der koningin aan de heerschende werkbijenklasse van den korf. Zij is
een waardig exemplaar van een veelvuldig voorkomende vrouwensoort:
aantrekkelijk van uiterlijk, ongeschoold van geest, een hardnekkige
thuisblijfster, een vruchtbare moeder; en nu trilt ook de snaar
van de ijverzucht. Werd zij vrijgelaten om haar aandrang te volgen,
dan zou al heel gauw een eind zijn aan al wat in den korf met zooveel
doorzicht en zorg was voorbereid. Zij zou één voor één de koninklijke
cellen openrukken; en met één slag van haar wreed, krom zwaard, dat de
bijenkoniginnen alleen voor haar gelijken in rang gebruiken, zou zij
meedoogenloos de bewoonsters afmaken en haar eigen opperheerschappij
dus hernieuwen. Maar een geweldigen slagboom vindt zij op haar weg--den
gemeenschappelijken wil in den korf. Eens heeft zij het wellustig
genot van het dooden gekend; dat zal zich nooit herhalen. Nu gaat het
om haar eigen lot. Het kan de dood zijn; het kan ook zijn: een nieuw
leven in een nieuw tehuis. 't Hangt alles af van het wèloverwogen
besluit van hen, die haar gemaakt hebben tot wat zij is, en die haar
nu gebruiken of verwerpen al naar hun eigen oogmerken dat vragen. Is
het in de late lente en gedoogt het de toestand van het volk, dan
besluit licht de korfgeest tot kolonisatie, en er wordt over de oude
koningin beschikt, dat zij met een zwerm wordt uitgezonden. Maar er
kan ook anders besloten worden. Het kan te vroeg in den tijd zijn
of het weder is ongunstig. En dan zal haar het noodlot slaan in den
vorm van een meedoogenloos toepassen van beginselen; haar eigen wijze
kinderen zullen haar zonder genade dooden.
Deze staatsexecutie der koningin, bij het afnemen van hare
vruchtbaarheid, is een treffend en zelfs tragisch moment in het
bijenleven. De strenge, wrange amazonen in de korven hebben bij al
wat zij ondernemen hun stelsels en gebruiken, en de onderdrukking
van de oude koningin zelfs moet onder bepaalde voorwaarden en met
een zeker ceremoniëel geschieden. Gesteld, dat het tegen het welzijn
der kolonie was, dat zij het leven behield na het verlies van hare
heerschappij, dan zou één angelsteek het uitmaken, en aan de wet,
dat in de bijenrepubliek geen nuttelooze leden geduld worden, zou
voldaan zijn. Maar de oude traditie wil, dat de koningin geen geweld
mag lijden door de wapenen van het gemeen. Sterven moet zij; maar door
andere middelen. En zoo dringen de vleiende beulen om haar heen in
een dichte omhelzing, dichter en dichter tot zij in die liefkoozing
verstikt wordt. In liefkoozingen heeft zij haar leven doorgebracht
en nu zal zij er in sterven, tot het laatst toe gekneld in dien
vreeselijken, zwijgenden greep.
HOOFDSTUK VIII.
DE BRUID-WEDUWE.
In den heeten gloed van den lichten Juni-morgen kunt gij haar
zien opstijgen, de jonge maagdelijke koningin, gereed tot haar
bruiloftsvlucht.
Al aarzeling is zij in den aanvang en onbesloten; heen en weer
drentelend tusschen de menigte op den drempel, koketteert zij met
den zonneschijn; zij ging ongaarne terug in het schemerige zwoele
murmelende halfduister, dat zij zoo juist verliet; maar hoe waagt
zij de vlucht in de ruimte op haar onbeproefde vleugels?!
Al drie lange dagen en nachten sedert haar bevrijding uit de
celgevangenis was zij een wonderlijk eenzame figuur in den bezigen
korfdrom. In plaats van al de blijde begroetingen, die zij verwachtte,
ziet zij zich omgeven door onverschillige vreemden. Geen dar wiens
blik naar haar afdwaalt, en de werksters, vervuld met hun bezigheden,
gaan haar schijnbaar achteloos voorbij. Zij geven zich niet eens
de moeite haar te voeden en zij moet zich zelf voorzien zoo goed en
zoo kwaad het gaat. Het geheele volk schijnt tot onverschilligheid
te hebben saamgezworen; want dit past bij den diepgaanden toeleg
tot haar opvoeding--indien zij het slechts wist.--Immers dit gedrag
is een domper op de vurige en grootsche aspiraties, die haar meer
en meer vervullen. Toch eindelijk komt de roep, die allen zwijgend
verwachtten, en zij gehoorzaamt, in onweerstaanbaren aandrang, en
gaat uit in het licht.
En terwijl zij daar aarzelend staat, overgiet haar de heete Junizon
met vloeiend goud. Nu trekt haar de blauwe lucht. Die wereld van kleur
en leven en aroma lokt haar ter bruiloft en zij kan niet anders dan
gehoorzamen. Zij breekt los uit het gewarrel der menigte; zij flakkert
even blij met haar vleugels, en dan stijgt zij op in het licht.
Boven talmt zij een oogenblik, en behoedzaam neemt zij een overzicht
van haar tehuis en zijne omgeving. Dan wiekt zij naar boven in wijder
en wijder cirkels, en met iedere zwenking krijgt zij ruimer blik op
de wereld beneden haar. Tot zij eindelijk voortschiet in de blauwe
lucht, en het menschelijk oog haar niet meer kan volgen. Maar dit is
slechts een korte vlucht. Ze is al weer terug, bijkans vóór dat men
haar gemist heeft; en haastig, als verschrikt van haar eigen durf,
vliegt zij terug, naar den ouden, veiligen schemer van haar korf.
En zoo dartelt zij, op en neer, tusschen zonneschijn en duisternis, en
iederen nieuwen keer waagt zij zich wat verder in de blauwe speelplaats
van de bovenlucht--tot eindelijk het feit, het onvermijdelijke,
gebeurt. Een groote dar--een uit de rumoerige menigte, die den
bijentuin luid maakt met een schor gegons--ontdekt haar, onmiddellijk
is hij haar na. Zij ziet hem en wendt zich, en weg schiet zij snel
als het weerlicht, weg in den zonneschijn. Maar nauwelijks begon
de eerste dar zijn vlucht, of een ander volgt hem en weer, en weer
een ander. Nu komen zij op in dichte drommen voor de wedvlucht,
totdat de vluchtende koningin als een grijze wolk, die haar volgt,
een geheelen stroom van darren heeft aangelokt. Dit kunt ge nog zien,
als ge uw oogen sterk inspant om hun spoor te volgen; maar op eens
zijn jagers en wild verdwenen, als waren zij heengewerveld tot naar
het uiterste van den ether.
Het geheele leven van de koningin, van hare geboorte af totdat
het dreigend cordon haar omsluit, kan gevolgd worden van stap tot
stap. Doch alléén dit ééne oogenblik van haar bruidschap blijft ons
altoos verborgen, en misschien moet het een verborgenheid blijven voor
het menschelijk weten, ten eeuwigen dage. Ge kunt u die wilde jacht
verbeelden in de lichte Junilucht en zonneschijn; in uw verbeelding
kunt ge ook den prijs geven aan de sterkste en vlugste; maar zéker zijt
ge alléén hiervan: na een korte poos komt de koningin naar den korf
terug, bedaard en eenzaam, en met haar mee draagt zij het onfeilbaar
bewijs van hare bevruchting en den dood van den overwinnaar. Bruid was
zij één enkel oogenblik; nu is zij haar leven lang weduwe. Voortaan
leeft zij haar dagen in het schemerig klooster van den korf, en
zóó zelden vliegt zij uit, dat menig ervaren bijenvader beweert,
dat zij maar éénmaal 's jaars den korf verlaat, om dan een zwerm te
geleiden. Nu draagt zij in haar lichaam het zaad waarvan een heel volk
zal groeien. Vóór haar bruidsvlucht was zij van allen in de kolonie het
minst in aanzien; nu wordt zij met een openbare en algemeene huldiging
ontvangen, geprezen, gevoed, gekoesterd; hoog wordt zij verheven,
het levend symbool van de tienduizenden, die nog geboren moeten worden.
En zooals in oude, ruwe tijden bij vorstelijke feesten menschenoffers
gebracht werden, zoo moet ook deze opperste dag in het vervolmaakte
communisme van het bijenvolk, gevierd worden met een slachting. Maar
de Staatsslachtbanken zullen niet met slavenbloed gedrenkt worden dezen
keer, en het slachtzwaard zal niet het gewone beulszwaard zijn. Er zijn
gevangen koninginnen in de vesting--een vorstelijk offer bij de hand,
een vorstelijk zwaard begeerig zich te ontblooten. Heeft de koningin
haar eerste proeve van waarachtig moederschap afgelegd, liggen haar
eerste werkstereieren in de cellen, dan wijken de bewaaksters van
de koninklijke kerkers en het is haar vergund haar bloeddorst te
bevredigen. Het is alles heel gruwelijk, op miniatuurschaal; maar
toch ook heel koninklijk, volgens de oude tradities der menschelijke
koninginnen. Zij is gaarne bereid haar moederschap voor een oogenblik
neer te leggen en haast zich ter slachting, rukt de gevangenisdeuren
open, en moordt meedoogenloos de schreeuwende gevangenen.
Maar afgezien van dit tragische element van zustermoord, in een
oogenblik voorbij en vergeten bij den algemeenen jubel, is er in den
aanvang van dit koninginneleven veel romantiek; bruid--vrouw--weduwe,
alles in één enkel uur. Toch ligt er in de bijzonderheden van
het dagelijksch leven, die nu volgen op die korte poos van hooge
spanning, en vooral in den verwonderlijken bouw van haar lichaam
en zijn functies, nog veel hooger romantiek. Dat zij maar ééns met
het mannelijk element samentreft, en daarna voor altijd bevrucht en
vruchtbaar is; dat het haar mogelijk is zonen en dochters voort te
brengen al naar het wel van den staat dat eischt, en dat zij het
toenemen der bevolking willekeurig tot stilstand kan brengen, aan
dit alles kan pas geloof worden gehecht op grond van vaste kennis. En
om te kunnen begrijpen hoe deze resultaten verkregen worden, is het
noodig iets te weten zoowel van de anatomie van de moeder-bij als
van den aard harer bevruchting.
In de eerste plaats: houdt men zich aan het algemeen aangenomen begrip
van bevruchting van het eene geslacht door het andere, dan wordt de
bijenkoningin in het geheel niet bevrucht. De levensessence van den
dar dringt niet door tot den eierstok van de koningin; maar wordt
onmiddellijk na de paring ontvangen in een speciaal orgaan in haar
lichaam, waar hij bewaard blijft met behoud van zijn kracht, gedurende
bijna haar geheele leven. Wij hebben het feit reeds behandeld, dat ook
de maagdelijke koningin in staat is eieren te leggen, maar dat deze
alléén darren voortbrengen. De bevruchte koningin nu, kan mannelijke
en vrouwelijke eieren afzetten, en dit kan zij naar willekeur. Hoe
verbijsterend dit echter klinkt en hoe vèrstrekkend de gevolgen
zijn, het is toch hiermede zooals met veel ander verwonderlijks
in de natuur: de verklaring is hoogst eenvoudig. De klier waarin
de mannelijke levens-essens wordt uitgestort, kan willekeurig door
de moederbij geopend en gesloten worden, of beter uitgedrukt, naar
gelang der omstandigheden, die haar op dat oogenblik, hoewel onbewust,
onverbiddelijk dwingen. Als zij naar de groote darrecel gebracht wordt,
blijft de klier gesloten, en het ei ontsnapt zonder met den inhoud in
aanraking te zijn geweest. Maar bij de nauwe werkstercel opent zich de
klier, en het ei neemt in het voorbijglijden iets op van de kiemen,
die het inhoudt. Zoo wordt enkel uit het kontakt der beide ouders de
werkbij geboren; de dar is het produkt van de moeder alléén.
Van dit eerste feit, de parthenogenesis, of geboorte van het volkomen
ontwikkeld mannelijk exemplaar uit het maagdelijk vrouwelijk, kan niet
veel anders gezegd worden, dan dat het een door de wetenschap, ook bij
sommige andere insekten, gestaafd natuurverschijnsel is. Maar nu wij
getuige zijn van de plaats, die de bevruchte koningin met haar fijn
bewerktuigd organisme in den bijenkorf inneemt, is er voor ons nog veel
meer op te merken; en hier vinden wij den sleutel voor het juist begrip
van de geheele organisatie der bijenrepubliek. Het zou al heel vreemd
zijn, indien de hoogste staatsaangelegenheden in handen waren gegeven
aan die koningin, die met haar zwak intellekt juist de allerlaatste
zou wezen om ze naar den eisch te behartigen, en wij zien dan ook,
dat die post van vertrouwen haar niet gegeven is. De werkbijen, die de
zorg voor haar op zich nemen na haar terugkeer van de paringsvlucht,
beïnvloeden van dat oogenblik af al haar handelen en gedragingen. Wij
hebben al gezien hoe zij over de raten geleid wordt van cel tot cel;
hoe het haar in de vroege lente maar vergund wordt enkele eieren te
leggen, terwijl zij er in den zomer vele duizenden mag afzetten;
en hoe het getal in de tusschenperioden naar omstandigheden wordt
verminderd of vermeerderd. Nu zullen wij nagaan hoe dat alles gebeurt,
of in ieder geval onze gissingen zoo dicht bij de waarheid trachten
te brengen als in dit moeielijk vraagstuk mogelijk is.
Gedurende de twee eerste dagen nadat zij als volkomen insect uit
de cel was gekropen, zagen wij de koningin, geheel aan zich zelve
overgelaten, zich tusschen de menigte bewegen en zich voeden uit
den algemeenen voorraad. Maar na hare bevruchting heeft zij een
stoet van kamervrouwen, wier hoofdbezigheid is haar van voedsel te
voorzien. Zij voeden haar uit hun eigen mond, en waarschijnlijk krijgt
zij hetzelfde, kostelijke preparaat, dat haar in haar larvestaat
in de cel werd toegediend. Dit voedersap bestaat voornamelijk uit
honing en stuifmeel, vooraf verteerd; maar het is bewezen, dat de
samenstelling willekeurig gewijzigd kan worden door de werksters,
die het toedienen. Er kunnen bestanddeelen aan toegevoegd worden,
afzonderlijk of gemengd in verschillende verhoudingen, uit drie of vier
verschillende kliertjes, die elk voor zich een vloeistof afscheidt,
in hoedanigheid van de andere verschillend. Het bijzonder voedsel,
dat de eierleggende koningin gegeven wordt, dient tot het stimuleeren
der eierstokken. Hoe meer haar van dit soort spijs wordt toegediend,
des te overvloediger wordt haar eierafzet. Daartegenover staat, dat
een vermindering van dat dieet een afneming naar verhouding van haar
vermogen tot eierenleggen zal tengevolge hebben, terwijl wanneer dit
voedzaam preparaat haar geheel onthouden wordt, en zij dus gedwongen
is uit de algemeene honingcellen te nemen, gewoonlijk het eierleggen
geheel gestuit wordt, en zoo gebeurt het ook in den koudsten tijd van
het jaar. Zij is dus een instrument door de werkbijen bespeeld, en de
toon, dien zij voortbrengt, beantwoordt aan hunne bedoelingen. Als de
dagen lengen, en met de hooger rijzende zon de warmte komt, dan wekken
zij haar volgzame natuur tot het vervullen van haar opperste taak. En
in de weken van gloeiende zomerhitte is haar leven één feestmaal;
komt daarna de herfst met zijn kille nachten en verflauwend zonlicht,
dan nemen gaandeweg die overvloedige maaltijden af, en haar hofstoet
slinkt en verspreidt zich, tot zij eindelijk weer de eenzame vergeten
dolende is, die met de minste werkster uit de gewone dagelijksche
honingnap moet spijzen.
Hoe de verhouding der geslachten zoo onfeilbaar geregeld kan
worden door den invloed der werksters op de moederbij, is niet
zoo gemakkelijk te verklaren; en het kan voor het oogenblik nog
maar alléén een vernuftige gissing zijn, een herleiden van gevolg
tot oorzaak. Waarschijnlijk gebeurt het zich openen of sluiten der
bevruchtende klier, waardoor het geslacht bepaald wordt, automatisch,
en geschiedt dit ingevolge van de houding der moederbij gedurende het
leggen. Als zij het achterlijf in de enge werkstercel steekt, wordt
dit noodzakelijk geknepen en deze drukking gaat over op het kliertje,
waardoor het ei dan bevrucht wordt. Maar in de wijdere darrencel komt
die gedrukte houding niet voor, en het is dus waarschijnlijk, dat het
ei onberoerd door de bevruchtingskiemen voorbij glijdt. Wordt deze
theorie aangenomen, dan volgt daaruit van zelf, dat óf de moederbij het
vermogen mist mannelijke eieren te leggen in de cellen, die speciaal
voor het broeden van koninginnen gebouwd zijn, daar deze de grootste
zijn van allemaal, óf, dat door eene bijzondere kromming in die cel
haar lichaam gedrongen wordt, zich te strekken bij het afzetten van
het eitje, zoodat het daardoor in dezelfde houding komt als in de
nauwe werkstercellen.
Hoewel deze theorie op het oogenblik de aannemelijkste is, moet het
toch gezegd, dat zij door waargenomen feiten nog nooit bevestigd
is geworden. Het schijnt, dat niemand nog ooit de moederbij in een
koninginnecel heeft zien leggen, noch was ooit iemand getuige van
het overbrengen van een werksterei daarheen. Wat voor goed al deze
en dergelijke vragen tot zwijgen zou brengen is het vasthouden aan
het oude geloof, dat de koningin de opperheerscheres is, en de kracht
en de vermogens heeft van een alwijze despotische souvereine; dan zou
het wonderbaarlijkste van haar verwacht kunnen worden. Maar hoe dieper
men in dit uiterst belangrijke vraagstuk doordringt, hoe onhoudbaarder
deze oude meening schijnt. Want met ieder uur krijgen wij de bewijzen,
dat de moederbij een ondergeschikte en niet een heerscheres in den korf
is; en even zeker blijft ons het alvermogen van de werkbijen. Alles
wat in den korf gebeurt, geschiedt door haar collektieven wil en
bemiddeling; en het zou zeker heel vreemd zijn als het levenselement
der voortplanting niet onderworpen was aan dezelfde oppermacht.
HOOFDSTUK IX.
DE WERKBIJ, SOUVEREINE.
Als wij op het hoogtepunt van het drukke seizoen het leven in de
bijenkorven gadeslaan, dan zijn wij zeker sterk onder den indruk
van den geest van onvermoeibaren ijver, die de geheele bijenrepubliek
beheerscht; maar nóg meer treft ons het feit, dat er voor deze behoefte
aan rusteloos werken zooveel uitwegen zijn: dat er tegelijkertijd
zooveel verschillend noodzakelijk werk te doen valt.
In den broedbouw zijn de broedbijen bezig de jonge larven te
voeden, of ze reinigen de ledige cellen en verzegelen die, waarin de
volkomen ontwikkelde nymfen zijn, om hun de rust voor de geboorte te
verzekeren. In hare onmiddellijke omgeving zijn de zaaisters bezig
aan het werk des levens; ze drijven hun zaad-kruiwagen, de koningin,
voor zich uit over de raten. Ergens anders hangen de wasbijen in
een zwijgenden kompakten klomp. Boven zien wij steeds het aantal
honingraten toenemen; de metselaars trekken de celmuren op; de
ingenieurs maken hun berekeningen, ondersteunen hier, stutten dáár,
of brengen luchtbogen van de ééne raat naar de andere; ook breken zij
in plaats van de oude straten nieuwe doorgangen uit, waar te groote
ophoopingen in het verkeer ontstonden.
Tusschen alles door gaan de zuiveraars onophoudelijk af en aan en
nemen de kleinste portiekeltjes vuil meê en ruimen het op.
Gevleugelde begrafenisdienaren dringen door de menigte met de
lijken van hun kameraden, oud en jong, dragen ze naar den ingang
en vliegen er mee weg in het zonlicht van den jongen lentedag. Dan
is er het ventilatieleger buiten de poort, vernuftig in ploegen
verdeeld, zóódat dag en nacht een bestendige luchtstroom in beweging
is. De poortwachters houden een waakzaam oog op al de komenden en
gaanden. En dan eindelijk nog het "Comité voor Algemeen Hulpbetoon",
dat zich buiten de poort ophoudt, om waar 't noodig is bijstand
te verleenen. Zij ondersteunen de te zwaar beladenen, reinigen de
bezoedelden, rapen gevallen schatten van den grond op, en het schijnt
wel of zij bovendien nauwlettend de weersgesteldheid opnemen voor hun
volgend officieel rapport. Gedurende de uren van zonneschijn vliegen
in ontelbare duizendtallen de honing- en stuifmeeldraagsters af en aan,
sommigen met nektar, anderen tot bezwijkens toe geladen met stuifmeel,
en weer anderen met volle waterzakken, en nog meer die dat merkwaardig
cement, de voorwas, meebrengen, dat door de Ouden Propolis genoemd
werd en dat voor zoo veel verschillende doeleinden wordt gebruikt
bij het dagelijksch werk in de korven.
En dit alles gebeurt met de regelmaat van een goed georganiseerde
menschelijke kolonie. Er is veelvuldigheid, maar geen verwarring; er
is spoed, maar geen haast. Iedere bezige ploeg heeft oogenschijnlijk
een bepaalde juist omschreven taak te volbrengen, haar aangewezen
door de centrale korf-autoriteit; en blijkbaar zijn in alles wat de
belangen der republiek betreft, coöperatie en vooruitgang één met
oorzaak en gevolg.
Bij een nauwgezette studie van het bijenleven en met behulp van
de nieuwe observatiekorven, komt men er heel gemakkelijk, ja
zelfs onvermijdelijk toe, het oude begrip van absolute monarchie
onder een koning of koningin over boord te gooien; maar niet zoo
gemakkelijk komt men tot het begrip, hoe dan in werkelijkheid
de kolonie beheerd wordt. Wij zien den geheelen dag door hoe aan
alle kanten beraadslagingen gehouden worden over kleinere belangen;
maar van een algemeene samenkomst valt niets te bespeuren. Hoe moet
er dan beslist worden over de groote nationale gebeurtenissen: het
uitzenden van een zwerm of het afzetten van een oude koningin? Hoe
moet er voorzien worden in de verschillende staatscrises? De éénig
aannemelijke gevolgtrekking uit alles wat men ziet, schijnt te zijn,
dat iedere werkbij op zich zelf de tot absolute volmaking ontwikkelde
vertegenwoordigster is van het republikeinsch principe, in wier
innerlijk alle in het gemeenschapsleven voorkomende moeielijkheden en
vraagstukken zijn opgelost, eene oplossing door de eeuwen beproefd
en als de juiste bewezen, en die zij dus natuurlijk en onfeilbaar
moet aanwenden. Zoo wordt er dus eene gemeenschappelijke behoefte
gevoeld, waarin onmiddellijk voorzien wordt door een gemeenschappelijk
erkenden maatregel. Het inzicht van één is noodzakelijk het inzicht
van allen. En ieder voorkomend probleem in het dagelijksch leven
vindt die ééne oplossing, die tot de uiterste volmaking werd gebracht
door de ervaring van ontelbare geslachten en zij wordt individueel
aangegrepen om in den gemeenschappelijken nood te voorzien; zooals de
algemeen bestaande nooddrang "honger" door ieder individu afzonderlijk
bevredigd wordt door: eten.
Zulk een toestand zou zelfs in een gemeenschap van menschelijke wezens
een zeldzaam hoogen staat van geestelijke, zoo al niet moreele,
ontwikkeling in het individu te kennen geven. Want dit beteekent:
de uiterste zelfverloochening in het belang van het geheel. En
zelfs wanneer men er de sterk ingrijpende macht der erfelijkheid
bij in aanmerking neemt, zou er toch nog voor de jeugd een strikt
ascetische opvoeding moeten zijn en voor de volwassenen in geval van
overtreding een onmiddellijke onverbiddelijke en zware boetedoening,
wilde men den uitersten droom van het kommunisme werkelijkheid zien;
dat is, het afschaffen van alle wetten en alle straf, en inplaats
daarvan de natuurlijke heerschappij van wijsheid en recht. In de
bijenrepubliek schijnt inderdaad een soortgelijke toestand te bestaan,
de individueele werkbij lijkt wel gevormd te zijn door een dergelijk
systeem, doorgevoerd gedurende een onafzienbaar lang tijdsverloop. Er
is steeds volmaakte orde; de openbare werken worden geleidelijk en met
ijver voltooid; de klok van den nationalen vooruitgang blijft geregeld
tot op de seconde, en dit alles niet omdat er een centrale wijsheid
heerscht, die plannen maakt, die beheert, en die de onwilligen in toom
houdt; maar omdat iedere werkbij in zichzelf een miniatuurstaat is;
omdat alle neigingen, vreemd aan den zuiveren gemeenschapsgeest,
sedert oneindige jaarkringen bij haar zijn uitgedreven door de
dwingende noodzakelijkheid.
Doch de werkbij, zooals wij haar nu in de korven bezig zien, is
evenzeer een vormsel van kunst als van de natuur, al zijn ook eeuwen
van evolutie noodig geweest om haar tegenwoordige geesteskracht en
lichamelijke geaardheid te bepalen.
Wij hebben gezien hoe het ei, dat de vrouwelijke kiem draagt,
wanneer het alle ruimte tot ontwikkeling gegeven wordt, het volkomen
oorspronkelijke type voortbrengt van de vrouwelijke bij, dat in wel
een dozijn opzichten van de werkbij verschilt. En ook de koningin
is, in één harer eigenschappen ten minste--haar verbijsterende
vruchtbaarheid--stellig een schepping van het korvenvolk, daar haar
overproduktie door overvoeding wordt veroorzaakt, zoodat zij onder
kunstmatige omstandigheden aan haar bestemming kan beantwoorden. Aan
zichzelve overgelaten, in haren oorspronkelijken natuurtoestand, zou
haar eierproduktie zeker op veel bescheidener schaal gebeuren. Maar de
werkbijen hebben haar merkwaardigen bouw en geestelijke gesteldheid
bijna uitsluitend aan de tusschenkomst der broedbijen te danken,
van het oogenblik af, dat het eitje is uitgebroed. Een zorgvuldig
onderzoek heeft bewezen, dat de koninginlarve en de werksterlarve
volkomen gelijk zijn tot op de derden dag van hun bestaan in de cel,
behalve dat de koningin sneller groeit, dank zij het ruimer en zwaarder
voedsel. Na den derden dag beginnen de voortplantingsorganen zich te
ontwikkelen bij alle larven, wanneer er met dit rijk stikstofhoudend
dieet wordt voortgegaan. In het geval van de koningin wordt de larve
van deze vooraf-verteerde voedingsstof, bijenmelk genoemd, rijkelijk
voorzien tot het laatste oogenblik van haar larvenstaat, en het is
haar uitsluitend voedsel.
Bij de werkbij daarentegen wordt het rantsoen bijenmelk niet alléén
ingekrompen zoowel in hoedanigheid als in hoeveelheid; maar nu,
juist vóór het oogenblik, dat de ontwikkeling van de eierstokken
zal beginnen, wordt er nog een belangrijke wijziging in de voeding
gebracht: het rantsoen bijenmelk slinkt tot een minimum en er wordt
gewone honing bij gegeven, echter in een even schrale hoeveelheid en
tot aan het einde van het vijfdaagsche larvenbestaan.