Het is een geschiedenis met een profetische leering. Allereerst

ontdekten zij hun stille macht: de onschuldige legboor openbaarde

zich als een uitstekend verdedigingswapen. Het leger was dus met de

opstandelingen, en de rest volgde van zelf. Een grootsch, verstrekkend

schema werd opgezet. Het moederschap zou het voorrecht zijn van enkelen

en de daartoe het best geschikten; het werk was voor de massa. Zware

tijden hadden al een mager, onvruchtbaar slag onder hen gekweekt,

en het bleek, dat slechte rantsoenen in de kinderkamer op eenvoudige

wijze een vermeerdering van die natuurlijke ongehuwden ten gevolge

hadden. En toen werd die kleine sexlooze werkbij aangekweekt, terwijl

de rijkelijk gevoede moeders langzamerhand tot zeer weinige werden

teruggebracht en eindelijk tot maar één enkele. Het was de triomf

van gemeenschappelijke zelfopoffering ten bate van het welzijn en

het hoogste voortbestaan van het ras.

Al dit mag men veronderstellen te hebben plaats gehad in oneindig

verre tijden, lang vóórdat het den mensch gelukt was zichzelf van

de apen te onderscheiden. In de honingbij van dezen tijd en haar

leven in de moderne korven hebben wij iets als de quintessence

der eeuwen: een wezen door zeldzame omstandigheden ontwikkeld naar

geest en lichaam, en deze omstandigheden haar weer dwingend tot dit

zeldzame levenssysteem. Als Ruskin's Venetiaan moet zij nobel leven, of

bezwijken. En nog wel meer wordt van haar geëischt dan de rol van huis-

en staatseconomist. Om een modernen bijenkorf de bestaansmogelijkheid

te verzekeren, moeten er bouwmeesters, rekenmeesters en scheikundigen

binnen zijn wanden huizen. De gezondheidsleer moet er grondig

behandeld worden of de bijenkorf zou binnen weinig tijd in een bijenval

verkeeren. Er moeten kundige landverkenners zijn, die een onderzoek

instellen naar nieuwe verblijfplaatsen, juist vóórdat de zwermen rijp

zijn. Er moeten opzichters zijn en ploegmeesteressen overal, om op

alles wat er in den korf omgaat toezicht te houden. En boven alles moet

er een opperste centrale macht heerschen, een vèrziende intelligentie,

die de onmiddellijke behoeften overziet en de krachten van den staat

aan het werk zet op den juisten tijd en in de juiste orde, om in die

behoeften te voorzien. Zoo dit alles niet in den hedendaagschen korf

kan gevonden worden, dan is toch de noodzakelijkheid er van niet te

ontkennen, en evenmin te ontkennen zijn de verkregen resultaten.

HOOFDSTUK VI

HET EERSTE WERK IN DE BIJENSTAD.

Met "het keeren der dagen," als de winterzon zijn nadir van zwakte

voorbij is, en voor het eerst weer een bescheiden stukje van den hemel

veroverd heeft, begint ook het eigenlijke jaar der honingbij. Dan

worden er voor het eerst enkele eieren gelegd in het hart van het

broednest; en de slaperige klomp begint teekenen van leven te geven;

de waterdragers komen in beweging en zijn in afwachting van een

helderen warmen morgen om zich aan hun werk te begeven.

Gevaarlijk werk in dit jaargetij; maar hoogst noodzakelijk. Zonder

water kunnen alléén maar op heel kleine schaal jonge bijen opgekweekt

worden. Water is er noodig op iederen trap van hun ontwikkeling, en als

het ontbreekt, is het met den vooruitgang der kolonie gedaan. Zelfs de

volwassen bijen moeten verhongeren en sterven te midden van overvloed,

als hun honingprovisie versuikerd is, en geen water voorhanden om het

onbruikbare zoet op te lossen. Ziet men in een korf honingkristallen

op den bodem liggen en bij den ingang gestrooid, dan kan men zeker

zijn, dat de toestand er hopeloos is. Dan rukken de bijen al de

proviandcellen open en gooien den gestolten honing als onbruikbaar weg

om de onderste nog vloeibare te kunnen bereiken. Als de koude buiten

zich niet ontspant of de ijmker niet klaar staat met een surrogaat,

dan moet de kolonie bezwijken. En daarom wachten de waterdragers op

den zonneschijn, en zijn eerste warmte brengt hen naar buiten om de

dichtstbijzijnde dauwdruppels te rooven of het verscholen beekje op te

zoeken, gelokt door het zoete ruischen. Velen verliezen bij dit werk

het leven in de eerste maanden van het jaar; zij komen om door de koude

van hun last op den terugweg, of worden in de vlucht door een vogel

weggepikt. Maar wat het kosten moge, het toekomstig leven in den korf

moet verzekerd zijn, al zou van de geheele bevolking ook alléén maar

de koningin-moeder overblijven om hem in zijn zomervolheid te zien.

Wij zijn gewoon ons een korf met bijen als een eeuwig blijvende

instelling te denken, waar de Dood zijn oude, bezige, gestadige rol

speelt, maar het jonge leven hem overvleugelt, juist zooals het in

den stadskorf der menschen gebeurt. De vergelijking gaat op; alléén

gebeuren in den bijenkorf de veranderingen oneindig sneller. Het leven

van een werkbij duurt niet langer dan op zijn hoogst zes maanden; en

in het drukke seizoen leeft zij, door werken uitgeput, soms niet meer

dan zes weken. Zij, die het vorig jaar den honingoogst bezorgden,

waren al dood in den herfst. De laatgeboren bijen, die den winter

ingingen met glimmend borststuk en gekreukte vleugels, leefden juist

lang genoeg om hun onmiddellijke opvolgers te voeden; en deze zullen

alleen leven om het jonge lentebroed tot vollen wasdom te brengen. Geen

enkele van hen zal ooit meer honing inzamelen. Behalve de langlevende

koningin en de oude korf met zijn bouw, wordt iedere kolonie jaarlijks

geheel vernieuwd.

Overwinteren in den eigenlijken zin komt in de bijenkorven niet

voor. De wesp-koningin en veel andere insekten overwinteren en brengen

de koude maanden door in een toestand van verdooving tot de inwerkende

warmte van het volgend jaar hen weer tot een handelend bestaan

wakker roept. Maar de bijen doen het beter: zij dringen bijeen tot

een dikken, bijna bewegingloozen klomp in het hart van den korf, met

hun kostelijke koningin in het midden en hun proviand boven hen. In

dien tijd is honing hun eenig noodige voedsel, maar een heel klein

verbruik daarvan houdt de kolonie al op de juiste temperatuur.

Wanneer zij vliegen en aan hun werk zijn of bezig binnen in den korf,

moet het stikstofhoudend stuifmeel bij hun dagelijksch rantsoen nektar

gevoegd worden om de verbruikte weefsels weer aan te vullen; maar nu

is het éénige wat zij behoeven de honing, de geconcentreerde nektar,

de warmtevoortbrenger. De bijen van den klomp, die het dichtste bij de

raten zijn, breken de volle cellen open en de honing wordt aangenomen

en doorgegeven tot iedere bij haar schamel deel heeft ontvangen.

Zuinigheid behoort nu tot de schoone kunsten. Niemand weet wanneer er

weer nieuwe voorraad te vinden zal zijn, hoewel geen kans ongebruikt

zal worden gelaten om de provisie aan te vullen bij het eerste teeken

van terugkeerende warmte. Maar tot zóólang wordt het kleinste minimum

voedsel verbruikt, en als de naastbijzijnde cellen van hun geheelen

inhoud ontdaan zijn, rijst de klomp weer wat hooger. Het systeem is

dus een soort van afgrazen van de raten, tot de dichte bijenkudde

de uiterste grens van den korf naar boven bereikt heeft; daarna moet

er naar een nieuwe weide uitgekeken. Maar het bewegen van den klomp

gaat uiterst langzaam; misschien is er geen langzamer beweging in de

gansche organische wereld. Allen weten, dat hun bestaan samenhangt

met het ledigen van de raten tot den allerlaatsten honingdroppel. Het

is een wetenschappelijk temperen van het levensvuur--een zorgvuldig

uitgedacht en volmaakt plan tot behoud van het grootst mogelijk aantal

werkbijen op het kleinst mogelijk rantsoen voedsel, zoodat in de lente

een maximum aantal broedbijen en honingdraagsters het leger moge vol

maken, dat het jonge broed, de vertegenwoordigers van de toekomstige

kolonie, moet opkweeken.

Maar winterslaap is er niet. Het is zelfs niet eens zeker of bijen wel

ooit slapen, zoowel in hun drukken, bezigen zomertijd, als in de starre

diepte van den winter; want ten alle tijden is een licht tikje op den

korf voldoende om onmiddellijk een vreesachtige kreet van binnen op

te roepen. Een luider kloppen zal heel spoedig de waakbijen aan het

vlieggat brengen om de oorzaak van die stoornis te doorgronden en

er hebben al heel wat door die waakzaamheid alleen het leven moeten

inschieten. Met vriezend weer kan men dikwijls de meezen een taptoe

zien roffelen op den korf, om dan iedere bij op te pikken die naar

buiten komt; en ook verschillende andere vogels hebben al uitgevonden,

dat zij zich aldus een middagmaal kunnen verzekeren.

Het feit, dat wanneer een volk in gezonde conditie is, het binnenste

van den korf altijd zindelijk blijft, wekt bij den nieuweling

gewoonlijk groote verbazing. 's Zomers, als de bijen gestadig in en uit

gaan, lijkt het zoo wonderlijk niet. Maar het is zeker opmerkelijk,

dat in den winter, wanneer zij weken achtereen in den korf moeten

blijven, noch de raten noch de vloer ooit met uitwerpselen bezoedeld

zijn. Deze moeilijkheid heeft het gezondheidsdepartement in den korf

al lang opgelost. Het moet wel een der allereerste vraagstukken geweest

zijn, die zich voordeden toen de honingbij op het ontwikkelingsstadium

van het gemeenschapsleven was gekomen. De ouden geloofden, dat al de

uitwerpselen door de bijen in bijzondere cellen werden gedeponeerd,

en van daar bij tusschenpoozen door de reinigingsafdeeling naar

buiten gebracht. In deze meening, hoe dwaas ook, ligt niets dat

buiten den kring valt van het bijenintellekt; integendeel; zulk een

onpraktisch plan zou zeker nooit bij het bijenvolk opkomen; omdat

het in de verste verte niet voldoende zou zijn. Welk een diepgaand

probleem het behoud der zindelijkheid in de korven is, kan men alléén

dan benaderen, wanneer men de zaak in zijn geheelen omvang beschouwt,

en dan van een menschelijk standpunt gezien. Vraag eens--en ik neem

de cijfers dan nog onvergeeflijk laag--hoeveel hoop op succes het

grootste gezondheidskundig genie van de wereld zou kunnen hebben,

als hij stond voor het probleem, een gebouw volkomen zindelijk en

volmaakt geventileerd te houden, waar 10.000 menschen opeengehoopt in

verdiepingen boven elkaar moesten leven; een gebouw, dat van boven tot

onder hermetisch dicht was, met uitzondering van een kleine opening

op het laagste plan, de eenige in- en uitgang voor al de bewoners,

en tegelijk het eenige afvoerkanaal voor de bedorven lucht en toegang

voor de zuivere lucht? De opgaaf zou al moeilijk genoeg zijn in

den zomer, als een groot gedeelte van de bevolking een heel stuk

van den dag buiten ging werken; maar in den winter, als allen weken

lang thuis moesten blijven, welk systeem zou er dan denkbaar zijn,

dat het gebouw kon verhinderen te verworden, eerst tot een mesthoop

en daarna tot een knekelhuis, waarbij vergeleken het "Zwarte Gat"

van Calcutta een model van hygiënische toevlucht zou zijn?

Toch is het verschil tusschen zulk een gebouw en een bijenkorf er maar

een van graden. De zelfde condities bestaan er, en hetzelfde kwaad moet

bestreden. Naar verhouding staan de problemen gelijk. In het geval van

den bijenkorf heeft de noodzakelijkheid van dit opeengehoopt bestaan,

zich aan zijn bewoners gaandeweg opgedrongen. Een eeuwenheugend

gebruik, inwerkend op het individu, kweekte op den langen duur een

ras, dat zich verwonderlijk heeft aangepast aan zijne bijzondere

behoeften. Waarschijnlijk gebeurde het terughouden der faeces in den

korf oorspronkelijk vrijwillig. En deze gewoonte, overgebracht van

de eene generatie op de volgende, heeft in het organisme bewerkt,

dat, wat oorspronkelijk een gewoonte was, op den duur tot een tweede

natuur moest worden, en daarmeê is ten slotte de tegenwoordige toestand

bereikt. Het is nu een feit geworden, dat de bij niet meer in staat

is zich van haar uitwerpselen te ontlasten wanneer zij in den korf

of in rust is. De betrokken spieren kunnen alléén in beweging komen,

gedurende of onmiddellijk na een flinken vlucht. In den winter, in

lange perioden van koû, verlaat geen enkele bij den korf, soms weken

achtereen; maar een enkel uurtje van warmen zonneschijn brengt de

heele kolonie naar buiten; zij vliegen dan rond den korf en men kan

gemakkelijk waarnemen hoe dan de natuurdrang bij hen werkt. Deze

reinigingsvluchten gebeuren op alle daartoe geschikte tijden en

vervullen dan een dubbel doel; want bij het terugkomen in den korf

klampen zij zich weer te samen tusschen nog onaangetaste raten,

en de oude, gestadig-opstijgende, voedingsmarsch vangt weer aan,

maar op een nieuwe plaats. In heel buitengewone tijden, als de koude

steeds blijft aanhouden, gebeurt het, dat de bevolking van een korf

den hongerdood sterft midden tusschen hun overvloed, daar er geen

gelegenheid was voor zulk een reinigingsvlucht en dus de klomp op zijn

plaats is gebleven. En hier is nu de bij het slachtoffer van haar

eigen hoogtepunt van ontwikkeling. Instinkt zou haar nooit op zulk

een dwaalspoor geleid hebben; maar voor de rede is er mogelijkheid

te dwalen, en hier dwaalt zij geweldig.

De vergelijking van een modernen bijenkorf met een gebouw, gelijk

van konstruktie, en even dicht bevolkt met menschelijke wezens, zet

het geheele vraagstuk in een scherp licht. In zulk een gebouw zou

alleen dan leven behouden kunnen worden, wanneer men er een gestadigen

luchtstroom doorheen kon leiden. Maar de bijen hebben de moeilijkheid

schitterend overwonnen, 't Zij winter of zomer, de lucht in den korf

blijft even zuiver als de buitenlucht, en de temperatuur kan naar

willekeur geregeld worden. Voor de gewone bestemming van den korf:

het honingmaken en het broeden, wordt die gewoonlijk op 80° tot 85°

Fahr. gehouden. Maar zijn de wasbouwers aan het werk, dan stijgt zij

plotseling tot 95° ongeveer, terwijl zij in de zwermkoortsperiode

dikwijls nog hooger gaat. Maar in het heetst van den zomer is het

binnen in een goed beheerden korf, tenzij de bewoners door een

emigratiewoede zijn aangegrepen, zelden meer dan 80°. En dit alles

wordt op hoogst eenvoudige wijze verkregen.

De hygiënische expert van het menschenras zou de oplossing van het

vraagstuk maar van één kant kunnen benaderen. Hij zou zoeken een

gestadigen luchtstroom mechanisch of automatisch te verkrijgen en dan

had hij een verwarmingstoestel noodig in het gebouw, of een er buiten,

dat de binnenstroomende lucht verwarmde. Maar de bijen werken naar heel

andere beginselen. Zij moeten niets hebben van het ventilatiesysteem

met gestadigen luchtstroom. Als de vernuftige ijmker luchtgaten

maakt in de wanden van den korf, dan zullen de bijen ze in den nacht

zorgvuldig weer dichtstoppen. In den ouden bijentuin hebben wij gezien

hoe het waaiersleger de onzuivere lucht uittrok. Deze bijen hadden hun

kopjes naar het vlieggat gericht. Maar binnen in den korf was een ander

leger van waaiers, naar den anderen kant gewend, en dus meehelpende

om diezelfden zijstroom uit te drijven. En op heete dagen vindt men

door bijna den geheelen korf heen waaiende bijen, die medehelpen om

de lucht in beweging te houden. Het gevolg is, dat de zuivere lucht,

die van den eenen kant van het vlieggat naar binnen gezogen wordt,

binnenin rond den korf blijft stroomen en er aan den anderen kant van

den ingang weer uittrekt, ongeveer als een touw over een katrol. De

snelste stroom blijft langs de wanden gaan en boven in den korf,

terwijl de lucht in het midden trager beweegt. Zoo liggen dus de

honingraten, die altijd boven in den korf worden geplaatst, in den

vollen luchtstroom, en het vocht, dat de rijpende honing voortdurend

afgeeft, wordt snel mee weggedragen. Maar de broedbouw, die in het

lagere middengedeelte ligt, wordt trager geventileerd en de lucht is

geheel verwarmd als zij dien bereikt. Hoe grooter het waaileger is,

des te sneller beweegt zich de luchtstroom, en des te vlugger wordt de

hitte uit den korf meêgevoerd. Volgens deze methode kunnen de bijen de

temperatuur binnen den korf regelen naar den eisch van het oogenblik;

zij zetten eenvoudig meer ploegen aan het werk in 't heetst van het

seizoen, of zetten het ventileeren stop in de koude winterdagen,

wanneer de natuurlijke warmteuitstraling van den bijenklomp volstaat

om de lichte circulatie in gang te houden, die dan voldoende is.

Soms, wanneer de kolonie buitensporig talrijk is, wordt het

waaiersleger gesplitst in twee afdeelingen, één aan iederen kant van

het vlieggat; het midden daarvan dient dan voor de instroomende

lucht. In dit geval schijnt er een dubbelstroom-stelsel van

luchtverversching te worden aangewend.

HOOFDSTUK VII

HET ONTSTAAN DER KONINGIN.

Straks is al gezegd, dat de honingbij in hare gewoonten en gebruiken

niet onwankelbaar vast is, en dat zij meer dan ééns afwijkt van hare

wetten, waarvan er slechts weinige absoluut zijn. De regel b.v. van

slechts ééne koningin voor iederen korf schijnt vaster te zijn

dan éénige andere, en toch heeft ook die zijne uitzonderingen. Er

worden authentieke voorbeelden genoemd van twee koninginnen, die

vriendschappelijk samen in denzelfden korf hebben geleefd; zij

legden ieder hun dagelijksche hoeveelheid eieren ongehinderd en

oogenschijnlijk met volkomen goedkeuring van de korfautoriteiten.

Het is nu ook vastgesteld dat een handig ijmker zijn bijen kan

gewennen aan de aanwezigheid van meer koninginnen. In Amerika zijn op

dit punt proeven genomen; maar hoewel volkomen gelukt en overtuigend,

voor zoover hun bewijskracht gaat, moet hun praktische waarde voor de

bijencultuur nog door den tijd bewezen worden. Het zou best kunnen

blijken, dat, voor de harmonie en het welzijn van een kolonie, een

vermeerdering der huisgodinnen alles behalve een weldaad is. In ieder

geval is het nu vastgesteld, dat de oude wet: één koningin tegelijk,

er geen van Meden en Perzen behoeft te zijn; maar of dit vermeerderen

op den duur houdbaar zou blijken en de honingproduktie ten goede komen,

kan alleen de tijd leeren.

Eén enkele koningin, als zij jong en krachtig en van een goeden

stam is, vermag een geheelen korf met broed te vullen zoolang het

honingseizoen duurt. Het broednest van een moderne lossebouw-kast

heeft een raatoppervlakte van meer dan 2500 vierk. cm., wat ongeveer

50.000 cellen geeft voor het uitbroeden van jonge werkbijen. Dit

getal vertegenwoordigt in de tijden van den grootsten voorspoed een

zeer vlottende bevolking; maar wanneer er bij voortduring meerdere

koninginnen in één korf geplaatst kunnen worden, en de korven zóódanig

vergroot, dat zij alle haar volle productie-vermogen ontwikkelen

kunnen, dan zullen die cijfers tot in het oneindige uitloopen. Twee

waarheden zijn aan iederen ijmker van ondervinding bekend,--ten 1e)

dat ééne groote kolonie meer honing oplegt dan twee kleine, al is

het getal bijen gelijk, en ten 2e) dat, als de honingoogst op zijn

voordeeligst is, er zelden bijen genoeg zijn om hem binnen te halen. De

groote kunst van het hedendaagsch ijmkeren komt dan ook hier op neer,

dat de bijenhouders er zich voornamelijk op toe leggen de getalsterkte

van iedere kolonie tot haar maximum te brengen, tegen dat de groote

honing-overvloed op komst is. Toch kan in een nektarrijke streek,

waar groote klavervelden tegelijk in vollen bloei staan, en de honing

in veertien dagen moet ingezameld zijn om niet verloren te gaan, zelfs

de volkrijkste bijenstand zooveel honingdraagsters niet aanbrengen om

alles binnen te halen. Waarschijnlijk gaat in bijzonder honingrijke

jaren de helft van den oogst verloren uit gebrek aan bijen om hem in te

zamelen. Als dus het nieuwe systeem van meer koninginnen levensvatbaar

blijkt, dan kunnen wij in de toekomst een omwenteling verwachten

in alle denkbeelden omtrent de bijenkultuur. Vastgesteld is nu nog

alléén, dat men zoover is gekomen vijf koninginnen te zamen in rust

en vrede één korf te laten bewonen; of echter deze wonderbaarlijke

staat van zaken duurzaam zal kunnen zijn moet nog proefondervindelijk

bewezen worden.

Een merkwaardig en verrassend gevolg van dit omverwerpen van een oude

en haast algemeene wet in de bijenwereld, is dat de neiging tot zwermen

afneemt wanneer tegelijk verscheidene moederbijen in een enkelen

korf huizen. Korven, die zóó behandeld zijn, hebben, zoover men weet,

nooit een zwerm uitgezonden. Het is een van de meest teleurstellende

ervaringen bij het ijmkeren, wanneer men een sterk en talrijk volk

zich ziet splitsen in verscheidene zwakke afdeelingen, juist vóórdat

het groote honingseizoen aanvangt, terwijl men weet, dat het ééne

noodige, getalsterkte is. En als een meervoudig koninginnen-systeem

dit kwaad kan voorkomen, dan zal het door den tijd geheiligde gebruik

zeker worden opgegeven.

Wie het bijenleven bestudeert, en den jaarlijkschen arbeid volgt

van het begin af, en zijn gestadige rustige ontwikkeling gadeslaat,

zal spoedig begrijpen, hoe het oude geloof van de autocratie van de

ééne moederbij ontstaan en geworteld is. Het is zuiver bedriegelijke

schijn. In het hart van den winterklomp ziet men de koningin bezig

haar eerste eieren te leggen, terwijl de bijen om haar heen langzaam

ontwaken tot haar plicht. Met het verloopen der weken wordt het

broednest gestadig vergroot, en het tot nu toe dicht op een gepakte

kluwen der werksters begint zich uit te breiden over steeds meer raten;

de waterdraagsters zijn onafgebroken in de weer; de stuifmeeldraagsters

al bezig tusschen de crocussen in den tuin, waar het eerste goud en

wit en purper vroolijk fladdert in den zonneschijn. Wij merken ook op,

dat de gang der werkzaamheden in den warmen korf niet samenhangt met

den almanak; maar stop gezet wordt bij iedere koude periode, en pas in

ernst in gang komt als de lente voor goed heeft ingezet. Zelfs tegen

het eind van Februari, als de katjes van de hazelaars een smaragden

schijn geven tusschen het kale hout, gaat de kolonie nog spaarzaam om

met haar provisie, en zij tracht die zoo lang mogelijk te doen strekken

met een wijze schrielheid, die meer dan gerechtvaardigd zal blijken,

als de onvermijdelijke koude dagen komen midden in den bloesemenden

Mei. Het is onmogelijk voorbij te zien, dat hier een wijze leidende

kracht werkt; en waar zou die wijsheid zetelen zoo niet in het brein

van die ééne groote bij, omstuwd door die schare, die haar huldigt en

voedt en koestert zonder ophouden--haar, de moeder van tienduizenden,

die al zijn opgegroeid, haar, die ook het zaad in zich draagt van

alle komende geslachten?

Maar de waarheid dient gezegd, dat de bijenkoningin de grootst

denkbare tegenstelling vormt van een heerscheres, in aard en

neigingen. Van intellekt heeft zij niet meer dan een zeer geringe

aanduiding. Zij heeft een prachtig lichaam, de uiterste volgzaamheid,

eenige onweerhoudbare aanvechtingen en hartstochten, en een echt

vrouwelijk zich geven en hang naar het juk: maar zij is niet in staat

tot ééne handeling, die niet uit lichamelijken aandrang ontstaat. Haar

hersensubstantie is veel geringer dan die van de werkbijen, en zij is

in heel veel andere opzichten hun mindere. De werkbijen beheerschen

haar geheel; zij ontwerpen voor haar de dagorde en gebruiken

haar tot het welzijn van de kolonie, in denzelfden geest als in

de menschenwereld een fijn en kostbaar méchanisme door een vakman

gebruikt wordt om eenig waardevol handelsartikel te vervaardigen.

In 't kort, de koningin is de eenig overgebleven vertegenwoordigster

van de vrouwelijke honingbij, en de werkbijen, die verminkte wezens,

zijn bijna evenzeer een voortbrengsel der beschaving, als het

menschenras zelf.

Iedere stap verder van nu af, in de studie van het bijenleven, gaat

door wonderen. Men ziet hoe de gewone werkbij wordt opgekweekt in een

cel, die haar een minimum van ruimte geeft voor haar ontwikkeling,

terwijl het vertrek waar de koningin gekoesterd wordt, minstens dubbel

zoo groot is als zij behoeft. De werkstercellen zijn zóó aangelegd,

dat een gegeven ruimte er zoo veel mogelijk kan bevatten, en dat

hun bouw een minimum van materiaal vereischt. Daarom zijn de cellen

zeshoeken, de eenige vorm, die den cylinder--den ideaal-vorm--nabij

komt, en waarvan een hoeveelheid bijeengevoegd kan worden, zonder

dat er tusschenruimte verloren gaat. Bovendien wordt nog de helft

van het noodzakelijk bodemmateriaal voor de cellen bespaard, door het

plaatsen van de raten rug aan rug, zoodat één bodem voor twee cellen

kan dienen. Maar die strenge spaarzaamheid wordt niet alleen aangewend

voor de konstruktie der wiegen van de werkbijen. Van het oogenblik af,

dat het ei is uitgebroed, tot de jonge larf in een pop is veranderd,

wordt slechts een karig rantsoen voedsel verstrekt, dat juist het

leven kan bewaren en de noodzakelijke ontwikkeling toelaten.

Het verhaal van de honingbij · 第 6 / 18 段