Tot nu toe--wanneer wij terugrekenen van gevolg naar oorzaak--schijnt

het wel, dat het boerenbedrijf alléén winstgevend kan zijn, wanneer het

op groote schaal gebeurt; maar zij die de teekenen des tijds opmerken,

zeggen, dat de eeuw, die nu in de landelijke wereld juist begint

te dagen, de eeuw zal zijn van den kleinen man. En dit beduidt dan

wel, dat de erfelijke aristokratie onder de kultuurplanten--tarwe,

haver, gerst--langzaam plaats zal gaan maken voor het klein

bedrijf; in kort, dat men den grond niet meer dingen zal vragen,

die de traditie en onze landbouwersfamilietrots hebben gemaakt tot

het begin en het eind van den landbouw; maar de kleinere, nederige

levensbenoodigdheden, die iedere stad en ieder dorp in den rijken

zwarten grond in de onmiddellijke nabijheid behoorde te vinden,

maar er nu steeds te vergeefs zoekt. Dan zullen de dames van de

landbouwers niet langer in hun salon zitten en in hun landauers

rijden, en dat zal een verandering ten goede zijn, eenvoudiger en

meer naar verhouding. De stedelingen weten dit alles zoo niet; maar

wie buiten woont heeft heel goed gemerkt, hoe veel gecompliceerder

en weelderiger het leven in de oude Engelsche hoeven geworden is,

al roept men over dure tijden; en hoe de boerin niet meer in de melk-

en kaaskelder gaat, en ook niet meer die heerlijke eigen dingen maakt

zooals dat vroeger in de boerderijen het geval was, en waaraan het

oud-Engelsche buitenleven van ouds zijn roep te danken had; en hij

weet ook hoe de groote heeren-boeren nu de hoofdafnemers zijn van de

groote Londensche "Stores" terwijl de kleine plaatselijke winkeliers

niet anders zien dan den daglooner van zeven of tien gulden in de week.

Voor het klein bedrijf, dat zich weldra over het geheele land

vermenigvuldigen zal, is er nu iets te ondernemen, dat tot nog toe

nauwelijks is aangepakt. Voor den handwerksman was altijd een staande

ergernis de kapitalist, die zoo lui leeft als hij wil en den arbeider

voor zich laat tobben. Maar als de kleine man nu bijen gaat houden,

dan kan hij ook luieren, en toekijken hoe zijn duizenden gevleugelde

arbeiders zijn voorraadkamers vullen met een van de nuttigste

en verkoopbaarste artikelen van de wereld. Het is een axioma in

den handel, dat een goed aanbod even zeker een vraag schept als de

algemeene behoefte aan iets de produktie ervan prikkelt. En Engeland

behoeft op het oogenblik een ruimen voorraad goeden en goedkoopen

honing; wordt die eenmaal aangeboden, dan is het ook zeker, dat de

vraag steeds grooter zal worden.

Er zijn verschillende redenen waarom de menschen honing behooren te

kiezen voor hun hoofdvoeding, inplaats van de beetwortelsuiker die

nu zoo algemeen wordt gebruikt. In de eerste plaats is honing een

zuiver, natuurlijk, onvervalscht zoet, terwijl bij het bereiden

van gewone suiker het vermengen met meer of minder schadelijke

chemikaliën onvermijdelijk schijnt te zijn. Als een bijenkolonie

kunstmatig gevoed moet worden, en voor dat doel gewone kruideniers'

suiker gebruikt wordt dan heeft dat gewoonlijk de vergiftiging van

het halve volk ten gevolge, door de chemische stoffen waarmee de

suiker in de raffineerderij behandeld is geworden. En als ze zóó

werkt op de bijen dan ligt het voor de hand, dat ze niet heelemaal

onschadelijk kan zijn voor menschen. Maar de zuiverheid alleen is

niet de reden waarom honing het algemeene verzoetingsmiddel voor de

menschen behoorde te zijn. Honing is de suiker, die mee den nektar

vormt; maar dan geconcentreerd en verwerkt tot wat in de scheikunde

bekend is als druivensuiker; en zoo is dus in rijpen honing het eerste

en belangrijkste deel van de spijsvertering reeds gebeurd, vóór dat zij

uit de raat genomen wordt. Dit verklaart waarom zooveel zwakke menschen

en vooral kinderen zoo gemakkelijk voedsel met honing verzoet kunnen

verteren, terwijl zij alle andere vormen van zoet niet verdragen.

De geneesheeren vinden steeds nieuwe deugden in honing. Zijn

gelijkmatig regelende werking op de ingewanden is sinds lang bekend,

en het is door bevoegden gestaafd, dat er feitelijk in het menschelijk

lichaam geen enkel orgaan is, dat niet eenigen invloed ten goede

ondervindt bij het regelmatig gebruik van honing. Bij alle uitterende

ziekten en zeker het schitterendst bij tuberculose, is het gebleken,

dat honing het lichaam kan opbouwen, waar andere middelen faalden. Het

is zeker, dat verschillende gevallen van tering volslagen genezen

zijn door een ruim honingdieet, en het is ook opvallend dat honing

het hoofdbestanddeel is van bijna alle gebruikelijke geneesmiddelen

voor ziekten van borst en keel. Gewoonlijk worden therapeutische

wenken van leeken door de faculteit met een scheel oog aangezien,

tenminste bij de meer ouderwetsche leden; doch in de hoop, dat deze

bladzij door een meer onbevangen geest gelezen moge worden, waag ik

het er op. Er zijn er velen, die, en met reden, in honing gelooven

als een speciaal middel bij uitterende ziekten. Het is niet anders

dan het eens zoo beroemde "Athol brose", dat, zooals alle Schotsche

ijmkers weten, bestaat uit gelijke deelen goede, dikke honing,

liefst van de heide (Calluna-), room en belegen Schotsche whisky

van de potstokerij. "Dikwijls en met kleine hoeveelheden," luidt de

gebruiksaanwijzing; maar in tegenstelling met andere huismiddeltjes

heeft het geloof niets te maken met de wonderwerking. Het gedijt even

goed in sceptischen bodem als in iederen anderen.

De industrieel, die besloten heeft van het ijmkeren zijn broodwinning

te maken, moet al vóór den aanvang weten op welke schaal hij zich zal

inrichten. Er zijn twee kanten aan de zaak, de een aantrekkelijker

dan de andere, al naar het temperament en het standpunt. Er is het

"Eenvoudige leven" en de bijentuin--een rustig bestaan in het lommer

van een Engelsch dorp, binnen het bereik van een marktplaats, waar

de opbrengst der korven kan worden afgezet. En er is de onderneming

in het groot, het inrichten van een bijenpark op uitgebreide schaal

en op erkend wetenschappelijken grondslag, met het doel de groote

centraalmarkten te voorzien; minder met het oog op onmiddellijke

lokale behoeften.

Bij het inrichten van een bijenpark, moet de eerste zorg de keuze zijn

van een geschikte streek. En de natuur van het omringende land moet in

hoofdzaak aangeven hoe de inrichting het voordeeligst werken kan. De

eerste regel voor hem, die met voordeel bijen wil houden, is te zorgen,

dat alle korven opgepropt vol met werkbijen zijn als de tijd van de

groote honingdracht daar is. Maar die tijd hangt af van de streek. Waar

in hoofdzaak vruchtboomen zijn, hebben wij de werksters vroeg noodig;

op de heide is het laat. In het Zuid-Westen van Engeland, waar het

land uit de helft ooftboomen en de helft heidevelden bestaat, moeten

zoowel vroeg als laat sterke volken zijn. Maar waar de ijmker met den

schapeboer samengaat--en er is geen beter gids voor honing dan een

schaap--is het wijsheid voor hem zijn kolonie tot de grootste sterkte

op te werken tegen den tijd, dat de grootste oogsten van schapevoeder

in bloei komen, wat zelden is vóór midden Mei. En al deze beschouwingen

doen ons belanden bij een veel betwiste vraag in de moderne bijenteelt:

moeten bijen al of niet kunstmatig gevoed, en zoo ja, hoe en wanneer?

Wanneer alleen de zuiverste rietsuiker wordt gebruikt en de stroop

goed gekookt wordt en nooit verbrand is, is er tegen die praktijk

niets te zeggen, wat betreft nadeel aan de volken. Als er vroege bijen

verlangd worden is het volstrekt noodzakelijk, hen geregeld van een

vasten voorraad suikerstroop te voorzien, van het oogenblik af, dat

het broeden in de korven begint. Chemisch is het zoete bestanddeel in

den nektar nagenoeg identiek met dat uit rietsuiker, en suikerstroop

heeft dàt voor op het voeren met honing, dat het beter de natuurlijke

afscheiding aanzet. De bijen, die de verantwoording hebben over het

broedwerk in de korven, zijn jonge werksters, die nog nooit gevlogen

hebben. Zij kunnen dus alleen maar oordeelen over het voortschrijden

van het jaargetijde naar de hoeveelheid nektar en stuifmeel, die den

korf binnen komt. Waar die hoeveelheid van dag tot dag stijgt--en het

is het werk van den ijmker te trachten den indruk van het regelmatig

voortgaan van het seizoen bij de kunstmatige voeding op de bijen over

te brengen--dan krijgen zij vertrouwen, en het broedkweeken gaat met

kracht voort.

Maar suikerstroop en erwtemeel is geen natuurlijk bijenvoedsel, en

het is niet te betwijfelen, dat een te lange voortzetting van een

dergelijk dieet een daling van het weerstandsvermogen van het ras

tengevolge zou hebben, en dus den weg openen voor het intreden van

ziekten. De gulden regel schijnt in dit geval wel te zijn, dat men

alleen tot kunstmatige voeding moet overgaan, waar de sterkte van

het volk den oogst moet verzekeren, of waar hongerdood dreigt. In

zuivere hei-distrikten waar men zijn sterke volken vroeg genoeg

bij de hand heeft aan het eind van Juni, mag alleen het feitelijk

gevaar van hongerdood den ijmker er toe noopen tot kunstmatige, dus

minderwaardige voeding zijn toevlucht te nemen. Dezelfde regel geldt

voor schapendistrikten. Men kan van een sterk volk, in 't bezit van

een jonge levenskrachtige koningin, verwachten, dat het, behalve in

buitengewoon ongunstige jaren, zichzelf in uitstekende conditie kan

houden totdat de tijd van de groote honingdracht daar is. In zulke

gevallen heeft de ijmker alleen maar te zorgen, dat geen zijner korven

volslagen gebrek heeft aan het noodige levensonderhoud.

Maar in het warme, zoo begunstigde zuid-westen, de streken van hei

en appelbloesem, waar zoowel een vroege als een late oogst is in te

zamelen, moet een geheel verschillend systeem gevolgd. En hier zijn wij

genaderd aan het tweede voorschrift voor hen, die met goeden uitslag

bijen willen houden--de noodzakelijkheid in alle korven niet anders

dan de allervruchtbaarste moederbijen te hebben. Wil men inderdaad

voordeelige honingoogsten krijgen, dan moet zelden een koningin langer

dan twee jaar in den korf blijven. Daarna is zij niet veel meer waard

en moet afgezet worden, of door den ijmker of door de bijen. Maar

wanneer een koningin in het voorjaar door sterke voeding overprikkeld

is geworden tot het voortbrengen van een buitengemeen groote bevolking,

dan is zij gewoonlijk niet in staat tot een dergelijke overspanning

in den herfst. Het is daarom verstandig, daar waar een belangrijke

honingdracht is, de oude koninginnen nadat het vroege werk gedaan is,

op te ruimen en ze te vervangen door koninginnen in hun krachtigste

periode, doch aan het begin daarvan, niet aan het einde. Op deze

wijze is er spoedig een tweede krachtig arbeidsleger voorhanden,

en de dubbele oogst is verzekerd.

Het is moeilijk in bijzonderheden te treden over de vraag, wat

wel de beste korven zijn voor handelsbijenteelt op groote of kleine

schaal. Generaliseeren is hier gemakkelijker. Iedere ijmker heeft zijn

eigen inzichten betreffende de détails; maar allen zijn het gelukkig

eens over de beginselen van de hoofdstruktuur. Ondervinding heeft zoo

goed als uitgewezen, dat een flinke koningin, onder het hedendaagsche

stelsel van intensieve kultuur, voor haar broed een raatoppervlakte

vereischt van ongeveer 11.500 vierk. centimeter. Een broedbouw

van geringer inhoud zou haar noodzaken haar werk te schorsen op het

hoogtepunt van haar vruchtbaarheid, en alles wat die maat te boven gaat

beduidt zooveel meer honing verloren voor de bovenkamers, die alléén in

aanmerking komen voor den ijmker. Honing opgezameld in het broednest,

behalve buiten de seizoenen, is verlies inplaats van winst. De beste

korf daarom, zal precies zooveel broedraten bevatten in losse raampjes,

als den vereischten inhoud verzekeren; en alle raampjes in het geheele

bijenpark moeten gelijk van afmetingen zijn, om in de verschillende

korven verwisseld te kunnen worden. Dit is een kardinaal punt voor een

winstgevende bijenkultuur; want het stelt den ijmker in staat, niet

alleen de sterkte van zijn volken gelijk te houden, door raten met

uitkomend broed van den eenen korf naar den anderen over te brengen;

maar hij kan ook den schraal geproviandeerden kolonies raampjes met

verzegelde honingcellen geven uit de overdaad van hunne buren. Ook

kan hij de zwakke kolonies samenvoegen en ze daardoor versterken.

Overigens moeten de korven zóó gemaakt zijn, dat in het koude

seizoen de hitte geheel binnen gehouden wordt, en even radikaal wordt

uitgesloten in het heete jaargetij. Dubbele wanden om den broedbouw

zijn een vereischte in het veranderlijk Britsch klimaat, waar men in

minstens tien maanden van de twaalf altijd kille dagen verwachten kan.

De bijenhouder zal evenveel voordeel trekken van de wasproduktie als

van den honing. Zoo goed als leder stof is, die door niets vervangen

kan worden, zoo houdt ook bijenwas zijn plaats op de markt, ten

spijt van alle parafine substituten. Maar het was verliest veel

van zijn waarde doordat het algemeen wordt vervalscht; en de fout

ligt bij de ijmkers, die nooit ernstig getracht hebben in de vraag

te voorzien. Wasproduktie op groote schaal is heel wel mogelijk, en

het is zeker, dat het eene belangrijke industrie zou kunnen worden,

zooals het in de middeleeuwen er eene placht te zijn. Maar wij leven

in tijden van hervorming; en het is mogelijk, dat de honingbij tot

hare oude nationale roeping zal terugkeeren: licht te brengen in onze

duisternis, en goed en zuiver voedsel aan onze lichamen.

HOOFDSTUK XVII

BIJENHOUDEN EN EENVOUDIG LEVEN.

De Engelsche zonneschijn is wispelturig zoodat niemand ooit zeker

is van het blijvend gezelschap van zijn schaduw. Maar als de zon

schijnt in Engeland, dan lijkt het een eeuwig blijvende kracht, en het

grauwe gisteren, het tikkelend wijsje van den regen tegen de ruiten,

worden er tot een droom. Ge hadt geslapen onder het zware blauw van

den zomernacht, en die druipende vale luchten waren een visioen,

dat ging met de blijheid, die de morgen bracht. En morgen, als de

wilde jacht van de stormluchten misschien terugkomt, en aan alle

kanten van het huis de stroomende dakgoten kletteren, dan zal dat

ook weer een droom zijn; zeker zult ge dat dan tegen u zelf zeggen,

als de zon door die wolken breekt en de wind zijn kracht mindert,

en uit het stukje blauwe lucht een broek te snijden valt; en wanneer

ge dan buiten komt in het glinsteren van dien vochtigen grond en

in dat hernieuwde leven; zoo blij met dat alles als de vinken en de

vlinders, die vóór u uit fladderen op het grasveld. De zon schijnt:

de zon heeft altijd geschenen onveranderlijk als de Tijd.

Met dit vertrouwen--ongegrond en daarom onweersprekelijk,--ging ik uit

in den gloed van een heerlijken Junimorgen, langs bloeiende klaver,

veld na veld, tot ik aan het hek stond van den bijentuin tegen den

heuvel. Met den naam was ik al lang vertrouwd; want in het lokale

blaadje was geregeld de kleine vijfregelige advertentie te vinden,

die in zijn eigenaardigen stijl honing te koop annonceerde. Maar ik

was er nooit geweest, had ook nooit een voet gezet in dit gedeelte van

het goede land van Sussex. En zoo kwam ik er toe op dezen overstelpend

heerlijken Junimorgen, voor ééns den teugel te vieren aan mijne luimen,

en ik trad naar buiten in die vredige glinstering en de blijde rust

van den dag; en eindelijk kwam ik aan mijn bestemming--den bijentuin,

die gemetseld is tegen de groene Downlandsche heuvelen.

Hij was ingesloten door een hooge haag van witte mei als in sneeuw van

bloesems, even roze getint, het merk van hun aanstaand verkwijnen. Over

de haag heen zag ik de takken der appelboomen zich uitstrekken,

groen, met wijd uitbloeiende bloesemtuiltjes, die vol waren met het

driftig gonzen van ontelbare nijvere bijen. Een blauw rookwolkje uit

een schoorsteen dreef langzaam weg in de lucht, alles wat te zien was

van het gezellige met rietbedekte landhuisje, dat binnen lag; en ik

hoorde stemmen: een rustigen baryton en een plotselingen hoogen lach,

blijkbaar een vrouwenstem, en soms een paar regels uit een oud liedje,

afgebroken en gedachteloos gezongen.

Toen de zang een oogenblik staakte--lichtte ik de klink van het hek op;

en op het klikkend geluid verrees aan het eind van den tuin in haar

volle lengte een magere mannenfiguur. Hij had daar gebogen gestaan

tusschen een wildernis van korven. En toen de man naar mij toekwam

zonder jas, in zijn opgestroopte hemdsmouwen, met zijn stevige,

bruine armen in de volle Junizon, nam ik het geheele vreedzame,

bezige tafereel in mij op. Het kronkelend pad, afgezet met roode

pannen, een zee van ouderwetsche tuinbloemen ter weerszijden; golven

van seringen en roode mei en gouden regen, schaduwige blauwe diepten

van vergeet-mij-nieten, scharlaken tulpen als vuurtorens er tusschen,

en ondiepten van amberkleurige reseda; vlak bij een net huisje met

schitterend heldere ruiten als diamantfacetten, en vroolijk flakkerend

waschgoed aan een lijn; een oude hond, die lag te dommelen op het

stroo in een ton; een kat naast een melkkan op den helder geschrobden

drempel. En overal bijenkorven ieder in een andere harmonieerende

kleurschakeering, niet in plechtige rijen gerangschikt; maar hier

en daar verspreid bij twee en drie tegelijk, in de ordelooze orde,

geliefd bij bijen en buitenmenschen.

De ijmker had scherpe, diepliggende grijze oogen, in een eerlijk door

de zon verbrand gezicht, en hij had de radde tong van alle bijenmannen

over de heele wereld. Hij stond klaar om alles te vertellen van

zijn werk en wie hij was, en wat hij gedaan had; en hij begon zijn

verhaal, terwijl wij langzaam door zijn domein slenterden. Hij was

een Londener, tenminste, twaalf jaar geleden was hij dat geweest,

een City klerk wit als de bladen van het grootboek, die dag aan

dag van negen tot zes door zijn vingers gleden. En thuis in een

lugubre woesternij van huizen, die Nunhead heette--waarheen nooit

een wreed noodlot mij moge drijven--daar naaiden zijn zusters voor

haar levensonderhoud, bleek als hijzelf. Maar eens op een dag kreeg

hij in een tweedehands-boekwinkeltje een boekje in handen--een schat

voor drie stuivers, handelend over bijenteelt. Hij las er in terwijl

de trein voortkrabbelde naar zijn woonplaats, op een verstijvenden,

mistigen, kouden winteravond; en toen en dáár, in dat vuile beestenhok

van een derdeklaswagen, werd in zijn verbeelding de bijentuin ingewijd,

die zich in die jaren ontwikkeld had tot alles wat ik nu om mij heen

zag op dien heerlijken morgen in Juni.

Het had een heelen tijd geduurd, vertelde hij mij, terwijl wij tusschen

het bezig gedoe van de korven drentelden, een lange, moeilijke en

schraperige tijd. Er moest geld overgelegd worden, het kapitaal voor de

onderneming; en dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan uit een totaal

familie-inkomen van 24 gulden in de week. Maar eindelijk was het geld

er toch, en het was er ruim. En de dag kwam, dat de heele familie het

stof van Nunhead afschudde, en het vervallen huisje in bezit nam met

het stukje, nauwelijks twintig are verwaarloosden grond. Het was een

moeielijke tijd geweest, zei hij--en het gezicht waarmee hij het zei,

paste niet bij de woorden--maar "kijk nu eens hoe alles veranderd

is"! en hij wuifde om zich heen met het zegevierend gebaar van een

bezitter. Het huis was in goeden doen en goed gemeubeld. De drie of

vier korven waarmee hij begonnen was, waren nu uitgedijd tot zestig of

zeventig, allemaal eigen gemaakt. Waar hij zijn bijen vandaan had? Wel,

dat geheim had hij uit het driestuivers boekje, het geheim van het

"afkloppen". Bijna al de bijenhouders tot mijlen ver in den omtrek,

hadden de gewoonte hun bijen dood te zwavelen om bij den honing

te kunnen komen. Toen was hij een eersten herfst, en alle herfsten

daarna, naar zijn buren gegaan en had hun aangeboden, de bijen voor

hen uit de korven te nemen en hun nog een goeden fooi toe te geven,

als hij dan voor zijn moeite de bijen mocht houden. Daartoe bleken

zij meer dan bereid; en zoo had hij langzamerhand zijn vorstendommetje

van korven opgebouwd.

En het voordeel? Ja, dat was nu niet om buitengewoon op te roemen. Hij

verkocht al zijn honing en was; verzond ze voor het grootste gedeelte

met de post, en breidde zijn kring van afnemers ieder jaar iets

verder uit. De goede en slechte jaren samen genomen, maakte hij door

elkaar voor iederen korf f 24 netto;--in overvloedige jaren was het

altijd veel meer--het was zeker geen rijkdom, maar zij waren met

niet meer dan drie, en hadden niet veel behoeften. Wat zij het meest

begeerden--frissche lucht, vrede, een rustig bestaan, en het gezonde

buitenleven--dat had men voor niets. En wat kleêren betreft--wel,

als men eenmaal heeft opgegeven een "stand op te houden", dan wordt

men pas gewaar hoe weinig die uiterlijke schijn eigenlijk telt in de

wereld. In ieder geval was voor hen het succes volkomen. Er woonden in

die streek menschen, die halve provincies bebouwden en nog mopperden;

hij niet, hij had rust en at zijn genoegen van zijn twintig are "en

de meisjes? wel, die lachten en zongen van den ochtend tot den avond."

Zoo slenterden en babbelden wij; en ik, mij van den domme houdende

in bijendingen--want hij mocht niet denken, dat ik uit louter

menschenliefde uilen naar Athene droeg--ik kocht honing en vroeg

naar allerlei; en van stukje tot beetje kwam ik er heelemaal achter,

wat er door die bevrijde slaven uit het City-klerkendom al zoo gedaan

was. De ijmker schoof zijn hoed van zijn schrander voorhoofd af naar

achteren, en stak een allergenoegelijkst pijpje op. Blijkbaar had hij

het heele vraagstuk al sedert lang grondig uitgedacht en het gegrepen

in zijn innerlijkste wezen.

"Wat wij hier doen", zei hij, "kan door honderd anderen gedaan worden,

die nog in Londen leven in denzelfden toestand waaruit wij ons hebben

losgemaakt. Groote bijenparken zijn goed en wel; maar dat is toch nog

meer iets voor de toekomst--iets, dat zich nog moet loswerken uit de

behoeften der eeuw. Maar voor den bijentuin is overal plaats, in alle

distrikten met een voldoend dichte bevolking. De gewoonte van honing

te gebruiken is er uitgegaan bij de menschen, omdat ze zoo zelden in

de winkels te koop is; maar als ze er geregeld aan herinnerd worden,

dan zullen zij ze weer gaan eten, en zij zullen op het laatst niet

meer begrijpen hoe zij het er zoo lang zonder deden. Doch het moet

hun smakelijk gemaakt worden. Lekhoning moet zuiver en helder zien,

in aardige fleschjes verpakt en met een net etiket. En de raathoning,

die verkocht wordt, moet in onberispelijk schoone, witte sekties

zijn. In dat oude boekje, dat mij aan de bijen gebracht heeft, staat,

dat alleen de engelsche bij behoort geteeld te worden, omdat zij een

beter honingdraagster is. Maar van een koopman's standpunt is er nog

een veel gewichtiger reden om alle uitheemsche bijen af te schaffen. De

engelsche bij laat een kleine tusschenruimte over tusschen den honing

en het celdekseltje, en tengevolge daarvan zijn de raten altijd

vlekkeloos wit. Maar bijna alle vreemde bijenrassen vullen hun cellen

tot den rand, en dit brengt mee, dat de mooiste raten er donker en vuil

uit zullen zien, en dus heel weinig aanlokkelijk voor den kooper. Aan

zoo iets denkt een zakenman het eerst, en de oude Londensche jaren

zijn daarom niet heelemaal nutteloos voor ons geweest."

Het zingen, dat ik vaag uit de verte gehoord had, toen ik nog buiten

het hek stond, werd helderder naarmate wij voortliepen; wij gingen

nu den hoek van het huis om, en kwamen bij nog meer korven, en midden

daartusschen bewoog zich een meisjesfiguur; er was daar ook een klein

waschschuurtje, waar ik een verschijning zag van bruine armen, diep

in een waschtobbe, en tegelijk kreeg ik het laatste couplet van het

vaag gehoorde liedje.

"Dit is Hetty", lichtte de ijmker toe, "die helpt in den tuin

en--helpen, zei ik? ze is veel handiger er mee dan ik! Er is zooveel

werk bij de bijen, waarvoor een lichte vrouwenhand noodig is. En Debora

is onze huishoudster. Wist u, dat het woord Debora het Hebreeuwsch

is voor honingbij? Maar kom nu mee, dan zal ik u laten zien, waar

ik bij winterdag de korven maak, en waar wij den honing slingeren,

en waar wij de sekties in de raampjes zetten en al zoo meer."

Hij vertoonde mij toen de werkkamer en een schuurtje met gazen

vensters, waar een eigen gemaakte slingermachine stond--een

snedig, centrifugaal ding, waarin de raten konden gelegd worden

en onbeschadigd aan de bijen teruggegeven en daarna geregeld weêr

gevuld en uitgeslingerd. En er was een provisiekamer, waar lange rijen

honingpotten stonden, en stapels sekties, en blokken licht gele was

lagen te wachten op de koopers en er was ook een pakschuur, waar de

kartonnen postdoozen in orde werden gemaakt. En eindelijk werd mij

in een uithoek van den tuin een ezel gewezen, ruig en goed doorvoed,

die vreedzaam stond te smangelen, en onder een afdak daarbij een

karretje, dat een bijzonderheid in zijn soort was. De houten kap

had den vorm van een grooten bijenkorf, en daarop was de naam van

den tuin geschilderd en een lijst van de produkten, die het karretje

inhield. De ijmker legde met een bewonderend gebaar er zijn hand op.

"Dit is heelemaal een bedenksel van Hetty," zei hij. "Voor zoo iets

moet je de Londensche meisjes hebben. In het seizoen rijdt zij er

iedere veertien dagen mee naar stad; propvol gaat het weg, en geloof

maar, dat ze geen honing weer mee terug brengt. Ik weet het niet,

maar die meisjes hoorden van naam te veranderen."

Het verhaal van de honingbij · 第 17 / 18 段