In de voorafgaande bladzijden zijn wij wat dieper ingegaan op de

beginselen, bij den raatbouw toegepast, omdat juist dit het punt

is waar de gedachtelijnen van de oude en nieuwe naturalisten op

eigenaardige wijze van elkaar gaan afwijken. Beide scholen komen in

hoofdzaak in dit ééne punt overeen, dat uit ééne almachtige bron alle

levensvormen zijn voortgevloeid; en het doet weinig tot de zaak af of

zij de tijdruimten gedurende welke de schepping van alle dingen werd

volbracht, bij eeuwen rekenen of volgens de oude bijbelsche metafoor,

bij dagen. Maar terwijl de oude school zich houdt aan verschillende

hoedanigheden van leven: de onsterfelijke ziel in den mensch, en

een mystiek onderbewustzijn, een sterfelijk iets, instinkt genoemd,

in het dier--kan de nieuwe school geen ander verschil dan een van

graden ontdekken tusschen de geestelijk uitrusting van den mensch

en die van de dierlijke schepping. Tusschen de honingbij en haar

meester opent zich zeker een immense kloof; maar zij is merkbaar te

overbruggen. En tenzij wij besloten zijn met verkrachting van alle

logica een geliefkoosd stel vierkante meeningen te dwingen in de

ronde openingen van waargenomen feiten, is het moeilijk te gelooven,

dat de oude stelling houdbaar zal blijven.

Wat dit bijzondere vraagstuk van den raatbouw betreft, wordt er nog

steeds een poging gedaan om aan te toonen, dat die niet anders zijn

kan dan het gevolg van sommige natuurwetten, en geheel onafhankelijk

van eenig intellekt of wil, die van de bijen zou uitgaan. Men zegt

ons dan, dat het begin van de cellen altijd cirkelvormig is; maar dat

zij naderhand geheel mechanisch tot den zeshoekigen vorm overgaan,

tengevolge van de wetten van wederzijdschen druk. En als bewijs hiervan

wordt er op gewezen, dat de buitenste cellen van een raat, die niet aan

de wetten onderworpen zijn, gewoonlijk min of meer ronden vorm hebben.

Deze druktheorie is eigenlijk geen ernstige beschouwing waard; want

het is duidelijk, dat de groei der raten vrij en ongehinderd in zijn

werk gaat in alle opzichten. Als de bij haar cellen met zes zijden

en een pyramidale basis gedachteloos vormt, en onder het juk van een

katagorisch moeten, dan is dat zeker niet omdat de cellen elkaar dien

vorm opdringen zooals Buffon's erwten in een flesch.

En als wij gelooven, dat de bij geblinddoekt werkt onder de wet

van wederzijdschen druk, dan moet ieder nauwkeurig onderzoek van

haar werk ons wel overtuigen, dat wij hier het eene wonder op zij

zetten voor een ander, dat nog grooter wonder is. Want dan zien wij

een natuurwet een heel onnatuurlijke eigenschap aannemen, n.l. die

van vernuftige aanpassing aan de omstandigheden. De raten voor

het gebruik in den broedbouw bedoeld, worden in twee verschillende

grootten vervaardigd. Degenen, die het werksterbroed moeten bergen,

hebben cellen van 0,5 m.M. middellijn en zijn iets minder dan 1.25

m.M. diep; terwijl de darrencellen 0.625 m.M. middellijn hebben en

ongeveer 1,50 m.M. diep zijn. Deze zoo van elkaar verschillende cellen

liggen niet door elkaar heen over de geheele raat; maar in groote

groepen bijeen. Sommige raten bestaan bijna geheel uit werkstercellen,

waarvan het grootste aantal vereischt wordt, en andere weer uit

groepen van beide soorten.

De bijen beginnen een raat met een klein kluitje was aan het dak

van den korf vast te kleven. Aan iederen kant van dat kluitje maken

zij daarna een kleine holte, die de grondvlakken van de eerste

cellen moeten vormen. Dan gaan zij aan het uitbreiden op zijde,

en naar beneden, terwijl de celbases in alle richtingen zoo snel

mogelijk vermenigvuldigd worden, zoodat er al een heel groot getal

aangelegde cellen bestaat, lang vóór dat de wanden van de eerste zijn

afgewerkt. Voor deze methode van werken bestaat een zeer grondige

reden. Wanneer een huis gebouwd wordt, legt men eerst zooveel mogelijk

van de fundamenten zoodat er daarna een groot getal metselaars tegelijk

aan het werk kunnen gaan bij het optrekken der muren; de bijen gaan

van hetzelfde beginsel uit als zij die groote uitbreiding aan hare

celgrondlagen geven.

Als ongeveer de helft van de broedraten voor werksterbroed gebouwd

is, wordt er waarschijnlijk vastgesteld, dat de darren-celbouw kan

beginnen. Daar de grondvlakken van de darrencellen grooter zijn dan

die van de werksters, begrijpt men, dat er eene verandering moet

komen in het grondplan van de raat. De bijen bereiden dezen overgang

heel handig voor, blijkbaar trachten zij er naar, de regelmaat van

de raat zoo min mogelijk te verbreken. Somtijds bereiken zij die

verandering zonder nagenoeg eenig ruimteverlies; maar het komt meer

voor, dat er eerst eenige wanschapen cellen noodig zijn, voordat de

raat weer haar gewonen systematischen voortgang kan hebben. Dit hangt

heel veel af van de overgeërfde handigheid der bijen, die bij ieder

volk verschillend is, zooals alle ervaren ijmkers weten.

Als nu de bijen hun raten bouwen onder den blinden drang der wet

van wederzijdschen druk, welke andere wet, vragen wij dan, heft dan

deze weer op wanneer de overgang van de kleinere tot de grootere cel

gemaakt moet worden? Als dat alles een soort van kristallisatie is,

die werkt geheel onafhankelijk van wil of verlangen der bijen, dan

is het wel meer dan verwonderlijk, dat de molen grof en fijn maalt,

al naar de vereischten van den korf.

Maar de geheele veronderstelling is eigenlijk niets anders dan

een treffend voorbeeld hoe verkeerd het is gevolgtrekkingen te

maken uit een vergelijking. Geweekte erwten in een flesch zwellen

op tot zeshoeken of liever twaalfhoeken, tengevolge der wet van

wederzijdschen druk. Zeepbellen doen hetzelfde zonder andere

drukking dan die van hun eigen gewicht. Maar erwten en zeepbellen

waren op zichzelf bestaande dingen voordat zij te samen gebracht

werden. Als de bijen een groot aantal losse ronde cellen maakten

en ze dan alle gelijk te samen voegden, zouden zeker alle cellen,

behalve de buitenste, den vorm van zeskanten krijgen. Maar juist de

essence van de kunst en het vernuft der bijen ligt in het feit, dat

zoo iets als een afzonderlijke cel niet bestaat. Iedere afdeeling in

de raat heeft zijn deelen gemeenschappelijk met niet minder dan negen

andere afdeelingen. En te praten van wederzijdschen druk wanneer er

geen zelfstandig bestaan is, noem ik het zeestrand ploegen.

Er zijn nog andere omstandigheden in verband met den bouw der raten,

die heel veel bijdragen tot bevestiging van de stelling, dat de bijen

door verstand geleid worden, en door een verstand van de hoogste

orde. Wij hebben al gezegd, dat het inwendige van een korf overdag

niet geheel donker is. Waarschijnlijk hebben de bijen gedurende hunne

bezigste uren altijd genoeg licht om hun weg te vinden met behulp

van hun verwonderlijke binnenhuis-oogen, die, onder den mikroskoop

gezien, al de plechtige wijsheid in zich hebben van uilenoogen. Maar

het is een feit, dat het bouwen der raten in den nacht verricht wordt,

als al de andere bezigheden tijdelijk zijn geschorst. Waarschijnlijk

is wat voor onze menschenoogen de zwaarste duisternis schijnt, in

't geheel geen duisternis voor bijen; in ieder geval, voor ons is

het of de honingraat in het duister gemaakt wordt.

Intusschen worden zij naast elkaar gebouwd en dikwijls

tegelijkertijd. Zij groeien tegelijk in benedenwaartsche richting, en

behouden toch altijd hun juisten afstand van elkaar; zoodat, als zij

voltooid zijn, er een doorgang blijft tusschen de verzegelde cellen,

van ongeveer een 0.6 centimeter, juist genoeg voor de gaande en komende

bijenstroomen om elkaar rug aan rug te kunnen voorbijgaan. Hoe worden

nu die afstanden gelijk gehouden, daar de bijen aan het werk zijn

aan den bovenrand van iedere raat, en van elkaar gescheiden door een

leege donkere ruimte van 3 tot 4 c.M. ongeveer?

Een eenvoudige proef zal dit onmiddellijk ophelderen. Als een korf,

waarin een zwerm ongeveer de halve diepte van den raatbouw voltooid

heeft, even schuin wordt gezet, zoodat de raat uit de loodlijn komt,

en men dan den korf zoo eenige dagen laat staan, dan zal men daarna

bemerken, dat van het oogenblik van de stoornis af, bij den verderen

bouw de nieuwe vertikale lijn gevolgd is; de raten zullen alle een

lichte helling naar één kant vertoonen. Dit beduidt, dat de bijen

òf een natuurlijken zin voor de loodrechte richting hebben, òf,

dat zij met de loodlijn werken zooals de mensch gedwongen is te

doen. En het schijnt werkelijk een feit, dat de recht naar beneden

hangende waswerkstertros den dienst doet van een levend paslood,

en de richting aangeeft voor den groei der raat naar beneden.

Maar hangen de bijen wel altijd hun raten op? Bouwen zij nooit

hun wassen voorraadschuren zóó, dat zij laag op laag optrekken van

den vloer af, naar de manier van dat meer intelligente schepsel,

den Mensch?

Wat hier het eerst van te zeggen valt, is, dat zulk een afwijken van

hun vaste methode geen vooruitgang, maar een stap terug zou zijn. Deze

lange raatmuren van de bijen doen zeer sterk denken aan de nieuwe

Amerikaansche "wolkenkrabbers". De moeielijkheid bij het oprichten

van dergelijke gebouwen is een basis te verkrijgen voldoende voor

de hoogte. Als de Amerikaansche ingenieurs over materiaal konden

beschikken, dat een voldoende spanningskracht bezat, en er bovendien in

de natuur iets was om de skyscrapers aan op te hangen, dan zou het,

wetenschappelijk gesproken, zeker praktischer zijn deze gebouwen

te laten ophangen, dan ze op te richten, omdat zij dan volgens

natuurlijke strekking hun vertikale richting zouden behouden en het

grondslag-vraagstuk was dan van de baan. En daar de bijen grondstof

van ideale spanning bij de hand hebben en een geschikte hangbalk,

laten zij om dezelfde reden wijselijk hun zwaargeladen raten van het

dak afhangen, in plaats van ze op te zetten zooals sommige mieren

doen bij hun bouw.

Maar ongetwijfeld worden zij hier geleid door een ervaring

van eeuwen hèr van het ras en worden zij niet verhinderd door

gebrek aan bekwaamheid om de door den mensch bevonden methode te

volgen. Zelden--slechts zóó zelden, dat de schrijver, gedurende het

lange tijdsverloop dat hij onder bijen verkeerde, er niet meer dan

éen voorbeeld van heeft gezien, bouwen de bijen hun raten opwaarts,

als de omstandigheden geen andere mogelijkheid toelaten. En dit is zoo

goed als een laatsten nagel slaan in de doodkist van die ongelukkige

instinkt-theorie, en tegelijk er een grafschrift bij maken.

In het vermelde geval was een doos met glazen bodem omgekeerd over

het voedingsgat van een gewonen korf gezet en was daar vergeten. In

den loop van het seizoen geraakte de korf vol met bijen en honing,

en het werd dringend noodig in de doos boven op den korf nieuwe

proviandraat te bouwen. Maar het gladde glas bood geen vasten voet aan

de metselbijen. Keer op keer moeten zij wel opnieuw gepoogd hebben om

er den bouw te beginnen, met hun wastaschjes vol, en nooit mocht het

gelukken; het was niet mogelijk hier op de gewone wijze te bouwen. Toen

zijn de korfingenieurs, door de moeilijkheid geprikkeld, iets anders

begonnen. Op den planken vloer beneden legden zij het plan uit voor

een voorraadschuur niet volgens de gewone methode van parallelraten;

maar een regelmatig, langwerpig huis met cellulaire provisiekamers en

daartusschen verbindingsgangen. Hierop bouwden zij laag op laag van

horizontale cellen, tot het glazen dak bijna bereikt was. Toen zij op

dit punt gekomen waren, was waarschijnlijk de groote honingoogst buiten

gedaan; want de cellen van het proviandhuis werden nooit verzegeld,

hoewel zij bijna geheel vol met honing waren; later in den tijd werd

dit honinghuisje gevonden en meegenomen door den ijmker, die het nog

bewaart als een bijzondere kuriositeit. Hij draagt een welbekenden

naam: Dr. Herbert Mac Donald Phillpotts, van Kingswear, Devon, en

zijn getuigenis betreffende het vervaardigen van dit merkwaardige

honinghuisje is boven allen twijfel verheven; maar bovendien draagt

het zijn eigen onfeilbaren stempel van echtheid. Alle honingcellen,

door bijen gemaakt, hebben een lichte opwaartsche buiging, waardoor,

zooals reeds verklaard werd, het uitvloeien van den inhoud wordt belet,

tot zij kunnen verzegeld worden. En iedere cel in dit proviandhuisje

vertoonde duidelijk het opstaande kantje.

HOOFDSTUK XIII

WAAR "HET BIEKEN HONING PUURT".

Het is een eigenaardig feit, dat zij, die van bijen onkundig zijn,

zich dikwijls angstig toonen waar geen gevaar dreigt, en met de

stoutmoedigheid, uit onwetenheid geboren, zich dáár wagen, waar juist

de oude, ervaren bijenkenners niet graag een voet zouden zetten.

Bij dit onberekenbaarste van alle schepselen is het humeur nog

onberekenbaarder dan al het andere. Er zijn tijden, b. v. als er een

onweer dreigt en de lucht geladen is met elektriciteit, dat men zich in

een wis gevaar begeeft als men onder bijen gaat; en dan weer, b.v. in

het seizoen van den vollen nektaroogst, kan men zich letterlijk alle

vrijheden met hen veroorloven, zonder dat er eenige wraak te duchten

is. Toch is dit ook weer geen regel. Er hangt hier heel veel af van

hun afkomst en de zuiverheid van het ras, en ook van de methode van

den ijmker. Bijen zijn, als andere huisdieren, zeer gevoelig voor

een wijze en tegemoetkomende behandeling. Als men doortastend, rustig

en gelijkmatig met ze weet om te gaan, is men bij de kwaadaardigste

kolonie dikwijls volkomen veilig; terwijl de zachtaardigste bijen tot

eene onmiddellijke oorlogsverklaring overgaan bij eene schutterige,

onhandige aanraking.

Sedert de Italiaansche bij, ongeveer een halve eeuw geleden, naar

Engeland is overgebracht, is er zeker een aanmerkelijke wijziging

gekomen in het Engelsche ras. Zelfs twijfelen eenige autoriteiten

er aan of er in werkelijkheid nog wel volkomen raszuivere Engelsche

bijen over zijn. Men ziet de gouden gordels van de Italiaansche

op de onmogelijkste plaatsen opduiken; het vreemde bloed schijnt

overal in het ras te zijn doorgedrongen, behalve in de allerverste

uithoeken. Het is zeker te betreuren, hoewel dit berouw nu te laat

komt, dat men ooit die ongewenschte vreemdelingen op onze terreinen

toeliet. Wat in eenig land gedijt en er blijft voortbestaan, moet voor

dat bijzondere land wel het best geschikt zijn, en deze zuidelijke

bijenrassen schijnen, en zeer in het nadeel van onzen Engelschen

stam, aan het ras eigenaardigheden te hebben teruggegeven, die bij

de inheemsche bij door lange kultuur geheel verdwenen waren. Veel

van de prikkelbaarheid en vatbaarheid voor verschillende ziekten,

die wij bij de hedendaagsche honingbijen opmerken, zijn min of meer

terug te brengen tot de inmenging van het vreemde bloed, en het

groote en bijzondere voordeel van de Italiaansche bij, de beroemde

en wijd en zijd uitgeklonken lange tong--is gebleken een fabel te

zijn. Ontelbare opmetingen gedaan door onze grootste wetenschappelijke

bijenkenners hebben aangetoond, dat de tong van de Italiaansche bij

niet langer is dan die van eenige andere; echter kennen de meesten

haar zeer gereedelijk een bijzonder langen en tot steken bereiden

angel toe. Maar hier zijn wij onrechtvaardig: de Italiaansche werkbij

van zuiver ras is even goed of slecht gehumeurd als iedere andere

van haar soort. Het zijn de eerste kruisingen met de inheemsche bij,

die zich zoo uitdagend en wraakzuchtig aanstelden, en daaraan heeft

het geheele ras zijn slechten naam te danken.

In den rijksten oogsttijd--die in Zuid-Engeland al in Mei aanvangt,

vroeg of laat, al naar het jaargetij uitvalt, en die dikwijls zes

weken duurt--, komt het heel veel voor, dat men de angstige wandelaars

ziet rennen langs de voetpaden tusschen de klavervelden, verschrikt

door de geweldige roezigheid van de inzamelende bijen. Wanneer die

velden zeer uitgestrekt zijn en het een bijzondere heldere dag is,

krijgt dat geluid een omvang, dat men het haast niet meer houden

kan voor een zang van werk en rust. Het lijkt meer op het dreunen

van een algemeenen bijenoorlog, en het is niet te verwonderen, dat

de onkundigen wat zeden en gewoonten der korven betreft, zich niet

wagen in wat hun zeker een tooneel van moord en doodslag lijkt.

En toch is er in het heele jaar geen seizoen, waarin de bij minder

geneigd is haar menschelijke medeschepselen te lijf te gaan. Zoo lang

het honing-weder blijft aanhouden--de warme nachten waarin de nektar

wordt afgescheiden, en de regenlooze dagen als hij kan ingezameld

worden--is zij haast niet tot een aanval te prikkelen, al wordt haar

huis ook binnenste buiten gekeerd, zoodat het zonlicht plotseling

het duister door en door zeeft.

Tot voor betrekkelijk korten tijd was algemeen aangenomen, dat honing

een zuivere, onaangeroerde afscheiding der planten was, en dat behalve

het inzamelen en opleggen, de bijen geen deel aan zijn voortbrenging

hadden. Dit is echter een ernstige vergissing. Honing moet vervaardigd

worden, en verschilt bijna in alle opzichten van de zuivere sappen,

die in de verschillende bloemen worden afgescheiden. De bloemennektar

schijnt, vóórdat de bij hem heeft ingezameld, geen enkele van de

elementen te bezitten, die den rijpen honing samenstellen. Drie

vierde van het volume bestaat uit zuiver water, waarin ongeveer 20°

rietsuiker is opgelost, terwijl de rest bestaat uit vluchtige olieën

en gommen, die er den bijzonderen smaak aan geven. Maar rijpe honing

bevat heel weinig water, nooit meer dan een zesde van zijn volume. En

de suiker in honing is bijna geheel druivensuiker. Honing is ook zeer

bepaald zuur, terwijl nektar positief neutraal is. En de olieën en

aromatische essencen van de bloemsappen zijn gerijpt en overgegaan

in den welbekenden honinggeur, die op niets anders ter wereld gelijkt.

Het staat vast, dat het verwerken van den nektar tot honing

onmiddellijk begint als de bij het zoete sap uit de bloem tot zich

neemt. Als het vocht in den honingzak komt, is het al vermengd met de

zure afscheiding van de klier aan den tongwortel. Komt de bij in den

korf terug dan brengt ze niet dadelijk den honing in de cellen; maar

geeft dien over aan een van de huisbijen, die hem naar de honingraten

overbrengt. Het is zelfs waarschijnlijk, dat hij nog een tweeden keer

wordt overgegeven vóór hij in de cel komt, maar dat punt is nog niet

vastgesteld. Het gevolg van het overgeven aan een ander is, dat er

meer zure eigenschappen aan het oorspronkelijke sap worden toegevoegd.

De honing schijnt in den korf een geregeld brouwproces te

ondergaan. Hij wordt gehouden op een temperatuur van 80° of 85°

Fahr. en daarbij gaat het overtollige water in damp over. Op die

wijze verliest de ruwe nektar minstens 2/3 van zijn natuurlijk

volume, voordat hij definitief tot honing wordt omgewerkt. Men zegt

dat op het laatste oogenblik, juist vóordat iedere cel verzegeld

wordt met een ondoordringbaar wasdekseltje, de bij zich ronddraait

en een droppel van het vergif uit haar angel in den honing spuit;

maar hiervan schijnt niet het geringste bewijs aanwezig. Het is waar,

dat de inhoud van het gifzakje voornamelijk uit mierenzuur bestaat,

dat zéér bederfwerend is; en het is ook een feit, dat er sporen

van mierenzuur in allen honing te vinden zijn. Maar het is toch ook

stellig bewezen, dat dit zuur zijn weg tot den honing vindt uit het

klierensysteem van de bij en niet door den angel.

De ijver, door de bij aan den dag gelegd bij het nektarzamelen, is

altijd een punt van verbazing geweest en algemeen werd verondersteld,

dat zij met het volle instinkt voor haar taak geboren wordt. Maar gaat

men aan het waarnemen, dan ligt die theorie al heel gauw omver. Dit

werk moet stap voor stap geleerd worden, zooals alle bijenwerk, dat een

zekere bedrevenheid vereischt. De jonge bij gaat met den besten wil van

de wereld op haar eerste vlucht uit, en haar nabootsingsvermogen is in

hoogen mate ontwikkeld; maar met verdere gaven voor dezen specialen

arbeid schijnt zij niet te zijn toegerust. Haar eerste pogingen zijn

een opéénvolging van vergissingen. Zij schijnt niet zeker te weten

waar dat begeerde zoet eigenlijk te vinden is, en men ziet haar soms

op de onaannemelijkste plaatsen met een ernstig onderzoek in de weer,

bij spleten in een muur, toefjes gras of de bladen van een plant,

inplaats van bij de bloemen. Het feit, dat de nektar onder in de

bloem verborgen is, voorbij het stuifmeeldragend mechanisme, schijnt

pas voor haar te dagen na heel wat nadenken en vergeefsche moeite.

Het is bewezen, dat bijen soms tot twee en drie mijlen ver gaan op haar

inzamelvluchten. De afstand schijnt in verband te staan met den aard

van de streek. De bijen uit een heuvelland wagen zich maar op kleine

afstanden van huis, terwijl in een vlakker streek de reizen veel verder

worden uitgestrekt. De bijen-lijn is spreekwoordelijk geworden voor

den rechten koers; maar het is te betwijfelen of de bij ooit volmaakt

rechtuit vliegt van punt tot punt. De waarheid schijnt te wezen,

dat er vaste lucht-wegen uit en thuis voor iederen bijentuin zijn,

en dat die altijd door een dichten stroom gaande en komende bijen

bezet zijn, gedurende de dagelijksche werkuren. Deze verkeerswegen

liggen hoog boven de hoogste hindernissen, zóó hoog zelfs, dat het

scherpste gezicht ze niet ontdekken zal. Alleen de bezige zang van de

reizigers is te hooren, als was er een zingende rivier hoog boven ons.

In de South Down streek, waar de afgelegen boerderijen ieder omgeven

zijn door hun kompakt akkersysteem met bloeiend schapenvoêr,

en waartusschen niets te zien is dan mijlen en mijlen van kaal

kortgrasland, kunnen die bijen-wegen in de lucht gemakkelijk gevonden

en bestudeerd worden. Terwijl ge over het veêrend, golvend gras loopt

in den kalmen vrede van een zomermorgen, dringt plotseling een verre

vage toon tot u door, alsof hoog in het blauw een enkele harpsnaar werd

aangeslagen. Ge doet een paar stappen en hebt hem weer verloren; gaat

ge terug dan hoort ge hem weer. Zien doet ge niets, hoe ge uw oogen

ook moogt inspannen; maar de oorzaak van het geluid is duidelijk,

en met een beetje moeite kunt ge heel gauw de hoofdrichting van de

vlucht uitmaken, en ge ziet dan verderop in de laagte het complex

van de daken eener boerensteê met zijn geplekte akkers er omheen,

wit van klaver of rozerood van Espareette, in vollen bloei.

Er is misschien op de geheele wereld nergens zulke kostelijke honing

te vinden als in deze afgelegen Downlandsche boerderijen. Bij den

gewonen verbruiker is honing eenvoudig honing en daarmee uit. Maar

de bijenman weet, dat de honing evenzoo veel kwaliteiten kent als de

wijn. Bij een eerste proefje kan hij onmiddellijk zeggen uit welke

bloemen hij gemaakt is, of hij uit één of meerdere bronnen bijeen

is gezameld, of hij enkel bloemessence is, of bezoedeld is geworden

door dien afschuwelijken honingdauw, die in 't geheel geen honing

is. Beneden in het laagland is het, behalve in de zeldzame seizoenen,

als er maar één soort van oogst is, bijna volslagen onmogelijk honing

te krijgen van slechts één enkele bron. Maar hier op de heuvelen

worden de bijen niet aangelokt door kleurige tuinen, met hun zwakke,

waterige zoetigheid, noch worden zij er verleid door den groven

liguster, of de paardenkastanje of zonnebloem. Neen, er is maar één

gerecht op tafel: maar dit is dan ook onuitputtelijk, onbegrensd. Zij

hebben niet anders te doen dan heen en weer te vliegen uit en thuis,

tusschen hun korf en één enkelen akker.

Het is heel moeielijk met het schatten van de hoeveelheid honing,

die één oogst van bloemen oplevert, de waarheid ook maar eenigszins

te benaderen. Maar gesteld, dat alle omstandigheden meewerken, dan

komt er op ieder roede Hollandsche klaver ongeveer vijf pond zuivere

honing per dag, zoolang het veld in vollen bloei staat. De nektar wordt

klaarblijkelijk door de bloem afgescheiden als aantrekking voor de

bijen, die, met hun stuifmeel beklodderd lichaam er op neer vallend,

onbewust de bevruchting bewerken. Onmiddellijk nadat dit doel bereikt

is, schijnt het nektarvloeien in iedere bloem afzonderlijk op te

houden en de honingdraagster gaat haar voorbij.

Het verhaal van de honingbij · 第 14 / 18 段