hebben, dan moeten wij gelooven dat hunne zegevierende legioenen
barbaarschheid vonden waar zij kwamen, en daarvoor het zaad der
hoogste beschaving achterlieten--hooge beschaving, volgens den zin,
die dat woord had in die sombere en veelbewogen tijden.
Maar het is de vraag of het land der Britten, dat Caesar vond, zoo
barbaarsch was als het wordt geschilderd. Wij zijn gewoon Caesar's
schets, van zijn eersten blik op Albion = Eilanban, het Witte Eiland,
zooals de Britten het zelf noemden, te beschouwen als ònzen eersten
blik in de geschiedenis van ons eigen land. Maar dit is in 't geheel
niet waar. De geschiedenis van Brittanje begint met het verhaal
van de eerste reis die de Feniciërs er heen maakten, toen ze, zich
verder wagende dan één van hun onversaagd ras, een landing deden op
de Scilly-Eilanden en de naburige kust van Cornwallis, en vandaar
hun eerste lading tin meenamen.
En hoe lang dit geleden is? Wie kan het zeggen. De plaats, waar het
fenicische Barat Anac, het Tinland, lag, bleef eeuwen lang een geheim,
naijverig bewaard door deze oude zeevaarders, de eerste zeelieden,
die de wereld kende. Zij waren ervaren stuurlieden, die zich oneindig
ver op zee waagden, zelfs al in Koning Salomon's tijd, en dat was één
duizend jaar vóór de komst van Caesar. Het is zeer waarschijnlijk,
dat zij veelvuldig met de Britten verkeerd hadden, eeuwen vóór dat
de Grieken uitgingen om dit wonderbare tindragende land te zoeken,
en nog langer vóórdat de naam Barat-Anac verbasterd was in het
Brittannia van de Romeinen. En het is nauwelijks te veronderstellen,
dat een volk van zulk een oude beschaving en met zulk een grooten
roep wat kunst en levensverfijning betreft als de Feniciërs--een volk
waarvan zelfs de oude Grieken het letterschrift en de schrijfkunst
geleerd hadden--eeuwen lang in kontakt kon blijven met een volk als
de Britten, van zoo hoogen zin en geestelijke begaafdheid, zonder
van grooten invloed op hun ontwikkeling en beschaving te zijn.
Want hoog van zin en knap waren de Britten zelfs in die schemerig verre
tijden. Caesar's verhaal, tusschen de regels in gelezen, komt in niets
overeen met de gewone opvatting, dat de Britten niets anders waren dan
een bende wilden, die als zwijnen samenhokten in rieten schuren, en
hun naakte lichamen blauw verfden, om den even barbaarschen gemoederen
van hun vijandige medeëilanders schrik aan te jagen. Wij krijgen een
indruk van een volk op veel hooger trap van ontwikkeling in de kunsten
van oorlog en vrede. Hoogstwaarschijnlijk hulden zij zich in gewone
tijden schilderachtig in de huiden der wilde dieren, die in overvloed
op hun eiland leefden, en alléén in oorlogstijd waren zij naakt
en beschilderd. Uit oude afbeeldingen zijn wij gemeenzaam geworden
met het uiterlijk der matrozen van Drake en Nelson, op dergelijke
wijze ontkleed; en tusschen de blauwe beschildering uit de tijden
der Druïden, en het roode laken en schitterend metaal der bewapening
van onze 19e eeuwsche krijgers ligt dus niet zulk een gapende kloof,
als de afstand der eeuwen zou doen denken. In de kunst der bewapening
deden de Britten niet zoo oneindig ver onder voor de Romeinen, en
wij vernemen dat zij schijnen te hebben uitgemunt in ten minste één
lastig handwerk: het vlechten van velerlei soort van mandenwerk.
Maar er is een ander getuigenis, behalve dat van Caesar, ten gunste van
de opvatting, dat zij bij lange na geen barbaarsch volk waren. Diodorus
Siculus, een tijdgenoot van Caesar, roemt hun karaktereerlijkheid als
die van de Romeinen zelfs overtreffend, en Tacitus, die een eeuw later
schreef, spreekt van hun bijzonder vlug begrip en hoogen geestelijken
aanleg. Door de zee beschermd als zij waren, nam waarschijnlijk de
oorlog geen groote plaats in hun leven in, en in hoofdzaak waren
zij een landbouwend volk. Het is wel zeker, dat de beschaafde en
ondernemende Feniciërs de kust veel verder oostwaarts bezochten dan
ons bericht wordt, en dus de beschaving bij de Britten aanmerkelijk
verhaast zullen hebben, tenminste wat de stammen in het zuiden betreft.
Het wordt gezegd--op welke gronden is moeilijk te bepalen--dat de
Romeinen, behalven dat zij de Britten alle andere handwerken en den
landbouw bijbrachten, ook de bijenteelt invoerden in de veroverde
eilanden. Maar Plinius, als hij verhaalt van de reizen van Pytheas,
die verondersteld worden drie honderd jaar gebeurd te zijn vóórdat
Caesar hier een voet gezet had, spreekt er van hoe de aardrijkskundige,
van Marseille in Brittanje landend, het volk daar een drank zag brouwen
uit tarwe en honing. Er is echter een andere bewijsbron op dit punt,
oneindig veel ouder nog dan de hierboven genoemde: Lang voordat de
fenicische zeevaarders hun Tin-eiland ontdekten, waren er barden in
Eilanban--het witte Eiland--die de heldendaden van hunne Veltische
helden bezongen, en de legendarische handelingen van hun ras. Deze
oude, wilde zangen gingen over van bard op bard door de eeuwen heen,
en vele van die oud-Welsche gedichten die nog zijn bewaard gebleven,
moeten van een onnaspeurlijken ouderdom zijn. Zij willen den toestand
van Brittanje beschrijven, beginnend met het allereerste menschelijk
leven dáár.
In sommige van die zangen nu, die blijkbaar tot de oudsten behooren,
wordt Brittanje het "Honing-eiland" genoemd, om den overvloed van
wilde bijen in de oerwouden. Het zou nutteloos, en bovendien vrij
dwaas zijn, als wij aan deze oude overleveringen grooter beteekenis
hechtten dan hun toekomt. Maar de naam geeft te denken, en wij kunnen
veilig veronderstellen, dat als Brittanje bij de oude Druïdenbarden
bekend was als het "Honing-eiland," de natuurlijke omstandigheden,
die de aanleiding tot dien naam waren, nog wel aanwezig zouden zijn en
terug te vinden in het leven van het volk, dat Caesar zag samenscholen
op de witte rotsen boven zich, een krachtig, rosharig, en krijgshaftig
ras. Hij verhaalt, dat zij hunne kudden van tam vee bezaten en hunne
akkers bebouwden, en men kan met reden veronderstellen, dat de korven
van gevlochten wilgenrijs, waarover Vergilius een eeuw later schreef,
hun tegenhangers hadden in de mandenkorven van den Britschen dorper
uit dien tijd.
Ongetwijfeld hebben de Romeinen bij hun tweede en blijvende bezetting,
eerst honderd jaar later, den Britten hun eigen methode van bijenteelt
geleerd en verschillende verbeteringen gebracht in de praktijk van
het handwerk, die bij de Britten zeker nog maar hoogst primitief
was. Maar eerst na het vertrek der Romeinen, toen de Angel-Saksische
heerschappij in het eiland gevestigd was, schijnt de bijenkultuur een
erkend nationaal bedrijf te zijn geworden. Van het maatschappelijk
leven uit dien tijd zijn er slechts spaarzame berichten; maar zeker
is het, dat de honing met zijn produkten een belangrijke plaats in
het dieet innam bij alle klassen, hoog en laag.
Het is voor ons in dezen tijd, nu wij riet- en beetwortelsuiker hebben,
en zelfs chemische verzoetende middelen in voortdurend en algemeen
gebruik zijn, moeilijk te realiseeren, dat van de oudste tijden af tot
de vijftiende en zestiende eeuw, er feitelijk geen andere zoetigheid
was in de heele wereld dan honing; en ons dus voor te stellen wat
een voorname plaats het bijenbedrijf moet hebben ingenomen bij alle
volken. Voor alle mogelijke doeleinden was er enkel maar honing, en
men ziet ze aanhoudend genoemd in de oude kloosterkronieken, en in
de aardige kookboeken, die nog uit de Middeleeuwen zijn overgebleven.
Wel is waar kan men, wat het suikerriet betreft, teruggaan tot
de eerste eeuw v. C..--Strabo, die juist vóor het begin van de
Christelijke jaartelling schreef, verhaalt hoe Nearchus, vlootvoogd
van Alexander den Groote, een belangrijke ontdekkingsreis maakte
in den Indischen oceaan, en berichten meebracht over een wonderbaar
"honingdragend riet," dat hij bij de inboorlingen had gevonden. Er
wordt ook vermeld, dat de Spanjaarden het suikerriet uit het Oosten
meebrachten en het plantten op Madeira, in het begin van de 15e eeuw;
en van daar breidde zich in deze en de volgende eeuw de kultuur uit
naar West-Indië en Zuid-Amerika. Gedurende de Middeleeuwen was het in
zeer beperkt gebruik bij de rijkste en edelste familiën van Europa;
het had toen Venetië als handels-centrum. Maar suikerriet was alleen
een kostbare luxe in het dieet, of een medicinaal bestanddeel,
zelfs bij de hoogsten in den lande, tot ver in de zeventiende
eeuw; toen begon het langzamerhand den honing uit de volksgunst te
verdringen. Doch het is zeer wel mogelijk dat de middel- en laagste
klassen in Engeland geen ander verzoetingsmiddel dan honing bezaten
en konden betalen, voor welk doel ook, tot ongeveer drie honderd jaar
geleden. Onder de Angel-Saksen voorzagen de bijenkorven het geheele
volk, van den Koning af tot den minsten daglooner, en niet alleen van
voedsel, maar tegelijk ook van drank en licht. Wij lezen hoe op de
Koninklijke feestmalen de Mede werd rondgediend, en hoe die drank in
ieder klooster algemeen werd gebruikt. Zelfs in die oude tijden waren
er herbergen aan de groote wegen, waar men drank kon krijgen, en in
hoofdzaak Meê, hoewel er ook een soort van bier werd gebrouwen. Geen
priester was het echter vergund deze taveernen te bezoeken, maar een
groote opoffering was dat zeker niet, daar hun dagelijksch rantsoen
aan Mede hen rijkelijk voorzag. Ethelwold stond ieder half dozijn
van zijn monniken aan het middagmaal een "sentarium" Mede toe, wat
in onze moderne maat waarschijnlijk gelijk staat met verscheidene
gallons. (1 gallon = 4.5 liter!)
In de Angel-Saksische tijden werden er drie verschillende dranken
uit honing gebrouwen. De gewoonste, de eigenlijke "Mede," die men
kan beschouwen als den algemeenen drank van de groote menigte,
werd gemaakt van het stukgewreven overschot van de raten, nadat de
honing er uit was gedrukt; dit werd in water gedrenkt en naderhand
gezeefd en in aarden vaten weggezet, tot het ging gisten en tot Mede
werd. En hoe langer het bewaard werd des te sterker werd de drank. Een
tweede soort, uit honing, water en moerbeiensap, werd Morat genoemd;
en dit was waarschijnlijk de drank van de gezeten burgers. Een derde
brouwsel, bekend als Pigment, werd uit de zuiverste honing gestookt,
met verschillende kruiden vermengd en dan door bijvoeging van een
zekere wijnsoort versterkt. En dit was waarschijnlijk de Mede, die
aan de koninklijke tafel geschonken werd. De bediening van 's Konings
Schenker in die dagen kan geen sinecure geweest zijn; want het was bij
de Angelsaksische koningen het gebruik, hun gasten op vier feestmalen
per dag te onthalen, en de hoeveelheden drank, die volgens oude
berichten dan geschonken werden, schijnen ongeloofelijk, zelfs in de
annalen van zulk een stevig drinkend ras. En de nationale matigheid
werd, als een der voordeelen van de Normandische overheersching,
niet weinig gebaat, door de nieuwe regeling van William I, die deze
gastmalen beperkte tot slechts één per dag.
Als wij aannemen, dat gedurende de regeering van Harald de populariteit
van ons goed oud Engelsch brouwsel haar hoogtepunt bereikt had, is
het eveneens zeker, dat met de komst van de Noormannen een langzame
daling kwam in zijn waardeering door het volk. In den nasleep van
Hertog William's ongeordend leger, volgden de verkoopers van de
buitenlandsche dranken uit druivensap; en al spoedig zal wijn de
plaats hebben ingenomen van de Saksische Mede, eerst bij de vreemde
edelen en later bij de eigen "Thanes." Van dien tijd af ging de roem
van de Mede gaandeweg achteruit, en heden ten dage is het bereiden
van Mede een verloren gegane kunst, nog maar heel zeldzaam te vinden
bij enkele ouderwetsche luiden, in afgelegen plaatsjes.
Maar toch is ze te verkrijgen; en degenen van ons, die het geluk
hadden die goede oude Mede te drinken, wel belegen in het vat, hebben
zeker spijt gevoeld, dat er geen stevige poging gedaan wordt om ze
haar ouden nationalen roem terug te geven. Mij dunkt, dat er geen
gezonder drank in de wereld is, en zeker geen, die minder technische
bekwaamheid vereischt. Alle oude boeken over bijenteelt geven er
recepten voor, die alleen verschillen in de opgave van het aantal
vreemde bijvoegsels, die den smaak moeten verhoogen, maar hem, naar
ons inzicht, verknoeien. Want de edelste Mede kan gebrouwen worden
van enkel honing en water; en alle bijvoeging van kruiden of wat
ook, kan alleen het unieke aroma bederven. Eenige van de zestiende-
en zeventiende eeuwsche ijmkers waren in hun tijd beroemd voor het
brouwen van meê; en een van de allerbekwaamsten eischt voor zijn
drank speciale erkenning, daar de meest competente rechters hem in
niets te onderscheiden vonden van ouden Canarischen wijn. Hij geeft
zorgvuldige aanwijzingen voor de bereiding van zijn Mede, en deze
kunnen worden opgevolgd, en zijn dit ook in den laatsten tijd, met
volmaakt succes. Als deze Mede een aantal jaren goed bewaard blijft,
schuimt zij in het glas als champagne, maar zakt dadelijk weer neer;
en de binnenwand van het glas blijft dan bedekt met sprankelende
luchtbellen. De drank heeft de kleur van bleek goud als oude cider;
maar de smaak is niet te vergelijken met dien van eenigen anderen
drank uit dezen tijd. Het is van belang, dat wij van zijn bereider de
verzekering hebben, dat hij zoo sterk gelijkt op den Canarischen wijn,
omdat dit ons een juist begrip geeft van de innerlijke hoedanigheid
van een wijnsoort, die al sedert zoo langen tijd is verloren gegaan.
HOOFDSTUK III
IJMKERS IN DE MIDDELEEUWEN.
Zij, die de oude boeken over de honingbij bestudeeren, worden
gewoonlijk getroffen door twee zeer opmerkelijke bijzonderheden: de
oud-klassieke en romantische geur in al die boeken, en hoe daarin
een groote hoeveelheid ontwijfelbare fabels behendig doorvlochten
zijn met een minimum van blijvende feiten.
Vóórdat men zich heel diep in deze merkwaardige oude berichten heeft
ingewerkt, is het moeilijk zich er rekenschap van te geven, hoe door
en door verzadigd zij zijn met de bekoorlijke, maar grootendeels
onware ideeën van de oude klassieke bijenvaders. De schrijvers waren
bijna zonder uitzondering ernstige praktische menschen, voor wie de
studie en de uitoefening van hun bedrijf de uitsluitende levenstaak
was. Maar zij schenen van den eerste tot den laatste bezeten te zijn
door den drang om alles wat ooit door de oude Grieksche en Romeinsche
litteratoren over bijen geschreven was, als waarheid hoog te houden, en
door de gedachte, dat het de ergerlijkste ketterij zou zijn er éénige
nieuwe waarheid uit hun eigen ondervinding en waarneming aan toe te
voegen, tenzij zij die ampel ondersteunen konden met getuigenissen
uit diezelfde onfeilbare bronnen.
Zij schenen de werken van Aristoteles, Vergilius, Plinius en de rest te
beschouwen als zoovele goddelijke openbaringen betreffende het mysterie
van het bijenleven, als een volmaakt afgesloten geheel; en zij lieten
nooit na ze aan te halen in ondersteuning van eigen beweringen of ter
weerlegging van die van anderen. Ongeveer zooals godsdienstleeraren
gewoon zijn twijfelaars naar bijbelplaatsen te verwijzen.
Maar in de middeleeuwen waren het niet alleen de ijmkers, die van
dit bijzonder gezichtspunt uitgingen. Het scheen toen ter tijd het
heerschende standpunt te zijn bij alle klassen. En het zou haast een
gerechtvaardigde gevolgtrekking zijn wanneer men daaruit opmaakte,
dat bij die oude vasthoudende classici hun natuurstudie geen ander
doel had, dan te bevestigen wat door hunne eerbiedig vereerde orakels
reeds geboekt was. Het was genoeg, dat in de literaire jonkheid der
wereld iets in het Grieksch of Latijn geschreven was; het werd als
een vlekkelooze waarheid vereerd, als het eerste en het laatste woord
over die zaak; en als hun persoonlijke waarnemingen niet overeen
schenen te komen met eenige bewering van de oude schrijvers, dan
was de tegenstelling alleen maar schijnbaar en zou zonder twijfel
gemakkelijk kunnen uitgewischt worden door een grondiger onderlegd
kenner van die oude bijenlitteratuur.
Het is bij een eerste beschouwing zeker verwonderlijk, dat menschen
een geheel leven in dit bedrijf konden werken en tegelijk zich
aan een onwrikbaar geloof konden houden, dat zooveel zwakke punten
blootgaf. Maar men moet bedenken, dat eenige juiste waarneming van
het innerlijke leven der honingbijen in die tijden nog bijzonder
bezwaarlijk was. Het was nagenoeg onmogelijk, iets te zien van wat
er gebeurde binnen de korven, zooals men die toen gebruikte. Plinius
spreekt van een bijenkorf, vervaardigd van wat hij spiegelsteen noemt;
dit was waarschijnlijk talk; en men kon door de doorzichtige zijden
ervan de bijen zien werken. Maar door de Engelsche ijmkers schijnt
iets van dien aard niet vóór de 17e eeuw beproefd te zijn. Buitendien,
al ware ook de korf geheel van helder glas gemaakt, zou de waarnemer
nog niet veel wijzer zijn geworden. Hij zou niet meer dan de
buitenkanten van de twee uiterste raten te zien hebben gekregen,
en hij zou veel heen en weer loopen bij de bijen hebben opgemerkt en
nu en dan even een verschijning van de koningin hebben gehad. Maar
al die verwonderlijke aktiviteit, ten koste van zooveel inspanning
opgemerkt door de waarnemers van onzen tijd, die zoovele vernuftig
uitgedachte hulpmiddelen tot hun dienst hadden, gebeurt uitsluitend in
het allerbinnenste van de korven; en iedere poging het leven der bijen
te bestudeeren met de hulpmiddelen der Middeleeuwen zou volslagen
nutteloos geweest zijn. Het was eerst nadat Huber's bladerkast was
in gebruik genomen--waarin het eenigermate mogelijk was de raten
tijdelijk van elkaar te verwijderen, zonder de bijen al te veel te
verstoren--dat er een merkelijke vooruitgang kwam in de kennis van het
bijenleven. Een nog grooter verbetering was de nieuwste observatiekorf,
waarin de bijen gedwongen worden hun raten tusschen glazen afdeelingen
op te bouwen, de een boven de ander, inplaats van naast elkaar; want
deze uitvinding veroorloofde de studie van het geheele leven binnen in
den korf. Maar hierop is aan te merken, dat bij zulk eene inrichting
de bijen onder te kunstmatige omstandigheden moeten werken. In een
natuurlijk bijennest worden de raten ruw naast elkaâr aangebracht,
en het broed wordt opgekweekt in het middengedeelte van iedere raat;
terwijl de oppervlakte, door de broedcellen ingenomen, in iedere
richting naar buiten toe, vermindert. Zoo neemt het broednest een
kogelachtigen vorm aan, met den honingvoorraad er boven en omheen,
en deze natuurlijke schikking wordt onvermijdelijk verstoord in een
korf, waar de raten boven- en niet naast elkaâr liggen.
Daar het nu den ouden ijmkers onmogelijk was iets omtrent de bijen,
in hun strooien korven, te leeren, beperkten zij zich tot het herhalen
van wat de oude schrijvers geloofden, en doorvlochten dat handig met
eigen beschouwingen; en omdat niemand in staat was die te weerleggen,
werden zij met des temeer zekerheid geuit.
In hoofdzaak schijnen zij het er over eens te zijn geweest, dat het
algemeene principe van voortplanting, geldig voor de geheele schepping,
wonderbaarlijk was opgeheven voor de honingbij alléén. Mozes Rusden,
ijmker van Koning Karel II, die in het jaar 1679 nog zijn "Verdere
ontdekkingen in het Bijenleven" uitgaf, geloofde, dat de werkbijen
niet alléén de levenskiemen, maar de feitelijke lichamelijke substantie
van de jonge bijen van de bloemen gaarden.
Hij wees triomfantelijk op de kleine bolvormige klompjes van
veelkleurig stuifmeel, die de bijen zoo nijver in de korven
thuisbrengen gedurende het broedseizoen, en hij verzekerde, dat dit het
materiaal was, waaruit de jonge bijen zich ontwikkelden. Hij beweerde
ook, dat iedere korf onder de heerschappij van een koning stond;
maar dáárin trachtte Rusden blijkbaar twee heeren te dienen. Hij was
zonder twijfel een hartgrondig koningsgezinde, en had de diepste
verachting voor alles wat afweek van het dogma betreffende het
"goddelijk recht der koningen." Van Vergilius had hij getrouw het
gedeelte nageschreven dat handelt over het garen der levenskiemen op
de bloemen; maar hij voelde dat het als 's Koning's ijmker zijn plicht
was, waar het in zijn macht stond, een goed woord te spreken voor
het herstelde koningschap. Er leefden er nog velen in het koninkrijk,
die sterk tegen de Restauratie waren en waarschijnlijk nog veel meer
weifelaars. En Rusden stelde zich wel voor, dat wanneer hij wijzen kon
op een parallel voorbeeld in de natuur, waar het stelsel der monarchie
van een goddelijke wet uitging, hij zijn patroon een prachtig argument
aan de hand deed ten gunste van zijn koningschap, en tegelijker tijd
een bijzonderen indruk zou maken op de onontwikkelde en bijgeloovige
massa. Maar terwijl hij dit standpunt innam was Rusden toch ook de
echo van een eeuwenoud geloof, ingeworteld bij al de bijenvaders in
het verleden.
De enkele groote bij, waarvan het bestaan in alle korven aan ieder
bekend was, werd algemeen gehouden voor den absoluten heerscher in
de gemeenschap. De 16e en 17e eeuwsche schrijvers noemen haar bij
afwisseling koning of koningin; maar alleen in den zin van bestuurder;
en men koos het woord in hoofdzaak al naar het geslacht van hem of
haar, die op dat oogenblik den engelschen troon innam. Zoo verwierp
Rusden wijselijk het idée eener koningin, toen hij rekening had
te houden met Karel II. Butler, misschien de geleerdste van al de
vroegere schrijvers over de honingbij, vermijdt even halsstarrig
het woord koning te noemen, want zijn boek verscheen toen koningin
Anna regeerde. Hij noemt het "De vrouwelijke Monarchie," maar hij
schijnt toch evenmin als een van zijne voorgangers het geringste
vermoeden gehad te hebben, dat de groote bij in waarheid de moeder
van de heele kolonie is. Echter staat hij haast alleen in zijn tijd
in het verwerpen van de bloemen-theorie der bijenvoortplanting,
en hij verzekert, dat de werkbijen en de darren respektievelijk de
vrouwelijke en mannelijke elementen zijn. "Maar," zegt hij, "zij
planten niet voort als andere levende wezens; hunne darren dulden
zij slechts één getij, door wier mannelijke kracht zij wonderdadig
ontvangen en voortbrengen, en aldus hun liefdelijke soort behouden."
Over de moeilijkheid, dat er gedurende negen maanden geen darren in
de korven zijn, en toch het eierleggen voortgaat, zet hij zich heen
met de bewering, dat de werkbijen onbevlekt ontvangen van de darren
gedurende het seizoen, en dat die zomerbevruchting voldoende is, tot
de darren het volgende jaar in Mei terug komen. En zoo was hij, zonder
het te vermoeden, heel dicht bij de ontdekking van een van de meest
verwonderlijke feiten in de natuur--dat de koningin-bij in een korf,
na één enkele gemeenschap met een der darren, voortgaat bevruchte
eieren te leggen in haar geheele verdere leven, dat misschien nog
wel drie of zelfs vier jaren duurt.
Butler's boek is rijk aan aardige bijzonderheden uit de bijenlegenden
van zijn tijd. Hij vertelt ons, dat de koningin-bij "ondergeschikte
goeverneurs en leiders" onder zich heeft. Zij onderscheiden zich van
de anderen door een soort donkergeel of bruin pluimpje of kwastje,
soms vóór afhangend als een struisveer, of ook wel rechtop staand
als bij de reigers. In minder dan een kwartier, zult ge er soms
drie of vier uit een goeden korf zien komen; maar nog in den tijd,
dat de zon in de Tweelingen staat, vóórdat zij bij het aanhoudend
werken die versierselen hebben afgesleten. En op iederen warmen
lente- of zomermorgen kan het u gebeuren, dat ge hetzelfde ziet:
In enkele bloemen, vooral in de avond-sleutelbloem, hangen soms de
stuifmeel-deeltjes in draden aanéén en zoo blijven zij soms vastzitten
aan de sprieten van de verzamelende bijen, en geven dan den indruk
van een pluimpje of kwastje, zooals Butler het in zijn dagen zag.