MET DE HELDEN

Die menschen hebben het Christendom toch wel zeer slecht begrepen,

welke het beschuldigen dit leven saai en doodsch te maken. De eenige

verontschuldiging voor hunne onkunde is dat zij vele Christenen hebben

gezien, in wier leven gloed en rijkdom ontbreken. Chesterton zegt

ergens, op zijne eigenaardige manier: »christelijke leer en christelijke

tucht mogen muren zijn, maar zij zijn de muren van een speeltuin. Het

Christendom is de eenige omlijsting, waarin het genot van het heidendom

bewaard is.«

De Bijbel is het boek, dat ons den toegang tot de wereld opent. Wel is

de weg om de wereld te winnen de weg van het kruis; maar het gaat ten

slotte toch om het veroveren van de wereld, haar rijkdom, haar weelde,

hare heerlijkheid.

Eene der eigenschappen van den geloovige is heldhaftigheid. Telkens

wordt het oordeel uitgesproken over een mensch, die vreest. Wanneer

op een der laatste bladzijden van den Bijbel geteekend wordt de

heerlijkheid der nieuwe wereld, worden buitengesloten buiten het

genieten daarvan: de vreesachtigen.

In het lied van Debora lezen wij, Richteren 5: 23: »Vloekt Meroz, zegt

de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet

gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren _met de

helden_.« Debora duldt niet, dat haar volk, het volk Gods, wordt

onderdrukt door de goddelooze Kanaänieten. In Israël is het ware, het

schoone, bij de Kanaänieten de schijn en de leugen. Debora bezielt de

helden, zij werpen het smadelijke juk af, en bij Israël wordt weer

gezien de schoonheid van het licht, zij zijn »als de zon, die opgaat in

hare kracht.«

Maar nu zijn er, die thuisbleven: de inwoners van Meroz. De Engel des

Heeren vloekt hen. De helden gingen uit om, met God, te strijden voor

wat waar en schoon is, maar zij bleven achter, waren bang, waren lauw,

misten idealisme: dat is hunne blijvende schande. Zij zijn niet geweest

»met de helden.«

Mij klinkt dit krasse woord tegen Meroz in de ooren als een woord ook

tegen velen onzer tijdgenooten.

Er zijn Goddank ook nu nog helden. Dat zijn de menschen, die idealen

hebben, en nu voor die idealen willen strijden. Dat zijn de menschen,

die strijden voor recht en waarheid, voor een beginsel, voor eene

heilige zaak. Maar zij ontmoeten niet alleen vijanden, die zich

verzetten tegen hen, uit afkeer van het ware en reine en heilige; zij

ontmoeten ook vreesachtigen, en menschen, die met de koude van hun

cynisme en met de armoede van hun twijfel den gloed willen dooven en de

rijke idealen willen vernielen.

Hoevele jonge menschen zijn door hen gehinderd, misschien wel verlamd

door hun kritiek!

Het is niet gemakkelijk in deze wereld zijn idealen te behouden!

Natuurlijk is in ieder leven een ideaal een teer bezit, omdat ieder

leven gevaar loopt ruw en onheilig te worden. Maar: o die menschen! Zij

beginnen reeds met de kinderen te willen verhinderen tot Jezus te komen.

Zij kritiseeren alles, zij kunnen zoo weinig geestdriftig worden, zij

hebben zoo weinig geloof. Zooals in de lente één koude zucht vele jonge

knoppen kan vernielen, is ook hier dat gevaar. »Toen ik jong was, had

ik ook dat ideaal« zegt de oudere, »ook ik had roeping, ook ik stelde

mij voor, dat het zoo zou zijn, zooals gij het u nu voorstelt... wacht

maar... gij zult ook wel anders leeren...« Kan de oudere dit woord niet

inhouden, en in de stilte weenen, dat de jeugd voorbij is, en bidden,

bidden dat de jongeren winnen?

Er is in deze wereld een zuiging naar beneden, en beneden sterven wij

door gebrek aan lucht.

Deze wereld heeft hare helden. Zij zijn er op ieder levensterrein. De

rijkdom van het leven openbaart zich in vele gaven; de helden zijn

mannen en vrouwen van allerlei stand en gedaante.

Ieder, die het leven ingaat, vindt menschen, die dragers zijn van zijn

ideaal. Hij wordt niet gedwongen, maar mag kiezen. Indien hij maar niet

thuis blijft en werkeloos! Ik raad u aan: lees den Bijbel. Hij geeft

u de zekerheid, dat er voor u in dit leven eene taak ligt. Indien gij

deze zekerheid hebt gekregen, wees dan blijde, dat gij uwe taak moogt

vervullen op uw eigen wijze; gij behoeft u niet te laten verminken door

een harnas, dat u niet past; gij kunt u zelf blijven, mits gij held wilt

worden. Want heldhaftigheid wordt van u gevraagd.

En, indien het u ernst is, ontmoet gij Christus. Die bidt voor u, niet

dat God u »uit de wereld wegneemt, maar bewaart voor den booze.«

De helden winnen het. Indien gij met de helden voor Gods zaak in deze

wereld strijd, blijft gij bewaard voor den vloek, en deelt in de

overwinning.

Op de Levensreis · 第 30 / 36 题