»Waarover?«
»Over dat examen.«
»Daar komt niets van.«
»Meneer heeft vanmorgen gezegd, dat de jongens, die 't wilden doen, zich
nu moesten aangeven.«
»En wat wou je dan?«
»U vragen of u me nu wil aangeven.«
»'k Heb 't je immers gezegd, dat 'r niets van komt. Je komt mij helpen
in 't timmeren en in de bouwerij, en later doen we samen. Dat's ook veel
beter voor je. Begrijp je dat niet, jongen,« vroeg Van Kempen met een
zweem van plots ontwakend vaderlijk gevoel, »heb-je wel 'ns gekeken
hoeveel dokters 'r hier in de stad wonen? We stikken in de dokters. Ze
halen mekaar 't brood uit den mond. Op 't Prinsenplein wonen er tien
bij mekaar, en ze zijn blij als er 'n patiënt komt. Kom, jongen, wees
wijzer. Kijk naar je vader. Als je pienter in ons vak bent, is 't 'r
wat te verdienen. En daar is 't een mensch toch maar om te doen. Als je
vader niet zoo had gewerkt, hadt jij ook niet op zoo'n school kunnen
gaan. En 't is jammer genoeg, want daar heb je die gekheid vandaan. Als
je gewoon zooals ik, 'n beetje lezen, schrijven en rekenen had geleerd,
was je er nooit op gekomen. Maar dat Fransch en al die fratserij heeft
je kop op hol gebracht. Je wil zeker later ook zoo'n deftige meneer
worden en in een koetsje rond rijen? En straks geen geld om den koetsier
te betalen, hè? Ja, sta nou maar niet te grienen, want gebeuren doet 't
toch zooals ik 't wil, begrijp je? Als 't vacantie is, ga-je van school
af, en kom je in de werkplaats.«
* * * * *
Als een verslagene stond Henk daar. Daar was iets heel moois in hem
beleedigd. Zijn ideaal was hem altijd iets heiligs geweest, onbezoedeld,
hoog boven de besmeurende vingers der menschen uit. Niemand, die 't naar
omlaag kon halen. Ook nu was het niet naar omlaag gehaald. Nog even hoog
en rein zweefde het daar boven hem. Maar--evenals die keer, maar nu veel
erger--dat zijn vader, zijn eigen vader er zóó over oordeelen kon, zóó
grof, zóó plomp, dat deed hem zoo'n pijn. Geld verdienen, geld bij
elkaar schrapen, alsof hij daar ooit aan gedacht had, als hij daar
in zijn gedachte zegen-aanbrengend tusschen de menschen doorging!
't Leek hem zoo iets ontzettend, 'n heiligschennis! En een heel erge
heiligschennis ook! 't Was weer net als die vorige keer: Henk zei niets
meer, maar ging zonder verder een woord te spreken naar zijn moeder. Zij
zag de doodelijke bleekheid van zijn gezicht en in haar medelijden met
haar kind zei ze: »Bid tot den Heer, Henk, wie weet wat er nog gebeurt!«
En toen ging hij naar boven, viel op zijn bed neder en barstte uit in
tranen.
Twee dagen later kwam de hoofdonderwijzer om Van Kempen even te spreken.
Hij werd in de voorkamer gelaten en zoodra Van Kempen binnenkwam, begon
hij over Henk. De jongen had er op school zoo ongelukkig bij gezeten,
dat hij begreep dat er iets aan schortte. Na veel vragens was hij er
achtergekomen, dat Henk voor zijn vader niet naar 't gymnasium mocht.
Dat was heel jammer, beweerde de heer Jansen, de jongen had een goed
hoofd om te leeren. »U zult eens zien, meneer Van Kempen,« eindigde hij
zijn pleidooi, »er steekt een heel goed verstand in uw zoon, hij zal
misschien van al mijn leerlingen het beste toelatings-examen doen, u
zult eer met hem inleggen.«
Van Kempen, die al dadelijk met een gemelijk gezicht was binnengekomen
en voortdurend onwillig had zitten kijken, schudde het hoofd. »Neen,
meneer,« zei hij, »daar kan niets van komen, heb 'k al tegen Henk
gezegd. De jongen moet me helpen in de bouwerij«--en toen de heer Jansen
er iets tegen inbracht over aanleg en roeping--»ach, met uw verlof, dat
vind 'k malligheid. Die jongen z'n roeping ligt vlak voor hem. Dat kan
ieder zien, die oogen heeft. Waar kan-ie 't beter hebben als bij z'n
vader? Neen, ik vind 't heel vriendelijk van U, dat U zooveel belang in
hem stelt, maar die studie, daar komt niets van, hij komt bij mij in de
werkplaats.«
De heer Jansen kon heengaan en nam tamelijk koel afscheid.
Een paar weken later had het toelatings-examen plaats en Henk's makkers
slaagden allen. Maar hij stond dienzelfden dag voor 't eerst in de
timmermanswerkplaats.
* * * * *
Van dien tijd af was er een groote droefheid in Henk. Hij was als
iemand, die een zwaren schok heeft gekregen en daarvan altijd onder den
indruk blijft. Dat was de schok van zijn eerste smartelijke kennismaking
met het menschen-wee. Hij had dien schok al vroeg gekregen, en kwam 't
niet spoedig te boven.
Hij voelde zich niet vernederd, hij wrokte niet over zijn
teleurstelling. Maar hij was bedroefd. Hoe kon dat zoo? vraagde hij zich
al maar af. Waarom was hij niet naar het gymnasium gegaan? En hoe moest
hij nu dokter worden? 't Werd langzamerhand een stil kwijnen in hem
over dat ideaal, dat hij wel niet verloren had,--o neen!--maar dat nu
op eens zooveel verder van hem af lag. Als hij 's avonds geknield voor
zijn ledikant lag, was zijn bidden iets heel anders dan het vroeger
geweest was. Toen was 't een echt kinderlijk, blijmoedig gebed geweest,
een vertrouwelijk spreken met zijn hemelschen Vader, dien hij
eenvoudig-weg liefhad. Nu was 't dikwijls als een tasten in den blinde,
als een gedurig vragen, zonder dat er antwoord volgde.
Dikwijls droomde hij er van. Eens zag hij zichzelf in zijn droom aan
den oever van een sloot staan en aan den overkant van die sloot lagen
allerlei ongelukkige menschen. Er waren er met afzichtelijke wonden aan
het hoofd en met verminkte ledematen, die zij klagend omhoog staken. Een
was erbij, die gilde van pijn, en wiens gelaat stuipachtig verwrongen
was. En in de verte liepen blinden, die tastend voetje voor voetje
voortgingen en naar hem toekwamen. Ze riepen allen met smeekende stem of
hij ze wilde komen helpen, en dat hij de eenige was, die dat doen kon,
maar toen hij zich gereed maakte om de sloot over te springen, werd die
sloot op eens veel breeder en al breeder, zoo wijd haast als een zee. In
de verte zag hij al die ongelukkigen verdwijnen. Wanhopig staken zij de
handen of de stompen van ledematen naar hem uit, maar hun droevig
schreeuwen stierf eindelijk geheel weg.
Toen Henk dien droom eens gehad had, kwam die telkens weer. En gedurig
dezelfde droom, zoodat hij ten slotte al wist, wat er komen moest.
Daarna werd hij soms huilend wakker. Als hij dan 's morgens aan zijn
werk moest, ging 't nog veel moeilijker dan anders. Gedurig zag hij nog
die vreeselijke figuren uit zijn droom en hij had dan een gevoel van
zelfverwijt, alsof 't eigenlijk zijn schuld was, dat al die ongelukkigen
zonder hulp bleven.
Op een Zondagmiddag nam zijn vader hem mee naar het ziekenhuis. Een
jongere broer van Van Kempen lag daar in een der groote zalen. Hij was
sigarenmaker, had 't niet zoo ver weten te brengen als zijn broer.
Sinds eenige maanden had hij het werk moeten opgeven. Rust nemen,
had de dokter gezegd; dan wordt 't misschien nog beter. En hoewel de
omstandigheden dat niet toelieten, had hij wel moeten gehoorzamen. Maar
het borst-lijden was toegenomen, en de dokter had opneming in het
ziekenhuis gelast.
Toen Henk daar zoo bij dien armen uitgeteerden man stond, voelde hij een
groot medelijden in zich opkomen. En daar links en rechts, en aan de
overzijde der zaal, waàr hij ook heenzag, waren ook ledikanten met oude
en jonge patiënten, kinderen dikwijls nog, jonger dan Henk zelf. Hij had
wel één voor één al die zieken een hand willen geven en met hen spreken
en ze troosten en beter maken. Plots schoot hem zijn droom te binnen, en
tranen kwamen in zijn oogen, toen hij bedacht, dat die mogelijkheid nu
zoo ver van hem verwijderd was.
Toen ze even het ziekenhuis uit waren, vroeg Van Kempen hem opeens:
»zou je nu nog dokter willen worden, als je al die ellende van dichtbij
ziet?« Hij had er nooit meer met Henk over gesproken, maar nu had hij
hem eigenlijk met opzet meegenomen, om hem nog beter te laten gevoelen
hoe wijs zijn vader er toch aan gedaan had zóó voor hem te kiezen.
Met verwondering hoorde hij Henk antwoorden: »Heerlijk om al die
menschen te kunnen helpen!«
»Malle jongen!« was 't eenige, wat hij nog zei, en zwijgend gingen zij
verder den weg naar huis.
* * * * *
Toen 't zoo een jaar geduurd had, kòn Henk niet meer. Van Kempen had
't eerst niet willen zien. Als de familie-leden, naar wie hij nog eer
luisterde dan naar zijn vrouw, hem opmerkzaam maakten op Henk's
matbleeke, ingevallen gezicht, lachte hij er om.
Maar toen Henk op zekeren morgen een flauwte kreeg en naar bed gebracht
moest worden, begreep hij toch wel, dat 't ernst was.
De dokter, die erbij geroepen werd, en Henk onderzocht, was niet zoo
spoedig met zijn oordeel gereed.
»Tobt die jongen ergens over?« vraagde hij eindelijk. Hij vraagde 't aan
Van Kempen, toen zij naar beneden waren gegaan, terwijl Henks moeder nog
bij hem boven gebleven was.
»Waar zou hij over tobben?« trachtte van Kempen onverschillig te
antwoorden.
»Zoo iets moet 't toch zijn«, zei de dokter weer, »want een bepaald
gebrek of aanleg voor een kwaal heb ik niet bij hem ontdekt. Kunt u zelf
niet nagaan, wat hem scheelt?«
»Och, wat zou 't zijn? de jongen heeft al wat-ie hebben kan.«
»Vreemd toch,« prevelde de dokter. »Hij geeft er mij heelemaal den
indruk van. Enfin, u moet hem trouw laten innemen en maar in bed laten
blijven. Over 'n paar dagen kom ik nog eens terug.«
Toen de dokter terugkwam, vraagde hij of hij eens een poos met den
patiënt alleen mocht zijn. Hij wilde hem een en ander vragen. En een
kwartier daarna wist hij al opperbest, wat er aan mankeerde. »U moet uw
jongen zijn zin geven,« zei hij tot Van Kempen, »anders gaat hij kwijnen
en dan kon u hem weleens verliezen. Ik sta voor niets in, als er geen
verandering komt.«
Een half jaar later was Henk op het gymnasium. Van Kempen had moeten
berusten in het onvermijdelijke.
»Maar«, zei hij, den dag, dat hij zijn toestemming gegeven had, »jij met
je geloof en je meelijden met de arme menschheid, jij helpt je zelf naar
de maan; later zal 't je nog eens berouwen, dat je niet naar je vaders
woorden geluisterd hebt; denk daar maar eens om!«
* * * * *
Zestien jaren zijn verloopen.
Henk heeft zich na een schitterende promotie gevestigd in den Haag, en
verheugt zich in een toenemende chirurgische praktijk. Zijn patiënten
roemen hem zeer, en menige hartelijke handdruk bij zijn vertrek bewijst,
dat hij hun harten gewonnen heeft.
Er is in dezen dokter iets bijzonders, dat de menschen nog bijna nooit
in een anderen hebben gevonden. Iets in zijn stem, in zijn blik neemt ze
dadelijk voor hem in. De meesten onder hen kunnen zich niet verklaren
wat 't is. Maar sommigen weten 't wèl; zij voelen 't bij intuïtie: deze
man gelooft! En al heeft hij 't hun niet gezegd, zij weten, dat Dr. Van
Kempen zijn patiënten maar niet aanziet als een soort van voorwerpen,
waarop hij proeven neemt, maar dat ieder van hen voor hem een schepsel
Gods is, wonende in een brozen tabernakel, tot welks onderhoud en
genezing God hem heeft geroepen. En als de dag, de dikwijls zoo zware
dag, ten einde loopt, buigt hij de knieën voor zijn God en gedenkt al
zijn zieken hoofd voor hoofd in den gebede. En 't zijn nog andere, dan
alleen hun lichamelijke ellenden, die hij dan voor God brengt en waarvan
hij den hemelschen Vader smeekt hen te verlossen.
* * * * *
Er wacht hem nog een zware beproeving. De oude van Kempen had al
geruimen tijd gesukkeld. Lang had hij zich op de been gehouden en
gemelijk geantwoord, als men hem aanraadde naar bed te gaan en medische
hulp in te roepen.
Maar eindelijk was 't hem te machtig geworden. Daar ligt hij nu neder,
met pijnlijk verwrongen gelaat, de anders zoo forsche en zeker toch
energieke man.
Hij heeft 't zoo lang mogelijk tegengehouden en er niets van willen
weten, dat Henk hem onderzoeken zou, maar den laatsten tijd zijn de
pijnen hand over hand toegenomen en ten slotte ondragelijk geworden.
Nu moet er operatief ingegrepen worden. »En 't zal er op of onder
zijn«, zegt met bedenkelijk gelaat de collega, met wien Dr. Van Kempen
consult houdt, omdat hij alleen de verantwoording niet wil dragen.
»Blindedarmoperaties, je weet er alles van! Vooruit kunnen we nooit iets
zeggen. 't Is een naar geval voor je, waar 't je eigen vader betreft.
En als je er erg tegen opziet, wil ik 't wel van je overnemen. Bedenk
je maar eens en telefoneer me maar, als je me noodig hebt«.
Dat wordt een gebedsstrijd voor den nu meer dan ooit, zwaar beproefden
zoon. Maar in dien strijd maakt God 't hem duidelijk, dat hij in Zijn
kracht de zware taak mag aanvaarden.
Vier en twintig uren later is alles voorbij en mag men hopen, dat de
patiënt behouden is. En op zijn knieën dankt Van Kempen den God van alle
genade, die zijn hand leidde en bestuurde, zoodat hij zonder beven zijn
werk kon verrichten.
Als na een paar dagen de zieke weer spreken mag, staan zijn vrouw en
zijn zoon bij zijn bed.
»Is 't goed?« is zijn eerste vraag, en als zij beiden zich haasten van
ja te knikken, en hij weder vraagt: »wie heeft 't gedaan?« wijst met
stillen trots de dankbare moeder naar haar zoo geliefd kind.
Een traan blinkt in het oog van den grijsaard.
Of dat hart ook gebroken was?