Welke andere invloeden er nog op de jonge bij komen inwerken

op dit zéér gewichtig tijdstip van haar bestaan, is onmogelijk

te zeggen. In ieder geval is de voedingswijziging een bewezen

feit, en de gevolgen--òf hiervan alleen, òf in verband met andere

behandelingswijzen--zijn zeker verwonderlijk. Niet alléén wordt de

ontwikkeling der voortplantingsorganen in die mate tegengewerkt, dat

er in de volwassen werkbij nagenoeg geen spoor meer van te vinden is;

maar ook schijnt van dat oogenblik af de larve een totaal verschillend

wezen te worden, dat steeds meer eigenschappen van de voedsters

vertoont, en steeds meer gaat afwijken van de koningin. En wanneer

de larve in den poptoestand overgaat, ontwikkelen zich organen,

waarvan de koningin zelfs den geringsten aanleg niet heeft. Zoo

krijgt zij haar bijzondere uitrusting voor buitenwerk in een paar

stuifmeelkorfjes. Haar tong verlengt zich, zòo, dat hij den nektar

bereiken kan in het diepst van de klaverbloemen. Zij zal een bouwbij

worden en wordt daarom voorzien van een half dozijn smeltkroezen voor

de wasbereiding. Haar noodelooze legboor wordt in een wapen verkeerd;

hij wordt rechter en korter, en de haartjes waarmee hij bezet is

worden grooter in aantal en harder; een kliertje, dat zich er aan

bevindt, en dat bij de koningin een haast onschadelijk vocht bevat,

vult zich hier met een scherp vergif. En bovenal ontwikkelt zij een

intellekt, dat heel verre dat van de normale vrouwelijke bij, haar

moeder, overtreft. Ten slotte wordt zij voorzien van een geheel nieuw

systeem van aandriften en begeerten.

Terwijl het natuurlijk element van de koningin het schemerduister

van den korf is en het zou schijnen of zij den zonneschijn moest

vreezen en haten, zoo is de werkbij aangewezen op de buitenlucht:

licht en lucht zijn haar levensfeer. En als de koningin, hoewel

haar bestemming nalevende, die haar overvruchtbaar deed zijn, toch

niet de geringste vreugde in haar moederschap toont, noch éénige

belangstelling in haar kinderen, werpt zich de werkbij op--hoewel

tot eeuwige jonkvrouwelijkheid gedoemd--als de waarachtige moeder en

verzorgster en opvoedster van al het broed in den korf. En de prijs

geëischt voor de macht en het gezag, die zij zich verworven heeft,

of die voor haar verworven werd door dat verre voorgeslacht, dat het

eerst de geslachtslooze honingbij uitvond, die prijs wordt met hard

geld betaald: met het leven zelf. Inplaats van het aantal jaren, dat in

het begin de Natuur aan haar soort toestond, leeft zij nu nauwelijks

zooveel maanden. Het noodlot en haar onbegrensde ijver maken haar rol

in het leven te zwaar. Haar verminkt en tegelijk te fijn bewerktuigd

lichaam, en haar overontwikkeld brein kunnen het niet lang uithouden

tegen de sloopende kracht van het leven, dat zij te leven heeft. Enkele

maanden, en dan bezwijkt zij onder het werk, of zij bereikt nog met

de uiterste inspanning van haar versleten en uitgerafelde vleugeltjes

het traditioneele kerkhof van den korf; of zij eindigt onder den

doodslag van de staatsbeulen. Want het ouderdomsvraagstuk is sedert

lang afdoend opgelost in de bijenrepubliek. Eene gerechtigheid, die nog

onderhevig is aan medelijden, draagt onverbiddelijk het merk van eigen

zwakte. Wanneer het beginsel: Ieder voor het welzijn van Allen, tot

zijn uiterste logische spanning wordt gehandhaafd, dan staat medelijden

met het individu gelijk met Jantje iets afnemen om het Pietje te

geven. In de bijengemeenschap is het eenige levensrecht bruikbaarheid;

dus moeten de oude, versleten, nuttelooze werksters gaan.

Het is een merkwaardige studie, de ontwikkeling van het eitje van

den werkbij door zijn verschillende stadia van groei te volgen

tot het volkomen ontwikkeld insekt zijn cel verlaat. Het eitje op

zich zelf is al heel merkwaardig; want het is van buiten zeshoekig

beteekend. De groote samengestelde oogen van de volwassen bij

hebben dienzelfden vorm. Ieder oog bestaat uit ongeveer vierduizend

afzonderlijke lenzen, en iedere lens is een regelmatige zeshoek. Men

heeft zich dikwijls verwonderd over het vernuft van de bouwbijen,

die de cellen zeszijdig maken, waardoor dus een gegeven ruimte meer

vertrekken bevatten kan, dan zij er zou kunnen opnemen, wanneer zij

van een zelfde hoeveelheid materiaal in anderen vorm, welken ook,

opgebouwd waren. De oude schrijvers verklaarden deze voorkeur voor

de zeshoekige cel door de veronderstelling, dat de zes pootjes van

de bij tegelijk werkzaam waren bij den celbouw, en ieder pootje zijn

eigen deel van de cel construeerde. Maar een moderner verklaring is,

dat de bijzondere vorm der cellen toevallig ontstond, of liever,

dat de omstandigheden hier tot noodzaak werden: de gezamenlijke

wederzijdsche drukking zou de cellen in den zeshoekigen vorm wringen.

Nu is het zeker waar, dat erwten, in een flesch geweekt, bij het

opzwellen dien vorm aannemen, maar men kan deze theorie niet aanwenden

bij de honingraten. Want in het werk van de bijen bestaat zulk een

drukken of samenwringen niet. Iedere cel wordt afzonderlijk gebouwd en

vereenigd met de bovengelegenen, en de raat strekt zich naar beneden

en terzijde vrij uit in de open ruimte, tot de gewenschte grens

bereikt is. Een veel aannemelijker verklaring is, dat de zeshoekige

vorm der cel door ervaring werd verkregen. De eerste raten kunnen

uit ronde cellen gevormd zijn geweest en de tusschenruimte met was

gevuld. Maar de bij, die in alles wat spaarzaamheid betreft ter dege

is uitgeslapen, zal al heel gauw het ondoelmatige van die ronde cellen

hebben ingezien. En zoo zou zij met den zeshoek, een vertrouwd motief

trouwens in den korf, getuige het eitje en het samengestelde oog,

al spoedig een beteren en meer wetenschappelijken weg zijn ingeslagen.

Maar er is nog een anderen reden voor de zeshoekige cel, en minstens

even belangrijk: de deugdelijkheid van dien vorm bij het broeden en

het honing opleggen. Men moet begrijpen, dat het bestaand systeem

van vertikale wanden, parallel en dicht opeen, gevormd uit tallooze

kleine horizontale kamertjes rug aan rug, geen ideale inrichting is

voor het kweeken van jongen en het opleggen van voedsel. Maar het is

de beste oplossing in de omstandigheden waarin de bijen verkeeren,

genoodzaakt als zij zijn in groote menigte, dicht op-één gedrongen,

communistisch te leven. Lucht is een hoofdvereischte bij alles

wat in den korf omgaat; maar vooral moet er lucht zijn voor de

ontwikkeling der jonge bijen. Wanneer er een koningin moet gekweekt,

dan krijgt zij rijkelijk versche lucht; doch met opoffering van veel

kostbare ruimte. Maar voor de gewone soort, waarvan er soms tien- of

vijftienduizend tegelijk in het broednest rijpen, kan natuurlijk geen

dergelijke concessie gedaan worden. De jonge werksters of darren moeten

zooveel lucht tot zich nemen als zij kans zien door de nauwe celopening

te krijgen. Nu ademt de bij, in alle levensstadiën niet door den mond,

maar door middel van luchtgaten (trocheeën) aan beide zijden van het

achterlijf. Ware de cel rond, dan zou de larve, als zij uitgegroeid

was, de geheele ruimte vullen, en de lucht zou moeielijk de trocheeën

kunnen bereiken. Nu echter, hoe groot de jonge larve ook is, kan zij

nooit de hoeken van den zeshoek geheel opvullen en die omringen dus het

insekt met een half dozijn toegangen voor de versche lucht, tot aan den

bodem van de cel toe; en zoo heeft de larve den vollen toevoer van de

beschikbare lucht, al kan dat nooit meer dan een schrale voorraad zijn.

Bij de honingcellen bewijzen de zes hoeken aan de cel een even grooten

dienst. De ideaal honingcel zou er een moeten zijn met den ingang

naar boven, zoodat zij op de gewone rationeele manier gevuld zou

kunnen worden. Maar bij de wetten van strikte spaarzaamheid, die in

de republiek van kracht zijn, is zulk eene inrichting ondoenlijk. De

honingraten liggen in horizontale richting op elkander, en moeten

dus aan den benedenkant gevuld kunnen worden. Nu zijn alle cellen

in een raat een klein weinigje opgericht, maar niet voldoende om

den vloeibaren inhoud binnen te houden indien de cel rond was. De

hoeken van het zeskant nu versterken juist dat inhoudensvermogen en de

ervaring heeft de bijen geleerd, hoe die eigenschap van hun zeshoekige

cellen te ondersteunen, door ze even op te zetten; daardoor wordt

dan het wegvloeien van den nektar onmogelijk.

De werkbij ligt in den larvetoestand opgerold op den bodem van de

cel; maar naarmate zij groeit, neemt zij een houding in de lengte

aan met het hoofd voor de celopening. Deze houding is echter niet

onveranderlijk; want zij schijnt bij tusschenpoozen een reeks wendingen

of buitelingen te maken, waarschijnlijk om het afwerpen van de huid te

vergemakkelijken; dit geschiedt verscheidene malen gedurende de vijf

dagen van haar larveleven. Als die periode is afgeloopen, houden de

voedsters op met het voedingsproces en verzegelen de cellen. Nu gaat

de larve aan het werk; eerst spint zij zich een zijden kleedje, voordat

zij haar langen slaap als pop begint, en dan werpt zij voor het laatst

haar huid af. Bij de werkbij omsluit dat fijn bewerkt gewaad haar heele

lichaam als een gesloten cocon. Maar de koninginlarve weeft zich maar

een schamel jakje, dat alleen haar hoofd en borststuk bedekt, en het

geheele ondergedeelte vrij laat. De gewone theorie om dit te verklaren

is, dat wanneer de overtollige koninginnen in hun cellen vermoord

worden door de aangenomen moederbij na hare bevruchting, de slachting

gemakkelijker van de hand gaat door het ontbreken van het taaie spinsel

der cocons om het lichaamsdeel, waarop de aanval gewoonlijk gericht

is. Want het schijnt uitgemaakt, dat in een koninginnengevecht de

angels niet op goed geluk worden gebruikt zooals bij de werkbijen;

maar iedere koningin beproeft haar wapen aan te brengen in een van de

trocheeën van hare vijandinnen, waarvan ieder er veertien bezit, zeven

aan iederen kant. Zulk een steek schijnt altijd doodelijk te zijn.

Maar waarschijnlijk moet de ware reden, waarom de koningin in

een kort manteltje slaapt van taaie ruwe stof, opgespoord worden

ergens terug in de oergeschiedenis van de honingbij. Ik geloof,

dat wij veilig de gesloten werkstercocon kunnen beschouwen als

een betrekkelijk nieuwe instelling, die zich ontwikkeld heeft ten

gevolge van eenigen nooddrang, ontstaan sedert de bijen een beschaafde

natie zijn geworden. Wat echter het oorspronkelijk begin er van was,

ligt buiten het bereik van éénige gissing. Een merkwaardig feit is,

dat deze cocons nooit uit de cellen verwijderd worden. Zij blijven

vastgekleefd aan de celwanden, en hoewel de cel grondig gereinigd

wordt nadat de jonge bij haar verlaten heeft, wordt er aan de cocon

niet geraakt; die blijft er in als een eeuwige voering. En dit

gaat zoo door alle opvolgende generaties heen, iedere bij laat haar

bakerkleêren achter, tot er zulk eene opeenhooping van komt, dat de cel

te klein wordt om iets anders voort te brengen, dan een minderwaardig,

onvolgroeid geslacht. Bij in het wild levende bijen, als het nest

in een hollen boom ligt en er gewoonlijk ruimte in overvloed is,

kunnen de broedraten zoo noodig verlaten worden en, verder op, nieuwe

gebouwd; en zoo wisselt het volk van jaar tot jaar zijn plaats. Deze

natuurlijke bijennesten blijven soms heel lang in gebruik. Het is

b.v. wel gebeurd dat er zwermen terecht kwamen in een huis onder de

daksparren: zij bleven dan door veel geslachten heen ongemoeid. Eens

werd er ook van een bijenkolonie verteld, dat zij vijf-en-veertig

jaar aan één stuk op een vliering in een boerderij had gehuisd, en

de legende ging, dat zij er verscheiden raten honing hadden opgepot;

maar toen het nest werd uitgezwaveld, bleek er niet veel anders te

zijn dan een opeengehoopte massa van raten, oude en jongere; van een

paar weken oud tot een ongisbaar aantal jaren. Het grootste gedeelte

was geheel zwart, en de cellen stikvol met poppencocons.

Het feit, dat in die met cocons opgevulde cellen, al is de ruimte

ook nog zoo ver ingekrompen, het eierleggen doorgaat als er geen

leege beschikbaar zijn, weêrspreekt de theorie, dat van de grootte

van de cel het al of niet bevrucht worden van het eitje zou afhangen

als het door de koningin wordt afgezet. Men vindt soms heel oude

darrenraten in gebruik voor broed, waar de cellen ingekrompen zijn

tot de grootte van een normale werkstercel, en toch gaat de koningin

voort met daarin onbevruchte eieren te leggen. Dit vraagstuk schuilt

dus nog diep onder de raadsels.

Na ongeveer drie weken, bij het begin te rekenen, kruipt de jonge

bij uit de pophuid, en bijt zich een weg door de celsluiting. Het

stuifmeel, dat voor deze dekseltjes met de was vermengd is, vervult

een dubbele bestemming. Het maakt de was poreus, zoodat de lucht

toegang heeft, en het dekseltje wordt er eetbaar door, zoo wordt

dus het jeugdig insekt door honger naar de vrijheid gedrongen. De

jonggeboren werkster, hoewel geheel volwassen, is een zwak, grauw

getint, slap wezentje en blijft zoo nog een poosje nadat zij haar wieg

verlaten heeft. Haar eerste aanvechting schijnt te zijn, zichzelf te

adoniseeren, en daarna een inspektiereis te gaan maken in haar nog enge

wereld van duister, rumoer en bedrijvigheid. Gedurende de twee eerste

dagen doet zij niet veel anders dan onopgemerkt rondscharrelen tusschen

de bezige menigte, steeds toenemende in kracht en stevigheid. De

tweeden dag ziet men haar uit de open honing- en stuifmeel vaten

nippen, waarvan er altijd enkele hier en daar tusschen de broedcellen

zijn aangebracht. Daarna schijnt zij eindelijk te ontwaken tot het

besef van haar plicht en verantwoordelijkheid; haar plaats is nu

tusschen de werksters, en zij begeeft zich aan die verbijsterende taak:

het voeden van de larven.

In den gewonen loop van zaken verlaat de jonge werkbij den korf

niet voor ongeveer veertien dagen nadat zij de cel uit gekropen

is. Maar gedurende dat tijdsverloop heeft zij heel wat levenskennis

op te doen en verscheidene vakken te leeren. Het schijnt dat al het

binnenwerk in den korf door de jonge bijen verricht wordt in die

eerste weken van hun bestaan. Op háár rust de geheele zorg voor het

jonge broed. Zij bereiden de was en bouwen de raten; zij behartigen

orde en zindelijkheid in den korf; zij zijn de honingbrouwsters en de

pakhuisbewaarsters; zij voeden de koningin bij haar eeuwigen rondgang,

en geven de darren hun dagelijks rantsoen bijenmelk; want het is

uitgemaakt, dat de mannelijke bijen in hoofdzaak van de werksters

afhankelijk zijn voor hun voedsel, en maar een klein gedeelte van

hun dieet van de algemeene provisie betrekken. De oude bijen bezorgen

het proviandeeren; maar het schijnt, wel, dat de jongen hen bij hun

thuiskomst tegemoet komen en dat die den nektarlast, nadat dezen hem

hebben uitgebraakt, in hun zakjes van hen overnemen, om ze dan weer

in de provisieraten te ontlasten, in de hooger gelegen afdeelingen

van den korf. Wanneer men ten minste op het drukst van den dag de

voorraadkamer in een der korven opent, dan blijken er in het gedrang

der diertjes, die zoo ijverig bezig zijn de cellen met deze versche

lekkernij te vullen, zich haast geen oude bijen te bevinden.

Niet vóór het begin van hun tweede levensweek leggen de jonge bijen

hun eerste vliegproef af, en dan is het nog maar voor een paar

minuten en op het heetst van den dag. Den ijmker is deze plotselinge

middagbeweging in het late voorjaar en in den zomer heel goed bekend;

in het begin nemen ook de darren in grooten getale deel aan het koor,

maar na een poosje vliegen zij weg en wat er dan overblijft in de

gonzende wolk, die men om alle korven ziet hangen en bewegen, zijn

uitsluitend huisbijen, die van hun dagelijksch kwantum beweging en

lucht genieten.

Men heeft geconstateerd, dat de kliertjes voor de produktie van

broedvoeder en ook de organen, die de was afscheiden, in 't bijzonder

ontwikkeld zijn bij bijen van slechts een paar weken oud, terwijl na

het verloop van de eerste maand deze organen sterk zijn ingekrompen. De

bij begint gewoonlijk haar werkzaamheden als proviand-zoekster, zoodra

zij veertien dagen oud geworden is; maar vóórdat zij het ernstige werk

van het nektarzamelen onderneemt, moeten er waarschijnlijk nog wel een

paar weken bijkomen. Bijna al de stuifmeeldraagsters zijn bijen in hun

eerste volle kracht, en daarom bijzonder geschikt om zwaarder lasten te

dragen. Maar nauwelijks is de werkbij toegekomen aan die opperste taak,

het honingzamelen, of zij laat het stuifmeel met rust. Zoo is dus in

een normale kolonie het leven van de honingbij, zoo kort als het is,

zorgvuldig ingedeeld; in ieder levenstijdperk is er een vaste taak te

vervullen, waartoe het individu juist dan het best geschikt is. Toch

staat ook deze wet weer niet vaster dan eenige andere regel in de

korven. Komen er in de gemeenschap krachten te kort en zijn er niet

genoeg bijen van rijpen leeftijd om in te dragen, dan zullen de jonge

bijen op een vervroegden datum aan het inzamelen gezet worden. Zoo

ook wanneer de korf een tijd lang zonder koningin is geweest, en

er daarom als de jonge koningin zich eindelijk gevestigd heeft maar

weinig jonge bijen voor de verzorging van het broed beschikbaar zijn;

dan zullen vele van de oude werksters thuis blijven, en zich met het

broedwerk bezig houden, waaraan zij in gewone omstandigheden al lang

ontgroeid zouden zijn.

Er zijn vele zulke voorbeelden van vernuftige inschikking of aanpassing

in het leven der honingbij. Dit schepseltje weet uitkomst in alle

voorkomende gevallen; maar bij het werken met uiterste middelen in

uiterste moeielijkheden toont zij zich toch in haar grootste kracht. De

ergste ramp in een bijenstaat is het verlies van de koningin, op een

oogenblik dat het onmogelijk is een plaatsvervangster aan te wijzen. De

standaard van intelligentie zoowel als van karakter verschilt bij de

bijen evenzeer als bij de menschen. Sommige volken werken harder en

meer uren dan de rest. Anderen zullen met werken ophouden, wanneer

zij meenen een voldoende provisie honing te hebben opgelegd, en dan

schijnt er een geest van luiheid over zulk een volk te komen. En in

enkele gevallen is er iets als een moreele kronkel in het nationale

karakter; en dan gaan de bijen proviand rooven bij hun buren in plaats

van hun eigen voorraad bijeen te brengen.

Voortdurende ontstentenis van een koningin is een ramp, die bij

verschillende volken verschillend werkt. Bij sommige is een hopelooze

mismoedigheid het gevolg; alles staat stil, de lusteloosheid is

algemeen. Er wordt niet meer gewerkt; de wacht trekt zich van de

poort terug. De gemeenschap schijnt als één man het bijltje er bij

neer te leggen en den ondergang af te wachten, met de volslagen

hopeloosheid van gevonnisde misdadigers. Maar er zijn ook volken

bij wie de algemeene ramp een prikkel wordt tot het scherpen van

het vernuft en het vereenigen van alle geestkracht, een aangrijpen

van alles wat tot uitkomst kan dienen. Bij bijen van een dergelijk

temperament moeten wij gebeurtenissen verwachten als het kapen van

eieren om de koninginnecellen mee te voorzien, wat wij hierboven al

bespraken. Maar als uiting van tot de spits gedreven schranderheid,

ook al is het het meest hopelooze van alle hopelooze bedenksels, is er

niets te vergelijken bij het volgende probeersel: Het gebeurt soms als

men een korf van binnen bekijkt, die niet alléén geen koningin heeft,

maar ook niet de minste kans er een te kunnen kweeken, dat men dan

onverwacht eenige mysterieuse eieren ontdekt. Ze zijn blijkbaar pas

afgezet; maar niet op de oude rechtzinnige manier. Een normale koningin

gaat van cel tot cel over een vrij regelmatige raatoppervlakte, en zet

in iedere cel een eitje af; maar de eieren in dezen koninginloozen korf

zijn op een zonderlinge onregelmatige manier verspreid, als gestrooid

over de raten. Op de eene plaats zijn een stuk of drie cellen voorzien

en ergens anders weer een paar, zonder eenigen schijn van orde of

methode. Bovendien zijn er enkele cellen, waarin men twee of drie

eieren vindt, terwijl de rest er ieder één bevat. Het schijnt of een

geestelijk gekrenkte moederbij uit een anderen korf hier de wachten

in den dut heeft gevonden en nu een clandestien uitstapje gemaakt bij

het koninginlooze volk. Maar hoe men zoekt en speurt, een koningin

is niet te ontdekken. De verklaring van deze abnormaliteit is, dat

een van de werkbijen op de een of andere buitengewone manier haar

verstorven voortplantingsorganen heeft weten op te wekken en nu in

staat is geweest eieren te leggen. Maar hierdoor wordt het noodlot

niet van den korf afgewend, integendeel zelfs verhaast. Want deze

eieren zullen slechts darren voortbrengen, en er komen dus nog maar

meer nuttelooze monden die gespijsd moeten worden. Eén authentiek

gestaafd geval is bekend, dat de bijen in een korf zonder koningin een

koninginnewieg gebouwd hebben en daarin feitelijk een van die eitjes

brachten, die door een eierleggende werkbij waren afgezet. Men vond

naderhand in die koninginnecel een dooden dar.

Hoe onder den prikkel van zulk een nationale krisis zulk een

eierleggende werkster verkregen wordt, is nog een punt van onderzoek;

waarschijnlijk wordt de jongste bij uit de kolonie voorzien van het

speciale koninginne voeder, en op die wijze worden dan misschien haar

voortplantingsorganen, ten minste ten deele, ontwikkeld.

HOOFDSTUK X.

EEN ANATOMISCHE ROMANCE.

De moderne ijmker, die in de eerste plaats handelsman is--de man,

die zijn bijen in kasten houdt naar de nieuwste eischen ingericht,

alle gelijk in vorm en kleur, en op regelmatige rijen geplaatst--die

man is geneigd zich alléén met de praktische zijde van zijn werk

in te laten, en voelt een soort van kwalijk bedekte geringschatting

voor alles wat niet onmiddellijk in verband staat tot wat voor hem

de hoofdzaak bij de bijenkultuur is; de honingproduktie.

Maar de bijenhouder, die tegelijk van bijen houdt, neigt juist

den gansch anderen kant uit. Is de geest eenmaal ondergedoken in

wonderen, zooals noodzakelijk gebeurt wanneer men in de studie van

't bijenleven onder de oppervlakte gedrongen is, dan wordt men in den

wedren naar stoffelijk voordeel de man, die een manke knol zadelt. In

een bijentuin overmeestert ons de hebbelijkheid van peinzen als de

voortschrijdende paralyse, ongemerkt, maar onverbiddelijk. Het is

één ding, op een mooien Junimorgen naar buiten te slenteren, pijpje

in den mond, het kruiwagentje voor zich uit rollend, met het plan

op een langen werkdag tusschen de korven; maar een tweede is het,

dien langen werkdag ijverig vol te houden uren aanéén, terwijl de

zon u in zijn loomen gouden greep heeft, en het aanhoudend droomerig

gegons van de bijen op hart en geest blijft inwerken.

Onder zulke verlokkende omstandigheden zakken de goede voornemens wel

eens stilletjes weg, en dat is heel natuurlijk. De kruiwagen is een

prettig zitje, en men kan hem in het dichtst van de lindenschaduw

trekken. En dan wordt door het blauwe rookwolkje uit de pijp, dat

langzaam naar boven drijft, juist die lust tot peinzen gewekt, dien

wij noodig hebben te midden van zulk een rustelooze, onverbiddelijk

slovende omgeving; en wat hindert ook één droomer op de honderdduizend

werkers? Zoo komt het, dat het heel vaak piepende wiel tot rust komt

onder de linden; de honing blijft voor de honingmakers; de gedachten

volgen de bijen in den korf; of ook wel richten zij zich naar ver over

de zee, waar de groote aanplantingen zijn, en het droge kruid dat

nu het pijpje vult, ééns een frisch blad was in een zee van groen,

geplekt met de kleur der bloemen; daarboven gonzen de bijen, wier

voorgeslacht misschien van die zelfde plek voor Oud-Engeland over

gekomen was, waar nu dit blad opgaat in rook, en rustig peinzen kweekt.

Maar vooral op regenachtige dagen, wanneer er veel te doen valt

binnenshuis, als de sektie-raampjes in orde moeten gemaakt, en de

volle honingraten geleegd, dat zij naar de korven terug kunnen om den

volgenden dag weer gevuld te worden, en nog zooveel andere bezigheden

van die soort--dan is er een nog sterker bondgenoot voor de neiging

om de gewone routine van ijmkerplichten in den steek te laten.

Het verhaal van de honingbij · 第 9 / 18 段