En ze had er zich nog al zoo veel van voorgesteld! Toen haar baljapon
van de naaister was gekomen, had ze die over de pop gehangen en er met
innig welgevallen naar gekeken. Het was juist de kleur, die hij zoo
gaarne zag; op 't laatste concert had hij 't haar nog gezegd. En ze wist
ook wel, dat die kleur haar goed stond met haar mooi donker haar en
bruine oogen en slanke figuur. Maar bovenal had ze zich er op verheugd
hem te kunnen toonen, dat zijn oordeel haar niet onverschillig was.
Ze had moeten belooven de eerste twee walsen voor hem vrij te houden en
toen nu kort voor 't bal zijn bouquet van lichtrose anjers was gekomen,
had ze in verrukking haar gezichtje diep in de bloemen verborgen.
Maar hoe wreed was ze teleurgesteld geworden! Terwijl ze met haar ouders
naar huis reed, moest ze zich op de lippen bijten om niet in huilen uit
te barsten.
Geen woord had hij van haar nieuwe japon gezegd. De twee haar
verschuldigde walsen had hij plichtmatig met haar afgedanst en haar
onderwijl een paar vriendelijkheden gezegd, die haar niets hadden kunnen
schelen. Want ze had heel goed opgemerkt, dat hij den ganschen avond met
een paar anderen had heengefladderd om de engelsche logée van mevrouw
v. H. Zoo'n flirt! En wat of ze toch aan zoo'n kind vonden met haar rood
haar en zomersproeten!
Haar vader had reeds een paar maal op zijn horloge gekeken en door
enkele hartgrondige geeuwen niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de
heele boel hem geweldig begon te vervelen.
Ze was dan ook maar blijde geweest, dat er eindelijk een eind aan kwam.
Toen ze met haar ouders wegging, had hij 't niet eens gemerkt en 't
liefst had zij de bouquet op de bank in de vestiaire laten liggen. Maar
zij wilde de eer aan zich zelve houden, dus gingen de bloemen meê in 't
rijtuig.
Daar had ze 't telkens bijna te kwaad gekregen. Gelukkig echter had
haar vader voor de noodige afleiding gezorgd door maar steeds te zitten
brommen over dat ellendige nachtbraken en telkens te verzekeren, dat dit
de laatste maal was, dat hij naar zulke danspartijen meêging: voortaan
moest zijn vrouw alleen maar meegaan.
Eindelijk was ze op haar kamer. Ze wierp de bloemen op den eersten stoel
den beste, trok haar baljapon haastig uit, lei die achteloos op de sofa
en wierp haar flanellen nachtkleed om. Het was niet noodig licht op te
steken, want de maan scheen vol in haar kamer. Ze ging voor 't raam
staan en staarde naar buiten, waar de tuin dik onder den sneeuw lag,
terwijl zij haar tranen den vrijen loop liet----------------------------
* * * * *
Is dat een bladzijde uit den een of anderen roman? 't Kan best, want we
hebben hier de noodige gegevens bij elkaar: een knap jong meisje, een
ontrouwen minnaar, een brommerigen papa, een bal, bloemen, tranen, ja
zelfs maneschijn.
Een bladzijde uit een roman? Ach, het is de bladzijde uit menig, menig
levensboek, alledaagsch, als gij wilt, maar is het leven van alle dagen
niet alledaagsch?
Wanneer ik eens ging schrijven over 't leed, dat achter de schittering
van balzalen verborgen ligt! Wanneer ik eens ging uitweiden over al de
ellende, die de ouders hun kinderen berokkenen door ze de uitgaande
wereld in te sturen!
»Ik moet wel!« zeide mij eens een moeder, die 't zelve heel naar vond,
dat haar kind de wereld inging, maar van oordeel was 't aan haar stand
verplicht te zijn. Ik ken ouders, die blij waren, dat ze door de een of
andere omstandigheid hun dochter dat jaar nog niet behoefden te laten
uitgaan. »Want, ziet u, ze is nog zoo jong, en als ze 't volgend jaar
een jaartje ouder is, kan ze er beter tegen.«(!)
Nu willen wij geen lange verhandeling over 't dansen gaan schrijven.
't Zou anders zeer belangwekkend zijn na te gaan, hoe er in de
verschillende eeuwen en onder de verschillende volken gedanst
is en gedanst wordt. Misschien is dat een vak van studie aan de
»dansacademies,« die in verscheidene groote steden van ons lieve
vaderland worden gevonden.
Wij zouden kunnen gaan schrijven over het dansen als kunstuiting, en
psychologische beschouwingen kunnen vastknoopen aan de symboliek van
lijnen en vormen, houdingen en standen. Zoo'n dansende juffrouw, een
levend kunstwerk! Wij zouden kunnen spreken over de sierlijkheid van
beweging, en onderzoek kunnen gaan doen naar de juistheid van expressie,
wanneer innerlijke gemoedstoestanden als vreugde, schrik, twijfel,
vrees, wanhoop door uiterlijke lichaamsstanden al dansende uit de sfeer
van 't innerlijke in de wereld der zichtbare vormen worden
»uitgedragen.«
Wij zouden ook kunnen spreken over de onzedelijkheid van het dansen,
maar wij zijn bevreesd voor de verontwaardiging van hen, die ons als
vunzige zielen verre van zich zouden terugwijzen, omdat wij 't waagden
het reine en verhevene met onze onreine gedachten te bezoedelen! Daar
zijn er, die 't dansen afkeuren, omdat 't dansen van Herodias'
dochtertje Johannes den Dooper den dood heeft gebracht.
Mij dunkt, dat is nog al gezocht, en 't zal wel niet noodig zijn op
dergelijke redeneeringen in te gaan. Allerlei bezwaren, tegen het dansen
ingebracht, zouden, vrees ik, precies de tegenovergestelde uitwerking
hebben op jonge meisjes, die 't dansen eenvoudig »dol« vinden en zich
heusch niet door nurksche opmerkingen daarvan zullen laten terughouden.
Is het dan ook niet heerlijk? Is het niet een gansch bijzonder genot op
de maat van een goed gespeelde wals de zaal door te zweven, meêgevoerd
als in een maalstroom van kleuren en tonen, gedragen op de vleugelen van
meesleepende muziek, den grond nauwelijks aanrakende, levende als in een
droom, de oogen half gesloten, de mond tot een glimlach flauw geplooid,
indrinkende met volle teugen de zalige bedwelming van 't oogenblik, zich
gevende aan de onbezorgde blijheid der jeugd?
Maar is dat alles onschuldig? Het lijkt zoo, maar meestal zijn de dingen
niet zoo onschuldig, als zij lijken! Gelooft gij niet, dat de bekoring
van een meesleepende wals op menig jong hart een zeer slechten invloed
kan hebben? Is zinnelijkheid niet altijd 's menschen gevaarlijkste
vijand, vooral wanneer zij zich in zoo verfijnden vorm openbaart?
Daar is zeer zeker menig jonge man en menig jong meisje, die terecht
zich diep beleedigd zouden gevoelen, wanneer iemand maar eenigszins aan
de reinheid van hun gedachten of bedoelingen twijfelde. We willen dan
ook niet nader daarop ingaan en er alleen op wijzen, dat er jonge
menschen kunnen zijn, op wie deze dingen een slechten invloed hebben.
Maar wij spreken niet over het dansen in het algemeen, maar over
alles, wat daarmede in verband staat, en meer bepaald over de bals der
uitgaande wereld. Dansen op zich zelf is het onschuldigste werk, dat
zich denken laat. Kinderen doen het al, wanneer zij blijde zijn. Als 't
dansen was een uiting van natuurlijke blijheid, dan zou ik zeggen: »dans
maar zooveel je wilt.« Wanneer ik jonge menschen met elkaar een walsje
zie doen, en dan jongens met meisjes, want die zoeken elkaar toch,
natuurlijk! dan denk ik gedurig: »men moet toch ook al een principieele
brombeer zijn om daarin iets kwaads te zien!« En ik vind het ook geen
bewijs van hoogstaande moraliteit om altijd iets achter de dingen te
zoeken. Kinderen op de bewaarschool leeren al figuurtjes loopen en
»patertje langs den kant« kennen de kinderen al, zoodra ze maar even op
hun kleine beentjes staan. En zouden de kinderen, ouder wordende, dat
alles niet mogen ontwikkelen?
Maar alles wordt anders, wanneer wij spreken over de bals der
uitgaande wereld. Daar zien wij het leven in al zijn uitwendigheid en
oppervlakkigheid, daar ontbreekt ten eenenmale, wat aan 't leven zijn
eigenlijke bekoring geeft: de eenvoud. De mensch heeft van nature den
eenvoud lief. Geef een kind een kast vol mooi speelgoed: zijn liefste
stuk zal zijn een geschilderd paard met drie poten, of een gebreide pop
met kralen oogjes en zemelende beenen. De ellende der wereld is, dat zij
ons den eenvoud afhandig maakt.
De ellendigste dingen zijn kinderbals. Daar wordt de eenvoud der
kinderen vermoord. Ouders, die kinderbals geven, beseffen niet, hoeveel
kwaad zij daarmede doen! Ik weet van jongetjes van acht jaar, die er
heen gingen in miniatuur rokje, ja heusch, en frac! en een bouquet
gaven aan hun »dame«, met wie ze »soupeerden«! Is het niet meer dan
belachelijk? Het is misdadig, en de eenige verontschuldiging voor de
ouders is hun kortzichtigheid. Kinderbals, kinderoperettes en dergelijke
nonsens zijn de beste middelen om kinderen in den grond te bederven. Een
goede opvoeding moet juist alles doen om den eenvoud van het kind te
bewaren. De wereld is er op uit om in de harten van kinderen reeds vroeg
de begeerte te wekken naar uiterlijken glans en schijn. En mogen nu
Christenouders daaraan mededoen?
En wat is een bal in optima forma anders dan de wereld in haar
uiterlijken glans? Dáár dansen de mooiste meisjes het meest en
verzamelen de grootste flirten de meeste heeren om zich heen. Dáár
blijven de minder knappe als muurbloemetjes zitten, of worden een paar
maal uit beleefdheid jegens papa en mama afgedanst. Dáár wordt gewerkt
op de ijdelheid der meisjes en van de zwakke zijde van het vrouwelijk
geslacht op de meest brutale wijze partij getrokken. En nu is er, dunkt
mij, niets weerzinwekkenders dan wanneer men anderer zwakheid gebruikt
tot eigen vermaak. Heeren, op wier zedelijk leven veel, zeer veel is
aan te merken, dansen daar met fatsoenlijke, hoogst-beschaafde meisjes,
omdat zij over al de middelen beschikken om »zoo'n onschuldig kind«
onder hun bekoring te brengen, en er zijn ouders, die ze een goede
partij voor hun dochters vinden bovendien, omdat zij van goede familie
zijn en geld hebben. En hoe zijn de gesprekken?
»Maar gij moet niet denken, dat wij op een bal ook niet over ernstige
dingen spreken«, zeide mij eens een jong meisje. Ik merkte op, dat deze
verzekering de scherpste veroordeeling van de oppervlakkigheid der
bal-conversatie was.
Neen, laten wij 't maar eerlijk bekennen, in een balzaal weten wij
eigenlijk niet, wat wij met ons Christendom zullen aanvangen. Wanneer
wij als lidmaten der gemeente bevestigd worden, belooven wij de wereld
te zullen verzaken. Die weet, wat deze gelofte inhoudt, weet ook, dat de
balzaal de meest typeerende vorm van de wereld is, en weet dus, dat hij
zijn Christendom moet uitschakelen, wanneer hij daar echt wil
»genieten«.
»Maar dan is er zooveel »genot«, dat in strijd is met het Christendom!«
Misschien wel, maar wij hebben 't nu alleen over het gaan naar het bal.
»Dus mag ik niet naar een bal gaan?«
Mijn vriend, dat moet gij zelf weten. Het Christendom geeft geen
uitwendige geboden. Als Jezus Christus ons bepaalde leefregels gaf,
zou 't wel gemakkelijk zijn een Christen te wezen, maar dan had 't
Christendom geen waarde, omdat het de kern onzer persoonlijkheid niet
raakte, maar alleen den uitwendigen kant van ons leven. Nu moet echter
ieder zijn eigen levensproblemen doorworstelen. Gevoelt gij u thuis in
de balzaal, ga er dan heen, als gij lust hebt, maar beklaag u dan later
niet, wanneer gij daar banden hebt aangeknoopt, die uw geheele verdere
leven blijven knellen! Hoevele engagementen worden in de uitgaande
wereld gesloten, die tot huwelijken leiden, waarin langzamerhand de
uitwendige glans gaat verdwijnen, en de koude en duistere werkelijkheid
zich met beangstigende duidelijkheid openbaart.
Zouden er veel engagementen zijn, die in de binnenkamer met gebed zijn
begonnen? Als gij werkelijk den Heer wilt dienen, kunt gij dan den
voornaamsten stap van uw leven wel anders dan met het oog op God doen?
Eén ding is zeker: hoe teerder uw gemeenschapsleven met den Heer wordt,
des te minder zult gij u in de wereld op uw plaats gevoelen. Dan wordt
het verzaken van de wereld geen moeilijke plicht, maar levensvoorwaarde
en levensbehoefte. Hoevelen hebben door lijden en teleurstelling den
ernst van het leven geleerd. Eigenlijk moeten wij allen door lijden en
teleurstelling den ernst van het leven leeren. Maar er wordt zooveel
leed en teleurstelling ondervonden, die niet noodig waren! En wanneer
ik aan die walsende wereld denk, ronddraaiende in den wervelwind der
dansmuziek, komt onwillekeurig mij het beeld van den lijdenden Christus
voor oogen, en is het mij, of ik zijn stem hoor, die zegt: »ach, hoeveel
zullen die arme menschen nog moeten leeren, voordat zij in mijn kruis
hebben gevonden de redding hunner zielen!«