(Lukas 15: 17a)
Met dit woord teekent Jezus den ommekeer in het zieleleven van den
verloren zoon.
Toen deze, jaren geleden, eigen meester had willen zijn en gevraagd had,
»het deel des goeds, dat hem toekwam,« had hij zich gevleid, dat hij
zichzelf wilde zijn. Toen hij, in het bezit gesteld van wat zijn deel
was, zich bekneld was gaan gevoelen binnen de muren van het ouderlijk
huis en belemmerd onder het oog van zijn vader en van zijn werkzamen
broeder, had hij gemeend, dat hij, buiten dat huis en zonder dat
toezicht, zichzelf zou kunnen zijn. En toen hij, alles bijeen vergaderd
hebbende, weg kon reizen, ver weg, naar een vergelegen land, ja, toen
kreeg hij de kans om zichzelf te zijn; toen dronk hij de teugen van de
vrijheid gretig in, toen sloeg hij de vleugelen van de vrijheid wijd
uit, toen was hij, naar hij meende, zichzelf. Zichzelf was hij immers,
toen hij »overdadiglijk leefde«; zichzelf, toen hij, tegen den komenden
nood, zocht naar werk; zichzelf, toen hij, aangewezen op zichzelven, er
zich wel doorheen zou slaan; zichzelf, toen hij, het onreinste werk niet
schuwend, »zich verhuurde bij een van de burgers van het verre land, om
de zwijnen te hoeden?« En in dien waan van zichzelf te zijn, was hij, de
rijke zoon van den rijken vader, ten slotte de jammerlijke caricatuur
van zichzelven geworden, vermagerd van lichaam, bedekt met lompen,
veracht en beleedigd door die hem omringden.
En toen, eindelijk, uit een woord, uit een blik, het hem bleek, dat hij,
naar de schatting van zijn meester, minder waard was dan een zwijn,
toen, op-eens, kwam uit verre verte, het huis zijns vaders hem voor den
geest. Het huis zijns vaders, dat hem eens van walging had vervuld,
omdat het hem belet had zichzelf te zijn. Maar dat nu hem begeerlijk
toescheen, bekoorlijk, betooverend.
Toen kwam hij tot zichzelven. Toen ontdekte hij, dat hij zichzelf niet
was geweest, al dien tijd, onder al die gedachten, bij al die woorden
en al die daden. Zichzelf niet, bij al die onafhankelijkheid, al die
gulheid, al die macht om zichzelf te redden, al die verkwisting, al die
werkkracht. Zichzelf niet, in die lompen, bij die zwijnen, onder dien
kommer, bij dien knagenden honger.
Want, diep in zijn ziel, was hij nog altijd het kind van zijn vader.
En niet, dan nadat hij, teruggekeerd in het huis des vaders, weer zou
deelen in den overvloed van brood, die daar heerschte, maar dan ook
onder toezicht, dat hij noodig had en gebonden aan den wil zijns vaders,
die immers een wil was vol wijsheid en na werk, dat trouw moest zijn
volbracht, zou hij zichzelven kunnen terugvinden en volkomen zichzelf
worden.
* * * * *
Menig jeugdige van jaren verbeeldt zich, dat het geheim om zichzelf te
worden, schuilt in het zich uitleven. Zich uitleven, een leelijk woord
voor een nog veel leelijker zaak.
Maar wie »zich uitleeft« leeft buiten zichzelven.
En verliest ten slotte zichzelven.
En soms is, als bij den verloren zoon, een stroom van jammer noodig, om
ons uit onzen waan te wekken.