onderwerp hopeloos saai en duf te maken; maar wie een dwaling
aankweekt, omdat die zijn artistiek gevoel bevredigt, doet nog
erger. Niets is droog en beuzelachtig in de Natuur, tenzij de
mensen het zoo voorstelt; maar er was ook geen mooie, gefantaiseerde
onwaarheid, die niet, in het volle daglicht, bleek schuim en klatergoud
te zijn. Romantiek en poëzy zijn in de laatste jaren wel zeer van
plaats veranderd. Zij, die tot in het onredelijke aan het strand van
den Tijd naar oude dingen graven, en oude gedachten en gebruiken,
hebben al zoolang in hetzelfde welvoorziene hoekje gewurmd, dat zij
gevaar loopen door den vloed overspoeld te worden; en zij moeten
haast maken of het zal zwemmen voor hen worden. De menschelijke geest
begint meer en meer zich te wenden tot hen die levende waarheden
geven--naar hen die de sterren onderzoeken, die nieuwe krachten halen
uit ons aller lucht, en hen, die eindelijk de ware lezing vinden
van de oude vergane teksten der rotsen en beken. Zij zijn de ware
dichters en romantici; vertellers van wonderverhalen, en zij zullen
de menigte trekken,--want de massa is nooit ver van de waarheid in
zijn intuïties--als al de zangers van ziekelijke wijsjes en al de
harpspelers op gesprongen gouden snaren, in een droevigen optocht,
naar de plaats zijn teruggegaan waar zij thuis hooren.
Het oude verhaal--dat zoolang een eereplaats heeft ingenomen in
de schoolboeken, en in de geschriften van hen, die de wonderen
der Natuur behandelen vanuit hun studeerkamer--het oude verhaal
van de koningin-bij, die haar dertig- of veertigduizend gehoorzame
onderdanen regeert en hen onfeilbaar leidt in al hun verwonderlijke
werken en ondernemingen, die fabel moet den weg op van de rest. Want
de waarheid--door de moderne onderzoekers vastgesteld--is, dat
de koningin niet de heerscheres is in den korf; maar een getrouwer
onderdaan dan al de anderen. Wat er in het bijenleven gebeurt, gebeurt
door de werkbijen; zij alléén hebben het geheel in handen. De koningin
heeft part noch deel aan de leiding der staatsbelangen; ook heeft zij
geenerlei vermogen, geestelijk of lichamelijk, om de publieke werken te
helpen uitvoeren. Haar éénige plicht is haar moederschap, en zelfs het
initiatief daarin krijgt zij van de werkbijen. Zij is niet veel anders
dan een vernuftig mechanisme, en als zóódanig wordt zij verzorgd
en gekoesterd. Zij heeft zekere neigingen en zekere elementaire
hartstochten, die zij onfeilbaar op een zekere, vast bepaalde wijze
uit. Maar als intellekt, als produktieve kracht, telt zij niet mee. De
geest in den korf is de geest der gemeenschap, buiten de koningin en
de darren om, een overgeërfde geest, een gemeenschappelijk intellekt,
dat zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld, de totale som van alle
bijenervaring sedert de wereld der bijen begon.
Maar als de nieuwere wetenschap ons noodzaakt, om de moederbij te
ontdoen van al haar koninklijken staat en grootheid, en zoo een van
de bekoorlijkste fantasieën der oude tijden te niet-doet, dan is dit
alleen om een waarheid aan het licht te brengen, die nog treffender en
romantischer is. In het licht van dit nieuwe weten sluiten deze oude
feiten een verwonderlijk mysterie in, dieper dan het oude. Want had de
studie van het leven der bijenkorven al zulk eene aantrekkelijkheid
voor ons, toen wij nog meenden, dat het uitging van een enkel
gevleugeld atoom met sterke en overheerschende eigenschappen, hoeveel
grooter moet dan de bekoring zijn nu wij er een zeer gecompliceerd
stelsel van staatsbeheer in zien, dat is uitgedacht en wordt
bijeengehouden door de samenwerking van tienduizenden redelijke wezens.
Redelijk, met rede begaafd--het is een groot woord, een tweesnijdend
zwaard, dat voorzichtig gehanteerd moet worden. Wij zijn zoolang
gewoon het alleen te gebruiken voor onze eigen prachtige geestelijke
processen, en het schijnt ons dus belachelijk, het toe te passen
op zulk een klein partikel in de dierenwereld, als de honingbij
is. En toch, hoe dieper wij ons inwerken in al wat de bijen en haar
maatschappij betreft, des te moeilijker vinden wij een woord, dat de
slotsom van onze bevindingen juister weergeeft. "Instinkt" zegt het
niet. Instinkt bedoelt een doode volmaaktheid der motieven, die uit
alwetendheid voorkomt en in redelooze onveranderlijke organismen
werkt, tot het bereiken van een even volmaakt einddoel. Maar
van de bij kan men niet zeggen, dat zij in plan of uitvoering
onveranderlijk het volmaakte bereikt of zelfs bedoelt. Men zal
verderop zien, dat hare uitgangspunten, haar methoden, en wat zij
volbrengt heel dikwijls onmiskenbare dwalingen en feilen zijn. Zij
zal iets heel deugdelijks ondernemen en het daarna opgeven als zij
onvoorziene hindernissen ontmoet. Zij zal blindelings volhouden
in een allerdwaast beginnen en haar fout niet ontdekken tot lust
en kracht zijn uitgeput. Plotselinge omstandigheden kunnen soms
haar dringen tot de uiterste inspanning van haar vernuft, of ook
wel neerploffen in lustelooze mismoedigheid. Moed, werkzaamheid,
spaarzaamheid, wijs doorzicht, of nog wijzer nabetrachting zijn
algemeen in haar voorkomende eigenschappen. Maar zij kunnen evengoed
luiheid ontwikkelen, slofheid en slordigheid en zelfs oneerlijkheid,
als toeval of omstandigheden haar dien kant uitdrijven.
En wat anders zijn al deze fouten dan de gebreken of eigenschappen
van de Rede? Als men wil aannemen, dat bijen en menschen beide
in goddelijken oorsprong wortelen en ook in dezelfde dwalingen en
ongerijmdheden vervallen, waarom zal men dan een scheiding tusschen
hen maken, door willekeurig een verschil aan te nemen in natuurlijke
oorzaken en gevolgen?
Wanneer men voor het eerst de bijen waarneemt door de glazen wanden
van een observatie-korf, of in den haast even doelmatigen modernen
korf met lossen bouw, dan rijst deze vraag voortdurend in ons op en er
schijnt maar één antwoord te zijn. Er is iets merkwaardig menschelijks
in dat drukke bewegen bij de raten; en de oude vergelijking van een
bijenkorf met een menschenstad is steeds in onze gedachte. Het eeuwige
gaan en komen; toevallige ontmoetingen van vrienden ergens op den hoek
van een straat: geschillen waarbij wij meenen het norsche verwijt en
het kribbig antwoord te hooren; bezige metselaars, en leidekkers, en
magazijnbedienden overal aan 't werk; honderd verschillende zaken,
die omgaan in alle verkeerswegen of zijstraatjes, van den grooten
hoofdingang af, tot het verste darrenhoekje in den korf.
Ge ziet ook de groote zwaarlijvige koningin zwoegende over de raten,
van cel naar cel; steeds door haar lijfgarde omgeven. In de hoogste
verdieping van den korf zijn de honingbereidsters bezig; zij storten
het pasgegaarde zoet in de vaten, of verzegelen de rijpe honing met
afsluitingen van was.
Waar de broednesten liggen in het binnenste en warmste gedeelte van den
korf, ziet men het gestaâge bewegen van de voedsterbijen over de raten;
zij onderzoeken iedere cel om de ontwikkeling der larven te volgen en
geven ieder zijn bepaald rantsoen van bijenmelk; of als de tijd daar
is, sluiten zij de cel met een bedekking, die afzondering verzekert
en toch vrij de lucht doorlaat. Hier en daar zijn de bijen ontwaakt
uit hun vervormende verdooving en roeren zich bij de afsluiting
van hun vóorgeboorte-graven, en bijten zich er manhaftig een weg
doorheen, of strekken roode, glinsterende, begeerige tongen uit,
verlangend naar 't eind van hun langen vastentijd. Als deze jonge
gasten eindelijk zich een weg in het bestaan hebben gebaand, dan kan
men zien, hoe zij zich poetsen en opdoffen, of in de naastbijzijnde
raten naar honing zoeken, terwijl de voedsterbijen de cellen reinigen,
die zoo even verlaten werden, opdat de koningin ze klaar zou vinden,
op haar volgenden rondgang van eier-leggen.
En al deze werkzaamheden gebeuren gelijktijdig op ongeloofelijk groote
schaal. Verwonderlijke staaltjes worden daarvan aan den beschouwer
gegeven, die hij aanhoort, maar op dat oogenblik niet naar waarde kan
schatten. Men zegt hem, dat de koningin de eenige moederbij in de
kolonie is, hoe groot die zijn mag; dat zij in den opgang van haar
moederschap wel 3.000 eieren per dag legt, en dat het in haar macht
staat, naar verkiezing mannelijke of vrouwelijke eieren te leggen of
wel heelemaal geen. Men vertelt hem, dat zij, behalve wanneer zij met
een zwerm uittrekt, maar éénmaal in haar leven den korf verlaat en
dat op haar huwelijksreis, en hoe zij bij die ééne gelegenheid verkeer
heeft met den dar, ergens ongeloofelijk hoog in de blauwe lucht en den
zonneschijn van den zomerdag, en dat onvermijdelijk dadelijke dood
het eenig deel van haar bruidegom is; dat zij daarna onmiddellijk
in den korf terugkeert, en na dat ééne oogenblik de rest van haar
leven, dat nog jaren duren kan, in onbevlekten weduwstaat doorbrengt,
terwijl zij toch tot het einde toe hare vruchtbaarheid behoudt.
Zij wordt den verbijsterden nieuweling aangewezen, terwijl zij op
haar eeuwigen rondgang bij de broedraten is, en haar verschillende
eigenschappen worden hem daarbij uitgelegd. Men wijst hem hoeveel
grooter zij is dan de werkbijen; hoe haar geheele lichaamsbouw
op talrijke punten van den hunne afwijkt; hoe haar gewoonten en
instinkten haast in geen enkel opzicht dezelfde zijn als die der
gewone werksters. En eindelijk krijgt hij iets te hooren, waarbij
zelfs de beleefdste goedgeloovigheid twijfelen zou. Hoewel de
moederbij oogenschijnlijk van een geheel ander ras is, was toch het
ei, dat haar voortbracht, gelijk aan dat waaruit de kleine werksters
geboren worden. Haar grootte, de afwijkingen in vorm en getal van
hare organen, haar geestelijk verschillen, dat alles is enkel het
gevolg van behandeling en dieet. Had niet de gemeenschapsgeest het
zoo gewild, zij had dan evengoed een neutrale werkbij kunnen zijn,
en ieder van de dertig- of veertigduizend werksters had een groote
koningin-bij kunnen worden, en de eenige moeder van de geheele
kolonie. En nog verwonderlijker--de broeders, nooit de vaders van
hun eigen kolonie, zooals men vroeger meende--de darren hebben het
feit van hun geslacht geheel alleen te danken, aan den wil of gril
van de korf-autoriteit, die zich uitspreekt in het volgzame gedrag
der koningin. Tot het oogenblik vóórdat het ei gelegd wordt, is het
geslacht van de daaruit komende bij nog niet bepaald. Deze groote
wellusteling, de dar, wiens overmoedige mannelijkheid spreekt uit
al zijn doen en bewegen; zijn geheel verschillend organisme; zijn
onbekwaamheid in iets anders dan het vervullen van den éénen plicht
die van hem geëischt wordt;--want hij kan niet eens zichzelf voldoende
voeden;--zijn gewoonte zijn leven te verdeelen in een slaperig zich
vol eten te huis, en een liefdedronken dolende ridderschap buiten--deze
dar had een kleine, zwoegende werkbij kunnen zijn met een ingekrompen
en toch fijnbewerktuigd lichaam en verwonderlijk ontwikkeld brein met
den éénen drang bezield, de grootst mogelijke hoeveelheid werk af te
doen vóór de dood haar roept, en die gewapend is met een vreeselijken
vergiftigen angel, dien ook de dar moet missen.
Het zou nutteloos zijn den leerling nu al te zeggen, dat al die
ingrijpende verschillen--wonderen in waarheid, in den gewonen zin van
het woord--door de leidende machten in den korf bewerkstelligd worden,
op zeer gemakkelijk te verklaren wijze. Want op dit oogenblik heeft hij
allen zin voor de détails verloren, hoe opmerkelijk zij mogen zijn,
door het nieuwe inzicht, dat hij verkreeg in zulk een veelomvattend
staatsbeleid. Hier is nu een gemeenschap, die naar het schijnt alle
problemen heeft opgelost in verband met het welzijn en den vooruitgang
van een talrijke, hooggeorganiseerde maatschappij. Moeilijkheden,
die de socialistische filosofen bij de menschen in verwarring brengen,
of die donker opdoemen in de nabije toekomst--vraagstukken betreffende
de vermeerdering der individuen in verband met den voedselvoorraad,
het evenwicht der geslachten, communaal of individueel eigendom,
geschiktheid voor het ouderschap, de opperheerschappij van Recht
of Macht--dit alles schijnt al lang geleden te zijn vastgesteld in
deze verwonderlijke bijenrepubliek. Een bijenkorf in goede condities
schijnt ons een levend voorbeeld, een volmaakte les van aanschouwelijk
onderwijs, in zake de beteekenis van het Socialisme, wanneer het
tot in zijn strengste uiterste konsequenties wordt doorgevoerd,
zoowel voor menschelijke- als voor bijenstaten. Hier is een aantal
individuen aanwezig, tusschen tienduizend en vijftig- of zestigduizend,
al naar mate hun toestand of het jaargetij, dat in een ruimte van
een paar kubieke voeten gezond en gemakkelijk leeft. Het beginsel:
de grootst mogelijke welstand voor het grootste aantal, is hier tot
het hoofdbeginsel geworden waarvoor ieder zich heeft te buigen. De
fictie van het koningschap wordt gehandhaafd in harmonie met den
volkomen republikeinschen geest. Het vrouwelijk element heerscht
in alles, het mannelijke in niets. De groei der bevolking wordt
aangezet of tegengehouden al naar dat de schatting uitvalt van de
aanwezige of toekomstige provisie. De verhouding der geslachten
wordt naar willekeur gewijzigd. De regel, dat wie niet werken kan,
niet leven zal, wordt met meedoogenlooze gestrengheid toegepast. Al
het bijeengebrachte staatsbezit behoort de gemeenschap. Wanneer de
kolonie te talrijk blijkt en de grenzen niet uitgelegd kunnen worden,
dan is een groot gedeelte der inwoners genoodzaakt uit te trekken,
en zij mogen niet meer nemen van het staatsbezit dan wat zij kunnen
meedragen en verliezen alle recht op de rest. Het leidende vrouwelijke
element schijnt besloten te hebben dat slechts één uit hun getal
het voorrecht zal worden toegekend het moederschap uit te oefenen;
en als haar vruchtbaarheid afneemt, wordt zij afgezet en er komt een
nieuwe moederbij, daartoe opzettelijk gekweekt, in haar plaats.
Al deze feiten betreffende het bijenleven en nog een aantal andere
verdringen zich in het verbijsterde hoofd van den nieuweling tot hij
niets meer kan opnemen. Hij begint nu eindelijk in te zien, dat hij
een veelomvattende stof te vluchtig heeft willen bemachtigen en het
verkeerd heeft aangepakt; ongeveer zooals een studeerend jongeling,
die besluitende tot de studie van een nieuwen moeilijken tak van
wetenschap, aan het eind van een verhandeling begint en zich dan te
midden van termen en equaties voelt, waarvan hij niets begrijpt. Al
dit verwarde gekijk door korfvensters, en luisteren naar brokjes
verbazingwekkende bijzonderheden, is eigenlijk niets anders dan
het bijenlevensboek openslaan op goed geluk, en dan hier en daar een
bladzijde te lezen krijgen zonder verband, waardoor men vage, vluchtige
indrukken ontvangt van zekere in 't oogspringende, kaleidoscopische
bijzonderheden, maar geen grondige en aaneengeschakelde kennis der
feiten. En er zit niets anders op--als hij in waarheid het leven der
honingbijen wil kennen--dan terug te gaan tot de eerste bladzij van het
boek en vastberaden door te werken tot het einde--als er een eind is.
Iedereen kent de Engelsche honingbij--de zwarte bij wordt zij
genoemd, gedeeltelijk om haar te onderscheiden van haar buitenlandsche
concurrenten en gedeeltelijk, zou men denken, omdat zij in 't geheel
niet zwart is; maar van een diep donker bruin.--Maar niet iedereen
kent haar oorsprong. Waarschijnlijk kwam zij uit de tropen tot ons,
bij korte dagreizen, een latere zwerm weer verder dan de vorige, tot
de ondernemendste van allen het Kanaal overstak in heel verre tijden,
toen het Kanaal nog maar een smalle streep water was, of misschien
wel vóórdat Groot-Brittannië van het vasteland was losgeraakt.
Het was de zwarte bij, en niet de kleurige Italiaansche of eenige
andere variëteit, die naar Engeland kwam, misschien om dezelfde
reden als waarom de Kelten kwamen--omdat zij een forsch ras waren,
dat aan de frissche noordelijke atmosfeer de voorkeur gaf en er ook
beter tegen bestand was, dan tegen de hitte en zware lucht van het
zuiden. De moderne engelsche bijenkweekers, die zooveel moeite doen
om de goudgegordelde of zilvergefransde rassen van andere landen
te acclimatiseeren, mochten dit wel in het oog houden. Het groote
twistpunt tusschen de Britsche ijmkers tegenwoordig gaat over de
betrekkelijke verdiensten van de oorspronkelijke en de ingevoerde
stammen. Maar hier heeft toch zeker de Natuur niet gedwaald. South-Down
schapen kunnen in alle graafschappen geteeld worden; maar nergens
gelukt het zóó als op "Downs" van Sussex. Ditzelfde geldt voor de
Engelsche bij. De eeuwen hebben uit haar tropischen oorsprong dát
ontwikkeld wat zij nu is--een sterk, uitsluitend Britsch wezen,
dat door alle grillen van het klimaat is heengegroeid en er tegen
bestand is, terwijl haar teêrder zusters van het zuiden een harden
dobber hebben zich er door te slaan. Zij houdt het tegen hen uit,
dubbel en dwars. In de zeldzame jaren dat in letterlijken zin het land
overvloeit van honing, staan de wedijverende honingmakers wel gelijk;
maar alles saâmgenomen, goed en kwaad, vroeg en laat, verslaat toch
de Engelsche zwarte bij op den duur al haar mededingsters. Duizenden
van jaren waren noodig om van haar te maken wat zij is, en mogelijk
zullen ook duizenden van jaren de geelgerokte Ligurische geschikt
afleveren voor het werk in Brittanje. Maar werken voor zulk een ver
nageslacht zou een altruïsme zijn voor engelen, niet voor menschen.
In den verren oertijd bekommerde de bij zich zeker niet om iets als een
korf, en zij zal haar raten wel hebben gehangen waar in de bosschen een
tak daartoe geschikt leek, zooals nu nog de bijen in Indië het doen. De
gewoonte een plaats te zoeken in een hollen boom of rotsspleet, zal
zij denkelijk verkregen hebben toen zij noordelijker was getrokken,
en een beschutting voor koude of het slechte jaargetij meer en meer
noodzaak werd. De tegenwoordige gewoonten van in het wild levende
dieren geven ons eenig denkbeeld van hunne levenswijze in vroeger
tijden; maar het is bovenal in hunne afwijkingen van die gewoonten, dat
wij een juiste aanwijzing krijgen van hun leven in den oorspronkelijken
natuurstaat. Als verdwaalde bijenzwermen geen betere plek vinden, dan
bouwen zij dikwijls in de open lucht, en hangen hun wassen huizen aan
een horizontalen tak, of maken hun nest in het dichtst van een boschje.
De gewoonten van de honingbij zijn vol van zulke afwijkingen;
misschien dat tusschen hun moderne behoeften dan vage herinneringen
rijzen aan den oertijd. Het uitgaan der zwerm is mogelijk niets
anders dan een overgebleven oud proces, noodzakelijk in zijn tijd;
maar dat in de hedendaagsche beschaafde condities den prikkel dier
absolute noodzakelijkheid mist. Want het bijenleven, zoo oud als het
is, is een door evolutie verkregen beschaving, en niet een overgebleven
oertoestand. Het is begrijpelijk, dat de vossen hun holen, en de vogels
hun nesten hebben, zooals wij ze hadden, sedert Adam om Eva wierf. Maar
de honigbij in de twintigste eeuw is niet van dat soort. Zelfs is
misschien het gemeenschapsleven in een betrekkelijk late periode
van haar ontwikkeling ingetreden. Het is mogelijk eenig denkbeeld
te krijgen van wat zij zich in den loop der tijden veroverde, door
het bestudeeren van de levensgewoonten van andere wezens, die haar
verwant zijn, maar veel minder ver gekomen dan zij. Er zijn verre
betrekkingen van haar, eenzame, kleine boschwespjes en anderen,
die zich nooit met hun soort vereenigen; maar hunne zomerdagen in
eenzaamheid leven en met het kwijnend jaargetij sterven, terwijl zij
de voortplanting van hun soort nalaten aan een kroost, dat zij nooit
zullen zien. De gewone wesp staat in ontwikkeling dichter bij de
honingbij; maar toch nog heel ver achter. De bevruchte koningin-wesp
komt uit haar winterschuilplaats; maakt in een gat in den grond een
paar cellen en legt daarin haar eerste eieren, en zoo sticht zij een
kolonie, die hoewel zij in het seizoen volkrijk genoeg is, toch bij
de eerste winterkoude moet bezwijken.
Misschien hebben in den oertijd de bijen in de tropen in afzonderlijke
families geleefd, ieder met zijn vruchtbare moeder en zijn luien
lummelenden vader, den Turveydrop [5] van de schepping--en hun
stortvloed van kroost, waarvan ieder volwassen individu uit zou
trekken om zich een eigen thuis in te richten. De moderne bijenstad
met zijn ingewikkelde stelsels en wetten, en zijn immense drommen
van bewoners, is misschien ontstaan toen verandering van woonplaats
en klimaat een nieuwe levenswijs gebood. Het leven in gestadige
warmte, in een land waar bloei na bloei kwam in oneindige opvolging,
maakte zulk een samenwerking niet noodig. Dat ééne, kleine gezin, in
zijn met mos gedekt hoekje, kon zijn eigen temperatuur onderhouden,
en waar een eeuwige nektarbron vloeide was voorzorg dwaasheid, de
winterprovisie was er van zelf.
Maar naarmate de jonge bijen, die, hun woonplaats verlatende, altijd
verder naar het noorden vlogen, eerst aan de gematigde zônen kwamen en
toen binnen het bereik der pool-invloeden, werden de omstandigheden
geleidelijk anders. De eeuwige honingtuin was achtergebleven, en
ieder jaar kwam er een tijd--eerst kort maar steeds onherroepelijk
langer--dat er geen bloemen waren. Toen moet de harde noodzakelijkheid
de bijen wel geleerd hebben, in het koude jaargetijde zooveel mogelijk
bijeen te dringen tot het behoud van warmte; en toen de koude perioden
langer en langer werden, moesten zij voor winterprovisie zorgen, die
duren kon tot de lentezon weer de aarde zou liefkoozen en zij bloemen
gaf. En zoo moeten de eerste gemeenschappelijke bijennesten ontstaan
zijn door den nooddrang van het ras: de eerste gemeenschappelijke
voorraadschuren moesten ingesteld, voor een menigte van onvoorziene
moeilijkheden moest een uitweg gezocht, en de geest der vinding moest
tot de uiterste spanning vaardig zijn. Want nooit heeft Pandora
haar wonderkist met ernstiger gevolgen op aarde geopend, dan toen
de Groot-Kunstenaar de honingbij als voorbeeld in het stedenbouwen
stelde voor de nomadische menschen-wereld.
Van het samenscholen der afzonderlijke bijenfamilies ter wederzijdsche
bescherming tegen de elementen, tot een algeheele samensmelting
van levensbelangen, moet, zooals de natuur werkt, maar één stap
geweest zijn. Maar er zullen tijden van groote beroering zijn
geweest--sociale oproeren, rampen bij de opvoeding, en vernietigende
geslachtsoorlogen. De bijenwereld zal op zijn grondvesten hebben
geschud. Wanneer en hoe de vrouwelijke bij het eerst de opperste
leiding kreeg, is onnoodig na te sporen. Maar het is zeker dàt zij
die verkreeg en steeds bleef handhaven. Het vraagstuk der bevolking
moet het overwegend probleem zijn geweest. Met honderden vruchtbare
moeders in den korf, die haar eigen kroost opkweekten, en een schaar
luie, onverantwoordelijke darren, die niet anders konden dan dansen
in den zonneschijn en uit vrijen gaan; hoe moest in de benoodigde
dagelijksche consumptie voorzien worden, om nog niet te spreken van
de provisie voor de komende winterdagen?
Hier ging het om ingrijpende veranderingen of volslagen ondergang,
en het is begrijpelijk, dat de vrouwelijke bijen, toen het initiatief
bij de mannen ontbrak, de teugels in handen namen.