In de vorige hoofdstukken hebben wij gepoogd aan te toonen, dat de

wereld waarin de honingbij leeft en werkt, er eene is, die door iets

beters wordt gedreven dan door ruw instinkt, in de gewone beteekenis

van dat woord. Voor den modernen bioloog, niet den kamergeleerde,

maar voor hem, die het leven overal en in al zijne openbaringen

bestudeert--voor hem moet deze bewering zoo overtollig lijken als

b.v. het vergulden van goud; het schijnt in waarheid toch nog maar

alleen de vraag te zijn welke de juiste plaats is, die op den schaal

der rede aan de honingbij moet worden toegekend.

Alle bijenliefhebbers hebben zich schuldig te bekennen aan ingeroeste

partijdigheid, en schrijver dezes doet dat dan ook gulweg. Lauwheid

is niet bekend in dit vak, en over de geheele wereld is het gezegde

van kracht, dat dáár waar maar een paar bijenkorven bij elkaar zijn,

een gloeiend enthousiast niet ver af is. In Engeland is het woord

"vrijmetselarij" synoniem geworden met "broederschap"; maar even echt,

even duurzaam is de verbroedering onder de bijenhouders. Zeker, onder

elkaar zijn zij maar al te zeer geneigd tot het overdrijven van de

deugden en verrichtingen van hun pleegkinderen; zij zijn te gul met

gevolgtrekkingen uit schaarsche gegevens van feiten; en de bewezen

stelling, dat ieder, die met bijen te doen heeft, zeer zeker vroeger

of later zal meêgesleept worden door een vloedgolf van enthousiasme,

maakt het tot een moeielijke en kiesche taak de balans te bewaren

tusschen den geestdriftigen bijenliefhebber en den belangstellenden

maar bezadigden lezer. Ieder schrijver over de honingbij is te

beschouwen als een ultra-specialist in deze specialisten-eeuw; en

het is moeilijk de verhoudingen klaar te blijven zien, voor één,

die spreekt uit de gelederen van het ijmkersgild zelf, waar allen

zich mee schuldig maken aan overmoed en geen oor heeft voor eenige

waardeering onder hoogwater pijl.

Maar de overgeestdriftige schrijver, die zich aan de geschiedenis

van het raatbouwen zet, heeft hier de gewone valstrikken niet te

vreezen. Die geschiedenis is in de eenvoudigste feiten en de minst

belangrijke bijzonderheden al zoo verwonderlijk, dat de bloemrijkste

taal hier evenmin zou kunnen overdrijven als een karig toegemeten

woord de innerlijke beteekenis verkleinen. Als de regeling van de

bijenrepubliek, hunne samengestelde hygiënische stelsels, de verdeeling

van arbeid, behandeling van de koninginne- en werksterlarve, ons in

verbazing brengen en ons onfeilbaar schijnen te wijzen op hoogere

vermogens, dan moeten wij de werkbijen wel een intelligentie van nog

hooger orde toekennen, als wij haar gaan beschouwen als ontwerpster

en vervaardigster van de honingraat.

Hier ziet men haar in haar grootste kracht en beteekenis. De

samengestelde bouwsels, waarmee zij de bijenstad vult, vragen niet

enkel onvermoeiden arbeid; zij zouden niet kunnen tot stand gekomen

zijn als niet de gezamenlijke bekwaamheden van den ingenieur, den

architekt en den wiskunstenaar er aan hadden meegeholpen. Ook zijn het

niet enkel konstruktieve en wiskunstige vraagstukken, waar de bij zich

tegenover ziet gesteld, en evenmin zijn zij, hoewel moeielijk, altijd

dezelfde, zoodat een instinktive oplossing niet denkbaar is. Bijna bij

iedere raat vinden wij eenige bijzondere en noodwendig onvoorziene

moeilijkheid op schitterende wijze overwonnen. In den bouw van de

zeskantige cel, waarvan de basis uit drie ruiten is samengesteld,

gebruikt de bij een vorm, door de grootste wiskunstigen als de alléén

doelmatige vastgesteld, en de bijen houden zich altijd aan dien vorm

wanneer het maar eenigszins doenlijk is. Doch het gebeurt aanhoudend

bij den ratenbouw, dat plaatselijke verhoudingen haar plannen in

den weg staan, en dan maakt zij vijfkantige cellen of vierkantige

of driekantige of van welken vorm ook, naar de omstandigheden haar

dwingen. Het is gemakkelijk en eenvoudig, en men is in ééns klaar,

wanneer men dit alles op rekening schrijft van dat geheimzinnig

iets, het instinkt, de goddelijke gave waarmee het organisme van

de bij geladen is, zooals men electriciteit laadt in een Leidsche

flesch. Maar instinkt was het niet, dat Wren noopte den stalen kabel

om den koepel van St. Paul's te leggen en het was ook geen instinct

dat den sluitsteen op de Groote Pyramiden bracht. Dit zijn alle werken

van hooger begaafde wezens en toch staan zij wat kunst van vinding

betreft op één plan met de honingraat, die gevormd is uit een broze

stof, licht als de lucht, doch op zóódanig kunstige wijze door de

honingbij bewerkt, dat zij in staat is een gewicht, dertig maal zoo

groot als het hare, niet alleen te dragen, maar op te houden.

Het feit, dat de bij haar bouwmateriaal niet bijeenzoekt maar het

uit eigen lichaam bereidt, is pas in de laatste honderdvijftig jaar

ongeveer aan het licht gekomen; echter vindt men in de geschriften

van de middeneeuwsche ijmkers nu en dan al schrandere gissingen

daaromtrent. De wesp, die in vernuftige vinding veel met de honingbij

gemeen heeft, doch gedoemd is ze op oneindig bescheidener schaal aan

te wenden, maakt zeshoekige cellen; maar haar materiaal haalt zij

van buiten, en het kan voor geen samengesteld doel gebruikt worden,

omdat het geen spanning verdraagt. En juist de bijenwas is de eenige

bestaande stof, die aan iederen eisch voldoet. Zij kan verwerkt

worden tot plaatjes, die niet dikker zijn dan 1/70 c.M. ongeveer,

wat de gebruikelijke dikte is van den celwand. Zij is onaantastbaar

voor alle elementen behalve hitte. Zij kan zacht en kneedbaar gemaakt

worden en toch ook verharden met behoud van soepelheid en leven. Zij

is een slechte warmtegeleider en daarom houdt zij de warmte van den

korf vast. Zij trekt geen ongedierte aan, en tot nu toe is er maar één

dier bekend, dat er van eet, n.l. de larve van een zekere motsoort;

maar een sterke kolonie houdt het daar altijd tegen uit. En daar het

ruwe materiaal voor hare bereiding bestaat uit afscheidingen uit het

eigen lichaam der bij, kan de voortbrenging gebeuren, als duisternis

of ongunstig weder het buitenwerk verhinderen.

Het eerste werk, dat een zwerm na het betrekken van zijn nieuwe

woning onderneemt, is de ratenbouw. De tijdelijke inzinking die na de

opwinding van het zwermen volgt, is spoedig voorbij en het geheele

gezelschap concentreert zich op het inrichten en proviandeeren van

den nieuwen korf. De oudere bijen gaan op voedselverzamelen uit,

en één voor één blijven zij bij het wegvliegen in de lucht even

met het hoofd naar den korf om zich standplaats en omgeving eigen

te maken. Verreweg het grootste gedeelte echter vereenigt zich

thuis in een dichten klomp voor de wasbereiding. In deze eerste

verrichtingen van de nieuwe kolonie is tijd alles. De koningin, die

waarschijnlijk een dag of langer het eierleggen geschorst heeft,

is overbezwaard van vruchtbaarheid en zij moet zonder verwijl van

duizenden broedcellen voorzien worden. De provianddraagsters zullen

zwaar van nektar en stuifmeel naar huis keeren en er moeten dus

onmiddellijk voorraadschuren in gereedheid worden gebracht. Daarom

is er haast met de wasvorming, en de jonge bijen dringen op één,

met hunne koningin knus en warm in haar midden.

Zonder twijfel is een van de voornaamste redenen waarom zwermende bijen

zich onmiddellijk in dien dichten tros vereenigen, het verhaasten

van het proces der wasvorming. Het is bewezen, dat de was zich het

gemakkelijkst afscheidt onder den invloed van groote hitte, en hitte

ontstaat er in dien dichten drom. Wanneer de verkenners een nieuwe

woonplaats gevonden hebben en dus de bijen weer verder moeten,

hebben al vele van hen de wastaschjes gevuld, en zijn dus klaar

om het raatbouwen te beginnen. Wanneer een zwerm wordt opgevangen,

zelfs reeds een korte poos na het uittrekken, kan men de kleine witte

wasschubjes tusschen de ringen van hun achterlijf zien uitkomen,

en dikwijls gebeurt het dat zij in de algemeene verwarring afvallen

en verloren gaan.

Wat bij het opmerken van de bijen wel het allermoeielijkst is na

te gaan, is juist het bouwen van de raten. De wasbijen zijn zóó

dicht op elkaar en zoo aanhoudend in beweging, dat het wel schijnt

of de raat uit zichzelf aangroeit, inplaats van door die krioelende

menigte vervaardigd te worden; zij blijft haast voortdurend verborgen

voor het oog van den waarnemer, die maar te hooi en te gras een

verschijning krijgt van die witte, broze zelfstandigheid en haar fijne

teekening. Deze eerste pogingen van de raatbouwsters, gewoonlijk onder

gedwongen omstandigheden verricht, vallen wel eens verkeerd uit, alsof

zij met te groote haast in elkaar gezet waren. Somtijds zijn de eerste

celgroepen, door een zwerm gemaakt, geel en vochtig en sponsachtig

van uiterlijk, met dikke onregelmatige wanden, en het lijkt wel of

zij bedoeld zijn als niet anders dan een tijdelijke bergplaats voor

den komenden nektar, tot er tijd is om de eigenlijke honingcellen

klaar te krijgen. Deze hulpraat is in 't bijzonder merkwaardig omdat

zij weer een bewijs te meer is voor de handigheid van de bij, waar

het geldt in moeilijkheden te voorzien. In gewone tijden blijft de

metselbij rustig in den klomp hangen, tot de wasafscheidingsorganen

hun werk hebben verricht, en de zes langwerpige schubjes van de broze

stof gereed zijn voor het gebruik. Zij komen te voorschijn van onder

de harde platen, die het abdomen bedekken, drie aan iederen kant,

als briefjes, die half buiten de brievenbus steken. Aan een van de

kniegewrichten van haar achterpootjes heeft de werkbij een bijzonder

werktuigje, waarvan bij de koningin geen spoor te bekennen is. Het

ziet er uit als een soort van tangetje; maar inplaats van twee tot

elkaar neigende punten, is het aan den eenen kant voorzien van een rij

scherpe, stijve haren en om den anderen van een ondiep lepeltje. Met

dit bijzonder instrumentje grijpt de metselbij het wasschubbetje,

en trekt het uit zijn zakje. Het wordt dan overgebracht tusschen haar

kaken en zij haast zich ermee naar de raten. Bij een onvoltooide cel

gekomen, begint zij eerst de ruwe was tot een deeg te kouwen, terwijl

zij het met haar speeksel vermengt, en zoo vergroot zij tegelijk het

volumen. Dit zachte taaie materiaal wordt nu bij het werk aangewend

en gevormd. En op deze wijze wordt door de honderden van werksters,

in een onafgebroken komen en gaan, het lichte, fijne samenstel van

broed- en honingraten met zeldzame vlugheid opgebouwd.

Hoe de ruwe, sponsige raten ontstaan, die de zwermen soms aanmaken,

kan niet met zekerheid worden meegedeeld. Zij hebben allen schijn

van ruwe was gemaakt te zijn, die haastig gekauwd en met honing

doorgewerkt is en waarschijnlijk zal het wel zoo zijn. Het afscheiden

uit de speekselklier gaat uitteraard langzaam, en als de tijd dringt

en honderden van ongeduldige voorraadbrengsters om hun ooren gonzen,

die haast hebben om af te laden en terug willen naar de klaver,

heeft de schrandere metselbij er op uitgevonden den inhoud van haar

honingzakje als surrogaat te gebruiken. Maar honing en ruwe was kunnen

zich alleen mechanisch bijeenvoegen, niet innig gemengd worden. De

was lost zich alleen op onder de inwerking van het speeksel der bij,

dat scherpe zuurdeelen bevat.

Om goed te beseffen wat er al door de bijen verricht is, als een nieuwe

korf geheel met wasraten is gevuld, is het noodig de werkzaamheden

van den zwerm gedurende de eerste weken van zijn afzonderlijk bestaan

nauwkeurig te volgen. Het stichten van een geheel nieuwe bijenstad is

geen geringe onderneming; voor vele en verwikkelde vraagstukken zien

de bouwers zich gesteld. In de eerste plaats streeft de bij naar het

volmaakte, of zij het bereikt of niet. Erfelijke ondervinding heeft

haar bekend gemaakt met alle vereischten van het te huis der kolonie,

en zij zet zich er toe, die alle zoo volmaakt mogelijk te verkrijgen.

Er is een stad te bouwen, die twintig- tot dertigduizend individuen

moet huisvesten. Er moet een uitgebreide kinderwoning zijn; want

het kan gebeuren dat er tien of twaalfduizend jeugdige schepseltjes

tegelijk moeten ondergebracht. Gedurende zes maanden van het jaar

is er buiten geen voedsel te verkrijgen, zoodat de stad groote

proviandschuren moet bevatten, die een voorraad inhouden voor meer

dan een half jaar. Daar in den winter de temperatuur alleen maar op de

benoodigde hoogte kan worden gehouden door de lichamelijke warmte der

inwoners zelve, moet het leven in de stad binnen de kleinst mogelijke

ruimte saamgevat worden. Het materiaal waaruit zij wordt opgebouwd

moet warmtehoudend zijn, terwijl toch de konstruktie ten allen tijd

volmaakt geventileerd moet kunnen worden; en in den zomer moet de

lucht vrij kunnen rondgaan zoodat de overtollige hitte kan worden

afgevoerd. De stad moet tegelijk een tehuis en een vesting zijn en

aan alle kanten dicht gesloten, beschut tegen de vele vijanden en

ook tegen de ruwheid van het klimaat.

En dan is er nog een andere voorwaarde van een even ingrijpend belang

bij den bouw der raten--de noodzakelijkheid van strikte spaarzaamheid

met het materiaal. Als er eenige natuurlijke zelfstandigheid

bestond, die taai, licht, kneedbaar en sterk was, en voor de bijen

verkrijgbaar inplaats van was, dan zouden zij die zeker voor hun

ratenbouw gebruiken en niet zooveel uren van hun kostelijken tijd en

zulke groote hoeveelheden van hun zuur verkregen proviand opofferen,

om hun eigen was te vervaardigen. Maar er schijnt in de natuur niets

te zijn, dat gelijktijdig al die hoedanigheden bezit. Wel verzamelen

de bijen een harsachtige zelfstandigheid in hoofdzaak van de knoppen

der populieren, en gebruiken die om reten te stoppen; ook weten zij

er een soort van vernis van te maken, waarmede zij de afgewerkte raten

bestrijken, en soms zelfs vermengen zij het met was tot een soort van

ruwe vulling; maar voor celbouw schijnt het onbruikbaar. De geheele

stad moet noodzakelijk van was, en van was alléén gebouwd worden,

en de bijen gaan zoó zorgzaam om met dit kostbaar materiaal als een

vrek met zijn goud.

Deze opgaaf in het oog houdende: de kolonie een voldoende behuizing

te verzekeren met zoo min mogelijk verlies van grondstof, tijd en

arbeid, begint de bij het probleem af te wikkelen met eene, aan 't

ongeloofelijke grenzende schranderheid. Bij het centrale punt der

moeielijkheid beginnende, schijnt zij van daar uit naar buiten te

werken, en tegelijk de bijkomende vraagstukken, die zij op haar weg

ontmoet, op te lossen; en aldus gaat dan wel haar redeneering: "Om de

jongen op te kweeken en den honing te bergen is een celvat noodig. De

jonge larven zijn cylindrisch; dus lijkt een cylindrisch gevormde cel

aangewezen; zoo eene kan ook gebruikt worden voor de honingraten. Er

zijn er echter niet maar een paar noodig; maar een heel groot getal,

vele duizenden; zij moeten daarom dicht bij elkaar geplaatst, zoowel

voor besparing van ruimte als voor het behoud van de natuurlijke

warmte. De cellen zouden met de opening naar boven en in horizontale

vlakken in verdiepingen boven elkaar geplaatst kunnen worden. Maar

zulk een bouwwijze zou onpractisch zijn. Om het wegzakken, in de

hitte van den korf, te verhinderen en ook om bestand te zijn tegen

den zwaren druk van het gewicht, dat zij te dragen krijgen, zouden de

celbodems gezamenlijk aangedikt moeten worden tot een stevigen vloer,

die van tijd tot tijd nog gestut zou moeten worden, zooals bij de

wespen. Maar hiervoor zou veel kostelijke grondstof aan haar eigenlijk

doel onttrokken worden. Zeker zou het een beter plan zijn de cellen

op hun zijde te leggen en ze tot een verticalen wand op te hoogen; en

even zeker is het, dat als twee wanden van deze op elkaar geplaatste

cellen rug aan rug werden gezet, zoodat één centrale wasplaat dienen

zou om den bodem van alle cellen tegelijk rechts en links af te

sluiten, de helft van het bodemmateriaal bespaard zou worden.

Maar dit is nog enkel slechts een ruwe eerste schets van een plan. De

rechtopstaande raat uit een dubbelen stapel ronde cellen gevormd,

rug aan rug met een vlakke basis er tusschen, is, hoewel een groote

verbetering op de enkele laag van horizontale cellen, mechanisch en

economisch fout. De ronde cellen laten nuttelooze tusschenruimten open,

die met opvullen veel was zouden vragen, en de vlakke bodems komen niet

overeen met den vorm der larven, zoodat daarom nog meer ruimte verloren

gaat. Het is duidelijk, dat er alleen verbetering kan komen door een

veranderden celvorm. En hier schijnt de bij met zichzelve te rade zijn

gegaan, en heeft zegevierend een zéér gecompliceerd vraagstuk opgelost.

Zij kende de afmetingen van de binnencelruimte, die eene larve voor

hare ontwikkeling noodig heeft, en nu was dit de opgaaf: een cel te

bouwen: waarvan de vorm zoo dicht mogelijk tot den cylinder naderde;

die de juiste afmetingen zou hebben; zoo sterk mogelijk zou zijn; zoo

min mogelijk plaats innemen; een minimum van grondstof zou vragen,

en waarvan een groot getal in een dubbel vertikaal vlak zou kunnen

worden opgebouwd, zóó dat er tusschen de cellen of vlakken geen

tusschenruimte open bleef.

Dit vraagstuk heeft maar ééne oplossing en de honingbij heeft die

gevonden--hoe ontelbaar veel eeuwen geleden al?--in de zeshoekige cel,

met haar basis van drie ruiten.

Hoe verbijsterend vernuftig deze vinding is kan alleen dan gerealiseerd

worden wanneer men een pas gevormd maagdelijk stuk raat, bijna geheel

afgewerkt, grondig bestudeert. Men zal dan onmiddellijk zien, dat de

zeshoekige cellen volstrekt geometrisch samenvallen over de geheele

oppervlakte der raat en dat de zeskantige vorm voor alle gebruik aan

het doel beantwoordt. Wanneer men aan de ééne zijde van de raat in de

cellen kijkt, dan merkt men op, dat de grondvlakken den vorm hebben

van holle pyramiden, die ieder zijn samengesteld uit drie ruitvormige

plaatjes, en draait men de raat om, dan ziet men aan de andere zijde

ook pyramidale celbodems. Neemt men de diepte van de cel aan de ééne

zijde der raat en voegt die bij de diepte van de tegenoverliggende cel,

terwijl men daarna de geheele dikte van de raat meet, dan vindt men,

dat de diepte van die twee cellen, opgeteld, een aanmerkelijk grooter

cijfer geeft dan men krijgt als men de dikte van de raat meet. Op

het eerste gezicht lijkt dat een geval waarbij het kleine het groote

insluit, dus een zichtbare onmogelijkheid. Maar houdt men de raat

tegen het licht dan doet men eene ontdekking, die de oogenschijnlijke

onmogelijkheid opheldert. De grondvlakken van de cellen zijn zóó dun,

dat zij haast doorschijnend worden en daardoor komt het uit dat zij

niet in een rechte lijn, bodem tegen bodem gebouwd zijn; maar dat

iedere celbasis aan de ééne zijde van de raat, een gedeelte dekt

van drie verschillende grondvlakken aan de andere. Als men die drie

ruitjes, die te samen de driehoekige basis van een enkele cel vormen,

met een naald doorprikt, dan blijkt bij het omdraaien der raat ieder

prikje uit te komen in een andere cel. Zoo wordt dus de besparing

op de dikte van de geheele raat veroorzaakt doordat de pyramidale

grondvlakken aan iedere zijde om en om in elkaar grijpen als de

tanden van een val; inplaats van elkaar rechtstreeks te ontmoeten,

schieten zij over elkaar heen, en de vlakken van de pyramide zijn

zoo ingericht, dat ieder er van twee cellen dekt.

In deze inrichting wordt nog een ander voordeel duidelijk: de top

en drie ribben van iedere pyramidale basis vormen de grondlijnen

voor de celwanden aan de andere zijde der raat; dit beduidt, dat niet

alleen alle celwanden op een boog rusten; maar ook dat iedere celbasis

versterkt wordt door een drievoudigen gordel. Het gevolg daarvan is,

dat de benoodigde hoeveelheid was overal tot een volstrekt minimum kan

worden teruggebracht. Het is maar alleen de vraag, hoe dik de was moet

zijn om den honing te kunnen inhouden; en de ervaring heeft geleerd,

dat dit niet meer behoeft te zijn dan 1/70e ongeveer van een c.M. Men

kan in waarheid dit alles aannemen als een schitterend voorbeeld van

den zege van den geest over de stof.

De meetkundige beginselen, toegepast bij den bouw der honigraten,

zijn een geliefkoosd onderwerp van studie voor de wiskunstenaars

van alle eeuwen geweest, en vooral het gebruik van de ruit voor de

celbodems. De ruit wordt het best omschreven als een plat vlak met

vier gelijke zijden, zooals die van een vierkant, maar waarvan de

hoeken niet recht zijn. Bij zulk een figuur zijn er noodzakelijk twee

grootere- en twee kleinere hoeken, die paarsgewijs tegenover elkander

staan. De drie ruiten, die het grondvlak van de honingcel vormen,

grenzen aan elkaar in den vorm van een vlakke pyramide en als men alle

hoeken als te verwaarloozen grootheden beschouwt, blijkt de vlakheid

van de pyramide zeer juist in een passende verhouding te staan tot

den vorm van de volwassen larve. Maar dit is niet de eenige reden,

waarom de bijen die bijzondere helling geven aan de ruiten, die van

iedere cel de basis vormen. Ook hier, als elders in haar ondernemen,

heerscht de wet der spaarzaamheid, en de waarheid dat zij het eenig

mogelijke grondvlak genomen heeft, dat bij zijn bouw een minimum van

grondstof vereischt, wordt treffend bevestigd.

Het is een oud en beroemd verhaal: maar het verdient herhaald

te worden. Een groot naturalist gaf zich eens oneindige moeite

om de hoeken te meten, die de ruiten vormden in een groot aantal

raatcelbases, en hij vond, dat zij merkwaardig weinig verschilden. Het

zal ieder duidelijk zijn, dat de holle pyramide in den celbodem

dieper of ondieper zal zijn naar den vorm van de drie ruiten waaruit

zij is samengesteld. De top van de pyramide wordt gevormd door het

samenkomen van de drie gelijke hoeken, van ieder ruitje één, en het

spreekt van zelf, dat die top spits òf vlak zal zijn, naarmate de

samenkomende hoeken scherp of stomp zijn. Het was natuurlijk onmogelijk

de afmetingen van die hoeken met absoluut mikroskopische juistheid te

bepalen; maar de naturalist kon toch met behulp van de best afgewerkte

raat vaststellen, dat de twee grootste hoeken in een ruitje ongeveer

110° en de kleinste 70° bedroegen. Hij vond ook, dat de hoeken,

gevormd door het samenkomen van de celwanden met de grondvlakken,

dezelfde afmetingen hadden als die van de ruitjes. Aannemende daarom,

dat mathematisch de hoeken van de ruiten en de celwanden gelijk

moesten zijn, was hij in staat nauwkeurig de hoeken te berekenen die

de bijen blijkbaar trachten te verkrijgen in de konstruktie van de

ruiten--109°,28' en 70°,32'.

Een andere wetenschappelijke bijenliefhebber, die over deze cijfers

zat na te denken, was er zeer door getroffen en besloot uit te

vinden waarom de bij steeds die vaste keus deed voor dien bijzonderen

ruitvorm. Hij kreeg toen den inval het bijeninzicht in de oplossing

van dit celbasis-vraagstuk te onderwerpen aan een onafhankelijke

autoriteit. Zonder dus zijn voornemen te kennen te geven legde hij

het volgende vraagstuk vóor aan een van de beroemdste mathematici

dier dagen:

"Veronderstel eens," zei hij, "dat men u had opgegeven een zeskantig

vat af te sluiten met drie ruitvormige platen, welke hoeken zou men

dan moeten nemen, zoodat de grootst mogelijke ruimte zou gedekt worden

met de kleinst mogelijke hoeveelheid materiaal?"

Het was een moeilijke opgaaf; maar de mathematicus kreeg haar toch

klaar en het antwoord was: 109° 26' en 70° 34'.

Het verschil tusschen de berekening van de bij en die van den man was

dus maar heel gering; en niemand dacht er aan een fout te zoeken in de

oplossing van den man, die in zijn cijferwereld boven ieder uitstak. Er

werd daarom aangenomen, dat de bij een miniem vergissinkje begaan had,

zóó miniem, dat het bij den raatbouw geen bezwaar oplevert. Haar goede

naam bleef onaangetast en de honingcel bleef het volmaakte voorbeeld

van de grootste ruimte met het minste materiaal verkregen.

Maar een andere mathematicus--een Schot dezen keer--ging de heele

zaak nog eens na, en hij bewees nadrukkelijk, dat de bij gelijk had

en de geleerde ongelijk. Hij toonde aan, dat het juiste antwoord op

het vraagstuk betreffende de hoeken, luiden moest: 109° 28' en 70°

32'--precies de cijfers verkregen bij het opmeten van de honigraat.

Het verhaal van de honingbij · 第 13 / 18 段