geheel ander stelsel toegepast. Niet alleen, dat haar kinderkamer haar
iedere toeneming van groei veroorlooft; maar zij krijgt bovendien
nacht en dag een buitengewoon voedzamen spijs, en zoo rijkelijk,
dat zij er haast in zwemt. De werkbijen doen niet anders dan haar
cel vullen met die glinsterend witte substantie, de geheele vijf
dagen van haar larftoestand, en de uitwerking van dit ruime dieet
is van 't begin af zichtbaar in haar veel sneller groei, vergeleken
met dien van de werkbijen. Een ander voorrecht is, dat bij de jonge
koningin gedurende haar geheele ontwikkeling de lucht vrijen toegang
heeft. De werkstercel wordt weinig geventileerd, alléén door de smalle
bovenopening, terwijl al haar zes zijden en de basis ondoordringbaar
zijn. Doch de koninginnewieg wordt niet alleen geheel van poreus
materiaal gemaakt, zij wordt gewoonlijk aan den hoek van een raat
beplaatst, waar zij aan den vollen luchtstroom is blootgesteld, terwijl
de lucht niet alleen vrij door de mondopening gaat maar ook door alle
wanden dringt. De hoofdoorzaak dus van het buitengewone verschil in
ontwikkeling bij de koningin en de werkbij ligt in de behandeling. De
eerste krijgt rijkelijk voedzamen spijs, toevoer van zuurstof en
ruimte om zich te ontwikkelen, de andere leeft op hongerdieet,
benauwde huisvesting en een minimum van lucht om in adem te halen.
Maar al geven wij toe, dat deze behandeling op den groei der jonge
larven invloed heeft en die in 't eene geval bevordert, in 't andere
tegenhoudt, dan zijn wij toch nog niet nader aan de verklaring
van het mysterie gekomen. Wel zijn wij gedwongen te gelooven, dat
de substantie van het ei waaruit de werkster geboren wordt gelijk
is aan dat, waaruit de koningin zich ontwikkelt, omdat een heel
eenvoudige proefneming allen twijfel daaraan opheft. Wanneer men het
ei, dat in de koninginnecel gelegd is, wegneemt, en er een ander, uit
welke ook van de duizenden werkstercellen, voor in de plaats legt,
dan zal het werksterei altijd een volkomen ontwikkelde en met alle
hoedanigheden uitgeruste koningin voortbrengen. En handelt men in
tegenovergestelden zin, legt men dus een ei uit een koninginnewieg
in een werkstercel, dan zal er onfeilbaar een gewone, onuitgegroeide
werkbij uit voortkomen. Ongeloofelijk zou dit al klinken, als het
verschil tusschen een koningin en een werkbij alleen maar op de
grootte betrekking had. Gesteld, dat de koningin niet anders was dan
een buitengewoon groote werkbij, waarin enkele organen--onderdrukt bij
de werksters--tot volle ontwikkeling waren gekomen, dan zou het geval
toch al onbegrijpelijk genoeg zijn; maar de koningin verschilt niet
alleen van de werkbij in haar organisme; maar ook in verschillende,
heel belangrijke punten van lichaamsbouw. En hoe kunnen voedsel en
lucht alleen veranderingen van bouw teweeg brengen? De werkbij heeft
vele lichamelijke toestellen, sommige ledematen volmaakt aangepast aan
het werk, dat er van gevraagd wordt, die bij de koningin ontbreken;
het lichamelijk organisme van de koningin daarentegen verschilt van
dat der werksters in belangrijke mate.
Een paar van deze verschillen zullen we opsommen. Het achterlijf van
de werkster is kort en afgerond, dat van de koningin is grooter en
langer en loopt in een vrij scherpe punt uit. De kaken van de koningin
zijn van binnen aan den rand ingesneden; die van de werkster gelijk,
als het lemmet van een mes. De tong van de werkbijen is spatelvormig
aan het eind en voorzien van gevoelige haartjes; de tong van de
koningin is korter, de spatel kleiner en de haartjes zijn langer. De
werkbij heeft een gecompliceerd systeem van afscheidende schijfjes
onder de hoornachtige platen van het achterlijf; bij de koningin
zijn die afwezig en zelfs niet de allerminste aanduiding is er
van te ontdekken. Ook in het zenuwstelsel is er een onderscheid;
de koningin bezit niet meer dan vier abdominale gonglieën en de
werkster heeft er vijf. De angel der koningin is gebogen en langer
dan die van de werkster, bij wie hij volkomen recht is. Aan hun
achterpooten hebben de werkbijen een merkwaardig toestel, door de
ijmkers het stuifmeelkorfje genoemd. Het is een uitholling van de
dij, met stijve haren omzet; en in die holte wordt het stuifmeel
gepakt en zoo mee naar huis gedragen. Bij de koningin geen holte
en geen haren. En dan verschilt zij ook in kleur van de werkbijen,
vooral haar pooten zijn van een veel roodachtiger bruin.
Ziehier nu een vraagstuk voor onze groote biologen, waartegenover de
gewone allerdaagsche mensch zich machteloos moet voelen. Want hier
staan wij voor geheel nieuwe toestanden van het organisch leven,
feiten, die niet schijnen samen te gaan met de aangenomen begrippen
van het onvermijdelijk verband tusschen oorzaak en gevolg. Is men tot
dit punt genaderd, dan heeft men een onverwinbare neiging 't alles
nog eens over te doen; de proef van de geruilde eieren te herhalen
en scherp toe te zien of er niet een ingrijpende omstandigheid is
voorbij gezien. Maar altijd is de uitkomst dezelfde. Ook kan de
meest nauwgezette microskopische ontleding van de eieren niet het
geringste verschil aan den dag brengen. Dit mysterie van het verschil
in struktuur tusschen de koningin en de werkbij dringt ons om één van
drie alternatieven aan te nemen. Of het ei bevat twee levenskiemen,
waarvan de eene alléén onder een schraal régime ontwikkelt en de
andere bij weelderige verpleging. Of wij moeten tot de middeneeuwsche
zienswijze terugkeeren en gelooven, dat de werkbijen willekeurig een
levensprincipe van zichzelve geven of onthouden gedurende de verpleging
van het broed. Of eindelijk moeten wij het geheele vraagstuk laten
vallen en aannemen, dat de wetten der schepping werken volgens een
geheel ander plan, dan dat waaraan wij tot nu toe geloofd hebben.
De verwikkeling wordt nog grooter door het feit, dat deze verandering
pas betrekkelijk laat in het leven der bij gebeurt. Het broeden
duurt drie dagen. Maar de jonge larve is nog minstens drie dagen
ouder vóórdat de natuur die onherroepelijke schrede doet naar één der
beide zijden. Want de proefneming van de plaatsverwisseling kan met
hetzelfde gevolg worden genomen met jonge bijenlarven van uiterlijk
drie dagen oud in plaats van met de onuitgebroede eieren. Het is
zelfs een verrichting die, als het noodig blijkt, door de broedbijen
zelve gedaan wordt. Als een korf zijn koningin verloren heeft, en
al de eieren in de werkstercellen al zijn uitgekomen, dan kweeken de
bijen een andere koningin van een der werksterlarven, die beschikbaar
is. En gewoonlijk met goed gevolg, als de jonge larve maar niet ouder
is dan drie dagen. Maar zelfs al zijn de larven ouder, dan zullen
de bijen het nóg ondernemen, wetende dat een volk zonder koningin
bezwijken moet. In dit geval echter zal de koningin veel gebreken
hebben. Waarschijnlijk zal zij niet bevrucht kunnen worden, en is
ze dus van alle nakomelingschap afgesneden. Als de ijmker den korf
dan niet van een nieuwe, bevruchte koningin voorziet, zal die zich
langzamerhand vullen met darren, de oude werkbijen gaan dood en het
volk moet uitsterven.
Heeft de beschouwer zich eens aan de studie van het innerlijk
bijenleven gewaagd, dan zal hij al spoedig inzien, dat zijn scheepje
een bezwaarlijker reis ondernomen heeft, dan hij zelfs in zijn
stoutmoedigste oogenblikken durfde denken. In den ouden bijentuin
heerschte zulk een serene kalmte, en een zalige onwetenheid hield den
toeschouwer in zijn gemoedelijke Zondagsstemming. De zonneschijn, de
bloemen, het suizen van den wind in de boomtoppen en het droomerige
gonzen der korven; de stem van den ouden, grijzen bijenman, die het
oor zoo gemakkelijk volgt, terwijl hij de oude dwalingen in arabesken
welft; het plotseling juichend uitgonzen van een zwerm, dat de lucht
vol maakt met muziek en het flakkeren van ontelbare vleugeltjes;
de stilte in den nacht met den ondertoon van het bijengegons, en
de halve maan die, in wazigen nevel boven den heuveltop uitkomt; de
schimmige gebogen gedaante van den ouden ijmker, luisterend aan de
korfopeningen naar de oorlogskreten der naijverige koninginnen, die
moeilijkheden voorspellen voor den komenden dag--al deze herinneringen
dringen zich nu aan den toeschouwer op, en het is hem als verliet hij
zorgeloos een veilige haven voor de stormberoerde open zee. Want nu,
met het innerlijk leven van den korf voor hem, stapelt zich wonder op
wonder, en ieder feit, dat zich hem openbaart, brengt meer verwarring
in zijn denken, omdat het weêr een nieuw stuk afbreekt van de oude
geheiligde traditie.
Het volk, dat zijn moeder-bij verloren heeft en niet bijtijds heeft
gezorgd voor een vruchtbare, volkomen ontwikkelde opvolgster, gaat
kwijnen in het getal zijner werksters, terwijl de darrenhorden
schrikbarend toenemen. Maar van waar die darren als de bron van
alle bijenleven is opgedroogd, door het verlies van eene bevruchte
koningin? Deze vraag brengt den toeschouwer voor een feit, dat
misschien het merkwaardigste is uit het geheele groote boek der
natuurlijke geschiedenis.
Theologische twistpunten zijn hier niet aan de orde, en ik zal ook
niet den draad van het bijenleven laten slippen om af te wijken naar
den preekstoel. Maar hier is toch iets waarover het de moeite waard
is te denken: sedert twee duizend jaar is het dogma van de onbevlekte
ontvangenis het middelpunt van jammerlijk getwist onder de menschen
geweest. De voorstanders houden het hoog als een geloofsartikel,
eeuwig uitgesloten van de weerzinwekkende noodzakelijkheid van bewijs;
de gematigde tegenstanders zetten het met droevige berusting ter
zijde als een natuurlijke onmogelijkheid. Aan de ééne zijde luidt
de aanklacht: ongeloof!, aan de andere: blind geloof! En niemand
schijnt er aan gedacht te hebben een onderzoek in te stellen op
andere scheppingsparen dan de menschelijke, of er niet ergens
een parallel bestond, waarmede beide partijen geholpen waren,
en die de zwaarden terug zou wenken in de scheeden, daar het een
gemeenschappelijk mysterie geldt. Van alle gevleugelde schepselen is
zeker de honingbij een der kleinste; maar hier verschijnt zij groot,
een machtig symbool. Het is nu vastgesteld als een onweersprekelijk
feit, dat de maagdelijke bijenkoningin in staat is haar soort voort
te planten; maar alleen in het mannelijk geslacht. Wanneer zij laat
in het jaar geboren wordt, als er geen darren meer zijn, en dus
bevruchting is uitgesloten, of indien iets hapert aan haar vleugels,
dat haar de paringsvlucht belet, dan zal zij zich ijverig kwijten
van haar éénige taak, het eierleggen; en uit deze eieren ontwikkelt
zich niet anders dan mannelijk broed. Hetzelfde gebeurt in het geval
van den koninginloozen korf; als daar geen werkstereieren of larven,
niet ouder dan drie dagen, beschikbaar zijn, en de werkbijen toch
trachten een koningin te kweeken uit een larve van misschien vier
of vijf dagen oud, dan is de dus geschapen koningin slechts een
koningin in naam. Zij kan volkomen ontwikkelde eierstokken hebben;
maar zij mist van nature alle verdere eigenschappen. Zij zal noch de
neiging noch de kracht hebben den dar te ontvangen, en de eieren,
die zij des ondanks zoo onverdroten voortgaat af te zetten, zullen
slechts het getal waardelooze mannen vergrooten, die spoedig de éénige
vertegenwoordigers van het ten ondergang gedoemde volk zullen zijn.
Volgen wij de ontwikkeling van een bijenkolonie in het klimmen der
lentedagen, dan zullen wij na iedere afgeloopen week een grooter
ruimte met de raten zien aangevuld, die het jonge werksterbroed
bergen, en in het midden van April bezoekt de koningin voor het
eerst de darrencellen, en legt dan in iedere cel een enkel ei,
zooals zij ook bij de anderen deed. Men stelt zich gewoonlijk
voor, dat de koningin steeds omstuwd is door een schare hovelingen,
waarvan ieder het hoofd eerbiedig naar de soevereine gewend houdt, en
achterwaarts haar voorgaat als zij voortschrijdt over de raten. Het
is waar, dat zoo iets gewoonlijk te zien is in den broedtijd, maar
dan ook alléén: later wordt er op de koningin gewoonlijk weinig acht
geslagen, en zij beweegt zich in den korf, zonder dat er van haar
meer werk wordt gemaakt dan van de andere bijen. De middeneeuwsche
schrijvers wisten van die lijfgarde, en geloofden, dat zij altijd juist
twaalf in getal waren, het cijfer van de apostelen. Maar een beetje
waarneming zal al spoedig aanwijzen, dat de bijen, die de koningin op
haar rondgang omgeven, niet haar getrouwen en hovelingen zijn. Zij
zijn feitelijk haar leidsters en bewaaksters; en iedere beweging,
die de koningin te maken heeft beduiden zij haar door haar zonder
ophouden aan te raken, te stooten of zachtjes te streelen met hunne
voelsprieten. Zoo staan zij haar vrije beweging over de raten toe;
maar bij iedere leege cel laten zij haar ophouden, en scharen zich
direct om haar heen, blijkbaar in de meest spannende belangstelling
naar wat zij gaat verrichten. Eerst kijkt zij in de cel en inspekteert
die zorgvuldig. Dan draait zij zich om, terwijl de bijen voor haar
uitwijken en gaat een paar passen vooruit, zoodat het achterlijf juist
boven de cel komt; daarna drukt zij het er diep in en blijft zoo een
oogenblik staan. Dan gaat zij weer verder over de raat en onmiddellijk
hernemen de wachters haar post en manoeuvreeren haar naar de volgende
leege cel. Men krijgt nooit den indruk, dat dit werk haastig geschiedt
en toch moet het in het drukste broedseizoen met geweldige snelheid
worden verricht; want men heeft berekend, dat een goede koningin
op deze wijze van twee- tot drieduizend cellen vult op één dag, wat
ongeveer uitkomt op twee eieren in de minuut; hierbij verondersteld,
dat zij de geheele vier en twintig uur zonder ophouden doorgaat.
De cellen, voor het werksterbroed bestemd, zijn aan den wand 1/2
c.m. wijd; de darrencellen zijn grooter, met een diameter van 3/4
c.m. en zij zijn ook dieper. De koningin vergist zich heel zelden,
al gaat ze van de eene soort raat op de andere. Uit het ei in de
werkstercel komt een vrouwelijke bij, uit dat in de grootere een
mannelijke, een dar. Het blijkt heel duidelijk, dat de koningin
zelve het leggen der verschillende eieren beheerscht. Men heeft
ook opgemerkt, dat de moederbij niet alléén met onderscheiding
hare eieren legt, maar ook het aantal in haar macht heeft. Van het
oogenblik af, dat het leggen begint, tot zij in den voorzomer haar
grootste aktiviteit ontwikkelt, wordt de kolonie niet regelmatig
vermeerderd; maar het gaat met horten en stooten, in verband met
het weer en den inkomenden voorraad proviand. Als de provisie steeds
toeneemt, en het stuifmeel overvloedig is, dan gaat het broeden zijn
geregelden, vluggen gang; maar als perioden van ontijdige koû het
werk buiten stop zetten, zal dit onmiddellijk invloed hebben op het
eierleggen. En bij buitengewonen tegenspoed houdt het soms geheel
op. Dit kan ook gebeuren op het hoogtepunt van het honingseizoen,
in vollen zonneschijn en overvloed: als n.l. de korf te klein is en
niet meer bevatten kan. De raten zijn dan alle gevuld met honing en
broed, en de koningin moet wachten, tot er ruimte voor nieuwe eieren
kan gemaakt worden. Dat zij tot dat wachten in staat is,--dat haar
vermogen tot eieren afzetten kan vermeerderd en weêrhouden worden,
al naar de behoefte der kolonie, en dat de verhouding der geslachten,
willekeurig kan gewijzigd worden, naar de omstandigheden het eischen--,
is iets dat alléén dán begrijpelijk wordt, als wij den geheelen omvang
van haar levensgang in alle détails beschouwd hebben.
Bij het normale, voorspoedige volk dat wij nu op het oog hebben,
is de koningin nog jong, en onder gewone omstandigheden, zal zij
aan het hoofd der zaken blijven, tot zij met den eersten zwerm
uitvliegt, in Mei of Juni. Een bijenkoningin bereikt het hoogtepunt
harer vruchtbaarheid in haar tweede levensjaar. Daarna neemt haar
legvermogen regelmatig af, hoewel zij tot vier of zelfs vijf jaar oud
kan worden. Maar de autoriteiten in den korf vergunnen eene moederbij
zelden haar plaats te behouden, als zij teekenen begint te geven van
afnemende vermogens. Er worden dan dadelijk maatregelen getroffen
voor het opkweeken van een nieuwe koningin.
Een heel oude koningin kan geen werkstereieren meer leggen en teelt
enkel darren. Maar zóó dommelig zijn de werkbijen nooit, dat zij het
zoover laten komen, en lang vóor dat zoo iets gebeurt, is gewoonlijk
het bouwen van koninklijke cellen in den korf al begonnen. Een
koninginnecel is door verscheidene schrijvers al bij een eikel
vergeleken, en als ze half klaar is, is de overeenkomst in grootte en
vorm met een omgekeerd eikeldopje ook bijzonder sterk. Gewoonlijk wordt
zij met de opening naar beneden tegen den kant of aan den bodem van een
der middelste broedraten gehangen; maar soms wordt zij ook midden in de
raat geplaatst, en in dat geval worden de cellen er omheen weggesneden
dat ze ruimte en lucht krijgt. Of de oude koningin zelve een ei in de
koninklijke cel legt en op die wijze onwetend haar eigen onttroning
voorbereidt, of dat de werkbijen een ei of larve uit een gewone cel
naar die moederwieg overbrengen, is nog niet vastgesteld. Maar daar
gewoonlijk het gezicht alleen van een moederwieg de koningin tot de
uiterste woede prikkelt, is het waarschijnlijk, dat zij nooit in de
buurt van zulk een cel door de werkbijen is gebracht geworden, en het
ei er dus door deze heengevoerd is. In verreweg de meeste gevallen is
het waarschijnlijk, dat wanneer er nieuwe koninginnen geteeld moeten
worden, een reeds bestaande werkbijencel, waarin het ei al gelegd is,
wordt verwijd en verruimd. Zoover men kan nagaan gebeurt dit altijd
als men voor dit doel een larve gebruikt in plaats van een ei. Het is
ook zelfs mogelijk, dat de koningin physiek niet in staat is, een ei
dat een vrouwelijke bij moet voortbrengen in een moederwieg te leggen;
maar dit zeer merkwaardig punt zal eerst later besproken worden.
Het bekende beweren van bijentelers, dat bijen nooit onveranderlijk
hetzelfde doen, wordt zeer zeker toegelicht wanneer men op hun leven
nader ingaat. Wij hebben er van gesproken hoe een volk, dat zijn
koningin mist en geen werksterei of larve van minder dan drie dagen oud
bezit om in de leemte te voorzien, binnen korter of langer tijd moet
uitsterven. Maar nu is het voorgekomen, dat korven die in dit geval
verkeerden, onverwacht en op onverklaarbare wijze, weer opleefden. Na
een periode van depressie, die zich over wel drie weken uitstrekte,
was er plotseling een vernieuwde bedrijvigheid en levenslust in den
korf ontstaan. De stuifmeeldraagsters, die tot nu toe haast werkeloos
waren gebleven, hervatten de werkzaamheden; en als de korf geopend
wordt, vindt men alle bewijzen, dat er een vruchtbare, eierleggende
koningin aanwezig was. Nu is waarschijnlijk in de meeste gevallen,
waarbij een nieuw kontrakt met het leven gesloten werd door een in druk
verkeerend volk, de schijn bedriegelijk geweest. De werkbijen hebben
wellicht in hun midden nog een werksterlarve ontdekt, die de grens
voor de bevordering tot het moederschap nog niet overschreden had, en
zoo te elfder ure zich nog uitkomst verschaft. Echter is er ten minste
één geval bekend, dat de mogelijkheid hiervan absoluut weerspreekt:
een beginnende korf, die maar drie of vier kleine raten bevatte en
misschien maar een vijfhonderd bijen, was zonder koningin geraakt. Tien
dagen later waren alle moederwiegen, die in dien tusschentijd in
de korf gebouwd waren, vernield en er was geen enkel ei of larve
over. En toch, toen na achttien dagen de korf geopend werd, vond men
een nieuwe koninginnecel met een ei. En uit dit ei ontwikkelde zich
een kloeke, goed gebouwde koningin. Nemen wij deze feiten als waar
aan--en zij schijnen onweersprekelijk--dan is hieruit slechts één
gevolgtrekking te maken: eene ondernemende bij uit de kolonie moet
naar een anderen korf gevlogen zijn en er een werksterei gevraagd,
geleend of gestolen hebben. Wetenschappelijke bijenkenners aarzelen, en
terecht, na één enkel voorbeeld, hoe de waarheid daarvan ook gestaafd
zij, de honingbij zulk een verwonderlijk vernuft toe te kennen. Maar
er worden meer voorbeelden genoemd, die haast even betrouwbaar zijn;
en daar het een onomstootelijk bewezen feit is, dat werkbijen eieren
overdragen van de eene raat naar de andere binnen hun eigen korf,
schijnt het niet zoo ongeloofelijk, dat zij, door zulk een ingrijpenden
nood tot de uiterste spanning van hun vernuft gedrongen, ook naburige
korven met dat doel bezoeken. Dit punt is van meer dan éen kant zeer
belangrijk; want het wijst onmiddellijk op het groote vraagstuk:
"Rede of Instinkt", dat op het oogenblik de meesten onzer moderne
natuurkenners bezig houdt.
Op welke wijze nu ook het volk, dat een nieuwe koningin wil kweeken,
zich een ei voor de moederwieg verschaft, het eerste levensteeken
blijft altijd hetzelfde: een klein, wit, langachtig spikkeltje,
vastgekleefd onder aan den bodem, of eigenlijk het dak, van de
omgekeerde cel. Zoo blijft het ongeveer drie dagen, tot de larve
zich uit het ei ontwikkeld heeft, wanneer onmiddellijk de speciale
behandeling, voor de jonge koninginnen ingesteld, begint. Van haar
eerste levensteeken af wordt zij volgepropt met het kostelijkste
voedsel, zij zwemt letterlijk in die glimmende, witte, gelei-achtige
substantie, die de broedbijen onafgebroken uitbraken en in de cel
storten. Dit voedingsproces wordt ongeveer vijf dagen lang voortgezet,
dan heeft de larve haar vollen wasdom bereikt en de cel zijn grootste
afmetingen. De larve houdt nu op met eten en spint zich in een zilveren
wade, voordat zij tot den poptoestand overgaat, en de bijen verzegelen
de cel. In zijn volkomen vorm lijkt de moederwieg niet meer op een
eikel; maar eerder op een pijnappel. Voor de gewone werksters en
de darren worden de cellen van zuivere was gemaakt, terwijl alleen
de afsluiting uit was en stuifmeel dooreen gemengd bestaat. Maar de
koninginnecel wordt uitsluitend uit dit poreus materiaal vervaardigd.
Na vijftien of zestien dagen sedert het ei gelegd werd, is
de koningin klaar en in de uiterste spanning om haar wieg te
verlaten. Maar gewoonlijk geven de bijen haar nog eerst, en het
is wel vroeg zoo in den allereersten aanvang van haar loopbaan,
een les in gehoorzaamheid. Want dit is een kritiek oogenblik in de
geschiedenis van de kolonie, en veel was er te handelen en te voorzien
bij de gecompliceerde dingen, die te gebeuren stonden. In de eerste
plaats zou het niet praktisch geweest zijn, de geheele toekomst
van het volk te laten afhangen van één enkel leven. Daarom werd er
niet ééne, maar verscheidene koninginnen opgekweekt. Wel vijf of zes
zijn er misschien bezig uit te komen op verschillende punten van het
broednest; maar geen van allen wordt het toegestaan uit de cel te
breken vóórdat het vastgestelde uur gekomen is. Nu wordt de wieg voor
haar een gevangenis. Er wordt een klein gaatje geboord in den celwand,
waardoor de ongeduldige gevangene gevoerd wordt tot het oogenblik
van verlossing zal gekomen zijn, en strenge wacht wordt er gehouden
bij iedere cel, om die te vrijwaren voor de gewelddaden van de oude
koningin, wier wantrouwen en rusteloosheid van uur tot uur toenemen.