en langs den keten van bloeiende velden, luisterde ik naar den
bijenzang om mij heen; en hoe was het, dat ik in dezen zang, waarmeê
ik een geheel lang leven vertrouwd was geweest, vandaag iets hoorde,
dat ik er nooit in gehoord had? De diepe tonen rezen en daalden en
stierven uit toen het pad door de vlekkelooze roode klaver leidde;
toen verhief het zich weer als de rozige velden met espareette kwamen,
en werd tot een luide blijde symphonie waar een plek mosterdzaad zijn
veracht en onbegeerd geel mengde tusschen het zaaisel van den boer; het
scheen of het rijzend en dalend refrein mij dit toezong: "Ge dacht, dat
ge onze gangen en wegen kendet van A tot Z! Ge hebt ons dag en nacht
gespionneerd in en buiten het seizoen. Ge hebt ons gechloroformeerd,
gevivisekteerd, onze doode zusters lid voor lid van elkaar getrokken,
om de wreed glinsterende oogen van je tweeoog te verzadigen. Ge waart
er eindelijk toegekomen te denken, dat er niets meer aan ons was,
van buiten en van binnen en rondom, waar ge niet alles van wist. En
daar komt nu een gewone City-klerk, die zijn erfelijken plicht den rug
heeft gekeerd, en die vertelt u in niet meer dan een uurtje een heel
kwantum dingen, waar jij, dwarskijker, met je levenslang gespionneer
geen schijntje van vermoed hadt. Weg met jou! Je verdient je heele
verdere leven met niet anders dan hommels om te gaan!"
Want hoe meer ik nadacht, dat bijentuinen, als die ik juist bezocht
had, over het geheele land verspreid zouden kunnen zijn, des te
duidelijker werd het mij, dat dit een zending voor de honingbij was,
die mij volslagen was ontgaan; en het denkbeeld werd hoe langer
hoe aantrekkelijker. Met ijmkeren op groote schaal is er altijd
het bezwaar, dat het bijenpark te groot zou kunnen worden voor zijn
honingbronnen in het omliggende land, hoewel het zéér zeker waar is,
dat speciaal voor bijen gezaaide bloemenvelden hun kosten kunnen
opbrengen. Maar een kleine bijentuin zou nooit het land kunnen
uitputten binnen zijn noodzakelijken kring van drie mijlen, en al de
nektar, die de bijen indroegen, zou gratis verkregen zijn. "Hoera voor
Nunhead!" dacht ik, terwijl ik mijn rustigen gang tusschen de klaver
vervolgde. En waarom niet alle andere Nunheads en evengoed alle andere
grootere steden? Er zullen er altijd genoeg overblijven, die het stof
en stadsrumoer verkiezen, dus dat kleine groepje bijenmannen zal niet
gemist worden.
En ik dacht ook nog over iets anders, terwijl ik voortschreed in den
engelschen zonneschijn, die eeuwig is; en ik zwaaide mijn overscharige
maar veel geprezen pot met honing er lustig bij in mijn hand.
Het liedje en het vroolijk lachen--het was nog altijd in mijn ooren,
en het mengde zich in den werkzang van de bijen langs mijn weg. Kijk,
geen twaalf kilometer verderop over de heuvelen in de blauwnevelige
Sussex vallei, daar wist ik van juist zulk een bijentuin, waar
twee broers--maar deze geen Londeners, een paar echte Downlandsche
jongens--zich hadden gevestigd; zij hadden het goed, maar allebei
waren ze ongetrouwd. En geen week geleden, hadden ze zich over dat
feit bij mij beklaagd, en--Neen stil! Huwelijksmakelarij is geen werk
voor den schrijver van het Verhaal van de Honingbij!
Aanhangsel
De Bij en haar Wapenen
Door Percy E. Spielmann
Ph. D., B.Sc. (London), F. I. C-, A. R. C. Sc.
Vertaald door L. S.
DE BIJ EN HAAR WAPENEN
Maeterlinck, dichter en ijmker tegelijk, heeft ons een zeer
aantrekkelijk verslag gedaan van de monarchale republiek der bijen,
en thans biedt Tickner Edwardes, ijmker en dichter naar geest en
ziel, ons een nieuwe aanlokkelijke beschrijving van het bijenleven,
die ons nog dichter bij de natuur brengt. Beide schrijvers hebben,
evenals de bijen zelf, gepuurd uit natuursvoorraadschuur, en ons hun
oogst aangeboden in de meest smakelijken en lichtst verteerbaren vorm.
Het diepe geheimenis, dat den korf en haar verborgenheden omringt,
is doorbroken door flitsen van onderzoek, schitterend en toch niet
sterk genoeg om meer te doen dan den weg tot verder onderzoek te
verlichten, en de bekoring van het onderwerp te versterken door ons
de onthullingen te laten voorgevoelen van wat het warme duister van
den korf voor wonderen voor ons verbergt. De groote moeilijkheden,
die zich den wetenschappelijken onderzoeker vóordoen, ontsteken en
dempen tegelijk zijn ijver. Men kan de evolutie van de bij volgen
door vergelijking met haar vele, minder ontwikkelde verwanten onder
de hymenoptera, doch hoe zij tot haar eind-ontwikkeling gekomen is,
is voor den onderzoeker nog steeds een aanleiding tot verbazing. We
kennen de wijze waarop de honing voortgebracht wordt en ook haar
samenstelling; maar het biologisch verband tusschen het voedsel der
bijen en de afscheiding van was, ligt tot heden letterlijk buiten
onzen gis.
En de moeilijkheden worden niet minder door de geringheid van de
hoeveelheden voor het onderzoek beschikbaar, zoodra we het vergif
in de bijensteek en het broedvoedsel chemisch willen ontleden. Beide
substanties zijn aan onderzoek onderworpen, en al kan niet veel met
zekerheid worden verklaard, de richting, die de verkregen uitkomst
heeft aangewezen, is van beteekenis. Meest weten we van het vergif
in de bijensteek, en daar wil ik het thans kortelijk over hebben.
Het bijenvergif blijkt, bij anatomisch onderzoek, geleverd te worden
door twee verschillende kliertjes. Ieder geeft een eigen vloeistof af:
de èene zurig, de andere alkalisch. Het vergif komt zelfs vóor in de
eieren van de bijen, en als beide stoffen tegelijk in een wond worden
ingespoten,--zooals in de natuur onveranderlijk gebeurt--is de werking
op het hevigst. Proefnemingen hebben bewezen dat een indruppelen van
een van beide afzonderlijk veel minder werkzaam is dan wanneer beide
tegelijk of aanstonds na elkaar in een wondje worden gebracht. Bij
de sluipwesp--een verre verwante van de bij, die haar slachtoffer
slechts zòo steekt dat het verlamd wordt en aldus tot een maal kan
dienen voor het broed tijdens den broedtijd--kunnen we het kliertje,
dat de alkalische stof afscheidt, nauwelijks meer ontdekken.
Hoe hooger de hymenoptera in ontwikkeling en bezit stijgt, des te
sterker wordt de werking van haar vergif, zelfs zóo dat het voor
den mensch levensgevaarlijk wordt. En zelfs hangt dit weer af van
omstandigheden, die zorgvuldig moeten onderscheiden worden. Hoe meer
een bij vertoornd is, des te feller is haar steek, waarschijnlijk omdat
zij dan haar vergif sterker uitspuit en mogelijk omdat de afscheiding
uit het alkalisch kliertje grooter is. In den herfst is de werking
van een steek erger dan in het voorjaar, wat misschien is toe te
schrijven aan een verschil in de temperatuur of in de afscheiding van
een late bij in vergelijking tot die van een voorjaarsinsect. Doch
het ergst zijn de gevolgen op een zeer warmen dag, en hier komt ook
de menschelijke factor mee in het spel. Immers al maakt de hitte een
bij prikkelbaar, en al mag die, door invloed van haar zenuwgestel,
haar afscheidingen en werkingen wijzigen gelijk ze dit in andere dieren
eveneens doet, het feit dat de mensch onder invloed van de warmte veel
minder weerstandskrachtig is tegen vergiften spreekt stellig mee. Hij
is gevoeliger in het algemeen, en zijn bloed doorloopt zijn lichaam
sneller en krachtiger en verspreidt het vergif dus deugdelijker.
De schrijver van dit boek verhaalt van een zijner ervaringen,
bijzonderlijk interessant omdat die veel ernstiger was dan gemeenlijk
ondervonden worden, en hij, na zijn herstel, de bijzonderheden
zorgvuldig opschreef. "Er kwamen," zegt hij, "zeven bijen op me
af uit een korf, die door een onverschillig helper behandeld werd,
en zij zetten zich bijna gelijktijdig op mijn hand en pols.--'t Was
een heel warme, benauwde, stille namiddag; ik had al een acht tot
tien korven nagegaan en bevond me in een toestand van tamelijke
vermoeidheid, met duidelijke transpiratie. Zoo gewend ben ik er
aan, gestoken te worden, dat ik heel weinig op dezen aanval lette,
de bijen eenvoudig verwijderde en hun angel met den nagel van mijn
vinger wegkijlde. Daarop ging ik door met mijn werk, maar bemerkte na
een minuut of zoo een branding op mijn tong, die zich heel spoedig
over mijn ganschen mond en keel verspreidde. Al die lichaamsdeelen
schenen nu op te zwellen, en die neiging tot opzwellen verspreidde
zich over het geheele hoofd en in 't bijzonder tot de lippen, zoodat
het spreken moeilijk ging vallen. Dat gevoel van branderigheid
verbreidde zich nu over mijn geheele lijf; mijn oogen leken uit te
puilen en het gezicht begaf me, zoodat ik zoo goed als niets meer
zien kon. Een aandoening van misselijkheid en zwakheid overviel me;
armen en beenen leken machteloos te worden en in het eind verloor ik
mijn bewustzijn. Dit alles gebeurde binnen het bestek van hoogstens
8 tot 10 minuten. Naar men me vertelde bleef ik minstens 10 tot 15
minuten bewusteloos. Nadat ik was bijgekomen duurde de nawerking nog
ongeveer een half uur; toen was alles voorbij en ik kon verder gaan
met mijn werk. Ik moet hier bijvoegen dat die bijen me totaal vreemd
waren, en hun eigenaar hen niet al te goed verzorgd had."--
Uit dit alles volgt dat de veel verbreide meening, alsof het
bijenvergift uit niets dan mierenzuur bestaat, niet geheel juist kan
zijn. Voortgezet onderzoek brengt aan het licht dat dit naar alle
waarschijnlijkheid niet de eenige prikkel is in het geval van een
mierenbijt, en dat het zeker niet voorkomt in brandnetels, gelijk
tot heden is aangenomen. Men heeft toch berekend dat een haar van
den netel niet meer dan 0.00006 miligram van dat zuur kan bevatten,
en dat is een geheel te versmaden kleine hoeveelheid, terwijl ook het
andere bewijsmateriaal tegen zijn aanwezigheid daarin zeer sterk is.
Een droppel bijenvergift weegt tusschen 2 en 3 tienden miligrammen;
het is glashelder en heeft een bitteren smaak en een eigenaardigen
aromatischen geur. Om het chemisch te kunnen onderzoeken heeft men
het vergift van 12000 tot 25000 bijen moeten bijeenbrengen. Zelfs
met deze hoeveelheid is men nog niet erg ver kunnen komen. Ook een
anderen weg, meer biologisch, heeft men gevolgd, door het vergift
in te brengen bij musschen, nadat men het eerst voldoende verhit
had om achtereenvolgens de verschillende elementen, die het vergift
samenstellen, te vernietigen. De uitkomsten van deze twee methoden
van onderzoek, hoewel ze niet volkomen overeenkomen, laten evenwel
vrijwel toe, een gemiddelde slotsom te trekken.
En deze is, dat het bijenvergift drieledig is, en dat de "zuur"-klier
twee der drie stoffen afscheidt. Die zurigheid is te wijten aan
mierenzuur, dat allereerst de plaatselijke prikkeling van de wond
schijnt te veroorzaken. Het doel van zijn aanwezigheid schijnt te
zijn, het voortbrengsel van de "alkalische" klier opgelost te houden,
nadat het reeds in het lichtelijk alkalisch bloed is overgegaan. De
andere afscheiding van deze "zuur"-klier is een verdoovend middel,
met eenige overeenkomst van wat we in slangengif vinden. Zij behoort
tot de "toxalbumens," met even boosaardige eigenschappen als hun
bloedverwant, het ei-albumen, er zegenrijke heeft.
De alkalische afscheiding, een basis of alkaloid, is een der
vele dierlijke producten, overeenkomend met de sterk vergiftige
plantaardige, die in de geneeskunst zulk een rol spelen. Het is van
een bitter "beginsel" en is op zich zelf in staat stuiptrekkingen
bij het slachtoffer te verwekken.
Deze onderzoekingen laten, van wetenschappelijk standpunt, de
onder ijmkers wijdverspreide meening onbeslist, dat bijensteken een
geneesmiddel zouden zijn tegen rheumatiek. De ervaring schijnt dit
inzicht te bevestigen, ofschoon niet absoluut. Als het juist bleek
zou het geen op zichzelf staand verschijnsel zijn; want het is bekend
dat steken van de kwallen spit genezen.
Ten slotte een woord over het onvatbaar-maken. Na langen tijd wordt
een persoon tegen bijensteken gehard, zij hebben weinig effect meer
op hem. Blijkbaar berust dit op den prikkel die het menschelijk
systeem ondergaat tot het voortbrengen van een tegengift om het
ingespoten vergift te bestrijden. Hierin ligt niets nieuws. Het is
een van de grondslagen van elke serum-behandeling tegen bacterien,
en van de inenting van personen, die nog onaangetast bleven; en werd
allereerst door Pasteur op een breeden wetenschappelijken grondslag
gevest. Doch wat wel opmerkelijk is, is dat men bijenvergift kan
aanwenden als tegengift tegen dat van slangen; door een voorafgaande
inspuiting van het eerste verzwakt men zeer sterk de werking van het
laatste. Bijenvergift werkt eenigermate als dat van slangen, en dat
het nu dit laatste kan tegengaan wijst op een nog nauwer onderling
verband. Aldus blijken de gift-voortbrengsels van bijen, bacteria,
slangen, en de nog minder bekende vergiften van scorpioenen en spinnen,
onderling verbonden in een van die geheimzinnige verknoopingen,
daar de natuur zich bijzonder in schijnt te verlustigen. Wezenlijk
is het echter geen "verknooping"; de wetten en voortbrengselen der
natuur zijn volstrekt niet verward; het is onze beperkte kennis die
ze ons voor verward doet aanzien. De wezenlijke paradox is dat de
natuur tegelijkertijd buitengewoon samengesteld èn dood-eenvoudig
is; al de duizenden feiten en ervaringen die we verzameld hebben
en die een doorvlechting lijken van eindelooze bijzonderheden,
brengen tegelijk meer en meer duidelijk aan het licht naar welk een
allereenvoudigst stelsel de natuur is opgebouwd. Uit dat velerlei
der bijzonderheden volgen ten slotte de algemeene wetten, die de
afgescheiden verschijnselen onderling verbonden toonen. Aldus ook in
dit geval. Als het voortgezet onderzoek de bij, met haar wonderlijke
geheimenissen, in verband zal hebben gebracht met andere, even duistere
en moeilijke vraagstukken, zullen in het mozaiek van het heelal nieuwe
steentjes hun plaats gevonden hebben, en het stelsel der natuur zal
ons nòg meer verduidelijkt zijn.
INHOUD
Blz.
Voorwoord der Redactie V
Inleiding: Het oudste bedrijf onder de Zon IX
I De Honingbij en de oude Schrijvers 5
II Het Honing-eiland 19
III IJmkers in de Middeleeuwen 27
IV Voor de Stadspoorten 46
V De Republiek binnen de korven 65
VI Het eerste werk in de Bijenstad 82
VII Het Ontstaan der Koningin 92
VIII De Bruid-Weduwe 117
IX De Werkbij, Souvereine 125
X Een Anatomische romance 146
XI Het mysterie van den Zwerm 172
XII De Raatbouw 198
XIII Waar "het Bieken honing puurt" 223
XIV De Dar en zijn Geschiedenis 238
XV Na het Banket 253
XVI Het Moderne Bijenpark 261
XVII Bijenhouden en Eenvoudig leven 272
Aanhangsel: De Bij en haar Wapenen,
door Percy E. Spielmann 283
ILLUSTRATIES
Blz.
De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende bijen 4
Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke ligging
der raten toont 47
Ouderwetsche bijenwoning in Sussex 59
Raat uit Moderne Korf, met Koningin 71
Winter in den Bijentuin 85
Darren- en Werkbijenbroed 93
De Koningin in broed-tijd 105
Broedcel voor Koningin 111
De Honingbij vergroot 129
Raat met Broedcellen 139
Bijen-Kinderkamer 165
Een bijenzwerm in Mei 173
Een Reuzen-zwerm 179
Het opvangen van een zwerm 185
De zwerm in den korf 191
Honingraat onder verlichting 207
Raat, naar boven toe opgebouwd 217
De Voorraadschuur 233
Koningin buiten het broedseizoen 251
IJmkerij zonder verstand 267
Een IJmkerij in het bosch 277
AANTEEKENINGEN
[1] Matriarchaat: Zie hierover Eisler's Sociologie (W.B.), pag. 171,
173, 202.
[2] Ik geef hier inplaats van de Engelsche vertaling van Vergilius,
die door den schrijver wordt aangehaald, de hollandsche van Vondel.
(De Vert.)
[3] Over het Landleven.
[4] Downs: heuvelen.
[5] Bekende figuur uit Dickens roman Het verlaten Huis.
[6] Zie over het vergif in den angel van de werkbij het aanhangsel
in ons boekje: "de Bij en haar Wapenen", van dr. P. E. Spielmann.
End of Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes