Misschien bevreemdt het over dit »gevaarlijke« woord een en ander in dit
boek te lezen.
Voor velen is dit woord verdoemd. Zij haten het leerstuk der
uitverkiezing met een bitteren haat. Anderen is het woord »uitverkoren«
buitengewoon dierbaar. Het bevat al hun geestelijk bezit. Het verklaart
het wel en wee des levens; het geeft de oplossing van het raadsel der
onverschilligheid voor eeuwige dingen, die zoo menig leven ontsiert.
Toch geloof ik dat wij veel te weinig hebben nagedacht over wat van ouds
het »cor ecclesiae«, het hart der kerk, is genoemd, en in den Bijbel
zeer dikwijls wordt besproken. Vooral de jonge lidmaten, voor wie deze
regelen in hoofdzaak zijn bestemd, moeten een gevestigde overtuiging op
dit punt verwerven, opdat zij niet stroomloos, in dezen, op godsdienstig
gebied, zoo verwarden tijd, leven.
Een duidelijker verklaring van de uitverkiezing dan door den Heiland
in Johannes 15 gegeven wordt, vind ik nergens in de Schrift. Reeds de
opklimming in dit hoofdstuk is zoo schoon. Eerst spreekt de Heer van
ranken, dan van discipelen, vs. 8, vervolgens van vrienden, vs. 14,
en eindelijk van uitverkoornen, vs. 16. De Heer begint niet met de
uitverkiezing, maar eindigt er mee.
Een tweede gedachte, die in Johannes 15 sterk naar voren treedt is het
verband dat tusschen Christus en de uitverkiezing bestaat. Wij zijn
uitverkoren met Christus, _in_ Christus en _voor_ Christus. Dit is het
troostrijke en het voor allen aannemelijke in de leer der uitverkiezing,
en over deze gedachte zeg ik nu enkele opmerkingen.
* * * * *
Ik ben de ware wijnstok, zoo begint de Heer. Indien deze woorden in de
opperzaal te Jeruzalem gesproken zijn, is de Heiland wellicht tot deze
gedachte gekomen door het zien van den wijn, die bij den Joodschen
Paaschmaaltijd gedronken werd, of door het gezicht op een wijnstok,
welks takken tot in de feestzaal doordrongen. Misschien heeft Hij aan
den wijnstok gedacht, die een der tempelpoorten versierde.
Is de Heer reeds op weg naar Gethsemané geweest, dan heeft Hij
waarschijnlijk een wijngaard gezien, en stilstaande zegt Hij de zoo
bekende woorden tot z'n discipelen. Hij is de ware wijnstok. Zijne
vruchten zijn goed tot spijze en tot verheuging van het hart. De
vruchten van den wilden wijnstok door Eliza's leerlingen verzameld,
brachten den dood in de pot. (2 Kon. 4). De wijnstok in Habakuk's dagen
was onvruchtbaar (Hab. 3: 17), maar Christus is de ware wijnstok. Hij
stelt niemand teleur.
Wie onzer zou in dezen zwakken boom het beeld van den Heiland zien?
Wij zouden Hem veel beter kunnen vergelijken bij den eik, die met zijn
machtigen kruin en frissche takken van heerlijkheid getuigt. Maar deze
woudreus geeft slechts varkensvoedsel, gelijk iemand heeft opgemerkt;
de onaanzienlijke wijnstok geeft de kostelijke druif en de verkwikkende
drank, zijn bloed is beeld van het bloed dat de zonde der wereld
wegneemt. Met zulk een eenvoudigen boom vergelijkt Hij, die geen
gedaante of heerlijkheid had, Zijn leven en werk.
Gelijk elke vruchtdragende wijnstok heeft ook de ware zijn eigenaar.
Mijn Vader, zegt Jezus, is de landman. Hij heeft Christus in dezen
wereldakker geplant. Hij bezit Hem, en draagt voor Hem zorg.
_Hier begint de uitverkiezing._ Christus is door den Vader uitverkoren
om de zonde der wereld weg te dragen voor Gods aangezicht. Christus is
een planting, een gave Gods. Eer de wereld uitverkoren was om den waren
wijnstok tot voedselbodem te dienen, was Christus uitverkoren. Hij is
dan ook de eenige, die in de Schrift met name als een uitverkorene Gods,
van voor de grondlegging der wereld, wordt genoemd. Alle anderen die
in het Nieuwe Testament uitverkoornen heeten, Paulus en »de heiligen
en beminden« te Rome of Corinthe, allen zijn uitverkoren met den Heer.
Zonder Hem zijn zij niets. Zij zijn maar ranken, Hij is de wijnstok.
In Hem ligt al hun kracht.
Ik geloof, dat gij in de uitverkiezing van Christus gelooft. Wie uwer
belijdt niet dat Christus Gods allerbeste gave is, en dat in Hem het
meest de heerlijkheid Gods is geopenbaard? Van al het werk Gods is de
Heiland het middelpunt.
Ook dit zegt ons het beeld van den wijnstok. In Palestina werd aan
den wijnbouw veel zorg besteed. Op de helling van vruchtbare heuvelen
werd de wijngaard aangelegd. Een muur werd om hem gebouwd. Een toren
diende den wachters tot uitkijkplaats. Persbakken werden gemetseld of
uitgehouwen in de rots. Dit alles geschiedde ter wille van den wijnstok.
Hij was van al dezen arbeid het middelpunt.
Nu heeft de hemelsche Vader een schoone wereld geschapen. Hij heeft haar
koninklijk versierd. Alles is gedaan wat aan dien wijngaard te doen was
en van al dien arbeid is de ware wijnstok, Christus, het middelpunt. Hij
is de uitverkorene Gods.
Een wijnstok heeft ranken; zij openbaren het leven van den boom, zij
dragen zijn vruchten. Zonder den wijnstok zijn de ranken niets. Maar als
hij is uitverkoren zijn de ranken het ook. Van al de liefde die aan den
boom gegeven wordt, ontvangen de ranken hun deel. Zonder den wijnstok
zijn de ranken niets.
Deze eenvoudige waarheid wordt dikwerf vergeten. Er is een christendom
zonder Christus. Het trekt vele kringen aan; het heeft de voorkeur van
velen, die in deze dagen wederom belijdenis afleggen van hun geloof.
Maar zonder Christus zijn wij niets. In ieder mensch is een ledige
plaats op Hem berekend; in ieder hart woont een heimwee, dat Hij alleen
stillen kan. Hij is de wijnstok en de menschen zijn Zijne ranken.
Slechts met Hem verbonden is hun leven krachtig, en hun woord vol gezag.
Zoodra wij ons losmaken van de persoonlijkheid van Christus, verbreken
wij de gedachte der uitverkiezing. Dan zijn wij geen ranken van den
wijnstok meer, dus geen voorwerpen van 's Vaders zorg, geen eigendom van
den hemelschen Landman. Dan zijn wij slechts dorre takken voor het vuur
bestemd.
_Met_ Christus zijn wij uitverkoren. Met Hem vereenigd waakt des Vaders
oog over ons en bearbeidt ons des Vaders hand.
Gelooft gij deze uitverkiezing niet? Wilt gij u van Christus straks
scheiden om eigen wegen te gaan? Of klinkt het nog heel duidelijk in u:
»Neen Heer, ik wil van U niet scheiden.« Erkent gij dat Hij woorden en
krachten des eeuwigen levens heeft? Voelt gij dat Hij de weg en de
waarheid is? Belijdt gij: zonder Hem vermag ik niets, met Hem kan ik
alles doen?
* * * * *
Niet alleen _met_ Christus zijn wij uitverkoren, _in_ Hem ook. Waartoe
is een rank bestemd? Tot vruchtdragen zegt de Heer. De ranken moeten dus
geleiders zijn van de levenssappen van den wijnstok. Dat is niet van
alle ranken waar. Er zijn levende en doode ranken. Er zijn ranken, die
volkomen onvruchtbaar zijn.
Van den waren wijnstok geldt dit evenzeer. Deze wijnstok doet zien,
dat er tweeërlei ranken gevonden worden. In den discipelkring treft men
Petrus en Judas aan, een levende en een doode rank. In Jeruzalem leven
Stefanus en Ananias, tweeërlei rank. In de kerk openbaren Luther en de
Paus hun tegenwoordigheid, en van alle menschen is het waar: gij zijt
een levende of een doode rank. Want allen zonder onderscheid zijn ranken
van den wijnstok, door den Vader in deze wereld geplant. 't Is maar de
vraag of wij levende of doode ranken zijn.
Het beeld van den wijnstok is m.i. zulk een heerlijk beeld, omdat zoo
duidelijk gezegd wordt wie ranken zijn.
Tot op dit oogenblik toe kan niemand den wijnstok inenten; alle ranken
behooren van nature hem toe. Zoo kan ook niemand op later leeftijd in
Christus worden ingeplant. Allen behooren Hem van nature toe. Wij kunnen
uitvallen, wij «kunnen verdorren, maar wij behooren allen Christus toe,
zooals elke rank van nature tot den wijnstok behoort. Ranken zijn we,
maar zijn wij levend of dood?
Dat is een ernstige zaak, want er is een groot onderscheid tusschen
een levende en een doode rank! Een levende rank draagt veel vrucht,
een doode rank is voor het vuur. De dorre rank wordt afgesneden.
Weet gij wat dat zeggen wil? Dit is aangewezen te zijn op zichzelf. In
den storm alleen, in de verleiding alleen. Geen toekomst bij de poorten
des doods. IJdel ons werk. Verduisterd onze horizont. Afgesneden voor
goed.
Weet gij wat dat zeggen wil? Geen vergeving der zonden, geen openbaring
der liefde, die alle dingen verdraagt. Geen oor geopend om naar het
klagen van 't menschenhart te hooren. Geen hart met medelijden vervuld.
Omringd van zonde en zelfzucht, pijnlijk gekwetst door de Kaïnsvraag
»ben ik mijns broeders hoeder«. Dit alles wil zeggen afgesneden van den
waren wijnstok te zijn.
Hoevelen zijn in Christus' dagen doode ranken geweest! Zijn woord boeide
hen misschien. Zij beleden en volgden Hem, maar op een afstand en tot
op zekere hoogte. Zij voelden zich niet met Hem een en niet in Hem
uitverkoren. Ten slotte gingen zij toch hun eigen weg.
Nog altijd zijn er velen, die Christus oppervlakkig volgen, en snellijk
van Hem verwijderd worden. Alleen de levende ranken zijn zij, die in Hem
blijven. Zij leven Zijn leven. Zij dragen Zijn vrucht. Ze weten zich
uitverkoren met Hem niet alleen, in Hem ook.
Gelooft gij aan deze heerlijke waarheid der uitverkiezing niet? Ziet dan
maar rondom u en ge zult bemerken dat het leven telkens weer aantoont:
zonder Christus geen waarachtig christelijk geloof en leven, met
Christus alleen een bedenken van de dingen die boven zijn. Onderzoekt u
zelven dan ernstig of gij levende dan wel doode ranken zijt.
* * * * *
Wij zijn eindelijk ook uitverkoren voor Christus. De ranken moeten den
roem van den wijnstok verhoogen. Daarom spreekt de Heiland eerst van
vrienden en dan van uitverkoornen. Vrienden toch kunnen en willen
zichzelven zóó verloochenen dat Christus eer ontvangt. Zij plaatsen Hem
op den voorgrond en treden zelf terug. Zij willen niets zijn, opdat Hij
alles worde in hun en anderer leven.
Zietdaar het heerlijk doel der uitverkiezing. Weinig wordt dit begrepen.
Menigeen die een christen zich noemt, zoekt de eer van Christus niet te
verhoogen. Daar is veel christelijk tooneelspel en bedrog. Velen willen
niet van »uitverkiezing« weten, omdat zij dan zichzelf moeten verliezen.
En anderen willen alleen uitverkorenen zijn, omdat zij dan zichzelven
kunnen verheerlijken, maar geen van deze beide soorten van menschen
kunnen Christus' vrienden worden genoemd.
De Schrift leert dat de uitverkiezing ten doel heeft Christus' beeld te
dragen, Christus' roem te verhoogen, Christus' liefde als den troost van
het leven aan anderen te brengen.
In het veeltijds misbruikte woord Rom. 8: 29 en 30 lezen we duidelijk
het doel der uitverkiezing: »want, die Hij te voren gekend heeft, die
heeft Hij ook te voren verordineerd _den beelde Zijns Zoons gelijkvormig
te worden_«. Christus moet wassen. Wij moeten minder worden. Maar
slechts die Jezus' vrienden zich weten, willen Zijne uitverkoornen zijn.
Zij kussen de hand van den hemelschen Hovenier als Hij op wonderlijke
wijze hun leven door middel van Zijn snoeimes reinigt, hen van levende
ranken tot discipelen vormt, tot vrienden heiligt en hun hunne
uitverkiezing _met_ en _in en voor_ Christus volkomen bewust maakt.
Zij begrijpen dat druiven hitte van noode hebben om anderen te kunnen
verkwikken en verbazen zich dus niet over de loutering van de smart, die
in hun leven wordt geopenbaard. Zij wachten en dulden. Immers niet in
één oogenblik heeft deze Vader in de hemelen zijn doel bereikt. Niet in
één uur is ons hart rein voor God. Maar het komt. Reeds is het woord der
verlossing gesproken. Straks zal de daad der verlossing volkomen zijn
vervuld.
Gelooft gij aan dit doel der uitverkiezing? Benaarstigt u dan uwe
roeping en verkiezing vast te maken. Hoe kunnen wij dat doen? Door te
blijven in den Heer. Van nature behooren wij bij Hem. Hij is de wijnstok
en wij zijn de ranken. Hij is de verlosser en wij zijn de verloornen.
Zoo laat ons dan in Hem blijven. Dan dragen wij vrucht. Dan worden wij
ons meer en meer bewust discipelen, vrienden, uitverkorenen te zijn.
De onvruchtbare rank moet afgesneden worden. Want de voortreffelijkheid
van den stam blijft verborgen als de rank geen vrucht draagt.
Slechts de levende rank is Christus waardig. Zij blijft in Hem en Hij is
haar leven en kracht.
Laat ons dus in Christus blijven. Allereerst in Zijn woord.
Het woord van Christus wone rijkelijk in ons. Het leere ons bidden en
danken, het leere ons spreken al wat liefelijk is en wel luidt. Dat
woord zij de toetssteen onzer gedachten, de oordeeler onzer daden, de
bezieler van ons woord. Het zij de kracht van onze persoonlijkheid.
Laat ons vervolgens blijven in de liefde. Toen ik nog in het bezit van
een grooten pastorietuin was heb ik veel van de bloemen geleerd. Ik
bemerkte dat de eene bloem de andere benadeelde en belemmerde in den
groei. Wat schoon had kunnen zijn op zichzelf, en een versiering van
de omgeving, werd nu tot schande en schade vaak. Zooals de eene bloem
de andere vergiftigt of ziek maakt is dikwerf ook de eene mensch een
schade voor een ander. Dat behoeft niet zoo te zijn. Gezegenden kunnen
en moeten ten zegen zijn. Blijft in de liefde. Strooit hare bloemen
rondom u. Brengt haar geuren in der armen hut en in het aanzienlijke
huis. Blijft één als lidmaten van Christus. Blijft vrienden van Jezus
en vrienden van Zijn vrienden. Toont de praktijk der uitverkiezing,
in woord en wandel, tot verheerlijking van uwen Heiland en Heer, tot
verhooging van uwe geestelijke kracht, tot beveiliging van wat rondom u
den Heer losgelaten heeft.