Jeanne d'Arc--gij kent haar naam wel uit uwen schooltijd, gij hebt
misschien wel iets van haar leven gehoord, misschien wel eens met haar
gedweept.... Maar weet ge wel, dat zij u iets persoonlijks te zeggen
heeft?
Zij is eene heilige, die gij gerust zonder schade voor uw Protestantsche
geloof, als zoodanig liefhebben en eeren moogt.
Haar leven bloeit op als eene schoone bloem uit een moeras. Het
Frankrijk van hare dagen, in de 15e eeuw, verkeert in een ellendigen
toestand. Inwendig wordt het land door tweedracht verscheurd. Wij geven
geen nauwkeurig overzicht van den staatkundigen toestand dier dagen.
Alleen dit: om de regeering van Frankrijk strijden twee partijen, aan
het hoofd der eene staat de hertog van Orleans, aan het hoofd der andere
de hertog van Bourgondië. Zij storen zich niet aan den eigenlijken
koning. Deze is Karel VII, zoolang zijn krankzinnige vader leeft, de
dauphyn genaamd. Karel VII is machteloos. Frankrijks vijand is Engeland,
dat reeds eeuwen lang beweerde rechten op Frankrijk heeft uitgeoefend.
Nu heeft zich de partij van Bourgondië verbonden met Engeland. Bij den
dood van den krankzinnigen koning komt deze toestand: het Noorden van
Frankrijk met Parijs, de bourgeoisie en de Bourgondische adel erkennen
de Engelsche regeering; alleen het Zuiden houdt vast aan den wettigen
koning Karel VII en aan het recht van een eigen nationaliteit. Het is
een tijd van groote ellende. Zedelijk staat de bevolking, ook tengevolge
van de langdurige twisten, zeer laag. De kerk is bedorven, de priesters
zijn slechte leidslieden. Plundering en hongersnood zijn telkens
terugkeerende rampen.
In dezen tijd wordt Jeanne d'Arc geboren, in 1412 te Domrémy, een
dorpje aan de grens van Lotharingen. Zij is in dienst van haar armen
vader, en hoedt de schapen. Jeanne is een vroolijk kind, en ook
kinderlijk-geloovig. Zij kan lachen, maar zit ook soms lang te peinzen.
Met eigen oogen ziet zij de ellende van haar land, zij hoort van den
Engelschen vijand en den ongelukkigen koning; maar zij leeft ook nog in
eene andere wereld, de wereld van haar geloof.
Oppervlakkige menschen, welke te laag leven om het boven-natuurlijke
te kunnen zien, hebben van haar een dweepster gemaakt, maar hare
tijdgenooten zijn soms verbaasd over haar nuchterheid. Nog nooit heeft
een dweepend mensch zulke verstandige dingen gedaan als zij, die
krijgsplannen ontwerpt met heusche generaals aan hare zijde, die in den
strijd als een echte veldheer leiding geeft, die voor hare rechters in
volle kalmte en groote scherpzinnigheid zich verdedigt.
Als jong meisje heeft zij hare »stemmen«. Die spreken haar van eene
taak. Zij moet Frankrijk gaan bevrijden. Zij verzet zich. Evenals alle
ware profeten roept zij uit: zend mij niet! Maar zij moet gehoorzamen.
En ook deze profeet ontmoet den tegenstand van den eigen kring, van
ouders en vrienden. Zij zet door, want zij moet de stem des hemels
gehoorzamen. En wanneer zij eindelijk bij haren koning, bij Karel VII
is, weet zij ook hem te overtuigen van hare goddelijke roeping; zij
trotseert alle tegenwerking van de hofpartij, van het legerbestuur, van
de priesters, en zij krijgt een leger, waarmede zij de haar opgedragen
taak kan gaan vervullen: haar vaderland bevrijden van den vijand, haar
koning op den troon brengen.
Het optreden van deze jonge vrouw is een wonder.
Wanneer de hevigste tegenstand van de leiders is gebroken, groeit de
geestdrift van het volk. Zij is als Debora, van wie het boek Richteren
ons verhaalt. Zij verzamelt de dapperen, zij geeft het teeken tot den
strijd, zij bezielt en voert aan. Haar invloed is natuurlijk ook
reinigend: in haar leger verstommen de vloeken en wordt weder gebeden.
In het bijzijn van eene hoogstaande vrouw wordt de atmosfeer zuiver. Een
wonder is haar moed. Zij neemt zelf deel aan den strijd, en haar paard
rent vooruit. Met 3000 man komt zij in Orleans, de door de Engelschen
belegerde stad. Na hevige gevechten, dikwijls bijna verslagen, overwint
deze troep, omdat Jeanne d'Arc volhoudt en van geen wijken wil weten. De
Engelschen worden verjaagd en Orleans is bevrijd.
Dan strijdt zij om haren koning gekroond te krijgen. Ongelooflijk is het
te lezen, hoe zij allen tegenstand overwint, en ten slotte met Karel VII
te Reims komt. Het is de dag harer glorie, wanneer in de oude Kathedraal
Karel VII op plechtige wijze wordt gekroond. Zij staat naast hem, in
krijgsdos, met haar vaandel omhoog geheven. Maar de taal van haar zwaard
en haar harnas staat geschreven op haar vaandel, in deze beide woorden:
Jésus, Maria. Voor haar is de strijd eene hemelsche roeping, zij
strijdt niet om buit, om eer, niet voor zichzelf, zij strijdt voor
Jezus, die haar land wil maken tot wat het zijn mag: een vaderland. Zij
voelt zich een met de vrouwen, die in Maria zien haar ideaal; want Maria
heeft geluisterd naar Gods stem, Hem gehoorzaamd, en geleefd voor de
zaak van het Koninkrijk Gods.
In zeer korte trekken heb ik de geschiedenis der overwinning van Jeanne
d'Arc beschreven; ook haar nederlaag, daarna, beschrijf ik met slechts
enkele zinnen.
Na de glorie komt de vernedering. Zij krijgt haar koning niet met zich
mee; degenen, die haar trouw schuldig zijn, laten haar in de steek. Zij
verliest. Eindelijk weten de Engelschen haar te vangen, zij sluiten haar
op in de gevangenis, dan brengen zij haar op den brandstapel.
Maar haar ideaal is ten slotte, zonder haar, toch vervuld: Frankrijk
heeft de Engelschen verjaagd. Zooals de geschiedschrijver het uitdrukt:
»het zelfstandig volksbestaan van het Fransche volk en de naam van
Jeanne d'Arc, deze twee kunnen nooit meer gescheiden worden.«
* * * * *
In Jeanne d'Arc's leven is het bovennatuurlijke, dat wat van ieder leven
de echte rijkdom is. In haar leven openbaart het zich op bijzondere
wijze. Laten wij nu niet alleen letten op dat, wat Jeanne d'Arc
onderscheidt van ons, maar verbaasd zijn over de kracht, die te
voorschijn komt uit een leven, dat gelooft, en zich nu gehoorzaam
overgeeft aan de leiding van God.
Wij hebben te veel het gevoel, dat voor een bijzonder leven bijzondere
dingen noodig zijn, als bijvoorbeeld een stem uit den hemel, of een
gansch ongewoon talent, en ondertusschen komen zoovelen om in het
alledaagsche van het leven! Vinet zeide: »l'extraordinaire est le
caractère de la vie chrétienne«. Jeanne zeide als kind, dat zij in het
luiden der kerkklok de eeuwigheid hoorde. Die kerkklok is toch in ieder
leven wel, als er nu maar ooren zijn om te luisteren! Wie aldus zijne
ooren oefent, krijgt zulk een fijn gehoor, dat hij stemmen hoort, op
hetzelfde oogenblik, dat een ander niets verneemt.
Men begrijpe mij goed: ik redeneer het wonder niet weg uit Jeanne
d'Arc's leven; ik getuig alleen maar, dat het wonder komt, als eene gave
Gods, tot menschen, die in staat zijn op nog iets anders te letten dan
op stoffelijke dingen, en naar iets anders te luisteren dan naar de
eigen gedachten. De voorwaarde voor het ontvangen van groote dingen ligt
voor een aanzienlijk deel in het open zijn van onze oogen en ooren, en
in onze houding. Er is in het leven van Jeanne d'Arc een beginsel van
groote beteekenis, dat eigenlijk kinderlijk eenvoudig schijnt, maar tot
daden brengt, die overwinningen zijn. Het is dit beginsel: wat zijn
_moet_, wat gebeuren _moet_, is de zaak van Christus. Dat is de
getuigenis van haar vaandel: Jésus! Het is Zijn zaak!
Hoe veel sterker zou ons leven worden, wanneer wij dit konden gelooven!
Nu blijft er zooveel onbereikt, zoovele idealen worden prijs gegeven,
zooveel jonge energie wordt door machteloosheid verlamd, omdat men niet
verstandig genoeg is--gelooven is ten slotte weer verstandig zijn!--om
Hem de leiding te geven, die de macht heeft de overwinning te brengen.
De Engelsche schrijver Chesterton zet Jeanne d'Arc naast Tolstoi en
Nietzsche. Er behoort durf toe dit te doen; mag een kind wel binnenkomen
in het gezelschap van zulke geweldige reuzen?
In onze jonge jaren bewijzen wij, weinigen ontkomen er aan, onze
eerbiedige hulde aan Nietzsche; heerlijk die reuzenkracht! heerlijk die
voor-niets-terugdeinzende woede! heerlijk dat smalen op alles wat gewoon
is!
Later komt bij velen de bewondering van Tolstoi. De ernst breekt door in
ons leven; wij willen iets absoluuts; wij zien overal schijn en leugen,
wij dweepen met het ongewone.
Zijn wij verder gekomen, dan zien wij de meerdere grootheid van Jeanne
d'Arc.
Chesterton zegt het zoo goed: ik dacht aan al wat edel is in Tolstoi,
aan zijne vreugde in eenvoudige zaken, vooral in eenvoudig medelijden,
in de werkelijkheid der aarde, in den eerbied voor de armen, in de
waardigheid van den gebogen rug. Jeanne d'Arc bezat dat alles, maar
daarbij ook nog deze zaak, dat zij niet alleen armoede bewonderde, maar
ook armoede leed, terwijl Tolstoi slechts een gewoon aristocraat is, die
het geheim der armoede tracht na te vorschen. En ik dacht aan alles, dat
stoutmoedig en grootsch en pathetisch was in den ongelukkigen Nietzsche,
en aan een verzet tegen de ledigheid en vreesachtigheid van onze eeuw.
Ik dacht aan zijn kreet om het zielsverrukkend evenwicht van gevaar, aan
zijn honger naar het hoefgetrappel van zware strijdrossen, aan zijn
oorlogskreet. Maar Jeanne d'Arc bezat dat alles, en wederom met dit
verschil, dat zij den krijg niet prees, maar krijg voerde. Wij weten,
dat zij niet vervaard was voor een leger, terwijl Nietzsche misschien
bang was voor een koe. Tolstoi prees slechts den boer; zij was boer.
Nietzsche prees slechts den strijder; zij was strijder. Zij overtrof
beide in hun eigen tegenstrijdige idealen; zij was zachtaardiger dan de
een, geweldiger dan de ander. Toch was zij een volkomen praktisch
persoon, terwijl de anderen ijdele droomers zijn, die niets doen.
Tot zoover Chesterton. In Jeanne d'Arc's leven is niet alleen eene
gedachte, maar ook een daad. Die gedachte heeft op 't eerste gezicht
iets onvrouwelijks. Maar wie dieper ziet, verstaat het verhevene dezer
gedachte. Het is barmhartig om te strijden en tot den strijd aan te
vuren, wanneer de heiligste goederen worden bedreigd.
Tot jonge menschen spreek ik, zelf ook nog jong. Laat u toch nooit
overhalen het zwaard en het vaandel weg te bergen!
Onze tijd is vol van gedachten. Iedere kring heeft zijn profeet. Maar
hij is een valsche profeet, wanneer hij ons niet bezielt tot de daad. En
wanneer wij nu verstaan, dat van ons de daad wordt gevraagd, de strijd,
het offer, dan is daar slechts Een, die ons overwinnen doet, dat is de
Meester van Jeanne d'Arc. Want met Jezus verliezen wij onszelf, en onze
strijd wordt strijd Gods, en dus altijd overwinning! Ook de brandstapel,
waarop Jeanne d'Arc sterft, is een teeken harer overwinning. Het is
beter te sterven in den dienst van eene roeping dan in het leven te
blijven, en schade te lijden aan de ziel. De ziel lijdt schade, hopeloos
schade, wanneer zij geen idealen bezit, of ze verloren heeft!