wel waard zijn aangehaald te worden: "Als gij de gunst van uw bijen
wilt houden, dat zij u niet steken, dan moet gij de dingen vermijden,
die hen kunnen beleedigen: gij moet niet onkuisch noch onrein zijn;
want zelf uiterst kuisch en zuiver, verafschuwen zij alle vuilheid
en liederlijkheid. Gij moet niet tot hen komen met de reuk van zweet
aan u, of met een stinkenden adem, na het eten van prij of uien of
knoflook en dergelijke, of uit eenige andere oorzaak; het onaangename
daarvan neemt men weg met een kroes bier; en daarom is het niet goed
bij hen te gaan vóórdat gij gedronken hebt; gij moet niet overgegeven
zijn aan onmatigheid en drank. Gij moet niet hijgende en blazende
tot hen komen, noch, waar zij zijn, drukke bewegingen maken; noch
ook wanneer zij u schijnen te willen steken, hen heftig afweren;
maar voorzichtig uw hand bewegende moet gij ze zachtjes neerzetten;
en ten laatste moet gij hun niet vreemd zijn. In één woord: gij
moet kuisch, zindelijk, rustig, sober, zacht en gemeenzaam zijn;
dan zullen zij u liefhebben en uit alle anderen kennen." Zoo is dus
volgens Butler de goede ijmker een samenstelling van alle deugden, en
tot bevordering van het duizendjarig rijk schijnt niet anders noodig,
dan alle menschen te bewegen, ijmkers te worden.
De middeleeuwsche schrijvers over de honingbij wedijveren in hun
getuigenissen betreffende de buitengewone kracht van intelligentie bij
de inwoners hunner korven. Maar één verhaal van Butler overtreft ze wel
alle. Hij leidt het in met de bewering: "bijen zijn zóó wijs en kundig,
dat ze niet alléén hun kleinen God-almachtig hebben uitgeroepen,
hoewel Hij tot hen kwam in de gedaante van een ouwel; maar zóózeer
zelfs, dat zij Hem een kunstige kapel gebouwd hebben," en verder
vertelt hij dan, dat "een zekere eenvoudige vrouw, bezittende eenige
korven met bijen, die haar niet het gewenschte voordeel gaven, maar
kwijnden en stierven aan de pest, zich beklaagde bij een andere vrouw
nog eenvoudiger dan zijzelve, die haar den raad gaf, een gewijde hostie
in een van haar korven te zetten. En dien raad opvolgende ging zij
tot een priester en verkreeg de hostie, die zij in haar mond bewaarde;
toen zij thuis kwam nam zij de hostie uit haar mond en legde haar in
een van de korven. Daarna hield de pest op en er kwam overvloedig
honing. En toen nu de tijd dáár was en de vrouw den korf oplichtte
om den honing er uit te nemen, zag zij--en het was wonderbaarlijk
om te zien--een kapel, gebouwd door de bijen, met een altaar er in,
en de muren van een verwonderlijken kunstigen bouw en versiering,
en met vensters op hun juiste plaats, ook een deur en een toren met
klokken. En de hostie op het altaar gelegd zijnde, vlogen de bijen
er met een zacht zoemen omheen."
Dit verhaal heeft zijn weerga alleen in een ander, even oud, waarin
verteld wordt, hoe dieven in een kerk inbraken en het zilveren doosje
stalen, waarin de heilige ouwels bewaard werden. Zij vonden één ouwel
in het doosje en legden dien onder een bijenkorf, om daarna met het
kostbaarste gedeelte van hun buit zich uit de voeten te maken. En
in den nacht daarop, zoo schijnt het, werd de eigenaar van den korf
gewekt door een verrukkelijke muziek, die in strofen met gelijke
tusschenpoozen uit de richting van zijn bijentuin scheen te komen. Hij
nam een lantaarn om de oorzaak na te gaan, en ontdekte, dat de muziek
uit een der korven kwam. Ontsteld over dit wonder, ging hij tot den
bisschop en wekte hem om hem dit buitengewone voorval te openbaren;
en de bisschop met zijn gevolg verschijnende, lichtte de korf op
en bevond, dat de bijen den gewijden ouwel in bezit hadden genomen
en hem in het bovenste gedeelte van den korf gebracht, nadat zij
er eerst een doos voor hadden gemaakt van de zuiverste witte was,
een nauwkeurige navolging van dengene, die gestolen was. En rond
de doos zongen de bijen in koren, en zij hielden de wacht er bij,
zooals monniken het doen in een kapel.
"Een geschiedenis," voegt de verhaler er profetisch bij, "die zeker
bij vele ongeloovigen verzet zal ontmoeten."
In hunne aanwijzingen hoe een zwerm opgevangen moest worden, waren de
middeleeuwsche ijmkers altijd zonderling precies. Het voorbereiden van
den korf, die den zwerm moest opnemen, was een hoogst bewerkelijke
maatregel. Als de korf nieuw was, bevalen zij aan, hem eerst uit te
schuren met een handvol welriekende kruiden als thijm, marjolein of
hysop; en daarna kwam er een tweede behandeling met een mengsel van
honing en water, of melk en zout. Maar het klaarmaken van een ouden
korf moet een vrij onsmakelijk werk geweest zijn. Men moest twee handen
vol mout of erwten of ander graan in den korf leggen, en "laat er dan
een zwijn van eten. Intusschen draait ge de korf op zóódanige wijze,
dat het schuim, door het zwijn al etende gemaakt, den geheelen korf
rondgaat. Dan veegt ge den korf losjes uit met een linnen doek,
en de bijen zullen dezen korf liever hebben dan een nieuwe."
Terwijl de bijen zwermden en "bezig waren met hun dans," moest men
hun "een vroolijk deuntje" voorspelen op een kom of pan of ketel,
om hen vlug te maken. We worden verzekerd, dat de zwerm vlugger of
zwaarder vliegt al naar het soort gedruisch, dat ze hooren. Als het
"vroolijke deuntje" in een vlugge maat werd gespeeld vlogen de bijen
snel en hoog; maar bij zachte slepende muziek ging het langzamer en
daalden zij spoedig. Dit eigenaardig gebruik van muziek maken voor
de bijen is ongetwijfeld van Romeinschen oorsprong; maar of het door
Caesar's opvolgers is ingevoerd of door die van Claudius in de eerste
eeuw, of dat misschien de engelsche ijmkers het uit de klassieke
schrijvers hebben afgeleid is moeilijk uit te maken. Men hoort het
nog op verschillende afgelegen plaatsen, en de aanhangers er van
schijnen het vaste geloof in de deugdelijkheid behouden te hebben,
dat hun voorvaders hadden. Waarschijnlijk had in vroeger tijden, toen
bijenparken veelvuldiger voorkwamen, het gebruik één onweersprekelijk
nut; het was voor de verschillende omwonende bijenhouders het bewijs,
dat er een zwerm was afgegaan en dat zijn rechtmatige eigenaar dat
wist. En op deze wijze werden zeker de onrechtmatige aanspraken op
den zwerm voorkomen, of ten minste ontmoedigd.
De vraag of het gedruisch, dat men bij de bijen maakt, eenigen
werkelijken invloed op de zwermen heeft, is nog niet afdoende
beantwoord. Behalve een paar oude korvenbezitters, die in sommige
uithoeken nog wel te vinden zijn, hebben de moderne bijenkweekers
dat gebruik sinds lang afgeschaft als het uitvloeisel van grof
bijgeloof. Maar toch is in den laatsten tijd de vraag opgeworpen
of de geluiden, die door ouderwetsche bijenhouders gemaakt worden,
als er een zwerm is uitgetrokken, toch niet hun nut hebben. Men heeft
verondersteld, dat de bijenwolk--in het begin niet anders dan een chaos
van flakkerende vleugels, daar het geheele volk doelloos rondzwiert
en dwarrelt over een groote uitgestrektheid--in werkelijkheid op zoek
is naar de koningin. Nu is er geopperd, dat zij haar op het gehoor
af volgen; want men vermeent, dat zij een bijzonder fluitend geluid
maakt terwijl zij vliegt. Het getinkel van sleutels en pannen zou dan
de bijen verhinderen, dat geluid te hooren, en haar op haar eerste
omdolingen te volgen, zoodat er dan kans op is, dat de zwerm ergens
dichter bij huis neerstrijkt. Het is een interessante theorie, maar
eigenlijk niet houdbaar. Die oude volksmeeningen berusten gewoonlijk
niet op eenige feitelijke basis, en het is veel waarschijnlijker,
dat het gedruisch niet den minsten invloed op de bijen heeft.
Wat betreft het recht van den ijmker, om zijn zwerm in een aangrenzend
land te volgen, is het aardig de verzekering te hooren van een van deze
oude schrijvers: "als gij ze niet tot neerstrijken kunt brengen, en
zij al voortvliegende buiten de grenzen van uw land gaan, dan vergunt
u de oude wet van het Christendom hen, waarheen ook, te volgen, opdat
gij uw eigendom terug krijgt." "Maar," voegt de schrijver er bij:
"als uw zwerm zich zóó snel en vèr verwijdert, dat gij ze uit uw
gehoor en gezicht verliest, dan verliest ge tegelijk ook alle recht
op hun bezit. In dat geval hebt gij wettelijk geen andere keus dan
uwe bijen over te laten aan hem die ze het eerst vindt." Met het oog
op verschillende hedendaagsche geschillen over deze zaak, waarbij
de uitspraak der wet willekeurig en vaag scheen, is het van belang
te wijzen op zulk een oude autoriteit betreffende de rechten van
den ijmker.
Bijna geen détail van de kultuur, waaraan in de middeleeuwen geen
bijgeloovigheid of curieus gebruik verbonden was. Allen zonder
onderscheid schijnen te gelooven in de oude bewering, zooals zij ook
bij Vergilius voorkomt, dat de bijen kleine steentjes bij zich dragen,
om als het hevig waait hun vlucht te balanceeren, en er waren er
zelfs die dachten, dat zij bloemen aldus gebruikten. Rood gekleurde
stoffen werden als zeer hinderlijk voor de bijen beschouwd, en men
wordt gewaarschuwd niet in die kleeren gekleed in het bijenpark
te verschijnen. Men meende ook, dat de jonge en de oude bijen in
de korven van elkaar gescheiden waren. Wat dit betreft is het een
bewezen feit, dat op het hoogst van het honingseizoen de bijen in
het bovenste gedeelte der korven bijna uitsluitend jonge bijen zijn,
die nog niet gevlogen hebben.
Men vertelt ons ook, dat wanneer er bijen zijn, die 's avonds nog
niet in den korf terugkwamen, de koningin uitgaat om ze op te sporen
en hun den weg terug te wijzen. En niemand behoeft bang te zijn, de
heerscheres van den korf over het hoofd te zien, omdat zij herkenbaar
is aan haar "fieren gang en haar gelaat, dat majesteit uitdrukt;
en op haar voorhoofd is een witte vlek die schittert als een diadeem."
Een der oude schrijvers geeft den raad, recht door alle korven een gat
te boren, tegen spinnewebben. Hij gelooft ook, dat de bijen zwermen
ten gevolge van de tyrannie van de koningin, en als zij ze volgt,
dooden zij haar. Ook vertelt hij, dat de darren honingbijen zijn,
die hun angels hebben verloren en dikker geworden zijn. Dit was al een
oud geloof, en de sceptische Butler behandelt het op de volgende wijze:
"Het algemeene oordeel betreffende de darren luidt: dat zij geworden
zijn uit honingbijen, die hun angels verloren, wat even waarschijnlijk
is als dat een dwerg, dien men zijn ingewanden ontneemt, een reus zou
worden." Maar de oude ijmkers waren altijd onverdraagzaam tegenover
de vergissingen van anderen, terwijl zij met de sterkste beweringen en
een groot vertoon van geleerdheid hun eigen, even vage bijgeloovigheden
verkondigden.
Een boekje in 1656 uitgegeven en geheeten: "The Country Housewife's
Garden" is aardig, omdat het blijkbaar geschreven is voor eenvoudige
buitenmenschen, door iemand in dezelfde omstandigheden verkeerende;
terwijl in het algemeen de bijenboeken in de zestiende en zeventiende
eeuw in hoofdzaak het werk waren van menschen, maatschappelijk
aanmerkelijk hooger geplaatst.
Dit boek is in zóóver eenig in zijn soort, dat het geen mooie
theoriën geeft inzake bijenkultuur; maar zich houdt aan de
overgeleverde methoden. De schrijver, die blijkbaar geen zwak heeft
voor beschouwingen inzake den oorsprong der bijen, maar zich in
zijn opmerkingen bepaalt tot de praktische honingproduktie, neemt
het volgende gezonde standpunt in: "er is veel geschrijf over
de Meester-bijen en hun rangen, staatsinrichting en regeering;
maar wat daarover gezegd wordt, berust meer op verbeelding dan op
bewezen feiten. Er zijn nu en dan gissingen gemaakt b.v. wij zien
in de raten verscheiden huizen grooter dan de anderen, en gewoonlijk
hooren wij des nachts vóórdat zij uitvliegen van twee of meer bijen
een geluid dat anders en luider is dan dat der anderen; ook bemerken
wij soms bijen met grooter lichaam dan de gewone soort; maar wat zou
dat alles? Ik houd niet van gissingen, maar schrijf alléén graag
neer wat ik weet de waarheid te zijn, en de rest laat ik over aan
de menschen die houden van raadsels oplossen." De "grootere huizen"
die hier genoemd worden, waren ongetwijfeld de groote cellen waarin
de koninginnen worden uitgebroed. Even vóór den zwermtijd worden er
soms wel negen of tien in één korf gevonden.
Dezelfde schrijver spreekt het onvermijdelijk kwaad van de
darren. "Deze," zegt hij, "zijn naar alle waarschijnlijkheid een
lui en spilziek soort van bijen, die hun angels verloren hebben en,
aldus als het ware ontsekst, lui en groot geworden zijn. Zij haten
de bijen en maken, dat zij eerder gaan zwermen."
Geen schepsel had ooit een slechter naam en onverdiender dan de
rampzalige dar bij die oude scribenten. Een ander van hen spreekt
van den dar als van "een groote korfbij zonder angel, die altijd
als luie doodeter te boek heeft gestaan, en wie gulzig in 't eten
en lui in 't werken is, wordt daarom met dien naam genoemd--want hoe
groot hij ook doet met zijn rond fluweelen kopje, zijn dikken buik en
zijn luide stem, hij is toch maar een luie kompaan, die zich te goed
doet waar anderen zweeten. Want werken doet hij in 't geheel niet,
noch binnenshuis noch daar buiten, en hij verbruikt toch zooveel als
twee arbeiders; nooit zult ge hem aantreffen zonder een droppel van
de zuiverste nektar in zijn maag. In de zomerhitte vliegt hij buiten
rond en met niet weinig gedruisch, als iemand die een groot werk
gaat doen; maar het is enkel voor zijn pleizier en om zijn vraatlust
te vergrooten; en als hij genoeg gevlogen heeft moet hij weer aan
het eten."
Maar de eigenaardigste opvattingen vindt men bij de oude
bijen-meesters, die een hang hebben naar het kwakzalversberoep. Zij
vertellen ons, dat "honing wanneer men er 's morgens en 's avonds goed
het hoofd mee inwrijft," een uitstekend middel is tegen kaalheid,
en dat de uitwerking nog doeltreffender zou zijn wanneer men den
honing mengde met een paar doode bijen en een stukje oude was,
goed fijn gewreven. Doode bijen, gedroogd en tot poeder gewreven,
vormen het hoofdbestanddeel van allerlei soort medicamenten uit dien
tijd. Een dronk iederen morgen van dit poeder, met water vermengd,
wordt aanbevolen als een onfeilbaar zuiveringsmiddel. En wanneer men
een groot aantal bijenkoppen verzamelt, verbrandt en dan de asch met
wat honing mengt, krijgt men een voortreffelijk middel tegen alle
soorten van oogziekten.
Er was ook een beroemd preparatief Oxymel geheeten, dat in de
middeleeuwen in groote gunst stond. Het schijnt niets anders te zijn
geweest dan een mengsel van honing, water en azijn, maar men schreef
het eene buitengewone kracht toe. Het was onfeilbaar tegen ischias,
jicht en dergelijke kwalen, en één schrijver beweert, dat het zeer
aan te bevelen is als spoeling bij een keelontsteking.
Maar honing en doode bijen waren niet de éénige produkten der
bijenkorven, die tot den dienst der Geneeskunst geprest werden. Ook
aan de was werd bijzondere geneeskracht toegekend voor alle soorten
van menschelijke kwalen. Zij had de eigenschap zweren te genezen en
"als een hoeveelheid was, ter grootte van een erwt, wordt ingeslikt
door zoogende vrouwen, lost ze de gestolde melk in de tepels op." Zij
werd ook gebruikt om stijve ledematen en pijnlijke spieren mee in
te wrijven. De veronderstelde geneeskracht van bijenwas in zijn
natuurstaat was echter nog niet in vergelijking met haar waarde
wanneer zij gedistilleerd was.
Dit medicament, bekend als was-olie, en in dien tijd over de geheele
wereld beroemd, schijnt nader aan het ideaal van een panacee gekomen te
zijn, dan iets anders daarvóór of daarna. Het bereiden van was-olie
schijnt een zeer ingewikkelde zaak te zijn geweest. Eerst moest
de was gesmolten worden, in zoeten wijn gegoten en met de handen
uitgedrukt. Dit gebeurde zeven maal, en iederen keer werd er nieuwe
wijn aan toegevoegd. Dan werd de was in een retort gedaan met een
hoeveelheid poeder van rooden steen en zorgvuldig gedistilleerd. Er
kwam dan een gele olie over, die ten tweede male gedistilleerd werd en
daarna was het "hemelsch en goddelijk geneesmiddel" bereid. Miraculeuze
voorteekenen schenen deze bereiding te vergezellen; want er wordt ons
verteld, dat bij "het ontstaan van deze olie in den ontvanger de vier
elementen verschijnen: het vuur, de lucht, het water en de aarde,
zeer verwonderlijk te zien."
De kracht, onmiddellijk het uitvallen der haren te doen ophouden,
de zwaarste wonden in weinig dagen te heelen en tandpijn en pijn
in den rug te genezen, is nog maar een der mindere deugden van
dit middel. Op veel grootscher eigenschappen maakte de was-olie
aanspraak--want niet alléén "doodt zij de wormen en geneest zij
verlammingen en de zwartgallige luimen; maar zij brengt ook het doode
of levende kind te voorschijn." Van dien zelfden ouden schrijver
nog een laatste aanhaling;--zij heeft betrekking op het ontstaan der
bijen en brengt ons op de uiterste grens van het wonderbaarlijke. Na
een geleerde verhandeling over de methode van het kweeken van bijen
uit een dooden os--"kunnen we ons echter," zegt hij, "een dooden
leeuw voor dit proces aanschaffen, dan is dat nog beter, omdat het
den bijen ook leeuwenmoed zal bijbrengen"--gaat de schrijver voort
met aan te toonen hoe bijen nog op andere wijze kunnen voortgebracht
worden. Wij moeten daartoe alle doode bijen bewaren, ze verbranden en
de asch met wijn besprenkelen, en ze daarna op een warme plaats aan
de zon blootstellen. "Na een poosje," zegt hij, "zullen al de zoo
behandelde bijen weer levend worden; en wij hebben een nieuw volk
klaar voor den korf."
Als wij ons verdiepen in deze verweerde oude schrifturen, met hun
vervaagde geel geworden letters en verouderde zinswendingen, dan
begint het ons pas duidelijk te worden, welk een luttel beetje die
oude bijenmeesters eigenlijk begrepen van de eigenlijke levenswijs
der honingbijen, en dat zij inderdaad niets wisten van bijenteelt. En
toch moet de honing- en wasproductie van grooten omvang en beteekenis
zijn geweest in die dagen. In spijt van hun verouderde theoriën en hun
noodeloos ingrijpen in het leven der korven, moeten deze menschen, hoe
dan ook, een markt hebben voorzien, van een uitgebreidheid waarvan wij
ons tegenwoordig nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen. De washandel
alléén moet al heel belangrijk zijn geweest; want behalve bij de
allerarmsten, was de was de éénige grondstof die in aanmerking kwam
als kunstmatige lichtbron. En voor de honing was de vraag veel meer
algemeen dan tegenwoordig, omdat rietsuiker nog onmogelijk ernstig
kon mededingen als verzoetingsmiddel voor de massa, in een tijd dat
hij misschien twee shillings het pond kostte.
Maar bij beschouwingen als deze moeten wij in het oog houden, dat wel
de menschen, die over bijen schreven, een schilderachtige onwetenheid
aan den dag legden betreffende hun onderwerp; maar dat zij de kleinste
minderheid uitmaakten van de ijmkers in 't geheel. Waarschijnlijk
kwam het grootste contingent van de honing- en wasproductie van
bijenparken, waarvan de eigenaars niets wisten van boeken en er zich
ook niet om bekommerden; maar zich uitsluitend bezig hielden met de
praktische zijde van het werk. En hun kennis--die zij in hoofdzaak
van hun vader geërfd hadden--was ruim voldoende voor het aandeel dat
zij in de honingproduktie hadden.
Het is bovendien ook eerst in dezen tijd van wetenschappelijke
bijenteelt, dat het werk van den ijmker zelf van meer gewicht is. Nu,
bij het licht der twintigste-eeuwsche kennis, kan het den dubbelen en
zelfs driedubbelen honingoogst produceeren van wat de oude methoden
opleverden. Maar de oude korvenbezitters konden niet veel anders doen
dan bij het werk van hun bijen toekijken, en hier en daar een-weinig
helpende-hand aanleggen. Bijna al de verdienste van wat men toen
verkreeg, moet worden toegeschreven aan de bijen zelve, die ontelbare
eeuwen te voren hun merkwaardige organisatie en politiek systeem
tot volmaking hadden gebracht. Waarschijnlijk lieten de ijmkers,
de praktische mannen, die bijen hielden in den ouden tijd, wel met
hetzelfde doorzicht de bijen hun gang gaan als de korvenbezitters van
de vorige generatie. En in veel opzichten deden zij, wáár zij ingrepen,
verkeerd b.v. in de oogenschijnlijk dwaze praktijk van het vernietigen
van bijen om de honing te verkrijgen. Maar zelfs dit was niet zóó'n
dwaas gebruik, als het heden ten dage schijnt. Het was eenvoudig,
naar de kennis van dien tijd, een zaken-kwestie. Hun methode was:
de lichtsten en de zwaarsten van hun stand tot den zwavelkuil te
veroordeelen. De ervaring had hun geleerd, dat de zwakke kolonies
weinig kans hadden door den winter te komen, tenzij zij kunstmatig
gevoed werden; terwijl, als de bijen uit de groote kolonies bleven
bestaan nadat hun voorraad hun ontnomen was, zij dezelfde verzorging
zouden noodig hebben. Het was maar een rekensom. Kunstmatige
voeding was toen een veel kostbaarder zaak dan tegenwoordig, en een
berekening toonde dat vernietiging het voordeeligst was. Van een
modern wetenschappelijk standpunt beschouwd is de slechtste kant van
deze behandeling, dat bij het oude stelsel van vernietiging alleen die
bijenvolken bleven bestaan, die ingewortelde zwermers waren; terwijl
de rustige en werkzame thuisblijvers, die de grootste honingprovisie
verzamelden, onveranderlijk werden uitgeroeid. En wanneer wij bedenken,
dat de moderne bijenwetenschap er naar streeft het zwermen geheel
te onderdrukken, is dit een noodlottige erfenis, die zij ons hebben
nagelaten. De gewoonte van zwermen staat het verkrijgen van een ruimen
honingoogst heel erg in den weg, en er zal altijd een element van
onzekerheid in de honingproductie zijn, zoolang de moderne ijmkers
niet een ras van niet-zwermende bijen hebben verkregen.
De bijenmannen van den nieuweren tijd stemmen dus in met het koor van
hen, die de oude dwaze gewoonte van het bijen-verbranden afkeuren,
meer omdat dit hun de taak heeft opgelegd het werk van eeuwen ongedaan
te maken, vóór er eenig teeken van vooruitgang kan zijn, dan uit het
algemeen aangenomen beginsel van menschelijkheid.
HOOFDSTUK IV
VOOR DE STADSPOORTEN.
In het zuiden van Sussex, in een dorp dicht aan den groenen rand der
"Downs" [4] wonen twee ijmkers, die in hun sterk uiteenloopende
methoden en hun verschil van uitgangspunt, de uitersten
vertegenwoordigen der bijenkultuur, zooals zij in dezen tijd nog
gelijktijdig bestaan.
De éen woont in een antiek, met riet bedekt huisje, dat midden in
een ouderwetschen Engelschen tuin staat, en de stolpvormige strooien
bijenkorven zijn hier en daar neergezet tusschen een wilden groei
van al de ouderwetsche Engelsche bloemen.
De ander bewoont een zelfgebouwde keurige villa op een helling, onder
bedekking van het dennebosch, dat den heuvel kroont; en hij heeft er
een groot modern bijenpark ingericht, dat in alle opzichten aan alle
eischen voldoet van de moderne apiarische wetenschap der twee werelden.
Wanneer men op een mooien Meimorgen de dorpsstraat laat liggen en
in het open land bij een van deze twee inrichtingen komt, krijgt
men den indruk, dat al de romantiek en de legendarische sfeer
van de bijenwereld onvermijdelijk moeten gevonden worden in den
ouderwetschen bijentuin, waar de zacht gonzende muziek der korven uit
het dichtst der bloeiende seringen schijnt te komen en uit den rooden
meidoorn en de blauwe eereprijs; want de korven zelf ontdekt men het
allerlaatst in deze schitterende bloemenmengeling. Iets poëtisch te
verwachten in de andere inrichting--waar op een uitgestrekt terrein,
met sintels geplaveid, de moderne bijenkasten, in verschillende
kleuren geschilderd, op rijen staan; waar het woonhuis zooals het
daar is, uit een der Londensche voorsteden kon zijn overgebracht,
evenals de bijgebouwen met hun druk zakelijk bewegen, hun kuchenden
petroleummotor en het dreunen van hamer en zaag--zou zijn iets
verlangen, dat bespottelijk uit den tijd moest schijnen en zelfs
absoluut onmogelijk. Men kon even goed naar kunst in een Ghetto zoeken,
als naar eerbied voor oude bijengewoonten in een handelsinrichting
als deze, die alleen is opgericht om de honingmarkt te voorzien,
zooals een Manchester fabriek zijn stoffen aflevert.