JOZEF

Gen. 39: 9_b_ »hoe zoude ik dit een zoo

groot kwaad doen, en zondigen tegen God?«

De meesten onzer hebben wel een tijd lang moeite gehad--misschien

hebben wij het nog--om Jozef een aantrekkelijk man te vinden. Hij wordt

misschien wel eens te veel voorgesteld aan de kinderen als een model;

zijne geschiedenis is het »succes-verhaal« op de Zondagschool. Maar is

hij niet een droomer? een pedante jongen? een verklikker van de zonden

der broers?

Er is wel eenige reden om moeite te hebben met de bewondering voor

Jozef.

Totdat wij zijne grootheid hebben gevonden, zooals zij openbaar wordt in

het huis van Potifar. Wanneer wij haar daar hebben gezien, gaan wij ook

de andere dingen beter begrijpen: hij is van het begin af een bijzonder

kind; een, die evenals het kind Jezus, zou geantwoord hebben, wanneer

wij hem vroegen »waarom doet gij zoo?«: »weet gij niet, dat ik moet zijn

in de dingen mijns Vaders?« Er is iets naïefs in Jozef, kinderlijk is

hij tegenover zijnen God. En, wanneer hij een jonge man is geworden,

blijkt hij bestand tegen de verleiding: zijn God is hem alles, hij is

een kind des Vaders, die in de hemelen is.

Wij kennen het verhaal van Jozef en Potifar's vrouw. Wanneer dit verhaal

wordt gelezen, zijn er onreine gedachten bij menschen, die, als zij aan

hunne moeder of zuster denken, zich moeten schamen.

Van dit verhaal wordt een roman gemaakt, of een tooneelstuk. Het vorige

jaar was »Jozef en Potifar's vrouw« de clou van de tooneelwereld. De

nieuwe opera had succes, straks na den oorlog keert dat succes weer

terug; de muziek is verleidelijk-mooi, de strijd tusschen de vrouw en

Jozef boeit, de reine jongeling wordt bedreigd door de netten van de

sluwe, schoone vrouw. Dat gloeien en laaien van den hartstocht houdt

den toeschouwer in voortdurende spanning. Het publiek komt kijken, en

bewonderen. En de menschen vergeten, dat vlak bij, in de stad, levens

onder gaan door de verleiding, op de straten ligt hier en daar gebroken

porcelein; daar loopt een verliederlijkte vrouw, die had moeten blijven

vrouw, in den hoogen heiligen zin van het woord; er zwerven stumpers

rond, ongelukkige kinderen, die slachtoffers zijn van de zonde; zij

komen in gestichten terecht; en die ongelukkigen klagen ons aan, ook

ons, want de wereld wordt slecht gemaakt door de slechtheid der

menschen!

Het is toch eigenlijk onmogelijk te genieten van het spel der

hartstochten, en muziek te maken bij al dat gebeuren van vreeselijke

dingen!

Jozef heeft een afschuw van de zonde. Dat is zijn grootheid. Hij geeft

een schreeuw van angst, dat is zijne kracht. Wij leven in een tijd,

waarin de »afschuw« hoe langer zoo minder wordt. Het »kwaad« wordt

weggeredeneerd, het wordt verklaard, het wordt geduld, en heet nu geen

»kwaad« meer, maar »onvolmaaktheid«.

Jozef weet van het kwaad, en schrikt er voor terug. Nu heeft hij een

zwaren strijd, nu vindt hij overal tegenwerking en tegenspoed; maar de

winst is, dat hij idealen kan behouden. Wie met de zonde speelt, haar

toelaat, moet den duren prijs betalen van het verloren gaan der idealen!

Hoevelen, ook in onzen kring, zijn arm aan geestelijke schatten! Er is

gebrek aan idealisme. Is er geen oorzaak? En Jozef! toen hij sterven

ging, bezat hij nog idealen! Hij sterft in een vreemd land, maar zijn

oog ziet eene schoone toekomst, »begraaf mij in het beloofde land« zegt

hij; zijne oogen stralen bij de gedachte aan de heerlijkheid van Gods

belofte. Wie onzer zal op dezelfde wijze oud worden en den dood tegemoet

gaan?

* * * * *

Wat is het geheim van Jozef's leven?

Hij leeft met God. God is voor hem een levende God, een God, die recht

heeft op zijn leven.

Daarom heeft Jozef de macht de zonde te overwinnen. Er zijn allerlei

middelen om zich tegen de zonde te verdedigen.

Ik noem de vrees voor straf. Deze vrees is geen ondeugdelijk middel;

toch voelen wij goed, dat wij, uit vrees voor straf de zonde afwerend,

nooit zullen komen tot wezenlijke grootheid.

Dan is daar: de eer. Jozef noemt haar ook. Zie vs. 8 en 9. Het is de eer

van Jozef om dankbaar te blijven voor het vertrouwen, dat Potifar hem

heeft geschonken. Onze eer is een kostbaar bezit; in den strijd tegen de

zonde is zij een vaandel, dat helpen kan en zal om staande te blijven en

vol te houden. Maar dit vaandel kan zinken. En dan?

Er wordt geredeneerd. Jozef zou nu, in de ure der verleiding, ook kunnen

redeneeren. »De vrouw is ongelukkig getrouwd; zij vindt in haren man

geen bevrediging; er is geen echte liefde«.... Daar zinkt het vaandel,

en de strijd wordt opgegeven. Dit gebeurt telkens, nietwaar? ook in

onzen tijd.

Er is een andere steun in ons leven. Dat is de steun, die een mensch ons

geven kan, een vriend, een man of vrouw, die wij eeren.

Ook Jozef heeft dien steun: hij herinnert er aan, wanneer hij 't

uitspreekt, dat hij ontrouw zou zijn aan de vriendschap van Potifar: »al

wat hij heeft, heeft hij in mijne hand gegeven.«

Zoo hebben ook wij dien rijkdom. Een vader, eene moeder, een geliefde,

de vriendschap van een hoogstaand mensch. Maar: moeder sterft, haar

licht schijnt nog na, en gaat dan uit. En vader is toch ook een zondig

mensch; wij krijgen oog voor zijne zonde, en van dit oogenblik af steunt

hij ons niet meer, zooals vroeger. Vader en moeder verlaten ons. De

mensch is, zooals een profeet het uitdrukte, een rietstaf, die afbreekt

in de hand van hem, die daarop leunt.

Vader en moeder bidden voor ons. Waarom? Omdat zij ons niet vasthouden

kunnen, maar God kan het wel. Door God komt de hoogste ernst in ons

leven.

»Ik herinner me nog«--schrijft eene moeder--»hoe mijn kleine jongen,

toen hij een jaar of vijf was en ik zooals gewoonlijk op een avond bij

zijn bedje zat, terwijl hij zijn gebedje opzei, mij plotseling vroeg:

»Moeder, wie van ons beiden is nu het heiligst?« Ik weifelde een

oogenblik en zei toen: »ik denk wel van jij, mijn jongen, omdat je nog

zoo kort geleden bij God waart.« Toen zei het kind met een peinzende

uitdrukking in zijne mooie kinderoogen, terwijl hij ernstig zijn blond

kopje schudde: »neen, ik dacht juist van moeder, omdat moeder toch gauw

weer naar God teruggaat.«

Dat gesprek geeft geen diepe wijsheid, zeker niet de hoogste wijsheid.

Toch getuigt het, van de heiligheid des levens. Want het leven komt van,

en gaat tot God. Wie weet, dat God er is, weet, dat elk oogenblik van

ons leven de nabijheid Gods heeft. Zoo komt er ontzag, vreeze Gods.

Deze vrees is geen bangheid, maar eerbied. Hoe heilig is ons leven!

Het zijn niet de minst sterken, die gebogen gaan onder den ernst van

hun leven. Zij hebben een gevoel van verantwoordelijkheid: hun is

iets kostbaars toevertrouwd, zij vreezen het te verliezen, ja ook de

beschadiging van dat kostbare leven zou ontzettend zijn.

Maar er is meer. De heiligheid van ons leven is ten slotte hierin

gelegen: dat God ons lief heeft. Jozef is in aanraking gekomen met die

wonderbare liefde Gods, zij heeft zijn leven gemaakt tot een heiligdom.

Nu wil de duivel daarbinnen. Dat kan niet, dat mag niet, Jozef verdedigt

het heiligdom, desnoods zal hij vallen voor deze heilige zaak. »Zou ik

zondigen, en Gods liefde bedroeven?«

Wie Gods liefde heeft gezien, is door haar gegrepen, om nu voortaan zijn

leven Hem te wijden. Zonde is vreeselijk; want zij tast het allerhoogste

aan: de liefde Gods. Jozef's leven is vol tegenspoed. Wanneer hij de

zonde ontvlucht, ontvangt hij het kruis. Dit is de wet des levens, ook

voor ons.

Maar wie de liefde Gods kent, »verkiest liever met het volk van God

kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te

hebben«. Want hij ziet »op de vergelding des loons«. Dat loon ligt niet

in de toekomst, maar is reeds nu de zaligheid. Want die Gods liefde

geniet, weet, dat nabij God te zijn het allerhoogste goed is, het

eenige, dat wezenlijk »goed« is.

Jozef is de man, die volstrekt niet afkeerig is van de schoonheid en

macht der wereld, er is in zijn leven plaats voor een troon; maar alleen

Gods heerlijkheid kan die wereld voor hem heerlijk maken. Dat geloof is

de grootheid van Jozef's leven.

Op de Levensreis · 第 31 / 36 题