Veel liefhebbers van het buitenleven, in hoofdzaak voetreizende

kunstenaars en toevallige wandelaars, zijn met deze vooropgestelde

meening naar het dorp getogen, en als zij den ouden bijentuin bezocht

hadden en al de oude mooie dingen daar in grooten overvloed vonden,

gingen zij niet verder en werden niet wijzer. Zij slenterden langs de

netjes afgezette slingerpaadjes van den tuin met zijn ouderwetschen

eigenaar; zij bukten zich onder priëelen van levend goud en purper;

waadden door zeeën van scharlaken papavers en blauwe vergeet-mij-niet

en taankleurige resida; zij ontdekten oude bijenkorven in allerlei

onverwachte schaduwrijke hoekjes, en doken onder in middeneeuwschheid

tot aan hun ooren. Zelfs het gonzen der bijen scheen hun iets te

vertellen uit vervlogen tijden. Neen, alléén een hopelooze Vandaal zou

zijn bijen in een van die leelijke vierkante kasten kunnen stoppen,

en dan van hen verwachten, dat zij honing zouden zoeken op de oude,

harmonieuse, gelukkige manier, door de eeuwen gesanctionneerd. En

zoo waagden zij zich nooit den heuvel op naar het groote bijenpark,

maar bleven in het tuintje beneden, en luisterden uren achtereen naar

het aardige praten van den grijzen eigenaar in zijn gesmokte kiel, of

zij stonden heldhaftig onder aan den ladder als hij er opklom om een

zwerm los te maken van een ouden bemosten appelboom, en zij hielpen

hem de nieuwe strooien korven uit te wrijven met handenvol munt en

lavendel, en maakten grillige kunstelooze muziek met den huissleutel

op een ouden ijzeren pan, als de zwerm te hoog in de lucht was.

Zeker er viel veel te leeren op rustige dagen, in den ouden bijentuin,

vooral in de Meimaand. Vóór de eerste zwermen op het punt waren de

korven te verlaten.

Het eerste waar men zich op had toe te leggen, was zich tusschen

de bijen te bewegen en tusschen de korven te blijven staan, zonder

zich te laten verontrusten door hun onophoudelijke en dikwijls

beangstigende nadering. Want hoeveel vertrouwen men ook moge stellen

in des ijmkers verzekeringen, dat zijn bijen nooit steken, het getuigt

toch van onversaagdheid als men zijn volkomen gelijkmoedigheid kan

behouden, terwijl de bijen zich onophoudelijk op handen en gezicht en

overal neerzetten, en een geheel vliegend regiment steeds vijandig

om onze ooren bromt. Zij zullen geen kwaad doen, dat weten wij,

als men zich maar stil blijft houden. Maar de neiging zich om te

draaien en te vluchten, of tenminste die gewiekte atomen af te weren

met woest zwaaiende armbewegingen, wordt voor den nieuweling bijna

onweerstaanbaar. Men verzekert hem, dat zij op die wijze alléén hun

nieuwsgierigheid uitdrukken en trachten te bevredigen; en dat zij

daarna in alle onschuld naar den korf terugvliegen om daar bij de

heerschende machten een goed getuigenis van hem af te leggen. Maar hij

weet wel, dat die getuigenis volstrekt niet altijd bevredigend is. Er

zijn tenminste eenige rampzalige individuen op de wereld, die zich geen

twaalf meter bij den korf durven wagen zonder meedogenloos bestookt

te worden, en opgejaagd tot op minstens een kwart mijl afstands,

door een nijdig vendel van deze gestrenge maagden. Bovendien komt

het menigmaal voor bij een zekere weersgesteldheid--als er onweer

dreigt en de lucht zwaar en stil is--dat de bijen hun dolken steken

in iedere menschelijke huid, zelfs in die van hun eigenaar, die een

heel seizoen onaangerand in hun midden verkeerde. Er is dus voor

ieder die te dicht bij bijenkorven komt een noodlottige kwade kans;

hij heeft een gewaarwording alsof hij onder het vuur van den vijand

staat--zeker een heel nuttige oefening in zelfbeheersching, maar die

voor de vreesachtigen moeilijk kan gerekend worden onder de lichtere

genoegens des levens.

Doch is de beschouwer deze eerste verschrikkingen gelukkig te boven

gekomen, dan zal hij vroeger of later zich gevangen voelen door de

zuivere bekoring van het geval, en zonder angst, en haast ademloos,

toekijken, naar wat eigenlijk niets anders is dan een leerrijke

verbeelding van het leven.

Hij staat hier als een vreemdeling bij de poorten eener stad, bewoond

door een zeer belangwekkend, en in sommige opzichten allergeavanceerdst

volk. Van wat er binnen in de stad omgaat bemerkt hij niets, behalve

het diepe, bezige gonzen, dat tot hem doordringt, en hij zal er ook

nooit iets van te weten komen, tot hij zijn sentimenteelen trots heeft

afgeschud en een pelgrimstocht gemaakt heeft naar het groote bijenpark

op den heuvel. Maar intusschen vindt hij hier toch voedsel genoeg,

om den scherpsten honger naar het wonderbare te bevredigen. Komende

en gaande, in en uit de open poort, die in de stad leidt, bewegen

zich in de heete Meizon duizenden en duizenden van bezige wezens. De

breede drempel van den korf is geheel verborgen onder de tegengestelde

stroomingen, de eene zich spoedend in de richting van de geurige

velden en hagen, de ander tuimelend en dringend naar binnen, terwijl

haast iedere bij een geheimzinnigen schat meedraagt.

Op twee verschillende wijzen willen de uitgaande bijen hun reis

beginnen. Sommigen rijzen onmiddellijk op hun vleugels recht in

den zonneschijn; en dit zijn proviandeerenden, die al verscheidene

reizen achter zich hebben, sedert de zon rossig en heet uitbrak

boven den oostelijken heuvel. Maar anderen, pas aan de eerste

excursie van dien dag, komen uit het murmereerend duister van

den korf gekropen en met een heftig aanloopje bereiken zij daarna

het eind van de vliegplank. Hier houden zij een oogenblik stil,

bewegen hun vleugels op en neer en wrijven uit hun groote oogen

den schemer van daar binnen. Daarna heffen zij zich in de lucht,

blijven een oogenblik zweven met de kopjes naar hun woning gekeerd,

om zich zorgvuldig te oriënteeren, en dan zwenken zij in het blauwe,

en vliegen met de rest naar den verren heuvelkant, met zijn witten

bruidstooi van klaverbloesem.

De thuiskomende bijen gedragen zich veel stemmiger. Zij komen aanzeilen

als bronzen koopvaarders tot aan den waterrand geladen. Zij, die de

zakken gevuld met klavernektar dragen voor de honingbereiding, hebben

er zelden een aan den buitenkant gehouden stuifmeellading bij. Het

is hun al werks genoeg, hun uitgezette lichamen veilig te ankeren op

de vliegplank, en zij vallen recht den korf binnen, vervuld met maar

één enkele gedachte: hun vergaarde schatten over te dragen aan de

eerste huisbij, die in hun weg komt, en dan zich onmiddellijk heen te

spoeden om een nieuwe lading. Den stuifmeeldragers bezielt dezelfde

witgloeiende energie; maar hun ladingen zijn oneindig onhandiger,

en verlangen een rustiger bewegen. Sommigen, hun korfjes opgehoopt

met een diep-oranje gekleurde stof, moeten een oogenblik rust nemen

op den drempel; en daar dan weer krachten verzamelen om hun glanzenden

last door de poort te sleepen.

Anderen begeeft de kracht juist vóór dat zij de haven zullen binnen

vallen en zij zinken neer op het gras vóór den korf, om het oogenblik

af te wachten dat versche kracht hen veilig in de volkrijke haven zal

brengen. Maar heel veel zijn er ook, die niet trachten, in eens door,

den haven te bereiken, en die, als zij veilig in de kalme wateren

van den tuin zijn aangeland, een oogenblik rust nemen op een bloem

of blad, en daar trillend en hijgend wachten, tot zij in staat zijn

koers te nemen naar hun woonplaats.

Er is een oneindige verscheidenheid in de ladingen van deze

stuifmeeldragende bijen. Niet één van de kleuren van den regenboog

of zelfs van hunne schakeeringen, die niet ieder oogenblik in de

dringende menigte voorbij gaat. Iedere bij draagt een half bolletje

van deze zelfstandigheid, keurig gevormd en afgerond, aan ieder van

hare twee achterpootjes. Men zou door het juist observeeren van de

kleuren van haar last met zekerheid kunnen zeggen welke bloem zij

op ieder van haar uitstapjes geplunderd heeft. Het heldere oranje,

waarmee altijd de grootste en zwaarste bolletjes gekleurd zijn in den

stroom der ladingen, komt van de paardebloemen. Van den gaspeldoorn

komen haast even groote ladingen van een diep goudbruin. De herik, die

haar onnutte schoonheid aan al onze korenoogsten opdringt, verschaft

de bij een oneindigheid van goud. Witte en roode klaver laden de

kleine korf-koelies op met verscheidenheid van rossige tinten. Van

de appelboomgaarden komen overvolle korfjes van bleekgeel; de braam

levert stuifmeel van een fijn groenachtig wit. En als de zomer gekomen

is, en de klaprozen hun scharlaken toon geven in het koren, dan komt

de groote stroom van deze gevleugelde koopvrouwen met een rouwzwarte

lading naar huis.

Maar indien ge de wacht houdt bij de korven op een helderen lente-

of zomermorgen, dan zult ge van tijd tot tijd afzonderlijke bijen

zien terugkomen met een lading, waarvan men geen oorsprong herkent. De

droge, glinsterende, taankleurige stof, die geregeld tusschen de bezige

menigte weg wordt gedragen is hars van pijnboom of populier; daarmeê

wordt de strooien korf ingewreven tot aan den vloerplank toe, en

tochtige spleten worden er mee dicht gestopt en onnutte hoeken er mee

aangevuld; en vloeibaar gemaakt, dient ze om de raten te bestrijken;

mèt een laag vernis die tegen zuur bestand is en bederf voorkomt. Doch

nu en dan komt er een bij met een lading, waarvan de kleur opvlamt

als een noodsignaal in het duister, schitterend scharlaken of zacht

rozig rood, of bleek lavendelblauw, of glinsterend wit--wie kan zeggen

in welken vergeten hoek haar avontuurlijke zin zich gewaagd heeft, of

welke zeldzame bloesem zij in de wildernis heeft opgespoord, en toen,

haar begeerig van haar maagdelijken schat beroovend, de schoonheid

verdubbeld heeft, die de reden was voor haar bestaan?

Het grootste wonder in dit stuifmeel-vergaren evenwel is het feit,

dat iedere afzonderlijke lading in zijn geheel van één enkele

bloemsoort genomen wordt. De halve bolletjes worden zonder keuze in

de stuifmeelcelletjes gepakt, oranje op bruin, bleek geel met groen,

of roze of grijs dooreen gemengd. Maar ieder paar korfjes, dat de

vrucht is van één enkele reis, houdt ook maar het stuifmeel in van één

enkele bloemsoort. Wanneer men op een landweg of weiland op de bijen

let terwijl zij aan het werk zijn, dan schijnt het eerst, dat zij van

bloem tot bloem gaan met geen ander doel, dan op te laden van alles wat

bloeit op hun weg. Maar nauwkeuriger waarneming openbaart, dat er wel

degelijk een merkwaardig plan en orde in dit alles is, zooals in alle

dingen, die de bij onderneemt. Als men de gangen van een zelfde bij

langs de bloemrijke graskanten nagaat, dan blijkt het heel spoedig,

dat zij maar één soort van bloem bezoekt. Begint zij met meidoorn,

dan blijft het meidoorn van het begin tot het eind. Als haar lading

van wilgenroosjes-stuifmeel of nektar nog niet vol is, dan zal zij

alle ganzerikken en spiraea's, hoe aptijtelijk ook en ruim voorzien,

laten staan voor een schraal plekje paarsch, een heel eind verder.

En waarom zij nu zooveel moeite doet om het stuifmeel afgezonderd te

houden bij het vergaâren, terwijl het in de voorraadschuren thuis

met alle andere soorten kris en kras doorééngemengd wordt, is een

vraagstuk, dat alleen maar door een bij kan worden opgelost. Echter,

het hoe en het waarom zijn in het leven van de honingbij zoo

eigenaardig saamgeweven uit koel verstand en sentiment, dat wij mogen

veronderstellen, dat noodzaak en gevoel gelijk deel hebben aan hare

leiding in dezen, zooals aan alles wat zij doet van de broedcel tot

aan het graf. Niet heelemaal in scherts mogen wij ook de mogelijkheid

laten doorschemeren, dat zij eenige bijzondere kleurschakeering

verkiest, omdat die als vliegkostuum bijzonder voldoet en haar goed

staat; dit is een minstens even waarschijnlijke grond, als dat zij

haar stuifmeellast zuiver op kleur houdt, omdat zij daarmee aan een

dringende voorwaarde van staats-economie voldoet. De faktor van het

geslacht is bij nauwkeurige studie van het leven in de bijenkorven

evenmin te verwaarloozen als bij de kritische waarneming van den

bewoner van een ander soort van korf, den mensch.

Dit gestadig gaan en komen van de bezige proviandgaarders, is heel

aantrekkelijk voor den beschouwer; maar er zijn bewijzen van allerlei

werkzaamheden, die niet minder belangstelling verdienen. Het nektar-

en stuifmeel-vergaâren is maar een gedeelte der plichten van dit

zichzelf verminkend maagden-ras. Hier en daar tusschen deze driftige,

haastende menigte zijn bijen, die niet meê bewegen in den stroom,

maar daarin veilig geankerd liggen met hun kopjes omlaag en naar

den korf gericht; zij waaien onafgebroken met hun vleugels, en zoo

snel is die beweging, dat men den indruk krijgt, alsof zij in een

mist van grijzen nevel staan. Let ge beter op, dan bemerkt ge, dat

deze bijen in ten naastebij regelmatige rijen staan, de een achter

de ander, en zooveel plaats laten dat de botsende stroomingen der

proviandgaarders ongehinderd voorbij kunnen trekken. Als de toeschouwer

den moed heeft zijn oor op de hoogte van de vliegplank te brengen,

dan zal hij getroffen worden door een gestadig sissend geluid, dat

duidelijk uitkomt boven het geroes, door de gaande en komende reizigers

gemaakt. Deze rijen van waaiers strekken zich uit in rechte lijn, van

het vlieggat tot aan den rand van de vliegplank, maar aan ééne zijde

slechts; en bij een nog nauwlettender waarneming zal men bemerken,

dat zij aan een geregeld systeem van aflossing gehoorzamen. Terwijl het

totaal volume van het geluid geen oogenblik ook maar iets vermindert,

ziet men bij geregelde tusschenpoozen van eenige minuten, de een

of ander van de stilstaande bijen weggaan en de plaats onmiddellijk

door een ander innemen, die zich dan weer in de rij schikt tot het

vervullen van haar taak. De reden voor dit alles is heel duidelijk:

de waaiers moeten in de korven luchtverversching aanbrengen; een

stroom van bedorven lucht wordt door het vlieggat aan één kant er

uitgetrokken en parallel daarmee, zonder er meê in botsing te komen,

wordt de zuivere luchtstroom aan den anderen kant naar binnen gezogen.

Gedurende de warme lente- en zomerdagen is deze afdeeling van waaiers

onafgebroken aan het werk; en zij blijven er voortwuiven, ook als de

duisternis intreedt. In kille nachten dunnen de gelederen tot soms maar

een paar enkele bijen, en bij een intermezzo van koud weer blijft er

zelfs geen enkele. Maar in de hondsdagen, of zooals de ouden zeiden:

"als Sirius, de honingster, straalt," dan verheft zich de diepe sistoon

van deze waaiers, in een rijk bevolkte korf, haast tot de geluidsterkte

van een windvlaag. Wie dan naar buiten komt onder de sterren in den

zomernacht, en in de dichte aromatische duisternis blijft luisteren

naar dien machtigen toon, krijgt een indruk van het bijenleven zooals

hij hem op geen anderen tijd voelen zal. Overdag wordt dit geluid

gemengd met het koor der vliegende bijen en daardoor overheerscht. Maar

nu zijn allen veilig thuis. Iedere korf is volgepakt van vloer tot

dak met tienduizenden ademende, warmtekweekende wezentjes; de noodzaak

voor het ventileeren is verveelvoudigd en nabij en ver in den bijentuin

zijn de waaierlegers met hart en ziel bij hun werk.

De nieuweling in dezen bekorenden tak van natuurstudie, die in den

stillen nacht naar buiten genomen wordt om deze gargantua muziek te

hooren, wordt er steeds verwonderlijk door getroffen; sommige naturen

zelfs tot in het ongeloofelijke. In de geheele groote, vredige ruimte

van het heuvelland om hem, in den oneindigen blauwen koepel boven hem

met het levend zilver der stralende sterren, verneemt hij geen enkel

geluid, als soms den triller van een nachtegaal, of het blaffen van

een herder's hond op een verren heuvel, en nu en dan het gonzen van

een kever, die ongezien voorbij vliegt. De geheele aarde schijnt te

rusten, behalve dat geheimzinnige volk in de korven, en bij hen is

het gedruisch van den arbeid zelfs verdubbeld. Buigt men zich in de

duisternis over tot den naasten korf, dan komt het tot het oor als een

toornig dreunen van de zee. Weet men behoedzaam met een lantaarntje

om te gaan, dan ziet men de vliegplank als bedekt met bijen die allen

werken of 't om hun leven gaat; terwijl andere bijen onophoudelijk

uit en in het vlieggat trekken. Dit zijn de schildwachten, die dag en

nacht den korf bewaken, juist zooals in vroeger tijd de schildwachten

de stadspoorten bewaakten in de steden der menschen. De nieuweling

in het vak, zelfs de meest nuchtere en bedaarde, verzinkt bij dien

aanblik in een ernstig en verwonderd zwijgen. Maar als de nacht

meer dan gewoon heet en drukkend is, en het waaiend leger grooter

dan ooit, dan voltooit de ijmker, die gevoel heeft voor dramatisch

effekt, des nieuweling's ontroering gewoonlijk door een bekende truc

te vertoonen. Hij laat zijn kaars zakken tot de vlam juist achter

de ventileerende legerafdeeling brandt, en plotseling is alles in

't duister; de luchtstroom, uit de korf getrokken, bleek sterk genoeg

om het licht te dooven.

Ik heb gezegd, dat er schildwacht-bijen zijn, die de korven dag en

nacht bewaken. Voor het ongeoefend menschelijk oog is de ééne bij

gelijk aan de andere, en het is voor ons moeilijk te begrijpen, hoe de

wachters, onder de duizenden die voorbij trekken, steeds onfeilbaar de

indringers weten te ontdekken om hen daarna met onhoffelijke fikschheid

te verwijderen. Waarschijnlijk is het niet met het gezicht alléén, dat

deze indringers worden herkend. Het reukzintuig is bij de honingbijen

buitengemeen scherp, en zal zeker de schildwachten helpen bij hun

moeilijke taak. Het is bekend, dat een bijenkoningin een eigen, sterke

geur moet hebben, daar haar aanwezigheid, zelfs al is zij opgesloten,

van alle kanten de darren doet opkomen. Waarschijnlijk is een geheele

kolonie doortrokken van het bijzonder aroma hunner koningin, en zoo

zijn de wachtbijen in staat hun eigen volk te onderscheiden van een

vreemden stam.

Wanneer men het buitenleven van een korf in dien ouden tuin

nauwkeurig blijft toekijken, komt er nog veel meer belangrijks aan het

licht. Zelfs in een ouderwetschen strooien stolpkorf zijn misschien

meer dan twintigduizend individuen onder dak: en het spreekt van zelf,

dat een geregeld reinigingssysteem dan onmisbaar is. Dit werk nu kan

men regelmatig zien gebeuren tusschen al de andere bedrijvigheden

door. Ieder oogenblik komen er bijen naar buiten met minder gewenschte

overblijfsels; zij gooien die over den rand van de vliegplank en

wringen zich dan onmiddellijk weer door de menigte naar binnen,

voor een volgenden last. Anderen dragen de lijken van hun kameraden,

die in den korf gestorven zijn; en nu en dan worstelt er zich een

door de menigte heen naar buiten, dragend hoog boven zich uit een

vreemd en griezelig ding, een volkomen duplicaat van haarzelf, maar

heelemaal wit behalve de zwarte kralenoogen. Dit is de ongeboren bij,

in de cel bezweken. Kindersterfte is zelfs bij de wijze honingbijen

nog niet overwonnen, en velen worden er zoo uitgedragen, vooral in

het vroege voorjaar. Bij het bespieden van die begrafenisbeambten

in hun griezelige maar noodzakelijke werkzaamheden, zal men iets

bijzonders opmerken. Terwijl alle andere ongerechtigheden eenvoudig

over den rand van de vliegplank worden heengeworpen, waar zij zich

ophoopen op den grond, gebeurt dat nooit met die doode larven. Hun

dragers vliegen met hen heen in rechte lijn naar de een of andere heg,

en laten ze dan vallen op een behoorlijken afstand van den korf.

Nog een ander werk is in gang aan de poorten van de bijenstad. Sommige

van de thuisblijvers schijnen als een soort van opzichters dienst

te doen. Zij helpen de te zwaar bevrachten de poort te bereiken;

of als in de drukte soms een klompje stuifmeel losraakt en valt, dan

rapen deze bijen het op en brengen het in den korf. Soms komt er een

bij naar beneden zwenken, heelemaal dik onder het stuifmeel, als een

vergulde molenaar; dan vallen die opzichters onmiddellijk op haar aan

en ontdoen haar door kammen van dien hinderlijken schat. Andere hebben

de zorg voor de jonge bijen, die hun eerste vlucht zullen beginnen. Het

jonge ding zit kant en klaar en steekt zijn tong uit in haar geheele

lengte; om hem heen verzamelen zich dan een half dozijn bijen, die hem

van alle kanten gaan likken en bestrijken. Eindelijk is het toilet in

orde en hij wordt vrijgelaten; hij flakkert even met zijn vleugels

en schiet ver weg in de blauwe lucht en den zonneschijn, en vliegt

mee met de andere naar de klaverweide; nog lang nà-glinsterend in

het volle, blijde middaglicht.

Want gaandeweg zijn de uren verstreken--het is middag geworden--en

de dichte bedrijvigheid, de diepe sonore zangtoon van den arbeid,

schijnen hun hoogtepunt bereikt te hebben. Maar nu rijst een sterker

geluid van overal: een gestadige stroom van bijen, grooter en dikker

dan de anderen, barst uit alle korven. De darren, de luie broeders

van deze nijvere vestaalschen, zijn eindelijk wakker geworden en

komen naar buiten voor hun dagelijksche vlucht. Bij tweeën en drieën,

in geheele bataljons, komen zij uit het vlieggat dringen, beginnen

hun middagevoluties rond de korven, en vervullen de lucht van een

rumoerig, vroolijk gegons. Na een poosje zullen ze allen heen zijn

naar hun geneuchten en de bijentuin schijnt dan in vergelijking

wonderrustig. Maar nu is een plotselinge toeneming van levenskracht

onmiskenbaar. Met het ontwaken der darren schijnt een nieuwe geest daar

buiten vaardig geworden. De lucht is niet meer overvol met bedrijvige

proviandzoekers. Want velen daarvan zijn gaan deelnemen aan den

middagrondedans, en iedere korf is het middelpunt van een gonzende,

dartelende menigte, door den geest der speelschheid of luiheid bezeten.

Toch is het slechts een korte wijle van verpoozing. De darren

begeven zich naar hun echtelijke geneuchten daarbuiten. De rumoerige

middagsymphonie sterft uit, en wordt weer vervangen door den ouden,

regelmatigen, eentonigen werkzang. En de toeschouwer bij de poorten

der bijenstad, wendt zich om en gaat op zijn schreden terug door

den ouderwetschen bloementuin, vol van de wonderen, die hij zag;

maar niet bevredigd; want hij voelt zijn nieuwsgierigheid duizendmaal

sterker geprikkeld naar dat, wat hem zoo onverbiddelijk onthouden werd:

een kijk in de wereld achter die plagende strooien wanden.

Langzaam huiswaarts slenterend, legt hij zichzelf allerlei vragen

voor. Wat is de reden van al dit ernstig, zoo juist geordend

werken? wat de uitkomst? Wat gebeurt er met het stuifmeel, dat den

heelen morgen wordt ingezameld? Waar zulk een ingewikkeld systeem,

zulke éénsgezindheid blijkt, en zulk eene vernuftige regeling der

werkzaamheden, moet noodzakelijk een heerschend en leidend intellekt

bestaan, dat ieder zijn taak in het geheel aanwijst. En dat er een

koningin zou zijn--een enkele bij, veel grooter dan de anderen,

die zij allen huldigen, en die haar geheele leven doorbrengt in 't

schemerig labyrinth der korven, als de paus in het Vatikaan--is dat

eene waarheid of alleen de verbeelding van het onwetend brein van

eenvoudige buitenlui? Als deze koningin bestaat, als iedere korf

inderdaad zijn alleenheerscher(es) heeft, die het geheele complex

van leven en staatsinrichting bestuurt, op welke hoogte moet die dan

geplaatst worden op den trap der denkende wezens?

En als hij dan wijs is, dan zal de leerling er eindelijk toe komen

den schilderachtigen, ouden bijentuin juist te beoordeelen. Oude

dingen behouden hun schoonheid, en als de eeuwen voorbijgaan winnen

zij nog aan liefde bij hen, die hen terecht liefhebben. Maar hun

belangrijkheid, hun waarde, vergaat met de jaren, als het getij der

menschelijke kennis en beschaving verloopt.

En zoo is het met den bijentuin in zijn Meikleed van groen loof en

bloesemkleuren. Hij is mooi in zijn blijde heerlijkheid, door de echo

der nu zwijgende stemmen uit oude tijden, en zijn gewijd aroma van oud

gebeuren. Maar van wat wij weten willen kon hij niet spreken. Hij kan

alleen ons voor raadsels stellen, die wij niet raden kunnen. En daarom

moeten wij alle fantastische vooroordeelen op zij zetten en den rug

keeren aan die zoete bekoring, om dan zonder omzien een vasten stap

te richten naar het groote moderne bijenpark op den heuvel.

HOOFDSTUK V

DE REPUBLIEK BINNEN DE KORVEN.

Het verhaal van de honingbij · 第 4 / 18 段