De éénige in de geheele menigte, die voor zichzelve alléén het

volle recht van haar geslacht erft, schijnt dikwijls de aanzetster

tot de revolutie. Zeer zeker is zij soms degene, die het eerst dat

verlangen, die koortsige onrust ontwikkelt, en ze langzaam aan op de

geheele kolonie overbrengt. Hier komt het verschil in den bijenaard

scherp in het licht. Sommige korven vertoonen dezen rusteloozen

geest gedurende vele dagen vóórdat de zwerm uitgaat; terwijl bij

de anderen de groote opstand, voor zooverre hij het meerendeel

der bijen bevangt, een plotselinge, ònoverdachte daad schijnt te

zijn, gebeurend in ééns te midden van de algemeene tevredenheid

en werkijver. De voorzorgsmaatregelen voor het kweeken van nieuwe

koninginnen worden altijd bij tijds getroffen; maar dit is waarlijk

het werk van de voorzienige, bedachtzame oude bijen in den korf

voor wie het kommunisme sedert lang een vaste en aangenomen ramp

is geworden. Men mag veronderstellen, dat de bijen, die eindelijk

den zwerm zullen vormen, hun geheime begeerte gevoed hebben van het

oogenblik af, waarop de koningin het eerst teekenen van wispelturigheid

begon te vertoonen: zij veronachtzamen dan al hun oude plichten,

eerst innerlijk, dan inderdaad, en ten laatste, als de stemming van de

koningin het hoogtepunt bereikt heeft en haar werk in den korf zoo goed

als verlaten is, dan gooien zij potlood, troffel en kalkbak neer en

stroomen naar buiten in een wilde, opgewonden bende, gedreven door een

verlangen, dat zij evenmin in staat zijn te weerstaan als te begrijpen.

In de studie van het bijenleven komt men voor vele vragen te staan,

maar zelden vindt men antwoorden voor alle. Indien de bevruchting van

de koningin slechts éénmaal in haar leven gebeurt, en de natuur dit als

voldoende bedoelt voor het geheele tijdperk van haar vruchtbaarheid,

dan is het niet gemakkelijk in te zien, waarom zij met den zwerm uit

zou gaan. Het is bewezen, dat zij niet in zulk een strenge afzondering

leeft als algemeen geloofd wordt, en men weet, dat zij nu en dan korte

uitvluchten maakt gedurende haar legtijd. Daarom kan de begeerte

om na een lange gevangenschap het licht weer te zien, niet worden

aangevoerd als reden voor haar met den zwerm mee te vliegen. En het is

aannemelijker te veronderstellen, dat de geslachtelijke drang opnieuw

in de koningin wordt opgewekt, juist zooals het dan voor den eersten

maal bij de werkbij schijnt te gebeuren, en dat bij allen de tocht

wordt ondernomen als een paringsvlucht, een zwak overblijfsel van

een rasgewoonte, die lang verdween, en die het meest gelijkt op het

paringszwermen van de mieren. Men moet in gedachte houden, dat ofschoon

de koningin door een enkele bevruchting ongetwijfeld in staat wordt

gesteld beide geslachten van haar soort voort te brengen gedurende

verscheidene jaren, men niet onherroepelijk kan bewijzen dat zij den

dar nooit meer onder éenige omstandigheid zou ontmoeten. Er is niets

in haar lichamelijk samenstel, dat een tweede bevruchting uitsluit,

hoewel dit voor denzelfden dar onmogelijk is; om meer redenen dan

die ééne afdoende--dat hij sterft in het huwelijksuur.

Prettig is het, in de oude bijentuinen, waar de "zwerm in Mei" nog een

feit en een levend gebeuren is, in de rozige schaduw der bloesemende

appelboomen op het zwermen te wachten en dan over bijen te praten. Geen

bezigheid die zoo de zenuwen stilt en de ziel verfrischt. Er is nog

nooit een bijenhouder geweest, ouderwetsch of modern, die het dáár te

druk voor had, wel te verstaan natuurlijk, als ge hem maar te gemoet

kwaamt met begrijpen, en even prikkelbaar waart als hij op het punt

van afdwalen van het allerbelangrijkste onderwerp. Men krijgt er heel

gauw genoeg van, de wonderen van het bijenleven te openbaren aan een

onkundigen en min of meer angstigen bezoeker, en er is zeker niemand,

die daar zoo slecht tegen kan als de ijmker van de oude school. Zelfs

in het allerrustigste bijentuintje, waar niet anders geteeld wordt

dan het zuiver Engelsche ras, zijn er altijd een paar stekelige

individuen, die u zullen uitvinden in uw schaduwhoekje onder den

appelboom, en er zijn evenveel kansen vóór als tegen, dat ze u bij de

geringste aanleiding een dolksteek zullen geven. Zijt ge een bijenman,

dan blijft ge onverschillig onder al die vijandelijke naderingen;

ge blijft rustig luisteren naar het gebabbel van den ouden man,

terwijl ze tegen uw oogleden gonzen en in en uit uw oor kruipen. In

dat geval zal het saaie spelletje ze gauw vervelen, en ze wieken

weer weg zonder kwaad te stichten; de draad van 's ijmkers verhaal

blijft dan onverbroken. Maar de onervaren bezoeker is een lastpost

in die tweeledige eenzaamheden. Hij maakt schutterige bewegingen,

trekt herhaaldelijk zijn hoofd terug, slaat wild met zijn handen

om zich heen, of, als hij van harder metaal gesmeed is, gaat hij

steil rechtop zitten, waar hij los en rustig moest blijven leunen

en luistert met een allerpijnlijkste beleefdheid en een half oor,

zoodat de stroom van welsprekendheid onmiddellijk opdroogt, en hij

zich even welkom gaat voelen als Banquo's geest op Macbeth's gastmaal.

Wie ééns gewoon is tusschen de korven te leven, kan hun muziek niet

goed meer missen. Op warme dagen, zoo 's winters als 's zomers, is

altijd het zachte dreunen van dien droomerigen zang in de lucht;

en even drukkend als een dans zonder begeleidenden vedelaar, is

voor een bijenman het slenteren in een tuin met enkel zwijgende

bloemen en groenten. Terwijl ge nu in dat appelbloesempriëel naar

de zwermen zit uit te kijken, komt die volle toon, dat bekorend

geluid, tot u, als de serene stem der bevrediging. Hij doordringt

het zonnelicht; tempert het ruischen van den zwakken wind, die door

de boomtoppen gaat; rijst en daalt als het verre geluid van de zee in

een zomernacht. Dit is de werkzang; de zwermzang heeft een heel ander

geluid. Het geoefende oor voelt den val, die plotseling intreedt,

zoo sterk als een pistoolschot, hoewel de onkundige misschien geen

verschil zou hooren. De oude bijenman breekt plotseling zijn verhaal

van beroemde honingjaren, een half menschenleven geleden, af, grijpt

pan en sleutel en spoedt zich door den tuin. En terwijl ge hem op

de hielen volgt vertelt hij, dat het weer de oude groene kast is,

die altijd den eersten Meizwerm gaf al zooveel jaren lang. En dan

beginnen sleutel en pan het tinkelende deuntje.

De ouderwetsche bijenkultuur is niet altijd op enkel strooien korven

aangewezen; bijenkasten, zonder natuurlijk de moderne inrichting, zijn

haast even oud als de strookorf; en de korven in dezen tuin hebben

alle dien ouden kastvorm. De oude groene kast blijft trouw aan haar

roep. Zij is al het middelpunt van een wervelende bijenmassa en ge

ziet een dichten zwarten stroom uit het vlieggat dringen, in zóó'n

wilde haast, dat ge nauwelijks kunt onderscheiden wat ge ziet. En de

oude wilde trekzang wordt steeds sterker en dieper van toon; een vol

vibreerend ondergeluid, dat op geen anderen natuurklank gelijkt. En

wat het zeggen wil voelt ge duidelijk genoeg, terwijl ge daar staat

in het door een wolk van ontelbare vleugeltjes verduisterd zonlicht,

medegesleept in de algemeene opwinding, met een gevoel of ge opwerkt

tegen een stormenden zuidwester. Want ieder individu van die twintig

of dertigduizend bijen, die daar als uitzinnig rondwervelen boven

uw hoofd, ieder van hen zingt zijn stoutsten en luidsten zang. En

dit Gargantuakoor heeft maar één beteekenis: het is zuiver jubelen;

maar geharmoniseerd. Een blijde, wilde vrijheidshymne, alsof nog nooit

een enkele van al die bijen de weelde van een Engelschen mei-dag met

zijn zonneschijn heeft gevoeld.

De groote huissleutel, een wichtig, ouderwetsch stuk metaal, slaat met

zwaar getinkel tegen de pan en de zwerm rijst hooger en hooger in het

blauw. Dan trekt zich gaandeweg de blauwe bijennevel bijeen, tot een

klein zwart wolkje, als afgedreven van een vergeten donderbui. En nu

zeilen zij langzaam noordwaarts, en de wiekende vleugeltjes vangen

oplichtend de zonnestralen als in een net van zilver. Dan zwenken

zij weer om, recht de zon in het oog en vervormen zich tot een zwart

warrelend lijnenspel: snorrende wieltjes in wielend insectenleven,

draaiende wieltjes, die de draden spinnen van een weefsel, dat een

geheel volk zal bekleeden, en zij snorren als nooit eenig ander

spinnewiel.

Maar het begin van het einde is nabij; de tijd van zingen is haast

gedaan. De oude bijenman staakt zijn bovenaardsch geklingklang, gooit

sleutel en pan weg, en wijst naar den hoogsten tak van een jongen

appelboom. Ge ziet hoe er een zwart kluwentje bijen, niet grooter dan

een duivenei, aan vastkleeft. Een oogenblikje later is het dubbel

zoo groot als een vuist, en onmiddellijk daarna weer tweemaal zoo

groot, terwijl van alle richtingen de bijen toestroomen. Nu is het

zoo groot als een litermaat, en de tak buigt zich langzaam onder het

gewicht. In ongelooflijk korten tijd heeft zich de geheele zwerm in een

klomp bijeengetrokken; zij hangen aan elkaar als een lange, bruine,

glinsterende sigaarvormige tros, die haast tot aan den grond reikt,

en met het wilde, blijde gezang is het nu voor goed gedaan.

Er is haast iets spookachtigs in zulk een zwerm, zooals zij daar

hangt, zachtjes heen en weer zwaaiend in de zon, een dood onbewegelijk

ding, waar alleen maar een paar enkele bijen omheen gonzen. Zoo kort

geleden was nog het heele tuintje één roezemoezig bewegen, nu is er

een vreemde stilte over dat alles gekomen, en men ontkomt niet aan den

indruk van een terugval, een drukkende reactie, als een ontgoocheling;

alsof het geheele geval maar een doldwaze escapade geweest ware,

waarover de bijen zich nu hartelijk schamen. Als wij het zwermen

mogen beschouwen als het doorbreken van een oeroude herinnering en

een plotselingen onweerstaanbaren aandrang om een ingewortelde, maar

sedert lang verloren gegane gewoonte te doen herleven, dan valt het

ons ook niet moeilijk, die zeer duidelijke verandering van stemming te

verklaren, die nu over de uitgewekenen gekomen is. Want toen zij nog

in den korf opeengepakt waren, een gistende, koortsig beroerde massa,

toen scheen alles mogelijk wat nu in 't klare daglicht de grootste

dwaasheid blijkt.

"Hevige vreugden hebben hevige einden

En sterven in hun zege."

En nu is daar de komende dag met zijn zorgen en bezwaren: de

wisselingen van weer en wind, waarin het leven moet mogelijk gemaakt;

een woning is noodig, en beschutting voor de koningin--voor haar,

die nu het eenig bezit is van dit ééns zoo rijke volk. Er staat zware

arbeid voor de deur, zwaar genoeg om de overmoedigsten onder hen tot

bezinning te brengen. De opgewondenheid ging zooals zij kwam; zoo ooit

is het nu zaak voor de honingbij zich een redelijk wezen te toonen.

De meeste bijenhouders zijn van meening, dat de bijen hun toekomstige

woonplaats al te voren hebben uitgekozen, soms al verscheidene dagen

vóór de zwerm uittrekt. En het is onder hen een bekende handigheid om

dan leege korven in de tuintjes te zetten, die ook heel dikwijls de

zwervende bijen aantrekken. Men ziet er enkele losse bijen om heen

vliegen als op verkenning en de korven aan een grondig onderzoek

onderwerpen. Deze verkenners verdwijnen weer en na een onbepaald

tijdsverloop, van een paar minuten tot een paar uren en zelfs dagen,

daalt plotseling een heel leger bijen uit de lucht neer en neemt

bezit van de nieuwe woning. Als kort na de komst der verkennende

bijen de hoofdmacht verschijnt, dan zijn de spionnen waarschijnlijk

uitgezonden door een zwerm, die zich al ergens tot een tros gevormd

heeft; maar ligt er een lange tijdsruimte tusschen, dan moeten zij al

uitgezonden zijn op zoek naar een nieuw verblijf, vóórdat de zwerm

was uitgetrokken. Hoewel nu de groote massa van den zwerm enkel met

dien overmoedigen geest behept is, en er voor hen niets anders schijnt

te bestaan, dan de drang om naar buiten te komen en pret te maken, is

het toch waarschijnlijk, dat er verscheidene van de oudere en wijzere

bijen zijn, die op een soort van zakelijke manier, met bedaardheid en

ernst, het geheele geval behandelen, zooals zij iedere andere dagtaak

zouden verrichten. En dus mag die oude opvatting, dat er in een korf

"ondergeschikte luitenants, kapiteins en goeverneurs" zijn, niet zoo

ver bezijden de waarheid blijken. Dat die verkenners zeer zeker worden

uitgezonden om een geschikte plaats voor de nieuwe kolonie te vinden

òf vóórdat de zwerm uitgaat òf als zij zich buiten al samengetrokken

heeft, is een feit, en er zijn dus in ieder geval eenige bijen,

die in de chaötische verwarring hun zinnen bij elkaar houden.

En tot die wijze maagden moet ook de koningin gerekend worden, ondanks

het feit, dat zij in de algemeene onrust en opwinding deelt. Al eenige

dagen vóor den grooten uittocht heeft zij het eierenleggen gestaakt, en

die beheersching maakt haar zoo omvangrijk en zwaar, dat zij dikwijls

nauwelijks kan opvliegen. Het doel daarvan is, dat zij des te meer tot

leggen bereid zal zijn, wanneer het nieuwe tehuis is ingericht. Men

heeft opgemerkt, dat alle zwermende bijen welgevulde honingzakjes

meêdragen; en dat het inladen voor de reis juist plaats heeft vóór dat

het signaal tot vertrekken gegeven wordt. Er is heel veel verschil in

de houding van verschillende bijenstanden gedurende den zwermtijd,

en nauwgezette waarnemers hebben niet altijd zekere teekenen kunnen

ontdekken, dat een bepaalde korf op het punt was te gaan zwermen. Maar

dit schijnt wel vast te staan, dat op het oogenblik vóór het zwermen

ongeveer al de bijen van dien korf thuis blijven, zelfs terwijl al de

andere kolonies in de volle beweging van het inzamelen zijn. Uit zulk

een korf komt een eigenaardig stootend geluid, dat doet denken aan een

zware locomotief, die tot stilstand gebracht is met vollen stoom op,

en begeerig om weer in gang te komen. Juist vóór het uittrekken van

den zwerm komt er dan een plotselinge rust in dat machtige, opgekropte

geluid, en waarschijnlijk is dit het oogenblik waarin de reizigers hun

proviand opladen. Onmiddellijk daarna--en het is dan moeilijk niet te

gelooven aan een bepaald autoritair signaal tot den uittocht--ontstaat

er een rumoer en beweging in het midden van den dichtbevolkten korf,

dat te vergelijken is met wat er gebeurt als een zware steen in het

water valt. Deze beweging breidt zich van het midden uit naar alle

zijden, tot zij de bijen aan den ingang bereikt, en dan begint het

uitstroomen naar buiten.

Als een korf zwaar overbevolkt is, dan is er al een heele dot bijen,

dikwijls duizenden, samengepakt op de vliegplank, en soms bedekken zij

de heele buitenzijde van den korf. Maar die massa lost zich dadelijk

op als de beweging begint; en de wachtende bijen vliegen bijna gelijk

weg met de anderen.

Vroeger geloofde men, dat de koningin den zwerm aanvoerde; maar

deze meening kan geen stand houden tegen de moderne waarneming. Heel

dikwijls is de helft van de bijen al uitgevlogen vóórdat de koningin

verschijnt, en soms komt zij pas met de allerlaatste; ook gebeurt

het wel, dat zij op het laatste oogenblik besluit heelemaal niet

te vertrekken. In dat geval vormen de bijen zich niet tot een tros;

maar blijven enkel een wilde tarantella dansen in den zonneschijn en

keeren na een paar minuten weêr in den korf terug.

Als de zwerm vertrokken is, keert in den ouden korf de rust terug

en de gewone dagelijksche bezigheden gaan weêr hun gang of er niets

bijzonders was voorgevallen; behalve dat de toestand van overbevolking

heeft opgehouden, bleef alles bij het oude. De achtergebleven bijen

zijn meest jonge werksters, die nog niet met inzamelen begonnen zijn;

maar er is toch altijd nog een redelijk overschot van oude werksters

en darren. Gewoonlijk is op dat oogenblik de korf zonder koningin;

want de jonge koningin is dan nog niet uit haar cel gekropen. Er zijn

allicht vier of vijf koninginnewiegen in verschillende stadiën van

ontwikkeling en in zeldzame gevallen komt het wel tot twaalf. Soms

echter is de eerste van de jonge koninginnen al uitgekomen en beweegt

zich over de raten; zij ontmoet dan de gewone onverschilligheid

bij allen, die haar weg kruisen. Er zijn echter korven bekend, die

een zwerm uitzonden als de toebereidselen voor het kweeken van een

nieuwe koningin nog nauwelijks begonnen waren. Zoo onberekenbaar is

de honingbij in veel harer handelingen.

Als nu het zwermen alleen ten doel had, de overbevolking te verlichten

en van moederbij te wisselen, dan zou alles hiermee uit zijn. Maar

de zwermdrang wortelt dieper dan in zuivere noodzakelijkheid. Bij

sommige generaties van bijen schijnt de zwermkoorts, als die ééne

aanval voorbij is, na te laten, en het volk houdt zich dan verder

rustig bij zijn werkzaamheden. Maar het is niet zeldzaam, dat als

zij den eersten smaak van het avontuurlijke beet hebben, de nationale

eetlust verscherpt wordt en het verlangen naar meer ontstaat. Ongeveer

negen dagen nadat de eerste zwerm den korf verlaten heeft, volgt er

dikwijls een tweede, en na een paar dagen soms nog een derde en vierde,

waarbij dan dikwijls het eind is, dat het volk geheel is uitgeput;

dit noemt men, het "zich doodzwermen van den moederstok". Het is

moeielijk te begrijpen, hoe in een gemeenschap waar het belang van

den éénling zoo meedoogenloos wordt opgeofferd aan het staatsbelang,

deze vernietigende politiek kan geduld worden. Maar gaat men uit van

het standpunt, dat het zwermen in hoofdzaak een vage en onvolmaakte

weeropleving is van een lang verouderde gewoonte, dan doet zich

onmiddellijk een aannemelijke theorie voor. In de omstandigheden van

den oertijd kan het voortbestaan van de moederkolonie onnoodig zijn

geweest. Waarschijnlijk had die volkomen haar bestemming vervuld, als

een voldoend aantal jonge koninginnen en darren gekweekt was, en het

geheel was uitgezwermd, om zich respektievelijk van een nieuw tehuis te

voorzien. Men moet bedenken dat de bijenkorf, in zijn voortbestaan van

jaar tot jaar, eigenlijk een moderne inrichting is, en eerst praktisch

nuttig werd met de uitvinding van den lossen bouw, die den ijmker

in staat stelt de raten te vernieuwen. Wij hebben er van gesproken,

hoe de broedraten zich langzamerhand heelemaal opvullen met de leege

cocons, die er door de uitkomende bijen worden achtergelaten. Deze

dingetjes zijn zóó ragfijn, dat zelfs een dozijn er van geen merkbare

verkleining van ruimte in de cel tengevolge heeft, en men weet van

broedraten die wel twintig jaar gediend hebben. Maar het eind is toch,

dat zij onbruikbaar worden en dan,--want bijen willen of kunnen geen

oude raten voor nieuwe verwisselen--moet de gemeenschap uittrekken

voor een nieuw tehuis of van lieverlede uitsterven. Zoo had dus de

gebruikstijd van de oude korven zijn grenzen.

De moderne bijenteelt heeft nog meer veranderingen in het leven

van de honingbij gebracht, behalve het scheppen van een blijvende

korfstad. Het aantal bijen van een enkel sterk volk, dat een

lossen-bouwkast bewoont, is waarschijnlijk driemaal zoo groot als

dat van een wilde kolonie. Het werk van den ijmker grijpt in alle

verrichtingen der bijen in en brengt hun geheele levensplan op

grooter schaal en ruimer basis. Het gevolg hiervan is niet alleen

duidelijk in de toenemende volkssterkten en uitgebreider werken;

maar ook in eene verandering van hun levenssystemen zelve. Een plan,

dat op een kleinen grondslag goed werkt, slaagt niet altijd op een

grooteren. Gezondheidsproblemen in een dorp moeten noodzakelijk

verschillen van die in een stad, zoowel in beginselen als in

verhoudingen. En het is dus zeer waarschijnlijk, dat de mensch de

hand heeft in veel wat ons in het doen der bijen vernuftig gevonden

schijnt; met dien verstande, dat de nieuwe levensvoorwaarden, door

den ijmker ingevoerd, den bijen een prikkel zijn om hun vermogens

tot het uiterste in te spannen.

Het gedrag van deze "nazwermen" vormt een opmerkelijke tegenstelling

tot dat van den hoofdzwerm. Als het mogelijk was in het bijenleven op

ééne vaste en onveranderlijke wet te wijzen, zou het die zijn, dat een

hoofdzwerm nooit anders den korf verlaat dan op een mooien, warmen dag,

en dan altijd omtrent het middaguur. Maar de nazwermen schijnen met

weer noch wind rekening te houden; zij trekken uit op ieder uur, dat

't hun wordt ingegeven, 't zij vroeg of laat, en zonder in 't minst

de omstandigheden buiten in aanmerking te nemen. Men weet zelfs van

een nazwerm, die uittrok te middernacht bij volle maan en heldere,

warme lucht.

Er schijnt over 't algemeen veel meer methode in de verdwaasdheid te

zijn, die een volk bij zijn eerste zwermen aangrijpt; en als na afloop

daarvan het korfleven weer in de oude banen voortglijdt, dan herstelt

zich ook spoedig het nationaal karakter van bezadigdheid en vlijt. Maar

juist de sterkte van deze algemeene neiging tot orde en werkzaamheid

verschilt aanmerkelijk bij verschillende volken. Als men zorgvuldig

bij den korf, die juist zijn eersten zwerm heeft uitgezonden, de wacht

houdt, kan men al spoedig vaststellen hoe de zaken zullen loopen. Er

zijn altijd verscheidene wiegen van koninginnen, enkele al verzegeld

en op het punt van open te gaan en andere in verschillende stadiën van

hunne ontwikkeling. Al deze cellen worden onafgebroken en nauwlettend

bewaakt door de werkbijen; want op hetzelfde oogenblik, dat een

koningin uitkomt, is zij klaar om door zustermoord een onmiddellijk

eind te maken aan alle toekomstige mededingsters. Brandend van begeerte

naar een gevecht komt zij blijkbaar uit haar cel, doortrokken van dien

ingekankerden haat tegen haar genooten, die de heerschende hartstocht

is in haar bestaan.

Dat werkbijen en koninginnebijen in oorsprong gelijk zijn, en het de

natuur van de eene is in volmaakte harmonie te leven, terwijl de aard

van de andere haar noodzaakt door een voortdurend vijandig gevoel

beheerscht te worden, is een van die mysteries in het bijenleven

waarvan wij wel nooit de verklaring te weten zullen komen. Als de

hedendaagsche bijenkoningin inderdaad kan gelden voor ten naaste bij

het type van de oorspronkelijke vrouwelijke bij, dan is het niet

moeilijk te begrijpen, dat met die voortplanting op groote schaal

het gemeenschapsleven in den moederstok een onmogelijkheid moet zijn,

en dat met de paringsvlucht zijn natuurlijk bestaan tot een eind was

gekomen, ongeveer zooals het in het leven der wespen gaat.

Het eigenaardig schrille geluid van de koningin wordt het meest

gehoord in stille nachten nadat er een zwerm is uitgetrokken. Zij uit

aanhoudend dat schelle piepen, terwijl zij worstelt met de waaksters,

die de nog gesloten cellen van de jonge koninginnen omgeven, en

tegelijk hoort men dan ook de gesmoorde kreten van de gevangenen, die

even hard naar den strijd verlangen als zij. Is de zwermkoorts nog

niet tot rust gekomen in den korf, dan hoort men die oorlogskreten

gedurig heen en weer gaan en de algemeene gisting wordt sterker,

tot eindelijk, als de toestand onhoudbaar is geworden, de jonge

koningin wegstormt door het vlieggat, gevolgd door het grootste

gedeelte van de bijen. In het geval van nazwermen leidt alles tot

de waarschijnlijkheid, dat de koningin wezenlijk den zwerm aanvoert;

echter ook hiervoor heeft men nog geen vasten regel kunnen opmerken.

Maar de mogelijkheid bestaat, dat het volk ziek is van al die

onrust en roezigheid, waardoor het zoo lang werd beheerscht en dat

de algemeene zin neigt naar het status quo. Onder die omstandigheden

hebben de kreten, die uit den korf komen, een geheel ander geluid en

beteekenis. De koningin uit nog steeds haar oorlogskreet; maar die

wordt nu oogenblikkelijk gevolgd door een eigenaardig sissen van de

werksters. Het is juist, alsof zij haar, met haar te overschreeuwen,

tot zwijgen willen brengen; en als de oorlogskreet van de eerstgeboren

koningin beantwoord wordt met zulk een afkeurend koor, dan gebeurt

het zelden, dat er nog een nazwerm komt. De koningin gaat dan na een

paar dagen er op uit voor haar paringsvlucht en bij haar terugkomst

wordt het haar vergund naar hartelust haar verlangen naar zustermoord

te bevredigen.

HOOFDSTUK XII

DE RAATBOUW.

Het verhaal van de honingbij · 第 12 / 18 段