijk met de

kwartels hier komt en van hier vertrekt;--de goudplevier en de kievit,

die op onze bouw- en weilanden tot de nuttigste vogels behooren;--de

snippen, o. a. de houtsnip, die in 't najaar zich hier te lande een

tijdlang ophoudt, en waarop dan veel jacht wordt gemaakt;--de wulpen,

met een' langen, aan 't vooreinde neerwaarts gebogen bek;--de kemphaan,

bekend om de gevechten, die de alsdan fraai gevederde mannetjes in 't

voorjaar met elkaar hebben;--de strandloopers;--de ruiters, waartoe de

tureluur behoort, op vochtige weiden zeer nuttig;--de algemeen bekende

ooievaar;--de voor de vischteelt en de vischvangst zoo schadelijke

reiger en de in ons land langzamerhand zeldzamer wordende roerdomp.

Orde Zwemvogels.

De vogels dezer orde bezitten allen zwemvermogen; overigens verschillen

de onderscheiden soorten zeer veel van elkaar. Zij hebben een dicht

gevederte, dat vettig wordt gehouden door het vocht, 't welk de

stuitklier afscheidt. Bij velen zijn de pooten ver naar achteren

geplaatst; in ieder geval worden deze ledematen bij 't vliegen naar

achteren uitgestoken en niet tegen 't lichaam getrokken.--Er zijn

zwemvogels, bij welke ieder der drie naar voren gerichte teenen door

een' afzonderlijken huidzoom omgeven is (gelobde zwemvoeten, fig. 101,

rechts),--andere, bij welke alleen de drie voorste teenen door een

vlies aan elkander verbonden zijn, terwijl de naar achteren gerichte

teen klein is of ontbreekt (gewone zwemvoeten: fig. 101, links); weer

andere, bij welke alle teenen recht of schuins naar voren gericht zijn

en door een zwemvlies aan elkaar verbonden (roeivoeten: fig. 101, in

't midden).

Tot de zwemvogels behooren o. a. de familie der eendachtigen, die

der meeuwen, der duikers en der roeipootigen.

De eendachtigen hebben gewone zwemvoeten; hun snavel is aan den rand

met horenachtige dwarsplaatjes bezet (fig. 102), waardoor de spijzen

(ten deele dierlijk voedsel, ten deele wortels en groene plantendeelen)

eenigszins kunnen worden verbrijzeld. De eendachtigen vliegen vrij

goed.--Hiertoe behooren zwanen, ganzen, eenden. De wilde ganzen

komen hier in den herfst en den winter, en vreten gras, wintergraan-

en winterkoolzaadplanten; ook aardappelen, wortelen, koolrapen en

knollen, wanneer deze bij hare komst nog op 't land te vinden zijn. Ook

vernielen zij de te velde staande wintergewassen, doordat zij ze plat

treden.--De wilde eenden worden eveneens schadelijk.--Tamme ganzen

en tamme eenden worden in vele rassen aangefokt.

De meeuwachtigen (fig. 104) hebben gewone zwemvoeten en tamelijk

lange pooten, die voor waden geschikt zijn. Lange, spitse vleugels;

zijdelings samengedrukte snavel.--Deze vogels broeden in grootere

of kleinere troepen aan de kust (zilvermeeuw, mantelmeeuw, stern,

zeezwaluw), enkele soorten aan de oevers van meren, plassen en rivieren

(kapmeeuw). Zij voeden zich met visschen, wormen, schelpdieren, enz.;

sommige met muizen en insekten.

Duikers hebben korte vleugels; hunne pooten zijn zeer ver naar

achteren geplaatst; sommige soorten (fuut, fig. 101, rechts) hebben

gelobde zwemvoeten.

Beginselen der dierkunde · 第 11 / 28 题