dat er de honingdauw zoo geprezen wordt, terwijl er in de moderne
bijentuinen niet genoeg kwaad van kan gezegd worden. Men hoort daar,
dat onmiddellijk wanneer de bijen honingdauw beginnen te zamelen,
de honingsecties uit de korven worden genomen, of de goede honing zou
bedorven zijn, wat kleur en smaak betreft. Men toont ons een leelijk
donker waterig goedje, dat zorgvuldig door de bijen verzegeld is en
men vertelt, dat dat haast enkel honingdauw is. Maar dan vraagt men
zichzelf af: "kan dit dezelfde stof zijn, die door de oude meesters
zoo vurig geprezen wordt?" De waarheid is, dat wanneer de oude en
middeleeuwsche schrijvers van honingdauw spraken, zij dat woord in 't
algemeen gebruikten voor alles wat de bijen inzamelden. Voor hen was
alle honing een dauw, een goddelijk goed uit den hemel geregend; en het
is volkomen in overeenstemming met het algemeen gebrek aan bijenkennis
tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw toe, dat zóó weinigen
hebben gegist, dat bloemen iets met de zaak te maken hadden. Vergilius
en de andere klassieken gaven uitsluitend den toon aan voor allen, die
maar op eenige beschaving aanspraak maakten, en zelfs de naturalisten
schijnen de wilde natuur alléén maar bestudeerd te hebben om de feiten
aan te passen aan oude dichterlijke fantasieën. De oude schrijvers
verklaarden het verschil in de hoedanigheid van den honing als
veroorzaakt door den invloed van de sterren, die op het tijdstip
der inzameling aan den hemel rezen, en de honing was goed of slecht
naarmate die invloed gunstig of ongunstig was.
De hoedanigheid en samenstelling van den honing kan oneindig
verschillen, afhankelijk als zij zijn van de verschillende
nektarbronnen; maar ongetwijfeld verdient de honingdauw ten volle
zijn slechten naam bij de moderne bijenhouders. Er worden door de
Engelsche natuurkundigen misschien driehonderd soorten van bladluizen
(aphides) onderscheiden, en al deze scheiden het zoete vocht af, dat
onder sommige omstandigheden door de bijen wordt ingezameld. De smaak
van dezen honingdauw verschilt naar de soorten van bronnen, waarop
het sap gevonden wordt. Waarschijnlijk zijn de meeste soorten niet
anders dan een zoet, eenigszins wee smakend vocht, dat in zuiveren
staat den echten honing niet veel in smaak doet afwijken, tenminste
voor een ongeoefend smaakorgaan. Maar, helaas voor de ijmkers, is
de eik door die parasieten het meest gezocht; niet minder dan zes
variëteiten houden zich òp op die ééne boomsoort. En de honingdauw
van den eik is een walging. Vrij algemeen wordt verondersteld, dat de
eerste koude nachten, die het begin van het honingseizoen kenmerken,
de productie van honingdauw prikkelen; want na zulke kille nachten
ziet men gewoonlijk de bijen aan het werk op de boomen waar de
bladluizen huizen. Het is echter een aannemelijker theorie, dat de
koude de afscheiding van den honingdauw niet versnelt; maar eerder de
rechtmatige honingbronnen voor de bijen afsnijdt, juist wanneer zij
nog in den vollen werktijd zijn; en zoo zijn dus de immense legers van
proviandzoekers tijdelijk werkeloos en moeten een nieuw veld vinden
om hun dringenden ijver te uiten. De afscheiding van den echten
nektar geschiedt in hoofdzaak 's nachts, en vraagt een temperatuur
van ongeveer 70° Fahr. Iedere lagere temperatuur beduidt schraalte
voor den volgenden dag, hoe mooi en warm het weer dan ook zijn moge.
De donkere kleur van de bladluisstroop--en het kleinste beetje er
van bederft al de markt voor den prachtigsten honing--schijnt zoowel
veroorzaakt te worden door vreemde stoffen als door zijn eigen slechte
hoedanigheid. Er leeft een eigenaardige fungus op de schors van vele
boomen, waarop bladluizen huizen, de roetfungus. Deze wordt met den
honingdauw samen tot een donkere troebele massa--en zeer zeker zou
zelfs het geringste spoor er van genoeg zijn om den kostelijksten
honing te bederven. Er schijnt voor de ijmkers niets anders over te
schieten, dan tegen het eind van het honingseizoen acht te geven op
de eerste kille nachten, en dan heel vroeg in den ochtend er bij
te zijn om de reserve honingraten uit te korven te nemen, vóór de
bijen gelegenheid hebben gehad ze te bederven. Maar de bij is geen
heldin in het vroeg opstaan, al staat zij nog zoo hoog aangeschreven
in 't boek der moraal. Gewoonlijk wacht zij tot de morgenzon den
nachtdauw heeft opgedroogd en de bloemkelken verwarmd, en dan gaat
zij pas in ernst aan den arbeid. De eerste vroege bijen, die men
in het eerste zomermorgenlicht ziet uitvliegen, zijn waarschijnlijk
waterdraagsters. In den broedtijd is voor iederen korf het water-dragen
de eerste en de laatste zorg van den dag. Ieder bijenpark schijnt zijn
eigen vaste waterreservoir te hebben, gewoonlijk de moerassige rand
van een naburigen vijver; en hier kan men heele bijenbataillons zien
drinken, in den vroegen morgen en tegen den laten namiddag, terwijl
zij midden op den dag bijna geheel verlaten zijn. Het is aardig,
dat deze tijden van het water-innemen samenvallen met die waarin
het minst nektar te verkrijgen is, of wanneer de voorraad van dien
dag is uitgeput; en hier valt weer een zijlicht op de economische
eigenschappen van het bijenvolk.
De bijen op hun honingoogsten te volgen, staat gelijk met een
overzicht te nemen van den geheelen natuurlijken groei en leven,
het jaar rond. In Zuid-Engeland wordt de eerste nektar van de wilgen
verkregen, die laat in Maart in bloei komen, maar hun zoet terughouden
tot het eerste mooie warme weer volgt op de kille noordewinden. Er
kan weinig of veel wilgenhoning zijn, al naar de nacht-temperatuur
geweest is. Gewoonlijk gaat dat met horten en stooten. Soms zijn
een paar dagen lang hier en daar de wilgen overstroomd met bijen,
en soms gedurende weken heelemaal verlaten. Het is waar, dat altijd
wanneer de zon schijnt, die boomen, die als gouden toortsen opstaan
in het nevelig purper van de knoppende bosschen, vol zijn van een
zoemende menigte; maar dat zijn enkel stuifmeeldraagsters. De wilgen,
die den nektar inhouden, hebben een bescheidener aanzien. Hun katjes
zijn klein: dichte, groene kwastjes; en als een warme nacht hun
voordeel heeft gebracht, lokken zij de drukke zangers van mijlen
uit de rondte. De ijmkers laten gewoonlijk de wilgen als honingbron
buiten hunne berekeningen; maar in waterrijke distrikten en in gunstige
seizoenen behooren zij toch niet voorbij gezien te worden. Het gebeurt
soms, dat April inzet met een opeenvolging van zachte zonnige dagen
en warme nachten, en dan zijn de korven plotseling boordende vol
van wilgenhoning. Als de gele katjes uit het gezicht verdwijnen,
verdwijnen licht ook de wilgen uit het geheugen, en het schijnt niet
algemeen bekend, dat de vrouwelijke katjes voortgaan met rijkelijk
nektar af te scheiden tot soms het eind van Mei toe.
Goede honingjaren zijn zeldzaam onder de veranderlijke Engelsche
luchten; maar de natuur geeft toch blijkbaar aan de bijen een
onafgebroken reeks van honingafscheidende planten, gedurende de
geheele lengte van het lente- en zomerseizoen; en stuifmeel is er,
wanneer maar een zonnige dag hen naar buiten lokt. De witte klaver
is zelden in bloei vóór de eerste week van Juni; maar van de eerste
wilgen in Maart af, tot de laatste van de bloemenoogsten in het eind
van Juli, is er voorraad te over, als de wispelturige zon maar haar
plicht wil doen. Als gevolg van de tegenwoordige wijze van het land
te bebouwen is de klaver de hoofdbron voor den honing, tenminste voor
Zuid-Engeland; maar de kenners zijn het er nog niet over ééns, welke
plant eigenlijk den volstrekt volmaakten honing levert. De Schotten
zijn o--wonder!--in dit enkel geval roerend éénstemmig en willen
op dit punt van niets anders hooren dan van hei; zij onderscheiden
daarbij nauwkeurig de dopheide, die goed, en de struikheide die nog
onvergelijkelijk veel beter is. Maar er is toch een honingsoort,
of liever een honingkombinatie, die ze alle overtreft, die echter
even zeldzaam en kostbaar is als de eens beroemde druivenoogst in
een komeetjaar. Men verkrijgt ze alléén dan, als de appelbloesem en
meidoorn met hun vollen bloei tegelijk komen, en dat kan alleen wanneer
een koude April den appel heeft teruggehouden, en een zomerachtige
Mei den bloei van den meidoorn heeft verhaast. Want dan voegt zich
bij den zachten fijnen appelbloesem-nektar, de pittige amandelgeur
van de mei, en zoo wordt de honing, uit die twee samengesteld, de
allerfijnst denkbare lekkernij.
Men heeft zich er dikwijls over verwonderd dat een van de meest
algemeen gekweekte planten, de roode klaver, zoo zelden door de
honingbij bezocht wordt, terwijl die velden den heelen dag vol
zijn van het sonoor trombone-geluid der hommels. Het is wel waar,
dat de tong van de honingbij niet in staat is den bodem van de
lange bloemkelk van de roode klaver te bereiken; maar dat zou haar
zeker niet terughouden als de nektar de moeite van het garen waard
was. Zij zou de bloem aan de basis doorbijten, zooals zij het bij
veel andere bloemen doet en zoo haar beter toegerusten mededinger een
vlieg afvangen. Maar roode klavernektar is schraal van samenstelling
en grof van smaak. In den vollen bloeitijd zou zij een onbeperkte
hoeveelheid honing leveren; maar juist op dien tijd kan de bij veel
voordeeliger werkzaam zijn. Nadat de eerste oogst van roode klaver
gesneden is, komt er gewoonlijk een nabloei met minder ontwikkelde
bloembuizen, die dus korter zijn dan de vorigen en nu beginnen ook
de betere nektarbronnen hard te verminderen. En de bij, voor wie in
tijden van voorspoed het beste maar juist goed genoeg is, moet haar
smaak wijzigen naar de omstandigheden. Daarom is zij in dezen tijd
ook zeer in de weer in de roode klaver. En hoort men haar helderder
zachter toon tusschen de meer schorre contra-ält van de hommels,
dan kan men rekenen, dat de hoogtijd van het jaar voorbij is, en de
gevulde sekties moeten zonder verwijl uit de korven genomen worden.
HOOFDSTUK XIV
DE DAR EN ZIJN GESCHIEDENIS.
Een feit is het dat alle bijenhouders enthousiasten zijn; en het is ook
een feit, dat een omgang van jaren met de korven onvermijdelijk een
vertrouwd kameraadschap kweekt, een voortreffelijke verstandhouding
tusschen den ijmker en zijne legioenen. Maar even waar is het ook
dat hoe meer men den aard der honingbij bestudeert, hoe minder men
behagen gaat scheppen in sommige harer gedragingen.
Als de jaren verloopen besluipt de ziel van den ouden bijenman een
gevoel voor de honingbij als een soort van heilig ontzag. Zij is
zoo duidelijk een kracht in haar kleine wereld, zulk een heerschende
macht; zij is zoo moedig, zoo vernuftig, heeft zooveel hersens. Alle
zwakheden en concessies en haast alle vreugden zijn al lang uit haar
leven verdreven, oogenschijnlijk door eigen wil en doorzetting; maar
hiermede heeft zij dan ook de kunst van het burgerschap geraffineerd
tot op de zuivere elementen. Haar volstrekte onzelfzuchtigheid,
haar volkomen overgave van zichzelve aan het wel van den staat,
staan onweersprekelijk vast en zijn onveranderlijk. Het openbare
leven der bijen is, als geheel genomen, zóó zeer onze bewondering
waard, en in eene vergelijking met sommige menschelijke pogingen in
die richting, komt hare voortreffelijkheid zóó duidelijk naar voren,
dat men wezenlijk geneigd wordt al hare hoedanigheden tot deugden
te verheffen; en men komt dan allicht tot de slotsom, dat het niet
anders dan een vèrziende en alwijze goedheid kan geweest zijn, die
den bijenstaat tot zijn volkomenheid bracht, en niet de koude strenge
logica, die hem in werkelijkheid gevormd heeft.
Dit onverbiddelijk omsmelten van het leven in de vaste vormen van
"beginsel zonder barmhartigheid of feil" krijgt op den duur zulk een
macht over den geest van den beschouwer, dat hij vroeger of later,
al heeft hij sedert lang alle vrees voor den angel verloren, een
ander soort van vrees voor de honingbij in zich voelt ontwikkelen,
die het meest gelijkt op een vaag ontzag.
En juist zooals Mozes Rusden, 's konings ijmker, in de wereld der
honingbij het bewijs van een goddelijken wil zag, toepasselijk op het
aardsche koningschap, zoo komt de man, die in dezen tijd de honingbij
bestudeert, er toe zich de vraag te stellen, of de bijenrepubliek
niet op een autoritaire moraal duidt in een andere richting. Hier
is nu een Staat--een op heel kleine schaal, zeker, maar toch een
die meetelt--waar verscheidene van de brandende vraagstukken in
het moderne menschenleven sinds lang een aangenomen en vervolmaakte
oplossing vonden, en deze in haar volledig resultaat zijn waar te
nemen. Iedere poging om man en vrouw ernstig te vergelijken met dar en
werkbij, zou den schrijver blootstellen aan het verwijt van dwazelijke
oppervlakkigheid. Maar toch is het niet alleen onze verbeelding, die
overeenkomst ziet tusschen de beginselen waarop iedere beschaving
gegrond moet zijn, zij het dan in de menschenwereld of in die der
insekten. Wij kunnen niet meer ontkennen, dat het gemeenschapsleven van
de bij op een plan staat van hooge beschaving; dat het zich zoo gevormd
heeft in den loop der eeuwen, door den drang der noodzakelijkheden;
dat het ééne geslacht het andere volstrekt onderworpen heeft en
streng beheerscht, en dat voor het voorrecht van die oppermacht het
heerschende geslacht een vervaarlijken prijs heeft betaald.
De werkbij van heden is een òververgeestelijkt, neurotisch,
ziekelijk-plichtmatig schepsel, terwijl men van den dar niet anders
getuigen kan, dan dat hij een domme, gelukkige en sensueele lummel
is. Als dit uiterste verschil in de twee geslachten bij de bijen
van den oorsprong af zoo bestaan had, dan zouden de betrekkingen
tusschen dar en werkbij, zooals wij ze nu zien, ons natuurlijk,
behoorlijk en redelijk genoeg voorkomen; maar er schijnen voldoende
bewijzen, dat ver terug in het leven van de honingbij het vrouwelijk
exemplaar volstrekt niet zoo hopeloos hoog verheven was boven het
mannelijke. Naar alle waarschijnlijkheid is de koningin-van-nu ongeveer
het type van de moederbij van toen, vóórdat de afkoelende aardkorst
een beschutte woning noodzakelijk maakte--tegelijk het eerste begin
van het op-elkaar-dringen tot behoud der wederzijdsche warmte, waaruit
gaandeweg het hedendaagsch verwikkelde gemeenschapsleven groeide. Maar
wij kunnen toch niet alles wat wij zien op rekening der évolutie
schrijven; ook révolutie moet deel hebben gehad in de vorming van
de moderne ontsekste werkbij. Wij hebben gezien, dat physiologisch
iedere werkbij in den korf evengoed een moederbij had kunnen worden,
een vruchtbare moeder van duizenden. De werkbijen zijn niet in den
loop der tijden door den drang der noodzakelijkheid gaandeweg tot
een verminkt en gespecialiseerd ras geworden, dat eigen lichamelijke
onvolkomenheid blijft voortplanten; maar iedere werkster wordt met
overleg gemaakt naar een vast model, door de autoriteiten aangegeven,
ingevolge de eischen der gemeenschap. En wanneer zouden wel de bijen
het eerst begonnen zijn met dat ingrijpen in den natuurlijken loop
der dingen, met dat vervolmaken van de schepping? Wanneer deden zij
de eerste schrede, zonder welke nooit de bijenrepubliek zooals zij
nu is had kunnen bestaan? Men denkt aan een genialen zet, aan een
prachtige strategische beweging van den hoofdleider in den grooten
oerkrijg der geslachten, die met één slag den zege bracht, en waaruit
de verdere afwikkeling van het veroveringsschema logisch volgde.
Het geheele vraagstuk van de kunstmatige vorming der werkbij is vol
van moeilijkheden, en in verband met het peil van onze kennis is er
nog niet veel anders mogelijk, dan de feiten te konstateeren en het
daarbij te laten blijven. De opperheerschappij in de korven van het
vrouwelijk element schijnt te dagteekenen van den tijd dat de groote
meerderheid zichzelf beroofde, of werd beroofd door hun onmiddellijke
voorgangers, van haar deel in de voortplanting; toen ook de legboor
zich openbaarde als een offensief en defensief wapen. Voordat de
werkbijen een gewapende macht vertegenwoordigden is er geen reden te
veronderstellen, dat de vrouwelijke bij fysieke overmacht had over
den dar. De neiging van de koningin om haar legboor in de tracheeën
van hare mededingsters te priemen, en zich zóó met één slag van haar
te ontdoen; en ook haar ingekankerde haat tegen hare genooten, kunnen
tot een latere ontwikkeling behooren, het gevolg van het kunstmatig
en afgezonderd leven, dat zij te lijden kreeg. Terwijl de werkbij
altijd met haar angel klaar staat, gebruikt de koningin den hare zóó
zelden, dat vele oude en ervaren ijmkers van tegenwoordig haar zelfs
het vermogen van te kunnen steken ontzeggen. Zij heeft veeleer een
natuurlijke neiging om te bijten; en als het komt tot het gebruik van
de scherpe, sterke, zijdelingsche kaken dan heeft de dar daarin een
veel vervaarlijker uitrusting, hoewel het schijnt of hij den lust en
den zin om er gebruik van te maken verloren heeft.
Wat ook de dar vroeger moge geweest zijn, de werkbijen hebben hem nu
stevig vast in de ijzeren greep van matriarchale noodzakelijkheid;
en zij waken er voor, dat hij maar alléén en uitsluitend geschikt
is voor zijn éénen onvermijdelijken plicht, al leggen zij al haar
schranderheid eraan ten koste, hem op dit stuk te volmaken tot wat
hij zijn moet. Het is duidelijk, dat zij, als het mogelijk was,
het zonder hem zouden doen. Nu zijn er negen maanden lang geen
darren; en daarna worden er in iederen korf maar een paar honderd
gekweekt--dit is een minimum, dat een vruchtbaar huwelijk verzekert
aan de jonge koninginnen, als de zomerzonneschijn haar ter bruiloft
lokt. Men zou kunnen veronderstellen, dat wanneer er betrekkelijk
zoo weinig koninginnen te bevruchten zijn--op zijn meest twee of drie
in iederen korf en dan nog maar eenmaal in haar leven--, het aantal
darren, dat nog geduld wordt, toch het benoodigde getal verre moet
te boven gaan. Maar een hoofdbeginsel in het bijenleven is, dat
de jonge koninginnen hun maat moeten kiezen uit een anderen stam,
opdat er zoodoende gestadig nieuw bloed aan een volk toevloeie. Dit
kan alleen maar buiten gebeuren en zoo ver mogelijk van den eigen
korf. En de sterkste drang in de maagdelijke koningin, wanneer zij ter
paringsvlucht uitgaat, is zoo spoedig mogelijk uit hare eigen omgeving
weg te komen. Zij verdwijnt met vervaarlijken spoed en in een rechte
lijn, en heeft dus alle kans onbemerkt in een nieuw land te komen, en
op de verkenningsterreinen van vreemde darren. Een andere reden voor
hare verre en snelle vlucht is, dat alleen de sterkste en vlugste dar
uit den geheelen drom harer vervolgers haar zal kunnen achterhalen;
wat ook weer meewerkt tot de verbetering van het ras. In de geheele
natuur bestaat misschien geen tweede voorbeeld van een zoo zorgvuldige
uitlezing der meest geschikte individuen tot voortplanting der soort
en zeker tengevolge hiervan heeft de honingbij haar hoogen rang
in de reeks der schepselen verkregen. Toch sluit dit plan groote
gevaren in voor de jonge koningin. Overal loert dit gevaar op haar
weg. Zij is een kostelijk hapje voor ieder van de tallooze vogels,
die in den Junimorgen rondvliegen. Haar onbeproefde vleugels kunnen
haar begeven. En komt zij veilig in het bijenpark terug, dan kan
zij nog een verkeerden korf binnenvliegen om daar een wissen dood
te vinden. Toch moet zij het wagen; en het eenige middel om haar
afwezigheid van huis zooveel mogelijk te bekorten en haar bevruchting
tot zekerheid te maken, is een zóó talrijke bevolking van de zwervende
darren, dat zij er vindt op welken vliegafstand ook.
Van het allereerste begin af verschilt de verzorging van een dar van
die der werkbij. Het ei wordt in een grooter en dieper cel gelegd, en
gedurende de eerste drie levensdagen wordt de darlarve met bijenmelk
gevoed, die bovendien waarschijnlijk van een bijzonder soort is en
in ruime hoeveelheid wordt toegediend.
Er zijn ongeveer vierentwintig of vijfentwintig dagen noodig om den
volkomen dar te vormen, terwijl men eenentwintig dagen rekent voor
een werkbij. De koningin, zooals wij gezien hebben, ontwikkelt zich
in veel minder tijd; er liggen niet veel meer dan veertien dagen
tusschen het oogenblik, dat het ei wordt gelegd en het moment dat
zij klaar is zich een weg uit haar cel te bijten.
Nadat de dar zijn volkomen ontwikkeling bereikt heeft, duurt het
nog ongeveer twee weken, vóórdat hij zich het eerst in de open
lucht waagt. Gedurende al dien tijd heeft hij het vrije gebruik
van de provisiekamers, en hij is constant bezig zich met honing vol
te stoppen, als hij niet de gevolgen van zijn vratigheid ligt uit
te slapen in een gezellig uithoekje van den korf. Maar honing is
niet zijn éénig--noch zijn hoofdvoedsel. Gedurende zijn heele leven
wordt hij geregeld door de huisbijen voorzien van de voedzame melk,
waarmede hij ook als larve gespijsd wordt, en het is bewezen, dat
wanneer die hem ook maar drie dagen wordt onthouden, hij van honger
sterft, zelfs te midden van een overvloed van honing. Zoo hebben de
werkbijen hem geheel in haar macht.
De eerste vlucht der darren is een gebeurtenis van gewicht in den
bijentuin. Het gewone gonzen gaat eigenlijk het geheele jaar door;
op iederen zonnigen middag, wanneer de temperatuur tot 45° of 50°
stijgt, zijn de korven het middelpunt van een kleine groep zangers;
het is alleen het volume van het geluid dat met de lengende of kortende
dagen versterkt of verzwakt. Maar als de darren buiten komen, verandert
plotseling de geheele symphonie van het bijenpark. Zij verlaten nooit
hun genoegelijke binnenkwartieren vóórdat de morgen is overgegaan in
den middag, en dan nog maar alléén bij het allermooiste weer. Dan
komen ze met veel misbaar uit het vlieggat, en dringen aanmatigend
tusschen de bezige provianddraagsters heen; zij rijzen zwaar op hun
vleugels, en onmiddellijk daarop wordt het gewone geluid van den tuin
overstemd door het nieuwe lawaai. Zij schijnen haast gelijktijdig
uit alle korven tegelijk te komen. Gedurende een paar minuten blijft
de lucht vervuld van de zware schorre melodie, dan sterft dat geluid
even plotseling weer weg, en de rumoerige doenieten verdwijnen over
heuvelen en dalen, en ieder zoekt zijn uitverkoren jachtterrein.
Er heerscht veel meeningsverschil ten opzichte van de vlucht der
darren wat den afstand betreft; maar waarschijnlijk vliegt hij
sneller en verder dan men tot dusverre heeft aangenomen. De kracht
en wijdte van zijn vleugels stempelen hem tot vlieger. Hij is enkel
lichaamskracht en vitaliteit; en het zou wel vreemd zijn als hij,
die maar één enkele opgaaf in zijn leven heeft--n.l. het uitgaan op
een liefdesavontuur--voor die taak niet in alle opzichten berekend
was. Als een korf met bijen op het hoogst van het seizoen op eenigen
afstand verplaatst wordt, dan kan men er zeker van zijn, dat er
een klein aantal zoowel werksters als darren op de oude plaats
terugkomt. Dit is geregeld gebeurd wanneer men met de korven niet
verder ging dan drie kilometer. Maar in één geval, toen de afstand
meer dan tweemaal zoover werd genomen, zag men geen werksters meer om
den ouden plek heen; maar alléén een gezelschap darren bewoog zich
doelloos boven den korfloozen standaard; en er kon weinig twijfel
bestaan of deze hadden tot de verplaatste kolonie behoord. Er wordt
niet beweerd, dat zij van hun doel bewust al die kilometers hadden
afgevlogen. Waarschijnlijk kwamen zij op hun dagelijksche vlucht
zoo ver van de nieuwe standplaats, dat zij in de streek van de oude
omgeving geraakten, en zoo van zelf den ouden bekenden weg volgden.