geluidorganen. Ieder, wien men zou vragen het geluid, dat de bij
maakt, te beschrijven, zou waarschijnlijk zeggen, dat zij gonst
of bromt, of zoemt, en daarmee uit. Maar voor den bijenvader is
dat jammerlijke vaagheid. Het geluid, dat de bij maakt, is niet één
stem; maar een geheel koor; en zij beschikt over een omvang van wel 1
1/2 oktaaf. Ieder van haar veertien tracheeën en ook ieder van haar
vleugels kan een toon voortbrengen, en deze tonen kunnen eindeloos
wisselen in hoedanigheid, intensiteit en hoogte. Men overdrijft niet
als men zegt, dat de bij een even goed musicus is als welke vogel ook;
maar in den korf gaat de stem van het individu op in de symphonie van
het geheel, en men krijgt moeilijk een indruk van haar bekwaamheden
als soliste.
Het geluid-toestel in de tracheeën is wel het meest ingewikkelde
van de geheele anatomie der honingbij. Het is zeer samengesteld, en
ingericht op een groote verscheidenheid van tonen. Ook de vleugels
kunnen toonreeksen voortbrengen naar boven en naar beneden, in verband
met de snelheid hunner trillingen; en zij maken ook dat eigenaardig
sissend geluid, dat men "gonzen" noemt. Wànneer men ook naar de muziek
in den korf luistert, voelt men zich steeds gedrongen te gelooven,
dat de bijen niet alleen een individueel verkeer onderhouden met die
groote verscheidenheid van toon en geluid; maar dat bovendien die
algemeene zang, die uit allen tegelijk schijnt te komen, bepaald den
oogenblikkelijken stand van zaken in den korf moet uitdrukken. Een
voorspoedig volk geeft aan zijn bevredigend bezig-zijn een uiting,
die niet te miskennen is. Het is een diepe, sonore, blijde toon,
als het gelijkmatig loopen van een goedgesmeerde machine, waarvan
ieder wiel zijn snorrende melodie tot de harmonie van het geheel
bijdraagt. Zwakke of hongerige kolonies geven een weifelend afgebroken
geluid, een klaagstem vol zorg over de toekomst. Heeft een korf zijn
koningin verloren, dan moet het den geoefenden ijmker, als hij aan het
vlieggat luistert, niet moeilijk vallen den ramp te raden. Bij een
volk zonder koningin heerscht rumoer en gewar van oneenige stemmen
en van raadgevingen door elkaar; het gewone volle geluid van het
bevredigend werken zwijgt, en er gaat een alarmkreet door den korf als
bij een paniek. Wanneer men stilletjes een korf opent en met geringe
stoornis de koningin wegneemt, dan kan het soms een poosje duren,
voordat de bijen hun verlies gewaar worden. Maar eenige volken,
waarmede die proef genomen werd, gaven zich onmiddellijk rekenschap
van hun gemis en plotseling brak het moordgeschreeuw los. Een van
de opmerkelijkste dingen in het bijenleven is het onderscheid in
intelligentie en wakkerheid bij de verschillende volken. Een bedaard
en saai volk ontdekt het verlies van zijn koningin soms eerst na
vrij langen tijd. De gewone werktoon gaat onveranderd voort, tot zij
eindelijk besef krijgen van het gebeurde. En dan volgt het eigenaardige
schrille geluid, dat al het andere overstemt, tot de kolonie weer
tot rede komt en overgaat tot het kweeken van een nieuwe koningin.
De stem van den dar is dieper en schorder dan die van de werkbij,
tengevolge van zijn grover lichaamsbouw en zijn luider gonzen wordt
verklaard door het grootere oppervlak van zijn vleugels.
De koningin heeft, terwijl zij vliegt, ook een diepere en meer
schorre stem; maar daarbij heeft zij nog een eigen geluid, aan alle
bijenkenners de geheele wereld over zeer vertrouwd. Men hoort het
gewoonlijk juist even vóór het uittrekken van den zwerm. Er zijn oude
ijmkers, die zeggen, dat zij den datum waarop het zwermen zal beginnen
vooruit kunnen bepalen, door te letten op de bijzondere kreten van
de koningin. Men hoort ze veel in stille nachten kort vóór het begin
van den zwermtijd; als men met het oor aan het vlieggat luistert,
kan men ze boven alles uit herkennen. Het is een schril gepiep, altijd
weer herhaald, en dikwijls beantwoord door andere zwakkere tonen. Hoe
het wordt voortgebracht is nog niet vastgesteld; maar waarschijnlijk
gebeurt het, doordat vleugels of pooten sterk tegen elkaar gewreven
worden, ongeveer zooals bij de sprinkhanen en krekels. Het schrille,
sterke geluid komt van de oude koningin, en wat zij er mee meent
is duidelijk. IJverzucht en strijdlust zijn over haar gekomen, en
gaan uit naar de jonge prinsessen, die nog in de cellen gevangen
zitten. Het klinkt als een uiting van verstikte woede terwijl zij
door celwachten tegengehouden wordt; en het zwakker antwoord komt van
de gevangen tegenpartij, die even hard naar den strijd verlangt als
zij. Die oude ijmkers zijn nooit ver mis met hun berekening. Als het
zoover gekomen is, is de krisis op handen en met den komenden dag zal
zeker de emigranten-stroom uitvliegen om een nieuw tehuis te zoeken,
de oude koningin onweerstaanbaar met zich medevoerend.
Wij hebben gezegd, dat de broedbijen, wier taak de geheele verzorging
van het jonge broed is, de larven uit hun mond voeden met een dikke,
witte vloeistof, zeer toepasselijk bijenmelk genoemd. Gedurende al den
tijd, dat de voedsters met dit werk bezig zijn, eten zij zelve flink
honing en stuifmeel; zoodat het lijkt of de bij de macht heeft hare
spijsvertering onmiddellijk te doen werken; zoo te verstaan, dat zij
het eene oogenblik zichzelve voedt en onmiddellijk daarop het voedsel
verteerd weer kan uitbraken om er de larven mee te verzorgen. Er is nog
een andere bijzonderheid aan de bijenmelk. Bij nauwkeurig onderzoek
is gebleken, dat zij zeer verschillend is van samenstelling. De dar,
de werkster en de koningin worden alle in hun larvetoestand er mee
gevoed; maar de zelfstandigheid is niet dezelfde; en niet alleen
verschilt die bij ieder soort van larve; maar ook wordt zij gewijzigd
voor den leeftijd. De bij moet dus haar spijsverteringsorganen geheel
en willekeurig kunnen beheerschen. En hoe zij deze netelige zaak tot
stand brengt, kan alleen een goede mikroskoop ons leeren.
Misschien is er in de geheele anatomie van de bij niets
verwonderlijkers dan haar spijsverteringstoestel, met zijn
bijbehoorende verzameling van klieren, die alle hun bijzondere en
belangrijke bestemming hebben. Als zij den nektar uit de bloemen
tot zich neemt, gaat die onmiddellijk in de eerste van haar twee
magen, die niet anders is dan een reservoir. Hierin kan de bij hem
naar willekeur bewaren; zij kan hem weer opgeven en in de raatcellen
ontlasten voor de honingbereiding, of zij kan hem door een klapvliesje
in den bodem van het reservoir naar de lager gelegen maag laten gaan,
waar de spijsvertering plaats heeft en honing en stuifmeel in melksap
omgezet worden. Maar door een der vernuftigste inrichtingen van de
natuur kan die tweede maag ook haar inhoud aan den mond teruggeven
en het melksap wordt daar tot bijenmelk voor het voeden der larven.
De werkbij heeft in het geheel vier verschillende klieren, die
ieder een vloeistof afscheiden, verschillend in samenstelling van de
andere. Deze klieren liggen alle in den mond. Twee ervan hebben een
gemeenschappelijke opening aan den bovenkant van den tongwortel;
en terwijl de bij den nektar tot zich neemt, mengen zich hun
afscheidingen automatisch met het bloemensap. Dit is de eerste stap
van nektar naar honing. Het derde kliertje ligt boven in den mond en
de afscheiding hieruit is het, die op het teruggegeven melksap werkt
en het verandert in bijenmelk. Het vierde kliertje, eindelijk, is
dubbel; en deze dubbele klier heeft zijn opening onder aan de kaken,
zoodat het kauwen noodig is om de afscheiding op te wekken.
Het klapvliesje tusschen de boven- of honingmaag en de beneden-
of melksapmaag, is rekbaar, en de bij kan naar willekeur dit
teleskoop-achtige voorwerpje binnen door de honingmaag heen uitstrekken
tot aan de keelopening, zoodat de inhoud van de lager gelegen maag
zich in den mond kan uitstorten zonder in aanraking te komen met
de zoetigheid, die in het reservoir bewaard wordt; en dit vooraf
verteerd voedsel is ten allen tijde verkrijgbaar voor de larven,
en tot voeding voor de darren en de koningin.
Wij hebben gehoord, dat het voedsterwerk uitsluitend door de
jonge bijen wordt verricht gedurende hunne twee eerste levensweken
ongeveer. Daarna gaan ze voor het eerst op fourageeren uit, beginnen
met het stuifmeel en laten dat weer in den steek, als zij hun vollen
wasdom bereikt hebben, voor het nektar-gaâren. De volwassen werksters
nemen geen deel aan de larven-verzorging, behalve in heel zeldzame
gevallen. In verband hiermee is het opmerkelijk, dat het kliertje
boven in den mond die het melksap in bijenmelk helpt omzetten, alléén
in zijn volkomen ontwikkeling is gedurende de eerste levensweken
van de werkbij. Heel spoedig daarop vermindert zijn werkzaamheid,
en bij de oude werksters sterft het bijna geheel af.
Het klierensysteem voor de spijsvertering van de honingbij is door de
wetenschappelijke naturalisten vrij nauwkeurig onderzocht; maar er is
toch nog veel onverklaarbaars in, vooral wat de kliertjes betreft,
die aan de kaken verbonden zijn. Het vocht, dat door die kliertjes
wordt afgescheiden--blijkbaar een zeer sterk zuur--wordt in hoofdzaak
gebruikt om de ruwe was, die hard en stroef is, tot het zachte,
taaie materiaal te vormen waarvan de raten gemaakt zijn. Tot een
zekere hoogte dient het ook bij de bereiding van het broedvoeder in
vereeniging met de afscheiding uit het kliertje boven in den mond. Het
wordt ook met het stuifmeel vermengd, wanneer dit gekauwd wordt,
en doet zeker nog in veel meer gevallen dienst; maar niemand heeft
nog kunnen ontdekken, waarom die twee kliertjes zoo geweldig sterk
ontwikkeld zijn bij de koningin, die toch noch aan de verzorging van
het broed noch aan den ratenbouw deelneemt. Voor den gewonen lezer
is dit alles van betrekkelijk weinig belang; maar voor den bijenman
met een mikroskoop behoort het tot de gewichtige onderwerpen van
discussie. Als het verschil tusschen koningin en werkster--en het
is evenzeer een verschil in bouw als in ontwikkeling--inderdaad
wordt veroorzaakt door verschil in de hoeveelheid en de hoedanigheid
van het voeder aan de larven verstrekt, dan kan het belang van de
werking dezer kliertjes niet overschat worden en men kan ze niet
nauwkeurig genoeg bestudeeren; want dan zijn zij niet anders dan
de levensbron zelve. Maar staat het wel vast, dat de invloed door
de voedsters op de jonge larven uitgeoefend, beperkt blijft tot
het voedsel alleen? De werkbij heeft, behalve de reeds gemelde,
op verschillende plaatsen in haar lichaam nog verscheidene andere
eigenaardige organen en klierstelsels, waarvan de beteekenis en
het gebruik nog niet is opgehelderd. Hoe meer wij haar merkwaardige
uitrusting bestudeeren, hoe minder het ons gerechtvaardigd schijnt
dogmatisch hare verrichtingen te begrenzen, of ze te bepalen tot
eenig speciaal orgaan in die geheele samengestelde inrichting. Het
oude beweren, dat er niets onveranderlijk vaststaat in het bestaan der
honingbij slaat zoowel op haar lichaamsbouw als op hare levenswijze;
en het is niet onwaarschijnlijk, dat wat wij morgen zullen weten,
veel van het zorgvuldig verzameld weten van heden te niet zal doen.
De anatomie van de honingbij, die wij zien als de afschaduwing
van een groot plan, brengt ons met haar verrassende organen, haar
avontuurlijke kleur in een sfeer van romantiek; en die kleur behoudt
zij wanneer wij ten slotte de bij nog gaan zien als een gewapende, die
een zóódanig moordwerktuig verbergt, als in den menschelijken geest
niet is opgekomen er een uit te denken. Het lange, kromme zwaard van
de koningin, dat zij zoo zorgvuldig bewaart, en dat niets ter wereld
haar ooit bewegen zou te gebruiken tegen een anderen vijand dan een
van koninklijken rang, is verder eigenlijk niet veel anders dan een
huiselijk meubel. Maar de angel van de moedige werkbij is, onder den
mikroskoop gezien, een vreeselijk vernielingswerktuig. De populaire
wetenschap beschrijft hem gewoonlijk als een van weerhaken voorziene
giftige dolk in een scheede, en daarbij wordt dan de afgezaagde
vergelijking gebruikt, dat, bij dien dolk vergeleken, de allerfijnste
naainaald een grove ijzeren bout lijkt. Maar die scheede is fantasie,
wat men met een beetje moeite spoedig ontdekt.
De angel van de bij bestaat uit drie afzonderlijke lancetten, elk
uitgetand als zaagjes, en die onafhankelijk van elkaar uitgestooten
kunnen worden. Het middelste en breedste van de drie is aan de éene
zijde uitgehold met aan weerszijden een opstaande kant, die over
de geheele lengte doorloopt en aan de zijde van de beide anderen
bevindt zich in de lengte een groef, waarin de opstaande kanten van
het derde sluiten. Zoo gelijkt dus die angel op een drievoudig zwaard,
dat één geheel is maar waarvan de drie deelen in elkaar glijden. De
zaagdolkjes dringen achtereenvolgens in de wond, steeds dieper als
met voorbedachten rade, nadat de eerste stoot gegeven is. En dit is
dus een verfijnd oorlogshulpmiddel, waarbij de springende granaten
maar een plompe brutaliteit lijken. Toch is dit nog niet alles. Om den
doodsteek nog dubbel zeker te maken moet deze karaktersterke amazone
het gevest van haar drievoudig zwaard vullen met een subtiel vergif
en haar glijdend mekaniek zóó besturen, dat dezelfde beweging, die
de punten achtereenvolgens naar voren drijft, ook het geheele wapen
drenkt in het venijnige vocht.
De neiging, pijnlijk wetenschappelijk te worden, en deze dingen met
de zuivere belangstelling van den onderzoeker, buiten alle fantasie
om te handelen, ontvangt hier voor goed haar doodsteek. Want wie
zich eenmaal rekenschap heeft gegeven van de doodende kracht van
den angel der honingbij, kan dat niet meer logisch aannemen als een
opmerkelijke voorziening der natuur, en er God gemoedelijk voor
prijzen. Hij moet er een beteekenis in voelen, die oneindig veel
verder strekt. Dit vernuftig samengestelde wapen van de verminkte
en in haar geslachtsontwikkeling gestuite werkbij, dankt zijn
bestaan evenzeer aan weloverwogen kunst als aan de natuur; of zij,
die het werken van de Almacht in de korven gadeslaan, moeten wel
verwonderlijk verdoold zijn in hun begrippen. Aan de koningin-moeder,
van wie wij kunnen zeggen dat haar fysiek organisme vergelijkenderwijs
bijna niet afwijkt van het oorspronkelijke type, zien wij bij het
lichaamsdeel, dat met den angel der werkbij overeenkomt, een absoluut
verschillende inrichting. De legboor van de koningin is langer; zij
is gekromd; de weerhaken zijn klein en onbeduidend; de vloeistof in de
afscheidingsklier is in 't geheel geen vergif; maar een dikke, troebele
zelfstandigheid, vermoedelijk bestemd om de eieren vast te kleven op
den celbodem. Hij is ook voorzien van een paar stompe werktuigjes,
met gevoelige haren bezet, die met den legboor samen dienen om
het eitje veilig op zijn plaats te brengen. De werkbij heeft die
voelers ook aan weerszijden van haar angel; maar verkeerde ze tot een
wreeder bestemming: het opzoeken van de verwondbare plekken bij haar
vijanden. En wat een geduchte verandering heeft haar wil, of die van
hare voedster-moeders, bewerkt in haar geheele wezen! Zij ruilde het
voorrecht van het moederschap en meerdere levensjaren tegen een bestaan
van maar enkele maanden en een deel in het beheer der gemeenschap. En
zij moet bereid zijn het welzijn van den staat te bevorderen door de
werken van den oorlog zoowel als die van den vrede. Daarom is het,
dat zij positief heeft medegeholpen de ploegschaar te verkeeren in
een kanon. Een kleine verandering in haar voeder in haar prille jeugd,
een onzichtbaar druppeltje uit een klier, die men niet anders dan met
de sterkste vergrooting van het sterkste glas kan waarnemen--en met
de andere veelvoudige veranderingen in haar bouw en karakter komt
ook dit wonder onmerkbaar tot stand. De buis, die de eieren afzet,
wordt kort en recht; de onbeduidende insnijdingen worden geduchte
zaagtanden, bestemd zoowel om vast te grijpen als te dooden. De
onschadelijke kleefstof, die de eieren vastlegt, wordt verscherpt
tot een venijnig gif. En dan is het moordtuig gereed tot den dienst
tegen alle honingvrienden, de erfvijanden van de korven. [6]
HOOFDSTUK XI
HET MYSTERIE VAN DEN ZWERM.
De bekende "Meizwerm", het ideaal van den ouden ijmker, is hard
op weg zijn roem te overleven. Met de moderne korven en de moderne
methoden, al brachten zij nog niet het einddoel: het afschaffen van
alle natuurlijk zwermen, is toch dit bereikt, dat het den ijmker nu
mogelijk is die geweldige levensopbruisching in de korven van jaar
op jaar tot een veel later datum te verschuiven. Want verre van dat,
zooals vroeger, een tijdige zwerm een voordeel geacht zou worden,
is het den wetenschappelijken bijenteler nu gebleken, dat het zeer
zeker een nadeel is en zelfs een schande voor zijn kunnen. Maar de
bijen, hoe gemakkelijk zij ook te ontmoedigen zijn, zijn moeilijke
scholieren. Trots ruime korven en een zorgzamen ijmker, die steeds
bereid is een opvolgende reeks van jonge, vruchtbare koninginnen te
verschaffen, en ten allen tijde hun huis geheel nieuw te meubeleeren,
gaan de bijen toch voort met dit dolle spel van schierlookeren in
het groot. En nog altijd staat daar dan de bijenvader, een beeld
der wanhoop, midden tusschen zijn kostelijke inrichtingen; terwijl
zijn eigendom om zijn ooren gonst of hoog opwiekt in de lucht, even
onherroepelijk verloren, als het water dat een jaar geleden het
molenrad deed draaien.
De ijmker noemt het zwermkoorts; en een koorts is het zeker. De
oorzaken zijn lang geleden nauwkeurig omschreven in preciese en
algemeen aangenomen zinnen. Overbevolking; het verlangen der bijen een
oude kwijnende koningin kwijt te raken; de opwinding van de koningin
zelve als mededingsters dreigen; het natuurlijk instinkt der kolonies
zich te vergrooten en te vermeerderen, alles en nog wat--behalve de
eenig duidelijke en afdoende reden dat de bijen zwermen onder een
plotselingen, hevigen aandrang, omdat zij "het niet laten" kunnen.
De geschiedenis van den Sioux-Indiaan, die als kind al gewonnen
was voor de beschaving; die, òverontwikkeld, òververfijnd, met een
hoogen graad aan de universiteit, het sieraad werd van een beroemden
leerstoel, en die ineens de brui er van gaf, zijn kleêren afgooide,
zich beschilderde en met zijn stam wegstormde het oorlogspad op--die
geschiedenis doet ons een parallel aan de hand voor het gedrag der
bijen in den zwermtijd. Het instinkt kan geen deel hebben aan zulk
een inkonsekwentie, zulk een dollen levensovermoed en teugellooze
uitbundigheid. Maar juist aan de rede is het eigen, bij tijd en
wijle zoo schitterend onredelijk te zijn; en hier toont zich de
honingbij het echte kind van haar afkomst. Zij, de koude, strenge,
die het lot dwingt uit eigen keuze en aandrang, die zich verhard
heeft om te kunnen dringen naar de frontlinie van het leven, in een
onwrikbaar heenspringen over de hindernissen, over hart en haard--zij
wordt plotseling weer tot de oorspronkelijke bijenvrouw, gedachteloos,
zorgeloos en tuk op joligheid, die in één dol moment het goed vergooit,
in zooveel nijvere dagen bijeengegaard.
Want men kan onmogelijk het zwermen beschouwen als een schakel te meer
in de ketting van nuchter berekenende bijenwijsheid. Het is duidelijk
een terugval, een loslaten van de alwijze gemeenschapskunde. Gedurende
één enkel uur in haar slovend, vreugdeloos, volmaakt leven, gooit zij
al haar deugden over boord en stormt weg--als de Sioux-Indiaan--om te
zwelgen in den stroom van verboden geneuchten, zonder met de kosten
te rekenen. Juist als de gemeenschappelijke onthouding hare eerste
vruchten opbrengt aan voorspoed, en de korf overvol is van burgers
en bezittingen, dan komt die koorts over hen en breidt zich uit als
een prairiebrand. En toch is het op dit tijdstip, dat de wetten der
voorzichtigheid ieder kind van de moedergemeenschap zouden gebieden
pal te staan aan haar zijde, om haar te houden op de hooge plaats,
die zij verkreeg door onverpoosden, harden en strengen arbeid,
en met opoffering van tallooze levens. Maar de herinnering aan den
voortijd is ontwaakt en die roep is niet te weerstaan. In het begin
der tijden maakte de Natuur de honingbij tot bewoonster der tropen,
waar geen noodzaak bestond voor gesloten huizen om de koude te weren,
en geen reden om een voorraad op te leggen voor de magere dagen; want
het land was overvloeiend van honing. Het bijenleven in die verre
eeuwen is niet anders dan dansen in den zonneschijn, en de eenige
arbeid voor de bijenvrouw was naar de naaste rijkelijk voorziene
bloemkroon te vliegen, als haar broed voedsel behoefde. Maar eene
afkoelende aarde, de toenemende noordwaartsche koers van het ras,
en ten slotte de dwaasheid van haar eigen wijsheid--het intellekt,
dat zich tegen zich zelf keerde--, alles werkte samen om haar oud,
weelderig paradijs en haar zorgeloos leven voor haar verloren te doen
gaan. De dar echter, omgekeerd redeneerende met de wijsheid van zijn
eigen dwaasheid, maakte eene andere schikking met de Natuur. Hij hield
vast--en tot elken prijs--aan zijn leven van weelde en gemakkelijke
genoegens, en liet zijn maat ongestoord haar eigen gang gaan, zijn
oogen sluitend voor eene nieuwe noodzakelijkheid. Het werken en de
verantwoordelijkheid verzuurden en verharden hààr en scherpten meer
en meer haar vernuft; en hij, met zijne afhankelijkheid van het
vrouwendom, werd gaandeweg veranderd in een schepsel, overgegeven
aan luiheid en het leven der zinnen. En toen hij er eindelijk toe
kwam zich rekenschap te geven van de gevolgen, was het te laat. Het
matriarchale gemeenebest was gegrondvest, omheind door een wal van
giftdolken. Zijn hartewensch was geweest een dar te zijn, en nu was
het darrendom--de loutere teeltkracht--hem voor goed toegewezen. Zoo
zou het misschien ook voor de menschen een gerechte straf zijn, als zij
in een volgend leven datgene voor eeuwig toegezegd verkregen, waarvoor
zij vruchteloos hun geheele leven lang hun gebed hadden opgezonden;
zóó weinig is mensch en dar in staat de dingen te onderscheiden,
die duurzaam zijn in leven en dood.
Maar dìt lot moet wel het ondragelijkst zijn: de eigen eeuwigheid met
wijsheid te hebben gewild en schoon te hebben gevormd en dan, daar
wij slechts menschelijk, of tenminste redelijk, zijn, te bevinden,
dat haar goedheid werkelijk geleidelijk gaat, vast van kleur, overal
ondoordringbaar, zonder dat er ergens een enkele blijde verbreking
of scheur is, om de eentonigheid af te wisselen. Het is niet te
verwonderen, dat de honingbij "zwermt" en holderdebolder breekt uit
haar gevangenisleven van regelmaat, fatsoenlijken arbeid en kille
maagdelijke deugdzaamheid, en in dolheid uitgaat, om een uur te hebben
van uitzinnige pret en jool, zooals haar zusters uit den oertijd het
van dag tot dag beleefden, toen er nog geen korven waren, en toen het
moederschap nog geen voorrecht was van één op de dertigduizend, en
toen de zon nog hoog en blij in den hemel brandde het gansche, lange
tropische jaar. Het is gemakkelijk wijs en matig wetenschappelijk te
zijn in het verklaren van dien koortsigen aandrang der bijen als een
juisten en overwogen stap in den algemeenen ontwikkelingsgang. Maar
is het niet vóór alles de Natuur, de verkwijnde geslachtsgeest, die
ontwaakt, of tenminste even woelt, in haar eeuwenlangen slaap? In
de zwoele Augustusavonden dringen de jonge koninginnen van de
mierenhoopen in ontelbare duizenden naar buiten om de mannetjes te
ontmoeten en het roodachtig zonlicht is vol van het glinsterend leven
van hun vleugels. Dit is "zwermen" in den waren zin. Het vleugellooze,
arbeidzame, ondergrondsche bestaan volgt: maar de liefde-vlucht van
de mieren, zoolang als zij duurt, is daarom niet minder een echte
en hevige vreugde. En zonder twijfel is de zwermkoorts, die op zoo
vreemde wijze en zoo ongelegen het korfleven aangrijpt, er één mee,
naar natuur en geest, ofschoon de oorspronkelijke bedoeling en waarde
al reeds lang geleden in de tijden zijn verloren gegaan.