luiaard en doeniet in de elementaire schoolboeken. Doch wat ook zijne
oorspronkelijke uitrusting voor nuttigen arbeid moge geweest zijn,
het is zeker, dat hij nu niet werken kan, al zou hij nog zoo graag
willen. Lichamelijk--behalve wat de spieren betreft--en geestelijk
is hij in alle opzichten de mindere geworden van de werkbij. Bij hem
zijn al die bijzondere inrichtingen afwezig, waarmede de werkster zoo
ruim is toegerust. Hij heeft geen stuifmeelkorfjes, noch éénige van
die vernuftige borstels en kammetjes, waarmede zij het stuifmeel bij
zich zelve en andere afkrabt. Hij heeft noch was-afscheidingsorganen
noch tangetjes, om die was te hanteeren. Zijn tong is te kort om den
nektar te bereiken; zijn hersenen zijn nog geringer van omvang dan
die van de zwakgeestige koningin. De gekompliceerde kliersystemen,
die zulk een belangrijke rol spelen bij den dagelijkschen arbeid
van de werkbij, zijn bij hem of geheel afgestorven, of bestaan
in elementairen vorm. Terwijl de Wil der Gemeenschap verlangde,
dat de werkbij ongehoorde voortreffelijkheden van geest en lichaam
zou ontwikkelen, is diezelfde macht steeds werkzaam geweest, om het
mannelijk exemplaar terug te brengen tot een volstrekt afhankelijk
wezen met verlies van alle initiatief en gedachte, behalve in ééne
richting. Het is met dar en werkster evenals met de koningin en de
werkbij; zij schijnen nauwelijks tot hetzelfde ras te behooren.
En toch, zoo royaal onbekrabbeld en nuchter als hij is, heeft de dar
in vergelijking met zijn wrange, koude, plichtaanbiddende zuster, iets
verfrisschends; hij is zijn leven lang een onverbeterlijk optimist. Hij
fluit zijn wijsje al brandt de stad; of hij al zou klagen en jammeren,
geen vonkje zou er door gebluscht worden; en daarom is het bij hem:
"eten, drinken en vroolijk zijn" echter met de intuitie van alle
darren dat hem morgen de Nemesis wacht met iets onaangenaams. Het
is onmogelijk, langen tijd de gangen der darren na te gaan zonder te
worden getroffen door den geest van ruwen jool, dolle jongensachtige
dartelheid, die hen bezielt bij al hun doen. Zij komen met veel drukte
hals over kop den korf uitstommelen, bonzen onbesuisd tegen alles aan
wat op hun weg komt, en heffen hun rumoerigen en bombastischen zang
aan als een soort van protest tegen al dien pijnlijken ijver om hen
heen. Eenmaal buiten de omgeving van de korven blijven zij onafgebroken
rondvliegen, tot de honger hen weer naar huis dringt. Want niemand
heeft ooit een dar gezien tusschen de insekten, die rond de bloemen
vliegen, noch ook ooit hem zien zitten om zich te zonnen op een warm
plekje, een muur of boomstronk, wat toch de gewoonte is van haast
ieder ander gevleugeld insect.
Hij komt naar den korf terug met dezelfde lawaaiïge, zorgelooze
fanfaronnade, en wordt door de werksters ontvangen met dezelfde
norsche onverschilligheid. Zij helpen hem tot oververzadigings toe
aan bijenmelk, tong aan tong, terwijl hij opzit als een vette vratige
baby, die altijd maar om meer eten drenst. Zij laten hem ongehinderd
toe aan de honingvaten te zwelgen; maar het is duidelijk, dat zij
hem verachten. Hij is een vervaarlijke schadepost voor den Staat;
doch onontbeerlijk. Zwijgend gaan zij aan hun taak hem te voederen,
zwijgend maar met onheilspellende lankmoedigheid. Zij misgunnen hem
iederen drop en tegelijk dwingen zij hem tot onmatigheid. Het is niet
voor lang. De dag der afrekening is nabij. De klaproozen beginnen al
met hun vurig scharlaken te gloeien tegen de heuvelen--de klaproozen,
die de kentering van den zomer aanzeggen; na hen komt de groote daling,
en het zonlicht gaat kwijnen; iedere dag een schaarscher bloemenoogst,
tot het pad weer verloopt in de dorre ééntonigheid, het doffe bruin
en grijs van den winterdood.
En nu gaat de werkbij een groezelige vlek op haar karakter vertoonen,
die kwalijk past bij de fijne schakeeringen en de groote hoedanigheden
van haar geest, die haar zoo terecht beroemd maakten. En dat zij
niet absoluut volmaakt, niet in alle opzichten te bewonderen is, dat
heeft haar juist die groote liefde bezorgd, welke de harten van hen
bevangt, die haar door en door kennen. De darrenmoord heeft zijn weergâ
niet in onverbiddelijke wreedheid--in hartstochtelijk toegeven aan
wraakzucht, lang teruggehouden, terwille van de noodzakelijkheid. Nu
komen de eerste kille nachten van midden Juli en de nektarvloed wordt
plotseling onderbroken. Klaver en Espareette zijn al onder den sikkel
gevallen. Alleen de grootste hitte en de weelderigste overvloed van
den zomer zouden de myriaden honingmaaksters kunnen helpen in haar
vraag; en een paar uren van afkoeling dammen plotseling den reeds
langzaam vloeienden nektarvloed af. De tijden van voorspoed zijn
geweest. De honingovervloed komt niet meer. Nu moet het genie der
korfzuinigheid beslissen hoeveel van den voorraad er bespaard kan
worden voor latere behoeften.
Het eerste voorteeken van de débâcle is het verwijderen uit de korven
van zekere bleeke, griezelige dingen--de lichamen der onrijpe darren,
niet door een natuurlijk toeval gestorven; maar meedoogenloos uit hun
cellen gerukt. Dit duurt soms eenige dagen achtereen, en hoewel dit
wreede werk onder hun oogen gebeurt, zien de levende darren er geen
waarschuwing in. Zij blijven voortgaan met hun vroolijken rondedans;
het eeuwige feestgetier gaat zijn gang; nog dagelijks vult zich de
bijentuin met hun zorgeloos overmoedig gegons. Maar dan eindelijk
wordt het teeken tot den moord gegeven. Vreemde, stootende kreten
stijgen uit iederen korf--kreten die enkel door den doodsangst worden
uitgedrongen. De darren liggen niet meer onbekommerd tusschen de raten
gerijd, rustig de eene roes uitslapend en droomend van de volgende. Zij
zijn nu allen goed wakker, en vluchten radeloos om hun leven, door
de nauwe straten van de bijenstad, woest gejaagd door de werksters.
Steeds intenser worden de diepe, vibreerende angstkreten. Als de beulen
hun slachtoffers achterhalen, grijpen zij ze bij de aanhechting der
vleugels, en geholpen door de andere furiën, trekken en sleepen zij
ze door het gedrang, tot zij buiten zijn, en rollen dan met hen op den
grond; de darren steeds worstelend en zich verwerend en nog altijd die
waanzinnige angstkreten uitstootend, de werkster onafgebroken knagend
aan den vleugel tot hij machteloos is, en het slachtoffer nooit meer
naar den korf kan terugkeeren. Vele van de sterkste darren ontkomen
tijdelijk aan hun vervolgsters en vliegen onverlet weg. Doch dat rekt
hun leven maar een enkel uur. De honger zal hen weer naar den korf
terugdrijven, waar de wachten hen overvallen en hen verminken of nog
eens verdrijven. Het is zeer opmerkelijk, dat de bijen bij die groote
jaarlijksche slachting nooit de darren steken; díe methode is er in
hun waanzin; want bij dat ruwe worstelen zouden de angels met den
wortel worden uitgerukt en vele kostbare levens gingen dan tegelijk
met de minderwaardige verloren. De eenige toeleg schijnt te zijn,
het verblijf in de korven aan alle darren voor goed onmogelijk te
maken, en het verlammen van één vleugel schijnt daarvoor voldoende;
naar dit doel wordt door de behendige moordenares enkel gestreefd.
Bij sommige bijenrassen is de darrenmoord in ongelooflijk korten
tijd afgeloopen; maar andere rekken den gruwel dagen lang. De
rampzalige heeren der korven staan tusschen twee vuren, en er is geen
ontkomen. Vliegen zij weg naar buiten, dan doodt hen de honger of
de koude nachten, gaan ze naar den korf terug, dan achterhaalt het
noodlot hen nog eerder. In dezen tijd zijn nacht en dag de wachters
aan de poort verdubbeld, en zelfs de listigste dar zal hen niet kunnen
ontgaan. Toch kiest hij gewoonlijk die kans: vroeger of later komt
hij den korf binnenvallen, en valt dan recht in het zwaard.
Dit is de gewone gang van zaken in de bijenrepubliek, als het seizoen
normaal verloopt en de kolonie een moederbij bezit, die jong en sterk
en beproefd vruchtbaar is. Maar er komen tijden voor, dat de darren,
hoe bezwarend ook voor den staat, geduld worden tot laat in den herfst,
en zelfs soms ongehinderd mogen leven gedurende den winter en het
volgende voorjaar. Als de ijmker darren om een korf ziet vliegen,
terwijl de andere kolonies al lang met de hunnen hebben afgerekend,
dan weet hij wel wat aan dat volk mankeert. De koningin is oud
en kwijnend, en deze scherpzinnige amazonen hebben hun manvolk
respijt gegeven tot een nieuwe moederbij kan zijn opgekweekt en
passend uitgehuwelijkt. Het is een geval van begenadiging voor de
darren, met juist zooveel recht voor haarzelve vereenigd, dat het de
oorspronkelijke deugd weer uitwischt.
En blijven in een korf de darren den winter over, dan is dat een
teeken, dat er niet alleen geen koningin is, maar dat dit volk er
nooit een zal krijgen van het eigen ras. Het in leven blijven der
darren waarborgt tenminste één onmisbaar element voor het behoud van
het volk en--wie kan het tegenspreken van een soevereinen geest als
de werkbij?--misschien vertrouwen zij van den ijmker, dat die haar
nood zal kennen en er in voorzien, door haar een andere koningin te
verschaffen, nog bijtijds genoeg om zijn bezitting van den ondergang
te redden.
HOOFDSTUK XV
NA HET BANKET.
Zooals in den bijentuin het jaar opgaat, zoo daalt het ook weer, haast
onmerkbaar, stap voor stap. Als in Zuid-Engeland het zaadhooi gesneden
is, hebben de bijen niet veel anders meer te doen, dan de korven in
orde te maken voor den komenden winter. De koningin wordt door een
gradueele verandering in het voedsel gespeend van haar neiging tot
eierleggen. Iederen dag krijgt zij wat minder van de geheimzinnige
bijenmelk, die haar aanzette en bezielde, van dag tot dag voelt zij
zich sterker gedrongen haar honger te stillen aan de toegankelijke
honingcellen, te zamen met het gewone volk. Van dag tot dag worden er
minder kinderen geboren, en van dag tot dag ook verdwijnen er meer
van de oude werksters, op hun onverklaarbare wijze; zij gebruiken
misschien hun laatste vleugelkracht om zich terug te trekken op
het traditioneele kerkhof van hun soort. Wat van haar wordt, weet
de wijste bijenvader niet te zeggen; maar dat is zeker, zooals zij
leefden in het kommunistisch principe, zoo sterven zij ook, en haar
laatste handeling is eene kollektivistische--zij verwijderen haar eigen
lichamen daàrheen, waar zij onschadelijk zijn voor den dierbaren Staat.
Als de dagen afnemen, vermindert ook zichtbaar de bevolking der
korven; en met het dunnen van de gelederen komt er een even merkbare
verandering in het humeur der bijen. De oude ijmkers weten bij
ervaring, dat in den herfst waakzaamheid pas geeft. Alles wat leeft,
ondergaat in den herfst eene beproeving van het karakter en dit is in
't bijzonder waar voor de honingbij. Iedere stam heeft zijn goede of
kwade neigingen die in dit jaargetijde geregeld voor den dag komen. En
eerder nog zullen zich de kwade neigingen vertoonen, nu de drang om
te werken tot stilstand kwam, en de werkkracht haar weg moet gaan
vinden op een steeds enger wordend pad.
Het vinden van krasse oneerlijkheid in zulk een atoom, als de bij is
in de schepping, maakt op ouderwetsche geesten een diepgaanden indruk;
maar dat verhelpt niet, dat ontegenzeggelijk sommige bijenvolken de
hebbelijkheid hebben, zich te ontwikkelen tot inbrekers en roovers
van het eigendom hunner geburen, meestal vroeg in den herfst, of
ook, maar zeldzamer, als in het vroege voorjaar de eerste schrale
nektaroogst begint.
Vergilius en haast alle oude schrijvers geven treffende beschrijvingen
van in hun tijd veelvuldig voorkomende bijenveldslagen. Zij vertellen
ons van hevige schermutselingen hoog in de lucht, en hoe de koningen
hun krijgerhorden dan aanvoeren--het gedruisch der slachting,
en een regen van gewonden en dooden, die neerkomt uit de blauwe
zomerlucht. Deze beschrijvingen zijn altijd een groot raadsel geweest
voor moderne bijenkenners, omdat in onze dagen niets van dien aard
ooit schijnt te gebeuren. Tegenwoordig houdt voor het oog iedere korf
zich aan zijn eigen zaken, volkomen onverschillig voor het bestaan
van andere korven. Noch in de omgeving der korven, noch daar buiten,
wordt ooit iets als oneenigheid tusschen bijen waargenomen, niet
tusschen enkele individuen en ook niet groepsgewijze. De honingbij
is een uiterst vreedzaam schepsel, behalve wanneer men baldadig haar
huis belaagt.
Maar in den herfst vallen er meer dan eens dadelijkheden voor tusschen
roofbijen en de bewoners der korven, die door hen worden aangevallen;
en men komt er toe te gelooven, dat het deze gevallen zijn, waarop
Vergilius doelt.
Misschien is het wel zoo, dat wanneer een volk éénmaal heeft ontdekt,
hoeveel gemakkelijker en vlugger men honing krijgt met stelen
dan door de omslachtige verzamelmethode, deze bijen nooit meer
voor een eerlijke levenswijs terug te winnen zijn. En niet alleen,
dat de moederstok aan het eind van ieder seizoen op die wijze zal
losbreken; maar al de zwermen uit dien korf zullen dezelfde neiging
vertoonen. Die stam zal dan een aanhoudende zorg blijven voor den
ijmker, en als hij een wijs man is zal hij korte metten maken, door
dat volk een andere koningin te geven en zoo den oorspronkelijken
stam te laten uitsterven. Is het in zijn eigen tuin, dan is de zaak
niet moeilijk op te lossen; maar dikwijls zijn de roovers wilde bijen,
vrijbuiters, die ergens in een hollen boom huizen, in een bosch in de
buurt, en vandaar uit strooptochten ondernemen bij hun wettiglevende
buren in de omliggende dorpen; zooals alle bandieten dat doen over
de geheele wereld. Die vreemdelingen hebben dikwijls een eigenaardig
uiterlijk, waardoor men ze onmiddellijk kan onderscheiden van de
wettige bijentuin-bewoners. Zij zijn glimmender, en donkerder van
kleur, en bewegen zich tegelijk driest en gluiperig, waardoor zij
zich dadelijk als stroopers doen kennen.
Wie op een mooien Septembermorgen tusschen de korven drentelt,
zal opmerken hoe verscheidene van die sinistere figuren om het
vlieggat van een korf zwermen, of er ongemerkt in trachten binnen
te dringen. Ze worden echter aanstonds ontdekt en er ontstaat een
plotseling opstootje als de korfwachters de insluipers aanvallen en
ze verjagen. Hun bedoeling is duidelijk. Het zijn verkenners van het
rooverkamp en zij zijn er op uit om de zwakke volken te ontdekken,
die een gemakkelijke prooi zijn voor een sterkere roovermacht. Sterke
volken behoeven geen roovers te vreezen; zij houden het altijd wel uit
tegen een aanval, en daarom worden zij gewoonlijk ongemoeid gelaten.
Die verkenners verdwijnen na een poosje, en de korf keert weer tot
de gewone bezige kalmte terug. Maar het duurt niet lang of er wordt
een klein wolkje bijen boven den heg zichtbaar, die recht op den
uitverkoren korf af vliegen. Nu is het geen listig verkennen meer;
het is royaal oorlog. De roovers vallen neer op hun prooi; en een
hevige schermutseling begint, een wanhopig gevecht, man tegen man,
tusschen belegeraars en belegerden. Wordt de zwakke korf aan zichzelven
overgelaten, dan is de uitslag al te voren beslist en hij is in
korten tijd overwonnen. Dan gebeurt er gewoonlijk iets merkwaardigs:
de bijen van den korf, die den slag overleefd hebben, loopen over
naar den vijand, en zij helpen zelf mee om hun rechtmatige schatten
over te brengen in het hol van de bandieten. Gelukkig heeft de ijmker
een bijna onfeilbaar voorbehoedmiddel in zijn macht om dit gevaar af
te wenden. Hij kan veilig al de in getal sterke volken aan zich zelf
overlaten; en van hen die weinig in aantal zijn kan hij er twee of drie
bij elkaar voegen, waardoor zij weer sterke kolonies worden, in staat
zichzelf te beveiligen. De moderne losse-bouw korf is een macht in
de handen van den bekwamen ijmker; want de raampjes van verschillende
korven kunnen te zamen in één korf geplaatst worden, en in dit seizoen
blijven de bijen wel eendrachtig te zamen, vooral wanneer men ze met
meel bestuift of ze met eenzelfde reukmiddel besprenkelt, zoodat ze in
uiterlijk en lucht gelijk zijn. Waarschijnlijk heeft iedere korf zijn
eigen lucht, die ook alle burgers van dien staat gemeen hebben; en dit
is zeker het hulpmiddel waardoor de wachters aan het vlieggat hun eigen
medeburgers herkennen, en alle indringers onmiddellijk overvallen.
De toebereidselen in den korf voor de winterperiode worden door de
bijen even grondig behartigd, als alles wat zij ondernemen. Naar mate
de oppervlakte van haar broednest inkrimpt, worden de leege cellen
met honing gevuld, die wordt overgebracht uit de verst afgelegen
proviandcellen. De honingdraagsters blijven geregeld aan het werk
wanneer maar het weer gunstig is, zij gaâren de resten van het banket
bijeen en vullen er thuis de proviandkamers mee aan. Op plaatsen waar
veel klimop is kan men op mooie Oktoberdagen de bijen zoo ijverig
bezig zien, als ooit in de heerlijkste Junizon; alleen is het aantal
duidelijk minder. De echte sonore levenszang komt later op den dag
en duurt alléén in de helderste uren: en dat wonderbaar nachtgeluid,
het diep ondergrondsch dreunen van de waaiende bijen is weg uit den
tuin; zooals ook de geur van den klaver-nektar, die dampt en gist in
de korven, niet langer uit het duister doordringt, en het huis van
den ijmker vult met een geurigheid, die hem liever is dan wat ook
anders ter wereld.
De oude bijen, rafelig en verfomfaaid van vleugels, die den harden
arbeid van het groote werkseizoen hadden doorstaan, zijn nu bijna
alle verdwenen. De korven zijn vol met bijen van eenzelfde geslacht,
doortrokken met dezelfde tradities; maar zij staan aan het begin
van het leven, ongeoefende rekruten van het lot, een troep, die moet
dienen om de gaten te stoppen. Zij dragen geen herinnering om van de
tijden toen het werken een koorts was, een stormachtige wedkamp met
de zon, waarbij de vlugsten nog moesten achterblijven. Zij hebben
nooit de overzware vrachten gekend, de barstende honingzakjes, en de
stuifmeelkorfjes zóó zwaar geladen, dat zij ze nauwelijks den korf
konden binnen sleepen, en zij zullen dat alles nooit kennen. Over deze
bijen, laat in den tijd geboren, beschikte het lot, dat de troebele
poel van het door den vloed achtergelaten water hun wereldje moet
zijn. Hun leven is niet meer dan een rekken van dagen, zoodat zij het
uit kunnen houden tot het eerste lentebroed in het leven gewarmd moet
worden. De enkele dagen van hitte, die in Engeland onvermijdelijk
terugkomen tusschen de Maartsche sneeuw--zij schijnen oneindig,
onbereikbaar ver af nog--zullen allèen hun de macht van het zonlicht
leeren kennen; maar de zomerzon zullen zij nooit voelen. Winterbijen
worden in de gevangenis geboren, in en voor de gevangenis leven en
sterven zij.
Een werkbij leeft op zijn hoogst maar zes maanden; en op zijn minst--en
dit is het lot van velen--weerstaat zij het onafgebroken slaven
en zwoegen van haar moeilijk bestaan niet langer dan zes of als 't
meeloopt, acht weken. Zoo is dus de bevolking van een korf, al is die
steeds volgepakt met burgers, steeds veranderlijk. Ge kunt zesmaal in
het jaar naar uw bijentuin gaan en dit twintig jaar lang doen, en bij
iederen gang zult ge u tusschen tienduizenden bewegen voor wie gij een
volslagen vreemdeling zijt, en die ge zelf nooit te voren gezien hebt;
en toch is in al zijn gebruiken, in zijn neigingen, in zijn traditie
het leven der bijen een voorbeeld van het Blijvende. Ge maakt een
reis om de wereld en blijft tien jaar weg, en komt ge terug in het
oude lommerrijke hoekje, dan staat daar nog altijd de groene kast
onder de sering, en nog altijd is zij het middelpunt van schijnbaar
dezelfde menigte gewiekte koopvrouwen, die onder kleurige vlaggen naar
huis zeilen, zij zingen dezelfde blijde wijsjes, bouwen nog dezelfde
verwonderlijke inrichtingen in het duister, en veranderen nog altijd
dezelfde geurige essencen in een gouden elixir. En wat is dit mysterie,
dat Bijenrepubliek geheeten wordt en dat alléén onsterfelijk is,
terwijl zij die haar samenstellen, alles wat tot haar behoort, en
haar in stand houdt, tijdelijk is en te niet gaat?
Hier moet gij de bijenkoningin niet vergeten. Herinnert u, dat
zij alléén van jaar tot jaar blijft voortleven, terwijl de steeds
elkaâr opvolgende geslachten van hare kinderen om haar heen worden
en vergaan--honderdduizend wel misschien in een jaar, duizenden
tusschen een enkelen zomermorgenstond en de schemering van den
westelijken hemel. Methusalem moet op bescheidener menschelijke schaal
iets dergelijks ervaren hebben--hij moet het breedere levensplan
hebben afgeleid uit de onderbroken, wisselende reeks van kansen en
veranderingen, die aan zijn geest voorbij trokken. Alleen den ouden van
dagen is het gegeven het algemeene te symboliseeren; en hij uit alle
menschen had geleerd te peilen en te schatten en uit het glinsterend
veelkleurig kaf des levens het simpele dofgetinte graankorreltje
te ziften. Altijd en altijd weer moet hij met een enkel wijs woord
de waarheid waar gehouden hebben, of met één enkelen zwaai van den
spiegel der eeuwen den schijn hebben verblind en vernietigd. Hij
was een levend geschiedverhaal, waarin ieder den gang en uitgang van
het leven leeren kon. En zoo staat nu wel de bijenkoningin voor het
geschiedverhaal der bijenwereld, een levend archief van haar plan,
haar gedachte, haar ideaal--zij, die in vergelijking met het komen
en gaan der duizenden, een eeuwenoud, onvergankelijk wezen lijkt.
En zoo moogt gij u haar denken in de korte December schemerdagen,
of in de eindelooze nachtduisternis, als de winterwinden gieren,
hoe zij dan haar kinderen om zich heen verzamelt en hun verhalen
vertelt van de heldenfeiten van het voorgeslacht, hoe zij hun de oude
bijenzangen leert met altijd datzelfde refrein van werken en winnen;
en daarbij nooit haar eigen geschiedenisje vergeet--dat korte uur
van haar huwelijksvlucht, en dat huwelijk gekocht en betaald met een
levenslang weduwschap.
HOOFDSTUK XVI
HET MODERNE BIJENPARK.
Het is goed en wel het bijenleven van den wetenschappelijken kant
te zien, omdat die zoo bijzonder belangwekkend is, en dan aan die
studie den lof te geven, dat men zich in zijn vrije uren met geen
boeiender werk kan bezig houden; maar de honingbij is toch ook nog
iets anders, dan een wonderding of een voorwendsel om in moraal te
liefhebberen. Goed behandeld en juist begrepen, kan zij van groot
nut zijn in de wereld.
Er zijn twee dingen in ons Engeland, welke ieder verbazen die
een juiste voorstelling heeft van de mogelijkheden door haar
aangeboden. Ge kunt het land in alle richtingen doorkruisen, en dan
zal het allerlaatste wat ge aantreft een bijenpark zijn; zelfs niet
een paar korven in den tuin van een landhuis; en toch heeft ieder
stukje van den weg zijn hoekje bloemen, en op afstanden van niet meer
dan een meter vindt ge bloemrijk weiland, waar zonder overdrijving
ieder jaar vaten honing te loor gaan. Dit zou alles kunnen ingezameld
en met weinig moeite en groote winst den volke verkocht worden; als
de ondernemingsgeest maar uit zijn eiland-slaap woû wakker worden en
de handen uit den mouw steken. Maar jaar aan jaar gaat vruchteloos
voorbij en niets gebeurt. Hier en daar een enkele wakkere landbouwer,
die een aardige buurschap van korven bijeen heeft, al de honing in
zijn omgeving afzet, en dientengevolge zijn zakken kan voeren met
goud en zilver. Maar dit is niet meer dan een druppel in de zee,
en de Brit moet naar het buitenland om honing, wat hem komt op het
belangrijke sommetje van meer dan fl 360.000 's jaars.