Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L. Simons.
Boeken zijn de universiteit onzer dagen.
Uitgegeven door:
De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
Amsterdam
Tickner Edwardes
Het verhaal van de honingbij
Vertaald door
M. van Vloten
Met een aanhangsel
De bij en haar wapenen
Naar het Engelsch van
DR. Percy E. Spielmann
Geïllustreerd
VOORWOORD
De Schrijver van dit werk: The Lore of the Honeybee, dat thans den
lezers onzer bibliotheek in de geautoriseerde vertaling naar den
3en Engelschen druk wordt aangeboden, is een ijmker in Arundel, bij
het Nieuwe Bosch in Zuid-Engeland, en naar hij ons met voldoening
berichtte, van Nederlandsche herkomst: het eerste deel van zijn naam
duidde hij aan als een verengelsching van ons: Teekenaar. Bij het lezen
van zijn boek zal men den man van de praktijk, den wetenschappelijken
onderzoeker en den dichterlijk-gevoeligen natuurliefhebber vereenigd
vinden met den bespiegelaar over de toekomst van ons menschenras. Men
zal mogen meenen dat hij, in bewondering verzonken voor het vernuft
en de beginselvastheid der bij, wat al te zeer geneigd is haar met
den mensch te vergelijken en te vergeten dat diens beheersching der
natuurkrachten en de ruimte van zijn denken hem in staat stelt zijn
problemen geheel anders op te lossen dan het fijn en doortastend
gemeenschappelijk bijenvernuft dat vermocht. Doch men zal moeilijk
kunnen nalaten naar hem te luisteren zonder bekoord en geboeid te
worden door het verhaal dat hij ons doet omtrent het bijenleven:
zooals de mensch zich dat vroeger dacht, en zooals hij het thans
heeft leeren waarnemen.
Dr. Percy E. Spielmann--chemicus te Londen--aan wiens vriendelijke
belangstelling in onze bibliotheek wij zelf de kennismaking met dit
boek danken, heeft van die belangstelling nog verder willen doen
blijken door ons een Bericht toe te zenden omtrent het Bijenvergif
en zijn werking, welk bericht wij als Bijlage achteraan opnemen.
De lezer, die, even onkundig als wij zelf op dit stuk, gewend is
geweest den mannetjesbij als hommel aan te duiden, zal allicht vreemd
ervan opzien, dezen naam niet in onze vertaling aan te treffen,
doch wel den zeer weinig gekenden naam: dar. Doch onze vertaalster
heeft hier het gezag op haar hand van ons Nedl. Woordenboek, dat
o. m. van den heer Snellen van Vollenhoven uit zijn Gelede Dieren
deze nadrukkelijke uitspraak aanhaalt: "De mannetjes worden door
de bijenboeren darren of darries en door velen "verkeerdelijk"
hommels genoemd."
De hommels behooren niet tot de honingbijen! maar zijn de diklijvige,
ruige, wilde bijen van het geslacht Bombus, waarvan in ons vaderland,
volgens diezelfde autoriteit, een twaalftal soorten te vinden zijn.
Waarmee we alweer van een dwaling genezen worden.
Red. W. B.
INLEIDING
HET OUDSTE BEDRIJF ONDER DE ZON.
Een van de oudste en mooiste fabels uit de Grieksche mythologie,
is die betreffende den oorsprong van de honingbij. Hoe de jonge god
Jupiter door zijn moeder Ops, bij de schoone dochters van den koning
van Kreta, Melissa en Amalthea, gebracht werd toen zijn vader Saturnus,
die de gewoonte had zijn kroost bij hun geboorte te verslinden, hem,
zijn laatstgeborene, zou gaan gebruiken voor zijn dagelijksch maal.
Dit verhaal komt bij de oude schrijvers in verschillende lezingen
voor. Sommige zeggen, dat de bijen al bestonden, en noemen Amalthea
een gewone geit, met wier melk de kleine god gevoed werd; terwijl
Melissa de honing verkreeg van de wilde bijen, in de grot, waar Jupiter
verborgen werd gehouden. Een ander verhaal wil, dat de bijen zelf
naar de grot werden aangetrokken door het geraas, dat de voedsters
maakten, slaande zonder ophouden op koperen vaten om de ooren van den
verslindenden vader te verdooven voor het kinderlijk gekrijsch. Van
toen af brachten de bijen hem dagelijks zijn rantsoen honing, tot hij,
opgegroeid, zijn plaats kon houden op den Olympus. In beide verhalen
toont Jupiter, in waarheid als een god, zijn dankbaarheid aan zijn
redders. Bij de vroegste schrijvers vindt men al als een oud geloof,
dat in het bijzondere geval van de honingbij is afgeweken van het
algemeen beginsel: mannelijk en vrouwelijk, en dat de voortplanting van
die soort op bovenzienelijke wijze geschiedt. Dit wordt nu verklaard
als een bijzondere gift van Jupiter, in zijn erkentelijkheid voor den
onschatbaren dienst hem bewezen. Men vindt het in ééne lezing van
de hierboven genoemde fabel, en ook in de woorden van een beroemd
ijmker, die in 1657 schreef: "voor zulk een buitengewone weldaad
heeft Jupiter zijn voedsters beloond met de eigenschap: jongen voort
te brengen en hun geslacht voort te planten, buiten de verterende
geslachtsdrift om." In den anderen, en waarschijnlijk veel ouderen
vorm van de legende, werd Melissa, de schoone dochter van den koning
van Kreta, zelf door den god in een bij veranderd, eveneens met
onbevlekte voortplanting, en voortaan waren het hare nakomelingen,
op wie de taak zou rusten: honing te verzamelen tot voedsel voor de
menschen; die honing waarvan men lang gemeend heeft--tot maar weinig
eeuwen vóór onzen tijd--dat zij een wonderbaarlijke afscheiding was,
die van den hemel tot ons kwam.
Maar zelfs wanneer men die schemerige oude verhalen der mythologie
wegdenkt, die eene romantische verklaring geven voor allen
levensoorsprong op aarde, moet men toch bij iedere poging om de
bijenteelt tot haar allereerste begin terug te brengen, weer opnieuw
den indruk krijgen, dat dit wel het oudste bedrijf onder de zon
is. Duizenden van jaren vóórdat de Groote Pyramide gebouwd werd,
moet het ijmken al een van ouder tot ouder gevestigde bezigheid van
den mensch zijn geweest. Men moet algemeen geweten hebben--en deze
wetenschap is gestempeld door het gezag der eeuwen--dat een bijenkorf,
behalve de massa van zijn werksters, één enkele groote, heerschende
bij inhield, voorbeeld van het door God begenadigde koningschap;
hoe anders zou in Egypte de bij verkoren zijn geworden om in de
hieroglyphische symbolen het koningschap te verbeelden?
Maar niet alléén binnen de grenzen der historische tijden, het zij dan
ook in een nóg zoo ver verleden, vindt men de bewijzen besloten van
het bestaan der bijenteelt, of tenminste van het gebruik van honing
en was door den mensch in zijn dagelijksch leven. Men kan teruggaan
tot zelfs het Bronstijdperk toe, om de zekere bewijzen te vinden,
dat was werd gebruikt bij het vervaardigen van wapenen en sieraden.
Men maakte een model van het voorwerp in een brandbare stof; dit
legde men in een bed van klei waaruit men dan het model wegbrandde,
en eindelijk vulde men den dus verkregen vorm met het gesmolten
metaal. Zonder twijfel werden in veel gevallen deze vormen in hout
gesneden; maar het is eveneens zeker dat ook een smijige stof dikwijls
gebruikt werd. Er zijn bronzen sieraden gevonden met de indrukken van
duimen er nog op, blijkbaar toevallige indrukken in het oorspronkelijke
model, nauwkeurig overgebracht op het metaal. En de grondstof, voor
deze modellen gebruikt, kon nauwelijks iets anders zijn geweest
dan bijenwas.
Maar onze vermoedens omtrent den waarschijnlijken ouderdom van de
bijenteelt behoeven hier nog niet te eindigen. De betrouwbaarste
deskundigen beweren, dat men het levenstijdperk van den mensch op aarde
wel op 100.000 jaar kan schatten. De oudste sporen van den mensch, ver
in den schemer der fossiele tijden, toonen hem ons, als een vechtend en
jagend dier, waarin nog geen neiging ontwikkeld was tot landontginnen
of het temmen van de dieren uit zijne omgeving voor eigen en huiselijk
nut. Het blijkt, dat hij later in het Steentijdperk--eene periode
die toch nog oneindig ver achter ons ligt--verschillende dieren,
als os, schaap, en geit, tam maakte en in afgeperkte terreinen hield
om ze te slachten tot zijn voedsel, in plaats van steeds zwervend
te jagen op wild gedierte. In dezen zelfden tijd vindt men ook,
dat hij koren zaaide en zelfs een soort van brood bakte. Men moet
bedenken, dat, wanneer men honderd duizend jaar stelt als de grens
van het menschelijk leven op aarde, de ontwikkeling van andere
levende wezens en ook de meeste plantenvormen, onmetelijke tijden
vroeger was begonnen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de wereld van
boomen en bloeiende planten, waarin de oorspronkelijke mensch zich
bewoog, niet bijzonder sterk afweek van de groene wereld, die het
menschelijk leven in onzen tijd omgeeft. Het is zeker, dat de appel,
de peer, framboos, braam en pruim gewone vruchten waren in de latere
steenperiode; want van die alle zijn er zaden gevonden in verband met
neolithische overblijfselen. Bewijzen voor het bestaan van beuk en
iep--de laatste een geweldige stuifmeelverspreider--zijn al in een
veel vroeger tijdperk gevonden. Alle voorwaarden ten gunste van een
insektenwereld moeten al bestaan hebben lang voordat de mensch zich
vertoonde; en zonder twijfel had toen het insektenleven al een hooge
ontwikkeling bereikt. Het zou dus even weinig zin hebben te beweren,
dat de honingbij niet op aarde aanwezig was met haar voorraad zoete
spijs voor den mensch, als dat de mensch niet spoedig dien voorraad
ontdekt had, en er zijn dagelijksch werk van was gaan maken dien op
te zoeken; juist zooals hij er dag aan dag op uitging om te jagen en
viervoetig wild te schieten.
Natuurlijk is er een groot verschil tusschen het ergens vinden van
een wilde-bijennest als verwachte mogelijkheid bij het opsporen
van het dagelijksch voedsel, en het gevestigd "houden" van bijen
als voedingsbron.
Terwijl er reden is om aan te nemen, dat de eerste menschen de honing
gebruikten als deel van hun dagelijksch dieet, kan men rekenen, dat
deze menschen een zwervend ras waren, zich nooit lang in dezelfde
streek ophielden, en dus geen bijenhouders konden zijn in den gewonen
zin. Zij hingen af van de hoeveelheid wilde honing, die zij tijdelijk
in hun omgeving vonden.
Maar het eerste teeken van beschaving moet zijn geweest, het gradueel
verminderen van dat nomadisch instinkt. Er zullen stammen zijn gekomen,
die stukken land, rijk aan wild, aan ooft, aan eetbare wortels etc. in
duurzaam bezit namen. En terzelfder tijd zullen de woonplaatsen van
wilde bijen gevonden zijn; hun vijanden werden verjaagd of geweerd,
de plaatsen waar de zwermen zich jaarlijks vestigden geregeld
opgemerkt en onthouden, en dus zou de eerste ijmkerij gevestigd zijn,
waarschijnlijk lang vóórdat er sprake was van grondontginning of het
temmen van wilde dieren tot huisdieren.
Gewoonlijk wordt door de biologen als oudste menschelijk bedrijf de
jacht aangenomen; maar hun bekende deduktieve methode toepassend
zal men er mogelijk eerder toekomen, de bijenteelt als zoodanig
te beschouwen. Voor de eerste jagers moet het neerleggen van het
wild een groot bezwaar geweest zijn, en nog grooter weer schijnt de
moeilijkheid het te vatten, wanneer het gewond was, en toch nog in
staat te ontkomen. Voor dit doel was, in dien vóórtijd, een dier,
vlugger en slimmer dan zijn meester, nog noodiger dan later na de
uitvinding der vuurwapenen. Er is van geen elementaire beschaving in
de geschiedenis van den mensch gebleken zonder een zekere aanduiding,
dat hij toen al eenig soort van hond had tam gemaakt en afgericht
om hem bij het opsporen van zijn dagelijksch voedsel behulpzaam te
zijn. Maar de mensch moet al heel lang bestaan hebben, zonder dat
beschaving nog in eeuwen voor hem bereikbaar was. En in die tijden zal
hij, omringd van tegenstanders als hij was, zijn hut wel, als een nest,
in een hoogen, moeilijk aan te randen boom gemaakt hebben, buiten het
bereik van in den nacht aansluipende vijanden; en het is niet denkbaar,
dat in die omstandigheden de hond zijn metgezel was. Waarschijnlijk
dat hij toen in hoofdzaak van vruchten en honing leefde, en van de
kleinere dieren die hij in staat was met zijn handen te vangen. Dus zou
de eerste jager een bijenjager geweest kunnen zijn. De neolithische
mensch had denkelijk zijn eigen omgeving van rotsen of groepen van
holle boomen, waar de wilde bijen huisden; en met den komenden zomer
volgde hij wel zijn zwermen in de lichtingen der oerwouden, even
ijverig als de ijmker van deze tijden de gangen van zijn volken nagaat.
Dergelijke beschouwingen zijn uitteraard fantastisch en vèr gezocht,
en in het geval van een klein en onaanzienlijk schepsel als de bij,
kunnen zij maar half ernstig zijn. Toch, uit een bijzonder en vrij
ongewoon gezichtspunt gezien, zijn zij belangrijk.
Er is geen aantrekkelijker studie dan die van de oudste beschavingen:
van Egypte 10.000 jaar geleden, van Babylon waarschijnlijk nog
vroeger, en China, dat al eeuwen vóór Abraham's tijd schijnt te zijn
staan gebleven in absolute volmaaktheid wat onbelangrijke dingen
betreft. Toch is dit alles nog paddestoelengroei, vergeleken bij den
ouderdom en de ontwikkeling der bijenmaatschappij. Het is maar een
verhaal uit Liliput, de geschiedenis van een mikroskopisch volkje,
levend en handelend op een eigen tooneeltje. En toch, misschien
tienduizenden van jaren vóór dat de mensch voor het eerst vuur
gemaakt had, of van een stuk steen een bijl had gehakt, was bij
deze gevleugelde volken al een volmaakt levensstelsel ontwikkeld,
en waren daar maatschappelijke vraagstukken opgelost, die nu in de
twintigste eeuw pas beginnen den horizon van het menschelijk bestaan
te omnevelen. Maar zij, met hun samengestelde gemeenschappelijke
staatsinrichting zijn niet vervallen en vergaan, zooals het lot was
van de groote menschenvolkeren der oudheid, en, wie weet, misschien
zal wezen van die van heden.
Zal de tijd komen, dat wij geen andere keus hebben, dan te leeren
van de honingbij, of te vergaan? Wij hebben misschien nog een paar
duizend jaren om daarover na te denken en ons voor te bereiden;
maar wanneer niet de wereld aan een eind komt, of de vermeerdering
van het menschengeslacht ophoudt, zal zeker ééne aarde ons
niet meer allen te zamen kunnen bevatten. Zoo men het leven der
bijen en hunne instellingen van uit dit standpunt bestudeert,
dan krijgen deze een geheel nieuw en belangrijk aanzien. Gesteld,
dat de staathuishoudkunde van den bijenkorf het voorland is van de
menschenmaatschappij, dan valt het niet te ontkennen, dat dit een
inzicht geeft in een hoogst verontrustenden toestand, ten minste
van het mannelijk gezichtspunt. Wij zien hier de triomf van het
matriarchaat [1]. Het vrouwelijk element heeft de opperste leiding in
de staatsaangelegenheden, en neemt niet alleen het initiatief tot alle
voorschriften betreffende het publieke leven; maar alle publieke werken
worden ook door haar ontworpen en uitgevoerd. Het mannelijk element
wordt teruggebracht tot den éénen noodzakelijken sexueelen plicht, en
dit nog maar voor één enkelen keer en toegestaan aan slechts weinigen
uit de duizend. Om nu het groot en blijvend leger werkers samen te
stellen, dat zulk een staat zou eischen, en dit uit enkel vrouwelijke
exemplaren te rekruteeren, was het noodig alle levenswetten van den
grond af te hervormen. En een krachtig besluit tot onthouding moet er
van de bijen, zoowel mannelijke als vrouwelijke, zijn uitgegaan, toen
de geheele plicht der voortplanting van hun soort werd toegewezen aan
slechts één enkel paar--één paar op ongeveer dertig duizend--zóódat
de rest zich uitsluitend en onafgebroken kon wijden aan den door geen
sexualisme gestoorden arbeid.
Dit kan gevolgd zijn op een zéér bijzondere ontdekking, een ontdekking
die diep ingrijpende veranderingen bracht in het bijenleven en
zijn toekomst--de ondervinding namelijk, dat de jonge larve van
de vrouwelijke bij, door bijzondere voeding en verpleging, tot
een sekselooze, òverintelligente werkster kon vervormd worden,
of anders tot een wezen gemaakt, dat bij een volslagen gemis aan
ondernemingsgeest of intellektueele eigenschappen een lichaam zou
bezitten, dat haar tot moeder kon verheffen van een geheel volk. Dit
is wel de socialistische economie tot in haar uiterst strenge
konsekwentiën doorgevoerd. Alles opgeofferd aan het welzijn van
den staat. Het individu is niets, het ras is alles. "Wat ge doet,
doe het goed" is het motto van de honingbij, en zij brengt elke
theorie in praktijk tot de uiterste grens. De menschen noemen zich
gaarne bijen-meesters; maar de besten hunner kunnen niet meer doen,
dan de gangen der bijen na te gaan, te leeren in welke richting
hun bewegen is, en dan voor hen den weg te effenen. De massa der
werkbijen, kollektief genomen, zijn de hersenen in de onderneming,
en de bijenhouder is evenzeer de slaaf van de voorwaarden en wetten,
door haar ingesteld, als zijzelven het zijn; terwijl de koningin de
gewilligste, en op gezette tijden, de werkzaamste slavin is van allen.
Het is nutteloos te ontkennen, dat de inrichting van den bijenstaat
met haar strenge sluitrekening van vernuft, haar meedoogenloos
vasthouden aan de eischen van een systeem dat door eeuwen en eeuwen
heen tot zulk een volmaking gebracht is, hare onaangename en zelfs
stuitende kanten heeft. De natuur is altijd vol wonderen maar niet
altijd bewonderenswaard, en een nauwlettende studie van het leven
in den bijenkorf brengt die waarheid misschien duidelijker aan het
licht, dan die van eenigen anderen levensvorm, den menschelijken
niet uitgesloten. Streng doorgevoerd communisme sluit dikwijls
wreedheid in: alleen onder een systeem van onderlinge overeenkomst, van
vriendschappelijk geven en nemen, kunnen recht en barmhartigheid samen
gaan. In de bijenmaatschappij heeft alléén recht van bestaan, wat het
geheel dient, en het algemeen welzijn niet schaden kan. Ieder individu
in den korf schijnt met dit algemeen beginsel in te stemmen--òf bij
keuze òf door dwang--van de moederbij tot den laatsten luien dar,
geboren in de korte weelde van den vollen zomertijd. Op 't hoogst
van het zomerseizoen vraagt de Staat een tot den nok gevulde
voorraadschuur; en alle bijen werken daaraan mee, onafgebroken
zonder rust, tot de dood door overwerk haar soms overvalt, zoodat
de laatste vracht den korf niet meer bereikt. Als de koningin oud
wordt, of als zij vóór den tijd haar vruchtbaarheid verliest, wordt
zij meedoogenloos geslacht, en haar plaats wordt ingenomen door eene
andere, die bij haar leven en onder haar oogen door de werksters wordt
opgevoed, met het doel om in zulk een geval te kunnen dienen. De darren
worden overvloedig gevoederd, voorzien van wat de korf het lekkerste
en fijnste oplevert; het wordt hun toegestaan ongehinderd door hun
dagen van onverzadelijken honger te luieren en te genieten, opdat geen
jonge koningin ongepaard haar bruidsvlucht zal volbrengen. Maar als de
laatste prinses haar maat gevonden heeft en weer veilig en warm in de
haar wachtende cel is opgeborgen, dan worden alle darren hardvochtig
ter dood gebracht of buiten den korf gedreven om te sterven. Als
slechte tijden dreigen, of de voorraadtoevoer vermindert, dan worden
de oude en zwakke werksters uitgeroeid, het telen houdt op, en het
ongeboren broed wordt uit de wieg-cellen gerukt en vernietigd, zoodat
er zoo weinig mogelijk monden te vullen zullen zijn in de komende
magere dagen. De teekenen van ophanden zijnden nood en voorspoed worden
bespied, en de vermeerdering of vermindering van de werkende bevolking
van den korf wordt geregeld naar toekomstige waarschijnlijkheden.
Maar het meest verbijsterende en griezeligste in die bijenrepubliek is
het feit, dat hier met goed gevolg het vraagstuk van het evenwicht der
geslachten is opgelost. Terwijl alle andere wezens op aarde, hun soort,
mannelijk en vrouwelijk, voorttelen, als het ware op goed geluk af,
weten deze geheimzinnige korfbewoners hun koningin zoons of dochters
te doen baren, al naar de gemeenschap ze noodig heeft. Zij voeren
haar naar cellen voor de darren, en aanstonds legt ze eieren, die
onfeilbaar niets dan darren opleveren; en in de raten, bijzonderlijk
bestemd om er de verworden vrouwtjes, de werkbijen, in te kweeken,
wordt de koningin gedwongen eieren te leggen, die even zeker niets
te voorschijn brengen dan werkbijen.
Deze merkwaardige republiek van het bijenvolk vertegenwoordigt
de oudste beschaving op aarde, en het kan zijn nut hebben, die te
beschouwen in het licht van denkbeelden, die nu nog maar hier en daar
onzeker opflikkeren op het vèrliggende pad der toekomst; maar mogelijk
ééns zullen uitbreken in lichte laaie. Men kan zich voorstellen, dat er
een tijd was, dat de verhoudingen in het bijenleven zéér verschillend
waren van wat wij nu opmerken. De bijen hebben zich saâmgetrokken
in uitgebreide gemeenschappen, juist zooals de menschen langzaam
maar zeker zich bijeentrekken in de steden. Er zou een tijd kunnen
komen waarin het leven buiten de stad voor menschen even onmogelijk
wordt als het nu voor afgezonderde bijenfamilies buiten den korf is;
en dan kan er een zuiver mannelijk dilemma ontstaan. Het is mogelijk,
dat de schitterende dar ééns een belangrijke plaats in de huishouding
innam. Het leven der bijen was er toen misschien een van talrijke
kleine gezinnen, waarvan elk zijn gewichtigen, sonoor gonzenden vader
had en zijn vruchtbare moeder, en waar een talrijk kroost opgroeide,
dat later een eigen thuis ging vestigen. Er is geen reden waarom ieder
van de dertig of veertig duizend ingeknepen maagden, in een korf,
niet een volkomen ontwikkelde vruchtbare koningin zou zijn geworden,
als haar maar het juiste voedsel in voldoende hoeveelheid gegeven
was in haar larfperiode. Maar de nood steeg in de gemeenschap; toen
werd het stelsel van de ééne nationale moeder ingevoerd en daarmede
de akte van onthouding geteekend, wat er ook van komen mocht. En voor
het mannelijk element begon nu de ellende.
Men moet wel begrijpen, dat strikt genomen de honingbij geen angel
heeft of had. Wat bij haar de angel genoemd wordt is in werkelijkheid
de legboor, en als zoodanig wordt hij bijna uitsluitend gebruikt door
de hedendaagsche bijenkoningin in iederen korf. Maar toen door middel
van de hongerkuur de eerste horden van werkbijen werden gekweekt,
en inéén gekrompen tot niet veel anders dan geslachtlooze zenuwen
en hersenen, schijnen zij een vreeselijke wraak te hebben genomen op
hun voorvaderen.
De nuttelooze legboor verkeerde in een geducht wapen, waartegen
de prachtige wapenrusting van den dar, zijn woede en vervaarlijk
gonzen, niets konden uitrichten. Het matriarchaat werd ingesteld
bij middel van de punt van het zwaard. Meedoogenlooze logica werd
tot àlheerscheres. En nu werd het zonnig daglicht verduisterd,
door het afsluiten van al de blijde bijkanten van het leven: wijn,
dans, lichte scherts en het lustig dolen op zijpaden, zoo geliefd
bij alle darren, bijen of menschen. Daar tegenover niet anders dan:
meer honing, een grooter voorraadschuur boordevol met het zoet, dat
nooit geproefd zal worden. En dat alles tot welk een prijs!--terwijl
de oude provisiekast voldoende zou zijn geweest voor alle werkelijke
behoeften. Het leven was dan blij en gemakkelijk gebleven!
Dit is maar een fabel, ver gezocht als eenige die den kalif verteld
werd in den "1001 Nacht." Maar dáár had ook de vrouw haar zin als
vroeger de bijenvrouw; en mogelijk komt de dag dat zij nòg meer
verovert en op grooter schaal. Hoe dan met het zwaard dat ééns
naainaald was?!
HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ
"Sommigen zeggen, dat het hun Instinkt is, en daar leggen zij
zich bij neer en laten verder het vraagstuk rusten.
"Maar ik geloof, dat God meer van ons verlangt, dan dat wij voor
de dingen namen bedenken en ze dan verder met rust laten"--
A. I. Root.
HOOFDSTUK I
DE HONINGBIJ EN DE OUDE SCHRIJVERS.
"Terwijl de groote Cesar gelijk een bliksem,
omhoog aan den Eufraat
oorloogde ............
te dien tijde voedde het aangename
Parthenope mij, Vergilius, die
in d'oefeninge van een onvermaarde
ledigheid groeide ........
(Vergilius--Vondel, Georgica IV)
In Napels--het Parthenope van de Ouden--werd "het beste boek door den
besten dichter" geschreven, bijna tweeduizend jaar geleden. Want daar
verkoos Vergilius, de hoofsche, de uiterst verfijnde, maar tevens vóór
alles, de apostel van het "Eenvoudige Leven," een vredig buitenbestaan
te leiden tusschen zijn citroenbosschen en met zijn bijenkorven. Zoo
wilde hij het, terwijl hij toch had kunnen verkeeren in het brandpunt
van glorie en eer, in de hoofdstad der Romeinen; want daar hield
zijn vriend en begunstiger Maecenas, eerste minister van Octavianus,
open hof voor al wat groot was in letteren en kunst.
Door de moderne bijenhouders, tuk op Amerikanisatie, wordt tegenwoordig
weinig acht geslagen op de geschriften van den man door Bacon genoemd:
"de meest zuivere en de meest prinselijke van alle dichters, die
sedert menschenheugenis geleefd hebben."
En toch, wanneer er gevraagd zou worden: "welk boek geeft men best
het eerst den leerling-ijmker in handen?" dan kan men geen beter
keuze doen dan juist dat vierde boek van de Georgica.
Want Vergilius treft onmiddellijk het hart van de zaak, dat nu nog
hetzelfde is als tweeduizend jaar geleden: de bijenhouder moet in de
eerste plaats voor bijen voelen, of hij zal nooit slagen.
En Vergilius' liefde voor zijn bijen doorglanst het geheele boek van
het begin tot het eind. Het is natuurlijk dat bij een schrijver, die
nog zoo doortrokken is van Grieksche invloeden, men verwachten moet in
zijn werk een getrouwe weergave te vinden van de meeste dwalingen, die
ongeveer driehonderd jaar te voren door Aristoteles onsterfelijk waren
gemaakt. Maar juist dáárdoor komt de groote waarde van het boek weer
naar voren. In die rijke zetting van dichterlijke verbeelding, in die
bekoorlijke mythologische omlijsting, voelen wij toch onfeilbaar het
beeld van den bijenvriend, die uit de schatten put van eigen ervaring,
en zijn kennis uit de eerste hand vergaarde bij zijn eigen bijen.
Vergilius wist alles wat oogen en ooren hem van het leven der
bijen konden vertellen, en hij berichtte er van met liefde. Alléén
in de laatste tweehonderd jaar is er nu en dan nog eenig nieuw
feit toegevoegd aan wat Vergilius verzameld had. Al de schrijvers
over bijenteelt van de eerste tijden af tot in de achttiende eeuw,
hebben weinig anders gedaan dan de fantastische dwalingen der oude
"bijenvaders" van hand tot hand overreiken, behalve dat zij er nog van
hun eigen fantasterijen bijvoegden. En tot op den tijd, dat Schirach
zijn kleine schaar van geduldige onderzoekers van de bijenwereld bijeen
had gebracht, ongeveer honderd jaar geleden, was Vergilius' vierde
boek van de Georgica--als practische gids voor bijenkweekers--nog
haast even goed ingelicht en op de hoogte als éénig andere.
Toch is het niet in hoofdzaak om zijn technische waarde, dat het
boek zoo warm is aan te bevelen aan de hedendaagsche leerlingen in 't
bijenvak. Dat alles is al hopeloos ouderwetsch sedert het uitsterven
van den ouden strookorf bij de vorige generatie. De innerlijke waarde
van Vergilius' werk ligt in de poëtische en romantische sfeer die, nu
als vroeger, niet af te scheiden is van een bedrijf, dat waarschijnlijk
het oudste in de wereld is. Van alle landelijke werkzaamheden in onze
dagen kan alleen de bijenkultuur zijn bekoorlijk oud aroma behouden en
toch produktief blijven. En als de moderne richting, die op weg is ook
van de bijenteelt een nuchter transatlantisch bedrijf te maken, ergens
door gestuit kan worden, dan zal zeker het inprenten van Vergilius'
mooie wijsgeerigheid daar meer dan iets anders toe bijdragen.
Wanneer wij ons verdiepen in dit boeiend gedicht, dit aantrekkelijk
mengsel van met zorg geboekte feiten, rijke verbeelding en aardige,
bijeengeraapte verhalen, toen bekend, nu geheel verloren in den chaos
der eeuwen, dan kunnen wij in onzen geest het beeld terugroepen van
Vergilius' landgoed bij het "liefelijk Parthenope," waar hij zich
verpoosde en peinsde, en de vlekkelooze hexameters van de Georgica
wrocht, met zooveel zorg en moeite, dat hij voor het werk zeven jaar
noodig had--nog niet ééns één regel per dag.
Vergilius' huis stond waarschijnlijk op de houtrijke helling boven de
stad Napels, midden tusschen sinaasappelbosschen en citroenplantages,
met het volle gezicht naar het Noorden op de Apenijnen en hun
sneeuwtoppen, en naar het Zuiden op den blauwen golf. De Vesuvius met
zijn eeuwig dreigement van grijze rookwolken stond donker uit in de
morgenzon, weinige mijlen ver; en de ten ondergang gedoemde steden
Herculanum en Pompeïi aan zijn voet, hadden nog een honderd jaar van
bezig leven voor zich.
De bijenkorven in Vergilius' tijd--wij kunnen dat opmerken op
sommige nog bestaande oud-Romeinsche bas-reliefs,--waren van een
koepel-vormig model dat in een punt uitliep, en zij waren gemaakt
van aaneengenaaide boomschors of gevlochten van wilgenrijs,
zooals hij zelf vertelt. Sommige van zijn aanwijzingen, wat hun
plaatsing en omgeving betreft, zijn nog gulden regelen voor ieder
bijenhouder. "Het bijenpark," zegt hij, "moet beschut zijn voor den
wind en ontoegankelijk voor schapen of stootende geiten, die de
bloemen zouden vertrappen. Er moeten boomen in de nabijheid zijn
om hun koele schaduw, en ook om als rustplaats te strekken als de
nieuw gekroonde Koningen hun éérste zwermen uitleiden in het lieve
voorjaar." Hij zegt ons, de korven dicht bij water te plaatsen,
"of waar een vlug beekje zich door het gras spoedt;" en in het water
moeten wij "groote kiezelsteenen" leggen en "wilgentakken kruiswijs,
dat de bijen, wanneer zij drinken, bruggen hebben om op te staan,
en hun vleugeltjes kunnen uitspreiden in de zomerzon."
Vergilius' methode voor het opvangen van een zwerm is nagenoeg nog
dezelfde als de hedendaagsche, door ouderwetsche bijenhouders in
praktijk gebracht. "De korf wordt ingewreven met fijn gemaakte
blaadjes van Melissa en wasbloempjes, en ge moet een getinkel
maken en de cymbalen van de Moeder"--dat is de Godin Cybele--"tegen
elkaar slaan. Dan zullen de bijen dadelijk opkomen," zegt hij, "en
de gereedstaande woning betrekken. Wanneer ge den honing-oogst in
bezit gaat nemen, moet ge eerst uw kleeren besprenkelen en uw adem
reinigen met zuiver water, en daarna pas de korven naderen, in uw
hand de opjagende rook houdende." En de ouderwetsche bijenhouder in
dezen tijd neemt nog, zooals zijn ritus het wil, zijn potje bier en
gaat zich wasschen vóórdat hij de korven aanraakt.
Maar misschien ligt toch de sterke bekoring van het vierde boek van
de Georgica niet juist daarin, dat het zoo van nabij de waarheid van
het bijenleven raakt; maar eerder nog in de mooie oude mythen, die
er doorheen gevlochten zijn, en de haast niet minder aantrekkelijke
dwalingen van vervlogen tijden, die de middeneeuwsche schrijvers zoo
getrouw naverteld hebben. Maar de aspirant-ijmker van dezen tijd zal
er niet licht meer van hooren, tenzij hij die oude boeken opslaat.
Vergilius begint zijn gedicht met te spreken van de honing, "hemelsche
gave, uit den aether ontvangen" daarmee zinspelende op het oude geloof,
dat de nektar in de bloemen niet door de plant zelf werd afgescheiden,
maar als manna uit de lucht viel. Hij waarschuwt zijn lezers ernstig
voor de slechte gevolgen van een echo op de bewoners der korven en
voor de gevaarlijke eigenschappen van verbrande kreeftenschalen;
en hij vertelt ons, dat bij winderig weêr de bijen kleine steentjes
meedragen als tegenwicht, "zooals de wankele scheepjes zand-ballast
innemen op de schokkende golven."
Hij had een vast geloof in den goddelijken oorsprong der bijen. Want
voor alle volkeren der oudheid was de bij een eeuwig wonder;
het teeken van een almachtigen Wil, in de bloemenvelden gewekt,
zooals voor de moderne vromen de regenboog als teeken van dien
goddelijken wil in den hemel gezet is. Terwijl alle wezens op aarde
hun soort voortplantten door vereeniging der geslachten, schenen
deze geheimzinnige gevleugelde volken van die algemeene wet te zijn
ontheven. En Vergilius, copieerende van veel oudere schrijvers, zegt:
"zij kennen niet de vreugde van lichamelijke vereeniging, noch kennen
zij het versmachten in liefde, of brengen zij in lijden hun jongen
ter wereld; maar zij roepen met hun mond hun kinderen op bladeren en
zoetriekende kruiden, en maken zoo hun getal van jeugdige burgers vol."
Even wonderlijk--tenminste voor moderne insektenkenners--schijnt het
onder de ouden wijdverbreide geloof, dat bijenzwermen willekeurig
kunnen gekweekt worden uit het rottend karkas van een os. Vergilius
beweert dit vermeld te hebben gevonden in een oude Egyptische legende,
en hij geeft zorgvuldige wenken aan bijenhouders, hoe zij deze, voor
hem ontwijfelbaar zekere, methode om een bijenvolk te verkrijgen
hebben toe te passen, die ik hier laat volgen: [2]
"Men kiest eerst luttel erfs, om 't werrek te voltrekken
En past dit met wat daks van pannen t'overdekken;
Met eenen nauwen wand te sluiten dit gesticht,
Waarin vier vensters naar vier winden haar gezicht
De zon toekeeren, die hier heet komt innestralen.
Dan past men eenen stier, twee jaren oud, te halen
Wiens horens krommen. Dan de neuslucht met geweld
Gestopt, den muil de lucht benomen, hem geveld
Met stokken, dat hij sterf, die nog een weinig lilde.
't Gepletterde ingewand dan over d' ongevilde
En rauwe huid gespreid van dezen dooden stier,
Dan versche kassiegeur geslingerd onder 't dier
En thijm, en telg bij telg, gebroken van die heggen.
Zoo laten ze in die plaats den stier besloten leggen.
Dit wordt beschikt, wanneer de westenwind eerst speelt,
En met zijn adem in 't begin het water streelt,
Eer nog de beemd beginn' te bloeien, versch bewaterd,
De zwaluw 't broeinest welve' en onder 't rietdak snatert.
Terwijl 't gekneusd gebeent en warme bloed geraakt
Aan 't broeien, schijnt het of een vreemd gediert genaakt
En grimmelt ondereen: Men ziet eerst groote beenen,
Hoort veders snorren en zich mengen, en met éénen
Besteigeren ze allengs de hoogten in de lucht,
Totdat zij endelijk, gelijk een zomervlucht
En vlaag uit eene wolke uitspatten voor elks oogen,
Of als een lichte pijl uit Persiaansche bogen
Omhoog vliegt als de Parth nu toestreeft met den schicht."
Voor een studie over het hardnekkig vasthouden aan dwalingen is dit
dankbaar materiaal. In de eerste plaats is het ontstaan van bijen uit
rottende stoffen een onmogelijkheid en moet dit altijd geweest zijn. Er
is niets wat bijen zoozéér verafschuwen als alle soort van aas. Ja,
zelfs de lucht van rottende stoffen zal heel dikwijls een bijenstand
dwingen hun korven voor goed te verlaten, en het is dus uitgesloten,
dat zij zich ooit in de buurt zouden wagen van Vergilius' onwelriekend
proefmateriaal en daardoor den indruk maken er ontstaan te zijn. Maar
niet alleen, dat deze methode erkend en gevolgd werd, in Vergilius'
tijd; tot zelfs aan het eind der middeleeuwen werd er vast in geloofd;
ja zelfs tot wèl in de 17e eeuw. Er wordt zelfs vermeld, dat de proef
met volmaakt goed gevolg was genomen door een zekeren heer Carew van
Anthony in Cornwallis, in een nog veel later tijd.
En deze praktijk was van een nog veel ouder datum, dan zelfs Vergilius
veronderstelde. Hij zegt, waarschijnlijk terecht, dat zij uit Egypte
stamt, en daarmee telt men dus al duizenden jaren terug. In Egypte
had men op de proef een merkwaardige variant. De os werd in den
grond gegraven, zóó, dat juist de horens er boven uitstaken. Als dan
het geboorteproces was verondersteld te zijn afgeloopen, werden de
punten van de horens afgezaagd en dan beweerde men, dat de bijen er uit
kwamen dringen als uit twee schoorsteenen. Bijna al de oude schrijvers,
met uitzondering van Aristoteles, maken in een of anderen vorm gewag
van deze methode. Varro, die een halve eeuw voor Vergilius schreef,
zegt: "uit rottende ossen worden de bijen, de moeders van den honing,
geboren." Ovidius geeft de geschiedenis van den Egyptischen herder
Aristueus, die naar hij zegt door Vergilius was uitgewerkt, en hij
voegt er een paar beschouwingen van zichzelf bij. Hij veronderstelt,
dat de ziel van den os is overgegaan in ontelbare bijenzielen, als
een straf voor den os, die zijn leven lang zoo jammerlijk onder de
bloemen en kruiden huishield, terwijl de bij een wezen is, dat de
kruiden niet schaden kan, en ze integendeel enkel goed doet.
Nu is het duidelijk, dat waar een opvatting zoo algemeen verbreid is
en van zooveel onafhankelijke zijden bevestigd wordt, er een verklaring
moet bestaan, die de waarheid geeft en tegelijk de dwaling begrijpelijk
maakt. Een nauwkeurig onderzoek van de verschillende verhalen
betreffende bijenzwermen, op rottende dierlijke bestanddeelen ontstaan,
brengt al één algemeen verzuim aan het licht. Al de schrijvers zijn het
er over eens, dat dichte wolken van bij-achtige insekten uit die rotte
lichamen voortkwamen en zich in de lucht verspreidden, als gingen zij
onmiddellijk op honing uit. Maar geen enkele van die schrijvers noemt
het feit, dat er werkelijk honing door de insekten verzameld is, noch
ook wordt ergens gemeld, dat men ze er toe heeft kunnen bewegen een
korf in bezit te nemen, zooals gewone bijenzwermen heel gemakkelijk
doen. Zij worden meer genoemd als een verrijking van het aantal bijen
in hun omgeving dan als aanwinst voor eenigen bijenhouder.
En hierin ligt wel zeker de verklaring van het wonder. Indien het niet
de honing-bij was--de Apis mellifica van de moderne naturalisten--die
geteeld werd uit het begraven lichaam van Vergilius' rampzalig
stierkalf, welk ander insekt, zóó sterk op een bij gelijkende, kon
dan wel in die omstandigheden worden voortgebracht? Het antwoord is
gemakkelijk gegeven door verscheidene natuurkenners van onzen tijd.
Er bestaat een vlieg, de "rotjesvlieg" of "blinde bij," die geheel
aan deze moeilijkheid tegemoet komt. Hij gelijkt zoozeer op de gewone
honingbij, dat hij eens, en niet heel lang geleden nog, voor de
honingbij zelve gehouden werd, door iemand, die zich bijenexpert
noemde, en voorzien was van een diploma, dat hem officieel tot
dien titel bevoegd verklaarde. Deze rotjesvlieg zou zich in alle
opzichten juist zoo gedragen hebben, als Vergilius' uit het kalf
geboren honingbijen heeten zich gedragen te hebben, en geheel in
overeenstemming met de verschillende beschrijvingen van het geval,
door andere schrijvers vóór en nà Vergilius. Zij zouden onmiddellijk
bij het openen van hun gevangenisdeuren in een dichte wolk naar buiten
zijn gedrongen, en zich vroolijk in het open veld verspreid hebben
evenals een zwerm bijen zou doen; en nog eens weer zou Vergilius'
beschrijving van bijenproductie oogenschijnlijk waar gemaakt zijn.
Maar nu wij zóó ver gekomen zijn met de "blinde bijen," is het
moeilijk niet iets verder te gaan. Wij kunnen hen zoo niet laten
in hun verwerpelijke betrekking tot ossen, in staat van ontbinding;
maar moeten hun ook de eer toekennen waarop zij aanspraak hebben van
eene konnektie van hooger orde: "Spijze ging uit van den Eter; en
zoetigheid ging uit van den Sterke." Toen Samson naar Timnath ging
op zijn noodlottige vrijage en onderweg het karkas zag onder een
wolk van insekten, was hij zonder twijfel in het oprechte geloof,
dat het honingbijen waren; en geheel te goeder trouw gaf hij zijn
raadsel op, waarvan de vorm zeer goed kon aangenomen worden als
een betamelijke en veroorloofde dichterlijke vrijheid. Maar dat de
diertjes, die hij om den dooden leeuw zag zwermen, werkelijk bijen
waren, en dat Samson inderdaad honing kreeg uit het karkas, dat kon
men niet aannemen, dan met een geloof, dat niet te onderscheiden is
van lichtgeloovigheid. Er zijn verscheiden pogingen gedaan om het
vraagstuk langs natuurwetenschappelijken weg op te lossen; maar met
geen enkel overtuigend resultaat. En nu is men er toe gekomen dat
gedeelte van het verhaal, dat betrekking heeft op den honing, voor
een handige opsiering te houden van een lateren kroniekschrijver;
en de insekten, die bij den dooden leeuw huisden, te beschouwen als
in werkelijkheid "blinde bijen," op dezelfde wijze ontstaan als die
uit den os van Vergilius.
Misschien kan men nergens zoo goed een algemeenen indruk krijgen van
de bijenkennis in de oudheid als uit de geschriften van Plinius,
d. O., die geboren werd in het jaar 23 v. C. Ook hij behandelt de
bijengeboorte uit ossen. Maar de lezer zal het meest geboeid worden
door Plinius' ernstige en nauwgezette beschrijving van het leven en de
eigenschappen van de honingbij zooals dat toen ter tijd algemeen werd
aangenomen. Zeker hebben maar heel weinige van zijn schilderachtige
détails eenigen grond van waarheid. Zooals alle klassieke schrijvers
b.v. had hij even weinig juiste kennis van het leven in de bijenkorven
als wij het leven kennen op den bodem van den Grooten Oceaan. Maar
hij verhielp dit gebrek, zooals al zijn tijdgenooten het deden, door
een ruim gebruik te maken van de schatten uit eigen verbeelding en
uit de verbeelding van anderen geput.
Zijn verhaal van het ontstaan en den aard van den honing heeft
een eigenaardige bekoring. "Honing," zegt hij, "wordt geboren in
den ether, veelal bij het opgaan der gesternten en bij voorkeur als
Sirius schijnt; maar nooit vóór het opgaan der Plejaden, en dan altijd
even voor het aanbreken van den dag.... Deze vloeistof kan het zweet
zijn van de hemelen, of een speeksel, uitvloeiende van de sterren,
of een afscheiding van den ether die zich zuivert. Ware hij nog maar,
als hij tot ons komt, zoo zuiver helder en onberoerd als toen hij
het eerst zijn nederdaling begon. Maar die val, van zulk een hoogte,
brengt bederf; de uitwasemingen der aarde, die hij ontmoet, tasten
hem aan; hij wordt opgezogen van de boomen en de kruiden der velden,
en verzameld in de magen der bijen; want die geven hem weer terug door
den mond; ook verontreinigd door de sappen der bloemen wordt hij dan in
de korven gebracht en aan zooveel veranderingen onderworpen--en toch
ten spijt van dit alles, geeft hij ons door zijn geurigen smaak een
uitgezochte vreugde, zonder twijfel het gevolg van zijn etherischen
aard en oorsprong."
Moderne bijenhouders schrijven het verschil in kwaliteit van de
honing tegenwoordig toe aan het overheerschen van goede of slechte
nektarhoudende oogsten, of aan een vermenging met dat venijn voor
de ijmkers: de honingdauw. Maar voor Plinius hangt het geheel af
van den invloed der sterren. Bij het rijzen van sommige gesternten
aan den hemel was de honing slecht, omdat hunne afscheidingen
minderwaardig waren. Honing, die verzameld werd na den opgang van
Sirius, den beroemden honingstèr van alle schrijvers der oudheid,
was onvermijdelijk van goede hoedanigheid. Maar wanneer Sirius in de
hemelen heerschte samen met Venus, Jupiter of Mercurius, was honing
geen honing meer; maar een soort van hemelsch nostrum of medicament,
dat niet alleen kracht had, ziekten van de oogen en ingewanden
te genezen en zweren te heelen, maar zelfs uit den dood het leven
kon terugbrengen. Diezelfde deugd vond men in honing, die na het
verschijnen van een regenboog werd ingezameld, ten minste--zooals
Plinius er zorgzaam bijvoegt, "als er geen regen valt tusschen het
verschijnen van den regenboog en den tijd dat de bijen inzamelen."
Over het leven van de bijen wijdt Plinius omstandig uit. Hij vertelt
ons van een volk van nijvere wezentjes, geregeerd door een koning
die een witte vlek als een diadeem op zijn voorhoofd draagt. Van
deze Koning-bijen waren er drie soorten--rood, zwart en gespikkeld;
maar de roode stonden het hoogst.
Hij schijnt, hoewel met eenige terughouding, de oude legende aan
te nemen, dat geslachtsverkeer tusschen de bijen, door goddelijke
tusschenkomst, had opgehouden te bestaan, en veranderd was in een
voortplantingsysteem, dat uit de bloemen zijn oorsprong nam. Hij
spreekt ook van een gangbaar geloof--dat in zijnen tijd wel als
de stoutste ketterij moet hebben geklonken--dat de koning-bij het
eenige mannelijke exemplaar is, en al de rest wijfjes zijn. En met
het bestaan van de darren weet hij ook handig weg:
"Men zou zeggen: een soort van onvolkomen bij, die het allerlaatst
gevormd wordt; een zwakke poging van uitgeputten ouderdom, een laat
nakroost."
Strenge tucht heerschte er volgens Plinius in de bijenkorven. Vroeg
in den morgen blies een bij de klaroen om de geheele bevolking
te wekken. Met militaire striktheid werd het dagwerk ingedeeld en
uitgevoerd, en 's avonds vertoonde zich weer 's Konings hoornblazer en
fladderde rond den korf, terzelfder tijd toeterend, even schril als
bij het wekken. Dan was de dagtaak verricht en het werd plotseling
stil in den korf.
Zijn boek is vol merkwaardige bijzonderheden betreffende het
korfleven. Als inzamelende bijen door den nacht worden overvallen,
dan leggen zij zich op hun rug om hun vleugels te beschutten voor
den dauw, en blijven zoo liggen wachten tot het eerste teeken van
den dageraad; dan vliegen zij weer naar de kolonie terug. Als de
zwermtijd gekomen is, vliegt de Koning-bij niet weg uit den korf,
maar wordt er uit gedragen door zijn gevolg. Plinius waarschuwt de
beginnende ijmkers, dat zij hun korven niet in het klankbereik van
een echo moeten plaatsen, daar dit voor bijen zéér schadelijk is;
maar hij voegt er bij, dat handgeklap en het getintel van metaal hun
een bijzonder genoegen geeft. Hij schrijft hun een langdurig leven
toe; sommigen leven wel zeven jaar. Maar de korven moeten buiten
het bereik van kikvorschen geplaatst worden, die de hebbelijkheid
bezitten van in de korven te ademen, wat een groote sterfte onder de
bewoners veroorzaakt. Als bijen kunstmatig voedsel noodig hebben,
geeft men ze rozijnen of gedroogde vijgen, tot moes gestampt,
gekoorde wol in wijn gedrenkt, de honingdrank hydromels, of rauw
hoendervleesch. "Was," zegt Plinius, "reinigt men het best, door ze
eerst in zeewater te koken en dan in den maneschijn te drogen om ze
goed wit te krijgen." Boosdoeners worden gewaarschuwd tegen het naderen
van bijenkorven of bijen, ten allen tijd. "Want," verzekert hij ons,
"bijen hebben een bijzonderen afkeer van dieven."
Voor den praktischen ijmker van later tijden lijken al deze
bijzonderheden, door de klassieke schrijvers vermeld, niet anders
dan nutteloos en verwarrend gebazel; en men verwondert zich, hoe de
bijen het rooiden, dat zij nog bleven bestaan onder zulk een verfijnd
gekompliceerde, slechte behandeling: een mengsel van onwetenheid en
nauwelijks een enkel vastgesteld feit. Toch staat het vast, dat de
bijenteelt, twee duizend jaar geleden, in waarheid een zeer uitgebreid
en belangrijk bedrijf was. Varro vermeldt een bijenstand, die jaarlijks
vijfduizend pond honing opbracht, terwijl de jaarlijksche inkomsten
van een anderen de som van zesduizend sestercen bedroeg. De grootste
honingopbrengst, volgens Plinius, gaven Kreta, Cyprus en de kust van
Noord-Afrika. Sicilië was beroemd om de kwaliteit van zijn bijenwas;
maar Corsica leverde die toch in de grootste hoeveelheid. Toen het
eiland door de Romeinen werd onderworpen was de jaarlijksche schatting,
die het opbracht, naar men zegt, tweehonderd duizend pond was. Maar
dit is zulk een fabelachtig cijfer dat men het slechts aarzelend
kan aannemen.
Blijkbaar deden de bijen in de oude tijden hun zaken goed, ondanks de
onwetendheid van hunne meesters, of tenminste van de oude schrijvers
de Re Rustica. [3] Men moet echter steeds bedenken, dat zij, die
over landbouw en dergelijke onderwerpen schreven, zelden menschen
van de praktijk waren. Met misschien de enkele uitzonderingen
van Vergilius' Georgica, zijn deze geschriften klaarblijkelijk
voor het grootste gedeelte compilaties uit nog oudere schrijvers,
en verder een samenraapsel van praatjes en verhalen, in dien tijd
in omloop. En het is zeker, dat degenen, die in waarheid hun werk
maakten van bijenteelt, en er het meest van wisten, er in 't geheel
niet over schreven. Waarschijnlijk hielden zij zich met mythen en
fabels betreffende hun vak niet op, en hadden hun voorspoed te danken
aan de strenge dagelijksche praktijk en ondervinding, zeker ook nu
nog de betrouwbaarste, en eigenlijk éénige gids.
HOOFDSTUK II
HET HONING-EILAND