Als een Droogstoppel een natuurwaarheid behandelt, weet hij zijn

onderwerp hopeloos saai en duf te maken; maar wie een dwaling

aankweekt, omdat die zijn artistiek gevoel bevredigt, doet nog

erger. Niets is droog en beuzelachtig in de Natuur, tenzij de

mensen het zoo voorstelt; maar er was ook geen mooie, gefantaiseerde

onwaarheid, die niet, in het volle daglicht, bleek schuim en klatergoud

te zijn. Romantiek en poëzy zijn in de laatste jaren wel zeer van

plaats veranderd. Zij, die tot in het onredelijke aan het strand van

den Tijd naar oude dingen graven, en oude gedachten en gebruiken,

hebben al zoolang in hetzelfde welvoorziene hoekje gewurmd, dat zij

gevaar loopen door den vloed overspoeld te worden; en zij moeten

haast maken of het zal zwemmen voor hen worden. De menschelijke geest

begint meer en meer zich te wenden tot hen die levende waarheden

geven--naar hen die de sterren onderzoeken, die nieuwe krachten halen

uit ons aller lucht, en hen, die eindelijk de ware lezing vinden

van de oude vergane teksten der rotsen en beken. Zij zijn de ware

dichters en romantici; vertellers van wonderverhalen, en zij zullen

de menigte trekken,--want de massa is nooit ver van de waarheid in

zijn intuïties--als al de zangers van ziekelijke wijsjes en al de

harpspelers op gesprongen gouden snaren, in een droevigen optocht,

naar de plaats zijn teruggegaan waar zij thuis hooren.

Het oude verhaal--dat zoolang een eereplaats heeft ingenomen in

de schoolboeken, en in de geschriften van hen, die de wonderen

der Natuur behandelen vanuit hun studeerkamer--het oude verhaal

van de koningin-bij, die haar dertig- of veertigduizend gehoorzame

onderdanen regeert en hen onfeilbaar leidt in al hun verwonderlijke

werken en ondernemingen, die fabel moet den weg op van de rest. Want

de waarheid--door de moderne onderzoekers vastgesteld--is, dat

de koningin niet de heerscheres is in den korf; maar een getrouwer

onderdaan dan al de anderen. Wat er in het bijenleven gebeurt, gebeurt

door de werkbijen; zij alléén hebben het geheel in handen. De koningin

heeft part noch deel aan de leiding der staatsbelangen; ook heeft zij

geenerlei vermogen, geestelijk of lichamelijk, om de publieke werken te

helpen uitvoeren. Haar éénige plicht is haar moederschap, en zelfs het

initiatief daarin krijgt zij van de werkbijen. Zij is niet veel anders

dan een vernuftig mechanisme, en als zóódanig wordt zij verzorgd

en gekoesterd. Zij heeft zekere neigingen en zekere elementaire

hartstochten, die zij onfeilbaar op een zekere, vast bepaalde wijze

uit. Maar als intellekt, als produktieve kracht, telt zij niet mee. De

geest in den korf is de geest der gemeenschap, buiten de koningin en

de darren om, een overgeërfde geest, een gemeenschappelijk intellekt,

dat zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld, de totale som van alle

bijenervaring sedert de wereld der bijen begon.

Maar als de nieuwere wetenschap ons noodzaakt, om de moederbij te

ontdoen van al haar koninklijken staat en grootheid, en zoo een van

de bekoorlijkste fantasieën der oude tijden te niet-doet, dan is dit

alleen om een waarheid aan het licht te brengen, die nog treffender en

romantischer is. In het licht van dit nieuwe weten sluiten deze oude

feiten een verwonderlijk mysterie in, dieper dan het oude. Want had de

studie van het leven der bijenkorven al zulk eene aantrekkelijkheid

voor ons, toen wij nog meenden, dat het uitging van een enkel

gevleugeld atoom met sterke en overheerschende eigenschappen, hoeveel

grooter moet dan de bekoring zijn nu wij er een zeer gecompliceerd

stelsel van staatsbeheer in zien, dat is uitgedacht en wordt

bijeengehouden door de samenwerking van tienduizenden redelijke wezens.

Redelijk, met rede begaafd--het is een groot woord, een tweesnijdend

zwaard, dat voorzichtig gehanteerd moet worden. Wij zijn zoolang

gewoon het alleen te gebruiken voor onze eigen prachtige geestelijke

processen, en het schijnt ons dus belachelijk, het toe te passen

op zulk een klein partikel in de dierenwereld, als de honingbij

is. En toch, hoe dieper wij ons inwerken in al wat de bijen en haar

maatschappij betreft, des te moeilijker vinden wij een woord, dat de

slotsom van onze bevindingen juister weergeeft. "Instinkt" zegt het

niet. Instinkt bedoelt een doode volmaaktheid der motieven, die uit

alwetendheid voorkomt en in redelooze onveranderlijke organismen

werkt, tot het bereiken van een even volmaakt einddoel. Maar

van de bij kan men niet zeggen, dat zij in plan of uitvoering

onveranderlijk het volmaakte bereikt of zelfs bedoelt. Men zal

verderop zien, dat hare uitgangspunten, haar methoden, en wat zij

volbrengt heel dikwijls onmiskenbare dwalingen en feilen zijn. Zij

zal iets heel deugdelijks ondernemen en het daarna opgeven als zij

onvoorziene hindernissen ontmoet. Zij zal blindelings volhouden

in een allerdwaast beginnen en haar fout niet ontdekken tot lust

en kracht zijn uitgeput. Plotselinge omstandigheden kunnen soms

haar dringen tot de uiterste inspanning van haar vernuft, of ook

wel neerploffen in lustelooze mismoedigheid. Moed, werkzaamheid,

spaarzaamheid, wijs doorzicht, of nog wijzer nabetrachting zijn

algemeen in haar voorkomende eigenschappen. Maar zij kunnen evengoed

luiheid ontwikkelen, slofheid en slordigheid en zelfs oneerlijkheid,

als toeval of omstandigheden haar dien kant uitdrijven.

En wat anders zijn al deze fouten dan de gebreken of eigenschappen

van de Rede? Als men wil aannemen, dat bijen en menschen beide

in goddelijken oorsprong wortelen en ook in dezelfde dwalingen en

ongerijmdheden vervallen, waarom zal men dan een scheiding tusschen

hen maken, door willekeurig een verschil aan te nemen in natuurlijke

oorzaken en gevolgen?

Wanneer men voor het eerst de bijen waarneemt door de glazen wanden

van een observatie-korf, of in den haast even doelmatigen modernen

korf met lossen bouw, dan rijst deze vraag voortdurend in ons op en er

schijnt maar één antwoord te zijn. Er is iets merkwaardig menschelijks

in dat drukke bewegen bij de raten; en de oude vergelijking van een

bijenkorf met een menschenstad is steeds in onze gedachte. Het eeuwige

gaan en komen; toevallige ontmoetingen van vrienden ergens op den hoek

van een straat: geschillen waarbij wij meenen het norsche verwijt en

het kribbig antwoord te hooren; bezige metselaars, en leidekkers, en

magazijnbedienden overal aan 't werk; honderd verschillende zaken,

die omgaan in alle verkeerswegen of zijstraatjes, van den grooten

hoofdingang af, tot het verste darrenhoekje in den korf.

Ge ziet ook de groote zwaarlijvige koningin zwoegende over de raten,

van cel naar cel; steeds door haar lijfgarde omgeven. In de hoogste

verdieping van den korf zijn de honingbereidsters bezig; zij storten

het pasgegaarde zoet in de vaten, of verzegelen de rijpe honing met

afsluitingen van was.

Waar de broednesten liggen in het binnenste en warmste gedeelte van den

korf, ziet men het gestaâge bewegen van de voedsterbijen over de raten;

zij onderzoeken iedere cel om de ontwikkeling der larven te volgen en

geven ieder zijn bepaald rantsoen van bijenmelk; of als de tijd daar

is, sluiten zij de cel met een bedekking, die afzondering verzekert

en toch vrij de lucht doorlaat. Hier en daar zijn de bijen ontwaakt

uit hun vervormende verdooving en roeren zich bij de afsluiting

van hun vóorgeboorte-graven, en bijten zich er manhaftig een weg

doorheen, of strekken roode, glinsterende, begeerige tongen uit,

verlangend naar 't eind van hun langen vastentijd. Als deze jonge

gasten eindelijk zich een weg in het bestaan hebben gebaand, dan kan

men zien, hoe zij zich poetsen en opdoffen, of in de naastbijzijnde

raten naar honing zoeken, terwijl de voedsterbijen de cellen reinigen,

die zoo even verlaten werden, opdat de koningin ze klaar zou vinden,

op haar volgenden rondgang van eier-leggen.

En al deze werkzaamheden gebeuren gelijktijdig op ongeloofelijk groote

schaal. Verwonderlijke staaltjes worden daarvan aan den beschouwer

gegeven, die hij aanhoort, maar op dat oogenblik niet naar waarde kan

schatten. Men zegt hem, dat de koningin de eenige moederbij in de

kolonie is, hoe groot die zijn mag; dat zij in den opgang van haar

moederschap wel 3.000 eieren per dag legt, en dat het in haar macht

staat, naar verkiezing mannelijke of vrouwelijke eieren te leggen of

wel heelemaal geen. Men vertelt hem, dat zij, behalve wanneer zij met

een zwerm uittrekt, maar éénmaal in haar leven den korf verlaat en

dat op haar huwelijksreis, en hoe zij bij die ééne gelegenheid verkeer

heeft met den dar, ergens ongeloofelijk hoog in de blauwe lucht en den

zonneschijn van den zomerdag, en dat onvermijdelijk dadelijke dood

het eenig deel van haar bruidegom is; dat zij daarna onmiddellijk

in den korf terugkeert, en na dat ééne oogenblik de rest van haar

leven, dat nog jaren duren kan, in onbevlekten weduwstaat doorbrengt,

terwijl zij toch tot het einde toe hare vruchtbaarheid behoudt.

Zij wordt den verbijsterden nieuweling aangewezen, terwijl zij op

haar eeuwigen rondgang bij de broedraten is, en haar verschillende

eigenschappen worden hem daarbij uitgelegd. Men wijst hem hoeveel

grooter zij is dan de werkbijen; hoe haar geheele lichaamsbouw

op talrijke punten van den hunne afwijkt; hoe haar gewoonten en

instinkten haast in geen enkel opzicht dezelfde zijn als die der

gewone werksters. En eindelijk krijgt hij iets te hooren, waarbij

zelfs de beleefdste goedgeloovigheid twijfelen zou. Hoewel de

moederbij oogenschijnlijk van een geheel ander ras is, was toch het

ei, dat haar voortbracht, gelijk aan dat waaruit de kleine werksters

geboren worden. Haar grootte, de afwijkingen in vorm en getal van

hare organen, haar geestelijk verschillen, dat alles is enkel het

gevolg van behandeling en dieet. Had niet de gemeenschapsgeest het

zoo gewild, zij had dan evengoed een neutrale werkbij kunnen zijn,

en ieder van de dertig- of veertigduizend werksters had een groote

koningin-bij kunnen worden, en de eenige moeder van de geheele

kolonie. En nog verwonderlijker--de broeders, nooit de vaders van

hun eigen kolonie, zooals men vroeger meende--de darren hebben het

feit van hun geslacht geheel alleen te danken, aan den wil of gril

van de korf-autoriteit, die zich uitspreekt in het volgzame gedrag

der koningin. Tot het oogenblik vóórdat het ei gelegd wordt, is het

geslacht van de daaruit komende bij nog niet bepaald. Deze groote

wellusteling, de dar, wiens overmoedige mannelijkheid spreekt uit

al zijn doen en bewegen; zijn geheel verschillend organisme; zijn

onbekwaamheid in iets anders dan het vervullen van den éénen plicht

die van hem geëischt wordt;--want hij kan niet eens zichzelf voldoende

voeden;--zijn gewoonte zijn leven te verdeelen in een slaperig zich

vol eten te huis, en een liefdedronken dolende ridderschap buiten--deze

dar had een kleine, zwoegende werkbij kunnen zijn met een ingekrompen

en toch fijnbewerktuigd lichaam en verwonderlijk ontwikkeld brein met

den éénen drang bezield, de grootst mogelijke hoeveelheid werk af te

doen vóór de dood haar roept, en die gewapend is met een vreeselijken

vergiftigen angel, dien ook de dar moet missen.

Het zou nutteloos zijn den leerling nu al te zeggen, dat al die

ingrijpende verschillen--wonderen in waarheid, in den gewonen zin van

het woord--door de leidende machten in den korf bewerkstelligd worden,

op zeer gemakkelijk te verklaren wijze. Want op dit oogenblik heeft hij

allen zin voor de détails verloren, hoe opmerkelijk zij mogen zijn,

door het nieuwe inzicht, dat hij verkreeg in zulk een veelomvattend

staatsbeleid. Hier is nu een gemeenschap, die naar het schijnt alle

problemen heeft opgelost in verband met het welzijn en den vooruitgang

van een talrijke, hooggeorganiseerde maatschappij. Moeilijkheden,

die de socialistische filosofen bij de menschen in verwarring brengen,

of die donker opdoemen in de nabije toekomst--vraagstukken betreffende

de vermeerdering der individuen in verband met den voedselvoorraad,

het evenwicht der geslachten, communaal of individueel eigendom,

geschiktheid voor het ouderschap, de opperheerschappij van Recht

of Macht--dit alles schijnt al lang geleden te zijn vastgesteld in

deze verwonderlijke bijenrepubliek. Een bijenkorf in goede condities

schijnt ons een levend voorbeeld, een volmaakte les van aanschouwelijk

onderwijs, in zake de beteekenis van het Socialisme, wanneer het

tot in zijn strengste uiterste konsequenties wordt doorgevoerd,

zoowel voor menschelijke- als voor bijenstaten. Hier is een aantal

individuen aanwezig, tusschen tienduizend en vijftig- of zestigduizend,

al naar mate hun toestand of het jaargetij, dat in een ruimte van

een paar kubieke voeten gezond en gemakkelijk leeft. Het beginsel:

de grootst mogelijke welstand voor het grootste aantal, is hier tot

het hoofdbeginsel geworden waarvoor ieder zich heeft te buigen. De

fictie van het koningschap wordt gehandhaafd in harmonie met den

volkomen republikeinschen geest. Het vrouwelijk element heerscht

in alles, het mannelijke in niets. De groei der bevolking wordt

aangezet of tegengehouden al naar dat de schatting uitvalt van de

aanwezige of toekomstige provisie. De verhouding der geslachten

wordt naar willekeur gewijzigd. De regel, dat wie niet werken kan,

niet leven zal, wordt met meedoogenlooze gestrengheid toegepast. Al

het bijeengebrachte staatsbezit behoort de gemeenschap. Wanneer de

kolonie te talrijk blijkt en de grenzen niet uitgelegd kunnen worden,

dan is een groot gedeelte der inwoners genoodzaakt uit te trekken,

en zij mogen niet meer nemen van het staatsbezit dan wat zij kunnen

meedragen en verliezen alle recht op de rest. Het leidende vrouwelijke

element schijnt besloten te hebben dat slechts één uit hun getal

het voorrecht zal worden toegekend het moederschap uit te oefenen;

en als haar vruchtbaarheid afneemt, wordt zij afgezet en er komt een

nieuwe moederbij, daartoe opzettelijk gekweekt, in haar plaats.

Al deze feiten betreffende het bijenleven en nog een aantal andere

verdringen zich in het verbijsterde hoofd van den nieuweling tot hij

niets meer kan opnemen. Hij begint nu eindelijk in te zien, dat hij

een veelomvattende stof te vluchtig heeft willen bemachtigen en het

verkeerd heeft aangepakt; ongeveer zooals een studeerend jongeling,

die besluitende tot de studie van een nieuwen moeilijken tak van

wetenschap, aan het eind van een verhandeling begint en zich dan te

midden van termen en equaties voelt, waarvan hij niets begrijpt. Al

dit verwarde gekijk door korfvensters, en luisteren naar brokjes

verbazingwekkende bijzonderheden, is eigenlijk niets anders dan

het bijenlevensboek openslaan op goed geluk, en dan hier en daar een

bladzijde te lezen krijgen zonder verband, waardoor men vage, vluchtige

indrukken ontvangt van zekere in 't oogspringende, kaleidoscopische

bijzonderheden, maar geen grondige en aaneengeschakelde kennis der

feiten. En er zit niets anders op--als hij in waarheid het leven der

honingbijen wil kennen--dan terug te gaan tot de eerste bladzij van het

boek en vastberaden door te werken tot het einde--als er een eind is.

Iedereen kent de Engelsche honingbij--de zwarte bij wordt zij

genoemd, gedeeltelijk om haar te onderscheiden van haar buitenlandsche

concurrenten en gedeeltelijk, zou men denken, omdat zij in 't geheel

niet zwart is; maar van een diep donker bruin.--Maar niet iedereen

kent haar oorsprong. Waarschijnlijk kwam zij uit de tropen tot ons,

bij korte dagreizen, een latere zwerm weer verder dan de vorige, tot

de ondernemendste van allen het Kanaal overstak in heel verre tijden,

toen het Kanaal nog maar een smalle streep water was, of misschien

wel vóórdat Groot-Brittannië van het vasteland was losgeraakt.

Het was de zwarte bij, en niet de kleurige Italiaansche of eenige

andere variëteit, die naar Engeland kwam, misschien om dezelfde

reden als waarom de Kelten kwamen--omdat zij een forsch ras waren,

dat aan de frissche noordelijke atmosfeer de voorkeur gaf en er ook

beter tegen bestand was, dan tegen de hitte en zware lucht van het

zuiden. De moderne engelsche bijenkweekers, die zooveel moeite doen

om de goudgegordelde of zilvergefransde rassen van andere landen

te acclimatiseeren, mochten dit wel in het oog houden. Het groote

twistpunt tusschen de Britsche ijmkers tegenwoordig gaat over de

betrekkelijke verdiensten van de oorspronkelijke en de ingevoerde

stammen. Maar hier heeft toch zeker de Natuur niet gedwaald. South-Down

schapen kunnen in alle graafschappen geteeld worden; maar nergens

gelukt het zóó als op "Downs" van Sussex. Ditzelfde geldt voor de

Engelsche bij. De eeuwen hebben uit haar tropischen oorsprong dát

ontwikkeld wat zij nu is--een sterk, uitsluitend Britsch wezen,

dat door alle grillen van het klimaat is heengegroeid en er tegen

bestand is, terwijl haar teêrder zusters van het zuiden een harden

dobber hebben zich er door te slaan. Zij houdt het tegen hen uit,

dubbel en dwars. In de zeldzame jaren dat in letterlijken zin het land

overvloeit van honing, staan de wedijverende honingmakers wel gelijk;

maar alles saâmgenomen, goed en kwaad, vroeg en laat, verslaat toch

de Engelsche zwarte bij op den duur al haar mededingsters. Duizenden

van jaren waren noodig om van haar te maken wat zij is, en mogelijk

zullen ook duizenden van jaren de geelgerokte Ligurische geschikt

afleveren voor het werk in Brittanje. Maar werken voor zulk een ver

nageslacht zou een altruïsme zijn voor engelen, niet voor menschen.

In den verren oertijd bekommerde de bij zich zeker niet om iets als een

korf, en zij zal haar raten wel hebben gehangen waar in de bosschen een

tak daartoe geschikt leek, zooals nu nog de bijen in Indië het doen. De

gewoonte een plaats te zoeken in een hollen boom of rotsspleet, zal

zij denkelijk verkregen hebben toen zij noordelijker was getrokken,

en een beschutting voor koude of het slechte jaargetij meer en meer

noodzaak werd. De tegenwoordige gewoonten van in het wild levende

dieren geven ons eenig denkbeeld van hunne levenswijze in vroeger

tijden; maar het is bovenal in hunne afwijkingen van die gewoonten, dat

wij een juiste aanwijzing krijgen van hun leven in den oorspronkelijken

natuurstaat. Als verdwaalde bijenzwermen geen betere plek vinden, dan

bouwen zij dikwijls in de open lucht, en hangen hun wassen huizen aan

een horizontalen tak, of maken hun nest in het dichtst van een boschje.

De gewoonten van de honingbij zijn vol van zulke afwijkingen;

misschien dat tusschen hun moderne behoeften dan vage herinneringen

rijzen aan den oertijd. Het uitgaan der zwerm is mogelijk niets

anders dan een overgebleven oud proces, noodzakelijk in zijn tijd;

maar dat in de hedendaagsche beschaafde condities den prikkel dier

absolute noodzakelijkheid mist. Want het bijenleven, zoo oud als het

is, is een door evolutie verkregen beschaving, en niet een overgebleven

oertoestand. Het is begrijpelijk, dat de vossen hun holen, en de vogels

hun nesten hebben, zooals wij ze hadden, sedert Adam om Eva wierf. Maar

de honigbij in de twintigste eeuw is niet van dat soort. Zelfs is

misschien het gemeenschapsleven in een betrekkelijk late periode

van haar ontwikkeling ingetreden. Het is mogelijk eenig denkbeeld

te krijgen van wat zij zich in den loop der tijden veroverde, door

het bestudeeren van de levensgewoonten van andere wezens, die haar

verwant zijn, maar veel minder ver gekomen dan zij. Er zijn verre

betrekkingen van haar, eenzame, kleine boschwespjes en anderen,

die zich nooit met hun soort vereenigen; maar hunne zomerdagen in

eenzaamheid leven en met het kwijnend jaargetij sterven, terwijl zij

de voortplanting van hun soort nalaten aan een kroost, dat zij nooit

zullen zien. De gewone wesp staat in ontwikkeling dichter bij de

honingbij; maar toch nog heel ver achter. De bevruchte koningin-wesp

komt uit haar winterschuilplaats; maakt in een gat in den grond een

paar cellen en legt daarin haar eerste eieren, en zoo sticht zij een

kolonie, die hoewel zij in het seizoen volkrijk genoeg is, toch bij

de eerste winterkoude moet bezwijken.

Misschien hebben in den oertijd de bijen in de tropen in afzonderlijke

families geleefd, ieder met zijn vruchtbare moeder en zijn luien

lummelenden vader, den Turveydrop [5] van de schepping--en hun

stortvloed van kroost, waarvan ieder volwassen individu uit zou

trekken om zich een eigen thuis in te richten. De moderne bijenstad

met zijn ingewikkelde stelsels en wetten, en zijn immense drommen

van bewoners, is misschien ontstaan toen verandering van woonplaats

en klimaat een nieuwe levenswijs gebood. Het leven in gestadige

warmte, in een land waar bloei na bloei kwam in oneindige opvolging,

maakte zulk een samenwerking niet noodig. Dat ééne, kleine gezin, in

zijn met mos gedekt hoekje, kon zijn eigen temperatuur onderhouden,

en waar een eeuwige nektarbron vloeide was voorzorg dwaasheid, de

winterprovisie was er van zelf.

Maar naarmate de jonge bijen, die, hun woonplaats verlatende, altijd

verder naar het noorden vlogen, eerst aan de gematigde zônen kwamen en

toen binnen het bereik der pool-invloeden, werden de omstandigheden

geleidelijk anders. De eeuwige honingtuin was achtergebleven, en

ieder jaar kwam er een tijd--eerst kort maar steeds onherroepelijk

langer--dat er geen bloemen waren. Toen moet de harde noodzakelijkheid

de bijen wel geleerd hebben, in het koude jaargetijde zooveel mogelijk

bijeen te dringen tot het behoud van warmte; en toen de koude perioden

langer en langer werden, moesten zij voor winterprovisie zorgen, die

duren kon tot de lentezon weer de aarde zou liefkoozen en zij bloemen

gaf. En zoo moeten de eerste gemeenschappelijke bijennesten ontstaan

zijn door den nooddrang van het ras: de eerste gemeenschappelijke

voorraadschuren moesten ingesteld, voor een menigte van onvoorziene

moeilijkheden moest een uitweg gezocht, en de geest der vinding moest

tot de uiterste spanning vaardig zijn. Want nooit heeft Pandora

haar wonderkist met ernstiger gevolgen op aarde geopend, dan toen

de Groot-Kunstenaar de honingbij als voorbeeld in het stedenbouwen

stelde voor de nomadische menschen-wereld.

Van het samenscholen der afzonderlijke bijenfamilies ter wederzijdsche

bescherming tegen de elementen, tot een algeheele samensmelting

van levensbelangen, moet, zooals de natuur werkt, maar één stap

geweest zijn. Maar er zullen tijden van groote beroering zijn

geweest--sociale oproeren, rampen bij de opvoeding, en vernietigende

geslachtsoorlogen. De bijenwereld zal op zijn grondvesten hebben

geschud. Wanneer en hoe de vrouwelijke bij het eerst de opperste

leiding kreeg, is onnoodig na te sporen. Maar het is zeker dàt zij

die verkreeg en steeds bleef handhaven. Het vraagstuk der bevolking

moet het overwegend probleem zijn geweest. Met honderden vruchtbare

moeders in den korf, die haar eigen kroost opkweekten, en een schaar

luie, onverantwoordelijke darren, die niet anders konden dan dansen

in den zonneschijn en uit vrijen gaan; hoe moest in de benoodigde

dagelijksche consumptie voorzien worden, om nog niet te spreken van

de provisie voor de komende winterdagen?

Hier ging het om ingrijpende veranderingen of volslagen ondergang,

en het is begrijpelijk, dat de vrouwelijke bijen, toen het initiatief

bij de mannen ontbrak, de teugels in handen namen.

Het verhaal van de honingbij · 第 5 / 18 段