in zevenmijls-laarzen; en gedurende zijn ganschen levensmarsch
heeft hij dan niet veel kans meer het in te halen. Is het
dagelijksch werk in den korf met het bloote oog al een zóó boeiende
bezigheid, dat zij nalatigheid in plichten kweekt, de mikroskopische
kennismaking met de korfarbeidsters zelf, en de bijzonderheden van
hun verwonderlijke uitrusting, openen een heele nieuwe wereld van
feiten en gedachten. Alleen onder een zéér sterke vergrooting kan
men een denkbeeld krijgen van de juiste plaats der honingbij in de
schepping. Wat zij werkt is duidelijk, zelfs voor een minder scherp
waarnemer; maar de werkster zelf is ons niet anders haast dan het
vaag visioen van een kristalvleugelig, sobergekleurd atoom, in een
eeuwig bewegen in zon en wind; of van een haast niet te onderscheiden
vlekje tusschen een krioelende menigte in ziedenden werkijver.
Maar hier in de wereld van de mikroskoop openbaart zich de honingbij
als een geheel nieuw wezen, en van lieverlede ontvouwt zich een
geschiedenis, die in zijn soort het volmaakte Levensbeeld is. Niemand
kan lang de verwikkelingen van het korfleven bestudeerd hebben zonder
in te zien, dat een schepseltje, tot zulk een verscheidenheid van
gecompliceerde werkzaamheden geroepen, noodzakelijk zelf een hooge
ontwikkeling van geest en lichaam moet bereikt hebben. Maar komt het
tot mikroskopisch onderzoek van de gewone werkbij, dan is zelfs bij
den groensten nieuweling nog zelden de verwachting ook maar eenigszins
de werkelijkheid nabijgekomen.
Het ongewapend oog ziet een schijnbaar hoogst eenvoudig gevormd
diertje--een bruin, tenger lichaampje, twee paar vleugeltjes,
6 pooten zooals bij alle insekten, en een paar gebogen hoorntjes,
als kleine dorschvlegeltjes, die aanhoudend in beweging zijn. Onder
het glas echter verdwijnt al dat eenvoudige. Van het uiterste puntje
van haar sprieten tot het behaarde uiteinde van haar angel, heeft de
honingbij niets, dat niet duidt op een verbijsterend samengesteld plan.
Als men op een drukken zomerdag zich bij een korf geposteerd heeft,
dan wordt het eerst de aandacht getrokken door de stuifmeeldraagsters,
die bij duizenden tegelijk komen aanzwoegen, met een groote, ovale,
bontkleurige massa aan hun achterpootjes gekleefd; en zoo komt men
er toe het eerst het stuifmeeldragend organisme onder den mikroskoop
te bezien. Het blijkt nu, dat de zes pooten, die voor het bloote
oog ongeveer alle hetzelfde waren, in drie paren verdeeld zijn,
waarvan elk paar in konstruktie aanmerkelijk van de twee andere
verschilt. Zóó ver is het er van af, dat zij eenvoudige pootjes
zouden zijn, dat ieder uit niet minder dan negen deelen bestaat,
en bijna ieder deeltje draagt een bijzonder mechanisme, noodig en
onontbeerlijk in het dagelijksch leven van de bij. Men zou heele
verhandelingen kunnen schrijven over de funkties van de menschelijke
hand, en toch is de hand een heel eenvoudig samenstel vergeleken met
de pootjes van de honingbij. De inrichting voor het bergen van het
stuifmeel is aan de scheen van de achterpooten, die verbreed is en
eenigszins uitgehold; rond die langwerpige holte is een franje van
naar binnen gebogen borsteltjes, die er uit zien of zij alles vast
konden houden. Maar vóórdat het stuifmeel in die korfjes gaan kan
moet het verzameld en tot een bolletje gekneed worden. Eigenlijk
zou men kunnen zeggen, dat het geheele lichaam van de bij bij het
stuifmeelzamelen te pas komt. Onder zwakke vergrooting ziet men,
dat haast geen deel van het lichaam niet dicht met haren is bezet;
maar met het sterke objektief gezien, zijn die haren geen haren meer,
maar het blijken in werkelijkheid veertjes te zijn, fijne werktuigjes
in graatvorm, die het stuifmeel bij elkaar vegen, terwijl de bij in
de bloem duikt naar den nektar, die op den bodem ligt.
Bijna ieder lid van ieder pootje is voorzien van een kam van
stijve haren, waarmee het stuifmeel wordt afgeschrapt en in het
draagkorfje gebracht, nadat het met de tong bevochtigd werd, terwijl
de achterpooten ieder een komplete roskam dragen. De poot is hier
verbreed en plat, en aan één kant bezet met negen of tien rijen korte,
sterke stekels, waarmee de bij haar lichaam afkamt, juist zooals
een rijknecht een paard kamt. In gewone tijden zal zij zorgvuldig
haar vrachtje stuifmeel opladen in de daartoe bestemde inrichting,
vóórdat zij naar den korf terug vliegt, zoodat het onmiddellijk in de
cel kan worden overgebracht. Bij de celopening aangeland, duwt zij
ieder klompje er af met haar andere pootjes, maar het vastdrukken
in de cel laat zij aan de proviandverzorgsters over. Er wordt hier
niet geschift; stuifmeel van alle kleuren gaat in één en dezelfde
cel en als die vol is wordt er een dun laagje honing over gesmeerd om
het inwerken van de lucht te verhinderen. Maar dringt soms de tijd,
dan blijft zij niet wachten om haar vracht samen te drukken; maar
draagt die mee naar huis zooals ze is, en als zij dan aankomt is zij
van top tot teen met goud poeder overdekt. Dan komen de huisbijen om
haar heen en borstelen haar af, waarna zij onmiddellijk weer op een
nieuwe vracht uitgaat.
Het feit, dat insekten oogenschijnlijk met hetzelfde gemak onder
tegen iets aan kunnen loopen als er boven op, is, omdat wij nu éénmaal
gewoon zijn het dagelijks te zien, daarom niet minder opmerkelijk. Want
de vlieg, die tegen een ruit oploopt, of onder tegen 't plafond aan,
dankt haar vermogen van boven- en onderbeweging aan een zeer vernuftige
inrichting. Men kan dit aantoonen aan het pootje van een bij. Het
heeft een paar korte, stevige dubbele klauwtjes, waarmee zij zich
vast grijpen op ieder vlak, behalve op de allergladste; het is ook
door middel van die klauwtjes, dat de bijen zich in de korf tot die
dichte trossen op klompen of kettingen kunnen vormen; zij hangen als
het ware hand in hand in alle richtingen. Maar als de klauwtjes geen
vat kunnen krijgen, dan komt de beurt aan een ander lid. Dit is een
zacht, elastisch kussentje, altijd bedekt met een dikke olieachtige
afscheiding. Bij het loopen zet de bij drie pooten tegelijk neer, en
de kussentjes zuigen dan oogenblikkelijk vast als zij in kontakt met
het gladde oppervlak komen; bij de volgende beweging komen de drie
andere kussentjes aan de beurt, en de drie eerste trekken zich weer
los. Maar ieder pootje kan zich ook vrij van de andere neerzetten en
losmaken. Dit laatste gebeurt door het neerdrukken van de klauwtjes
van datzelfde pootje.
Ook aan ieder van de voorpooten heeft de bij een inrichting, die een
heel belangrijke rol speelt. Het is een half cirkelvormig keepje,
afgezet met een franje van stijve haartjes; wanneer het pootje nu
omgebogen wordt, dan grijpt dit keepje met een merkwaardige projektie
in het daarboven gelegen lid, en vormt daarmee een soort van oogje van
ruwe ronding. Met dit fijn en doelmatig instrumentje reinigt zij haar
sprieten, en doet dat heel regelmatig gedurende den geheelen bezigen
tijd van haar leven, ongeveer zooals wij menschen onze oogen schoon
houden door knippen met de oogleden. Met ditzelfde werktuigje maakt
zij ook haar tong vrij van de aanklevende korreltjes stuifmeel.
De vraag: hoe neemt de honingbij de sappen tot zich, waarvan zij
honing krijgt, wordt door sommige populaire schrijvers over de natuur
beantwoord met de verzekering dat zij ze opzuigt door een buisje. Maar
deze zeer gemakkelijke generalisatie komt heel dicht bij een stellige
onwaarheid. Een bijentong is geen buisje, tenminste zooals men dat
woord gewoonlijk begrijpt. En zij likt den nektar zeker even dikwijls
op, als zij ze opzuigt. Dat hangt geheel af van de hoeveelheid waarmee
zij te doen heeft. Een nauwkeurige ontleding van de monddeelen van
de bij, met behulp van den mikroskoop en een paar fijne naalden,
maken spoedig de heele zaak duidelijk.
Een schoonheid is zij niet--de honingbij--zoo van dichtbij
beschouwd. Eindelooze arbeid, de natuur onderdrukt, het organisme
mismaakt, dat alles werkt niet gunstig op uiterlijk schoon, bij
geen van haar geslacht. Maar die sterke en bijna afschrikwekkende
leelijkheid, die aldus dichtbij haast afzichtelijk wordt, vergeet men
onmiddellijk, wanneer men haar verwonderlijken rijkdom leert kennen
aan die andere schoonheid: die der praktische nuttigheid.
Voor het bloote oog is de tong een helder bruin, glimmend dingetje,
dat buiten haar mond uitsteekt, en dan naar beneden hangt, zoo ongeveer
als de snuit van een olifant. Onder den mikroskoop blijkt het echter
geen tong te zijn, in den gewonen zin; maar een voortzetting van de
onderlip. Het bestaat uit zes of zeven verschillende stukjes die in
de lengte kunnen worden bijeen gevoegd. Het middelste stuk is langer
dan de andere en steekt uit met een harig spateltje; wanneer nu de
overige deelen daaromheen sluiten, dan wordt het geheel feitelijk een
buisje in een buisje. Het spateltje wordt ingeval van heel geringe
hoeveelheden vloeistof voor het oplikken gebruikt, en de vloeistof
gaat dan den mond binnen minder door eigenlijk zuigen dan wel door
capillaire aantrekking; is er echter een boordevollen nektarbeker te
ledigen, dan wordt het geheele tongmechaniek in gang gebracht. De
strookjes voegen zich om het middengedeelte samen, en de vloeistof
wordt door de tongspieren uit den bloemkroon getrokken, ongeveer
zooals water door den zuiger van een pomp.
Nu wij het kopje van de bij onder nauwkeurige observatie hebben,
kunnen wij ons van allerlei bijzondere dingen overtuigen. De sterke,
gebogen kaken, die zijdelings werken, zijn dubbel merkwaardig als
hoofdfaktoren bij de wasbereiding, en als belangrijk hulpwerktuig bij
het bouwen der raten. Maar het eerst wordt onze aandacht getrokken
door de oogen en de lange sprieten, die op dorschvlegels lijken. De
bij mag dan op haar leven zijn ingericht, of het leven heeft--door
onverbiddelijke omstandigheden--háár gemaakt tot wat zij nu is,
dit staat vast, dat haar organisme prachtig is aangepast aan haar
levenssfeer. De groote samengestelde oogen met hun duizenden facetten,
die ieder lichtelijk in richting afwijken, zijn zonder twijfel op
vèr en verwijderd uitkijken ingericht. Door juist deze oogen kan de
bij haar weg heen en terug vinden over afstanden van mijlen ver. Bij
de werkbijen nemen de oogen het geheele zijgedeelte van den kop in;
maar bij den dar zijn zij veel grooter en komen boven den kop geheel
samen. Zoo neemt hij, terwijl hij dartelt in den zonneschijn, tegelijk
den geheelen hemelboog in zijn gezichtsveld op, ieder oogenblik bereid
een jonge koningin te achtervolgen met zijn liefdedrang.
Maar deze groote veelvoudige oogen hebben weinig doel voor de bij,
waar het kleine afstanden geldt of in het diepe schemer van de
korven. Voor binnenshuis en dichtbij zien heeft zij drie andere oogen,
ieder met één enkele lens, die in haar voorhoofd liggen, juist boven
de antennae(sprieten). Het volksgeloof, dat de honingbij haar drukke
en ingewikkelde werkzaamheden in absolute duisternis zou verrichten,
is een dwaalbegrip. Waarschijnlijk is er altijd wel éénig licht, zelfs
in de uiterste hoeken van den korf, genoeg ten minste altijd voor
de oogen van de bij, al is het niet voldoende voor onze menschelijke
gezichtsorganen.
Maar de bij hangt ook niet van het gezicht alléén af bij het vervullen
van hare verschillende opgaven. Het is wel zeker, dat bij haar
ook de vier andere zintuigen een buitengewone ontwikkeling bereikt
hebben. Tong en lippen zijn voorzien van uiterst fijn bewerkte organen,
die wel niet anders dan smaakorganen kunnen zijn, en zelfs wie de meest
oppervlakkige kennis van het bijenleven heeft moet het duidelijk zijn,
dat de bij zeker de zintuigen voor reuk en gehoor bezit en zelfs zeer
fijn. Waar de zetel dier organen ligt is nog niet uitgemaakt, en ook de
verrichtingen der antennae kan men nog niet anders dan gissen. Maar wat
deze laatste betreft is het toch zeker, dat zij een krachtig aandeel
hebben in alles wat de bij verricht of onderneemt. Het is duidelijk,
dat de antennae zeer fijne gevoelsorganen zijn; maar het is even
duidelijk, dat zij nog veel meer beteekenen. Men heeft bevonden,
dat zij niet minder dan zes verschillende werktuigjes dragen, die
toch ieder hun bijzonder doel moeten hebben.
De gangen der honingbij zijn al duizenden jaren nagegaan, en over
de bij zijn meer boeken geschreven dan over alle andere schepselen
samen. En toch kunnen wij veilig aannemen, dat onze kennis van hare
vermogens en organisatie nog in de kindsheid is. De microskopisten
hebben die voelsprieten ontleed en al hun verschillende deeltjes
afzonderlijk bestudeerd; maar wat hun eigenlijke funkties zijn
heeft men nog niet kunnen uitmaken of ten minste maar in heel geringe
mate. Er zijn zekere haartjes over hun geheele oppervlakte gelijdelijk
verspreid, die waarschijnlijk bij het voelen dienst doen. Maar er zijn
nog andere haartjes of fijne kegeltjes, die hol zijn en een uiterst
fijne zenuwdraad omsluiten; ook haartjes, die los staan in een holte;
gekromde en geringde haartjes, en van verschillende lengte. Dan zijn
er ook geheimzinnige putjes en verdiepinkjes, sommige open, andere
bedekt met ongelooflijk dunne vliezen, die dan weer zenuwuiteinden
bevatten, alléén met het sterkste objektief zichtbaar. En dat alles
houdt verband met een zóó ingewikkeld zenuwstelsel, dat het den
geduldigste en handigste onderzoeker van de wijs brengt. Is dan
eindelijk alles onderzocht en beschreven, dan weet men per slot nog
niets meer dan vóór het onderzoek.
De antennae zijn zeker gevoelsorganen, en bovendien is het niet
onwaarschijnlijk, dat door hen de bij ook hoort en ruikt. Dit zijn
echter nog maar twee mogelijkheden uit vele. Want zeer zeker moeten
wij aannemen, dat de honingbij meer zintuigen heeft, dan de vijf
waarvan wij weten; en--het is maar raden--eenige van die geheimzinnige
organen op de antennae, zouden gedachte-overbrengers kunnen zijn
of ontvangers van draadlooze berichten. Want het verwonderlijk
éénstemmig handelen der bijen kan een bewijs zijn van draadloos
telegrafeeren--een overbrenging van gedachten door middel van de
lucht--zooals tegenwoordig de menschen dit nu eindelijk ook kunnen. En
misschien is dat, wat bij de menschen altijd hoog gehouden werd als
een kenteeken van hun verheven standpunt boven het dier, het vermogen
tot spreken, juist geheel verouderd en onbeschaafd, vergeleken met
de geestestaal van de honingbij.
Men zou zich nog een andere verrichting van de sprieten kunnen
denken--een zich onmiddellijk en onfeilbaar vergewissen van kleine
afstanden. Zij zouden heel gevoelige maatinstrumentjes kunnen zijn,
niet mechanisch gebruikt als een meter of duimstok, maar door een
inherente eigenschap, zooals bijv. ons gehoor de intensiteit van
een toon zal schatten. Als dit zoo was zou er veel verklaard kunnen
worden o. a. hoe de honingraten worden gebouwd, hoe de afmetingen
van de cellen alle precies gelijk kunnen zijn, in vorm en grootte;
hoewel er toch honderden metselbijen aan meewerken, en niet alleen
gelijktijdig maar ook elkaar opvolgend, gaand en komend in 't duister
en 't bezig gewriemel in den korf; en ieder begint van zelve en
zonder aarzelen precies dáár waar haar voorgangster het heeft laten
liggen. Terwijl dan de centrale divisie van de raat aangroeide,
zich naar beneden uitstrekkend in alle richtingen en tegelijk de
cellen horizontaal werden uitgebouwd, zou iedere bij door haar zin
voor afmetingen kunnen weten, wanneer de grens van ieder kantje van
de zeshoekige celbasis bereikt was, en hoe groot de hoek moest zijn
waarmede zij af moest wijken naar de volgende bodemlijn.
Iedereen, die een bij in haar vlucht volgt moet wel bijzonder getroffen
worden door haar snelheid niet alleen, maar ook vooral door het
zeldzame gemak en de losheid waarmede zij zich voortbeweegt. Behalve
dat zij zich als een buitengewoon bedreven luchtschipper doet kennen
is het ook duidelijk, dat zij zich met heel weinig inspanning in
de lucht ophoudt en voortbeweegt. Haar vliegapparaat moet dus wel
heel praktisch en volmaakt zijn; en toch, op het eerste gezicht,
is het ons niet duidelijk hoe zij het er zoo goed afbrengt. Wie het
vliegvraagstuk bestudeert en daarbij als punt van uitgang het vliegen
van vogels neemt, op welk hoofdbegrip hij dan zijn systeem grondt en
opbouwt, is gewoon vast te houden aan twee onmisbare hoofdfactoren
in het vliegproces; 1e) een paar vleugels of een combinatie van
aeroplanen en propellers die hem in staat stellen het toestel op
te houden in de lucht en tegelijk het voort te bewegen, en 2e) een
soort van stuurapparaat als de staart van een vogel. Maar voor zoover
wij uit een eerste algemeen onderzoek begrijpen, schijnt er bij de
bij geen stuur Mechanisme te bestaan en hangt zij dus bij al hare
bewegingen in de lucht van haar vleugels af. Nu hebben de vleugels van
een vogel afwisselende bewegingen. Zij kunnen tegelijk of afzonderlijk
gebruikt worden en hebben hetzelfde vermogen tot excentrische stelling,
zoowel in zichzelf als in betrekking tot elkaar, als de armen van een
mensch. Maar de vleugels van een bij hebben die eigenschappen niet. Zij
kunnen alleen die ééne beweging op en neer maken; ook werken zij
symmetrisch; het correspondeerende paar beweegt zich tegelijk. Toch
weet de bij zich in ontelbare van elkaar verschillende zwenkingen
volmaakt goed te sturen, en bereikt hetzelfde wat de vogel met zijn
veel meer samengestelde inrichting tot stand brengt. Dit probleem nu
hangt samen met een ander, en die twee, zoo moeilijk ieder op zichzelf
te verklaren zijn, saamgevat, heel gemakkelijk op te lossen. Insekten
(ingesneden) worden zoo genoemd, omdat hun lichaam uit twee deelen
bestaat, geheel los van elkander op een uiterst dun verbindingslid
na. Wij zijn zoo gewoon dit als iets heel natuurlijks aan te nemen,
dat maar heel weinigen er bij blijven staan, om over de beteekenis na
te denken. Oogenschijnlijk is dit een zeer bezwaarlijke inrichting
voor ieder levend schepsel. Maar bij de honingbij wordt het tot wat
wij een ideaal ongemak zouden kunnen noemen; want haar honingblaasje,
en al de samengestelde organen voor het bijenbrood en de voedermelk
liggen in haar achterlijf, en er is geen weg daarheen dan door dit
uiterst fijne lid. Dat moet een praktische oorzaak hebben, die alle
bedenkingen te niet doet, of het zou zoo niet zijn; en wanneer wij
deze zaak nu bestudeeren in verband met het bijzonder vliegsysteem
van de bij, dan komen wij spoedig tot de juiste oplossing.
Het is gezegd, dat de vleugels van de bij een volkomen symmetrische
beweging hebben, en deze maar in één enkele vaste richting: n.l. op
en neer in een rechten hoek met de lijn van het borststuk. Onder
den mikroskoop gezien is ieder van de vleugels een doorschijnend,
ondoordringbaar vlies, doorsneden met fijne adertjes. Nu loopt door de
geheele lengte van de voorvleugels aan de bovenzijde een veel dikker
en steviger ader en hierop, op dezen hoofdader, concentreert zich
bijna de geheele kracht van de vliegspieren. Als ge nu verder kijkt,
zult ge bemerken, dat de ondervleugels ieder een rij fijne haakjes
langs den bovenkant hebben, terwijl de benedenkant van de voorvleugels
teruggevouwen is. Bij het vliegen grijpen de haakjes van den eenen
vleugel in het omgevouwen gedeelte van den anderen, en zoo worden de
twee vleugels aan iederen kant van het lichaam automatisch verbonden
en vormen daardoor één enkel oppervlak, dat weerstand biedt aan de
lucht. Deze gecombineerde vleugel is over 't geheel zeer buigzaam,
behalve aan den bovenkant waar de hoofdader hem stijft. En daar nu
bij het vliegen de kracht zich alleen op dien gespannen bovenkant
richt, die weerstand biedt aan de lucht, terwijl de rest van de
vleugel buigzaam blijft, volgt daaruit, dat de geheele vleugel een
bewegelijk, gebogen vlak wordt, waarvan de kromming, voorwaarts bij
den neergaanden slag, ook voorwaarts blijft bij den opgaande, omdat
de vlakkromming zich automatisch omwendt.
Hieruit zal men begrijpen, hoe de buigzame vleugels van de bij gebruikt
worden bij een vlucht rechtuit; maar nu is het nog niet duidelijk hoe
zij zichzelve stuurt, bij het rijzen of dalen of zwenken, al naar het
haar invalt; de vleugels toch zijn niet ingericht op onafhankelijke
of onregelmatige beweging. En hier nu komt aan het licht waartoe haar
lichaam dien bijzonderen bouw heeft. Het fijne verbindingslid tusschen
het achterlijf en het borststuk is feitelijk een hoofdverbinding en
wordt door een reeks van krachtige kruisspieren in beweging gebracht;
de bij stuurt nu zichzelf in de lucht, door haar achterlijf als
tegenwicht te gebruiken. Haar zwaar abdomen vóór en achteruit zwaaiend,
of naar rechts of links, verlegt zij haar zwaartepunt en de krachtlijn
van haar aeroplanen terzelfder tijd. Feitelijk houdt haar lichaam,
dat het zwaarste deel is, zijn verticale stelling, en het lichtere,
de vleugels dragende, borststuk wordt afgebogen. Maar de uitwerking is
dezelfde; zij kan haar vlucht wijzigen in vele richtingen en op alle
manieren, en het schijnt wel, dat deze vlucht op een veel eenvoudiger
principe berust dan die der vogels.
Een zeer moeilijk vraagstuk in het leven der bijen is ook hoe het
mogelijk is, dat zij de temperatuur in den korf willekeurig kunnen
wijzigen. Het stelsel van mechanische luchtverversching verklaart
natuurlijk hoe het inwendige van den korf in de drukkendste zomerhitte
koel kan blijven, maar het verklaart niet, hoe de temperatuur
er van tijd tot tijd zoo plotseling verhoogd wordt. Dit gebeurt
voornamelijk met de wasbereiding. Onder de platen van haar bronzen
harnas heeft de werkbij zes ondiepe, maar breede holten, waaronder
de waskliertjes liggen. Om die kliertjes tot werken te prikkelen
schijnt er volmaakte rust en een zeer hooge temperatuur noodig te
zijn, en gedurende het proces verbruiken de wasmaaksters een groote
hoeveelheid zoetigheid. Men neemt gewoonlijk aan, dat de bijen zich zoo
sterk mogelijk voeden met de rijpe honing uit den voorraad, vóórdat
zij zich in hun guirlanden bijeenvoegen tot een tros; maar het is
waarschijnlijker, dat het voedsel, dat gedurende de wasbereiding
verbruikt wordt in hoofdzaak nektar is, zooals ze onmiddellijk
uit de bloemen wordt ingezameld. Deze uitspraak wordt bevestigd
door enkele proeven, die genomen zijn om de hoeveelheid voedsel te
bepalen, gebruikt gedurende de produktie van een bepaald gewicht aan
was. Toen de bijen bij honing alléén werden toegelaten, gebruikten zij
er vijf of zes pond van gedurende den tijd, dat er één pond was werd
afgescheiden. Maar kregen zij in dien tijd zuivere rietsuikerstroop
dan werd er veel meer was gemaakt. De chemische samenstelling nu
van verschen nektar en rietsuiker is ongeveer gelijk; maar gerijpte
honing bevat feitelijk zoo goed als geen rietsuiker. En het is zeker
te betwijfelen of de nijvere bij haar, met zooveel zwoegen verkregen,
honingvoorraad zou opgebruiken, als zij haar doel zooveel goedkooper
kon bereiken. Ook moet men wel in het oog houden, dat de natuurlijke
tijd voor den ratenbouw samenvalt met den rijkelijksten nektaroogst.
Deze plotselinge temperatuurwijzigingen schijnen zeer gemakkelijk te
weeg gebracht te worden door een algemeene versnelling der ademhaling;
en er is niets, dat zoo zeer de verwondering van den bijenstudent
gaande maakt, als het ademhalingsapparaat van de bij, zooals het zich
onder den mikroskoop vertoont. Door middel van hare vele tracheeën is
zij feitelijk in staat haar geheele fysisch systeem onmiddellijk van
lucht te voorzien. Voor zoover de mannen der wetenschap hebben kunnen
vaststellen, is er geen vezel of zenuw in haar geheele lichaam, die
niet bereikt wordt door die fijne vertakkingen van de luchtkanalen,
welke in direkte verbinding staan met de hoofdluchtvaten in het
onderlijf. Het ademhalen schijnt voor de bij een willekeurige beweging
te zijn. Zij doet het alléén maar wanneer het noodig is, en wacht
dan soms weer drie, vier minuten lang. Maar is het in den tijd van
de wasafscheiding of het zwermen, dan is door den geheelen bijenklomp
heen de sneltrillende beweging van het ademhalen duidelijk zichtbaar,
en de temperatuur van den korf klimt dan soms tot een dozijn graden
boven het normale cijfer.